id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 augustus 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.445 Rolnummer: A. 118828/XIV-9292 Zaak: Arrest 134445 - - 31/08/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-04 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-04 08:40 Fiche Arrest nr 134.445 van 31 augustus 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.445 van 31 augustus 2004 in de zaak A. 118.828/XIV-
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat M. KADIMA, kantoor houdende te 4040 HERSTAL, Rue Hoyaux 135 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 27 maart 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 5 maart 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 28 februari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 5 maart 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 3 april 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 22 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 mei 2004; XIV-9292-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. KIWAKANA, die loco advocaat M. KADIMA verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 14 december 1999 en zich vluchteling verklaart op dezelfde dag; dat op 28 februari 2001 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 5 maart 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: "U, een Russisch staatsburger van joodse origine verklaart verscheidene problemen te hebben gehad omwille van uw origine. Op 12 december 1999 verliet u uw land vergezeld van uw twee kinderen XXX en XXX. Op 14 december 1999 bent u in België aangekomen waar u op dezelfde dag asiel hebt aangevraagd. U bent in het bezit van een kopie van uw intern paspoort. Ter staving van uw asielrelaas hebt u volgende feiten aangehaald: In augustus 1997 werden u en uw moeder voor het eerst geslagen omwille van uw joodse origine. U werd allebei in het ziekenhuis nr. 11 te Omsk opgenomen. U had ernstige verwondingen. Nadat u uit het ziekenhuis werd geslagen, diende u klacht in bij de wijkagent. Op 29 mei 1998, op uw verjaardag, bedreigde uw buurvrouw u telefonisch. Het bleef niet bij een bedreiging want op 2 Juni 1998 drong ze uw huis binnen samen met drie mannen, en gekleed in een RNE-uniform. U werd bedreigd, uitgescholden en geslagen. U diende opnieuw klacht in bij de wijkagent. Deze stelde een proces-verbaal op en zorgde ervoor dat u een medisch-gerechtelijk expertise aangaande uw verwondingen kon laten uitvoeren, zodat een strafzaak tegen uw buurvrouw kon geopend worden. Toen u hem de expertise bezorgde, bleek uw buurvrouw een tegengestelde verklaring te hebben afgelegd en ook een medisch- gerechtelijke expertise te hebben bijgevoegd. Daardoor werd er een strafzaak tegen u geopend die afgesloten werd met een minnelijke schikking, die u opgedrongen werd door de bemiddelende onderzoeksrechter van de UVD. Op 5 juni 1999 werd u aangevallen door 5 tot 6 mannen van het RNE in uniform. U werd verwond aan het kaakbeen en u had een hersenschudding. U bent in het ziekenhuis nr. 11 opgenomen. Wanneer u daar werd ontslagen bent u naar de UVD gestapt, omdat de wijkagent zelf teveel schrik had om u te kunnen helpen. Nadien werd u telefonisch bedreigd door zowel uw buurvrouw als enkele mannen. Men eiste dat u het land verliet. Op 1 september 1999 is uw winkel afgebrand. De politie kwam kijken maar stelde geen onderzoek in. Diezelfde dag nog kreeg u opnieuw een dreigtelefoon, waarin men zei dat hetgeen met de winkel gebeurd was, u ook zou overkomen. Op 9 oktober 1999 kwam de politie bij u binnen en voerde een huiszoeking uit. De agenten stopten 1,5 gram opium in uw jas en beschuldigden u bijgevolg valselijk van drugsbezit. U werd opgepakt en vijf uur later werd u terug vrijgelaten. Opnieuw volgde een telefonische bedreiging, waarbij men alludeerde op uw arrestatie. Daarop stapte u naar de leider van het plaatselijke bureau van het RNE, Alexei Dimitrivich Vasiliev. Deze zei dat hij u niet kon helpen. Sinds midden november 1999 verliet u uw woonplats. U ging nog even thuis langs om wat zaken op te halen alvorens definitief te vluchten. Opnieuw begon men op uw deur te kloppen. U riep terug dat u niet meer kon, dat u zou vertrekken. XIV-9292-2/6 Sinds uw aankomst hier in België, namelijk op 22 Oktober 2001, is uw broer overleden in verdachte omstandigheden. Een vriend van uw broer heeft een brief ontvangen waarin uw ouders, kinderen en uzelf worden bedreigd. Uw broer wist namelijk iets over illegale wapenhandel. U weet niet juist wat uw broer wist, want u bent al lange tijd in België. Vooreerst dienen ernstige tegenstrijdigheden tussen uw opeenvolgende verklaringen bij de dienst Vreemdelingenzaken en bij het commissariaat-generaal voor vluchtelingen en staatlozen te worden opgemerkt. Bij de dienst Vreemdelingenzaken beweer u, samen met uw moeder, voor het eerst te zijn aangevallen in juli 1997 door vier mannen in uniform. U lichtte toe dat jullie geduwd en gestampt werden, waardoor uw moeder viel en verzorging nodig had (DVZ, nr. 42, 1e bladzijde). Bij het commissariaat-generaal plaatst u deze eerste aanval in augustus
- U en uw moeder kwamen in het ziekenhuis nr. 11 terecht. U had ernstige verwondingen aan de schedel/hersenen, uw zenuwstelsel en uw hart waren aangetast (CGVS,p. 12-13). Gezien de ernst van deze verwondingen lijkt het onwaarschijnlijk dat u dit vergat te vermelden bij het eerste interview. Bij het incident van 2 juni 1998 heeft u het bij de dienst Vreemdelingenzaken over twee mannen van het RNE en uw buurvrouw die u bij u thuis sloegen (DVZ, nr. 42, 2e bladzijde). Bij het commissariaat-generaal heeft u het over drie mannen van het RNE en de buurvrouw die bij u langs kwam om u te slaan (CGVS, p. 13). Verder vertelt u inzake dit incident bij de dienst Vreemdelingenzaken dat de wijkagent bij u thuis kwam meedelen dat uw buurvrouw een tegengestelde verklaring had afgelegd, waarin stond dat u de buurvrouw en de twee mannen van het RNE zou hebben uitgescholden, waarop zij u sloegen (DVZ, nr. 42, 3e bladzijde). Bij het commissariaat-generaal zegt u dat de wijkagent u van de tegenklacht van uw buurvrouw op de hoogte bracht in zijn kantoor, en dat uw buurvrouw u ervan beschuldigde haar te hebben geslagen (CGVS, p. 14-15). Na de aanval van 5 juni 1999 die tegen u gericht was, vertelt u bij de dienst Vreemdelingenzaken dat een politieagent een PV opstelde waar u verder niets meer van hoorde en dat u naar het hoofdkwartier van het RNE ging (DVZ, nr. 42, 4e bladzijde). Bij het commissariaat-generaal heeft u het over het PV van de agent en de daaropvolgende klacht die u, per brief, richtte naar de UVD. Pas verder in uw verhaal, na de huiszoeking op 9 oktober 1999, haalt u aan naar het hoofdkwartier van het RNE te zijn gegaan, als een laatste poging om uw problemen op te lossen, omdat bleek dat de politie u niet kon helpen (CGVS, p. 9-10). Het lijkt eigenaardig dat u tegengestelde verklaringen aflegt aangaande de autoriteiten die u bescherming horen te bieden en de belangrijke stap die u zette naar uw belagers toe. Bij de dienst Vreemdelingenzaken vertelt u dat uw winkel door een bom werd vernield en uitbrandde. U werd op de hoogte gebracht door een vrouw die naast de winkel woonde (DVZ, vraag 42, 4e bladzijde). Bij het commissariaat-generaal heeft u het over ontvlambare vloeistof die de oorzaak zou geweest zijn voor de brand. U werd op de hoogte gebracht door de nachtwaker XXX die van bij uw chauffeur de brandweer en u verwittigde (CGVS, p. 6-7). Tenslotte aangaande het laatste incident dat u op 9 oktober 1999 overkwam, verklaarde u bij de dienst Vreemdelingenzaken dat drie politiemannen binnenkwamen voor een huiszoeking (DVZ, nr. 42, bladzijde 6). Bij het commissariaat-generaal heeft u het over zes politieagenten, waarvan er vier de huiszoeking uitvoerden en twee u vasthielden (CGVS, p. 8). Al deze elementen samen tasten de geloofwaardigheid van uw verklaringen al enigszins aan. Verder stroken uw verklaringen nit met de informatie in het bezit van het commissariaat- generaal. Zo is de naam van de leider van het RNE te Omsk Alexei Nikolaev, en niet Alexei Dimitrivich Vasiliev zoals u beweert (Bron: Union of Councils of Sovjet Jews’, ‘Antisemitism, xenophobia, and religious persecution in Russia’s regions 1999-2000).’ Verder blijkt uit de gegevens waarover het CGVS beschikt, dat de autoriteiten van Omsk wel degelijk reageren teen RNE-leden en de joodse gemeenschap bescherming bieden. Zo werden op 31 maart 2000 12 RNE-leden door de politie gearresteerd. Ook werd de joodse synagoge in Omsk extra beschermd door de politie nadat de ramen ervan verschillende keren werden ingegooid in 2001 (informatie CEDOCA, 4 februari 2002). Uit deze informatie blijkt dus dat, in tegenstelling tot hetgeen u beweert, de autoriteiten te Omsk geenszins samenspannen met het RNE in hun anti-joodse activiteiten maar deze integendeel actief bestrijden. Bijgevolg kan niet uit uw asielrelaas worden afgeleid dat u om één van de redenen van de Conventie geen beroep kon doen op de bescherming van de autoriteiten van uw land. Een gegronde vrees voor vervolging kan dan ook niet worden vermoed. Verder dient opgemerkt te worden dat de ingeroepen feiten plaatselijk van aard zijn. Uw joodse origine, die u naar eigen zeggen alle aangehaalde problemen bezorgde, staat niet op uw identiteitsdocumenten vermeld. Niets belet u dus, zich elders in uw land te vestigen. U heeft hiertoe echter geen enkele poging ondernomen, maar bent rechtstreeks naar België gekomen. Los van uw persoonlijk asielrelaas, motiveert u uw huidige vrees door te verwijzen naar het overlijden van uw broer. De problemen van uw broer die tot zijn dood zouden geleid hebben, zijn gebaseerd op vermoedens. De video die u aandraagt als bewijsstuk toont een militaire begrafenis van een jongeman. De video bewijst niet de verwantschap die u beweert te hebben met de overledene of vermoedens die u hebt aangaande het overlijden van deze persoon. U verblijft reeds lange tijd in België, onderhield geen contact met uw broer en weet XIV-9292-3/6 niets concreet over de informatie die hem in gevaar bracht. U haalt geen concrete elementen aan die erop wijzen dat u door de problemen van uw broer gevaar zou lopen. Daarenboven stuurde u ondanks deze vermeende dreiging uw kind, dat medische verzorging nodig heeft, terug naar de Russische Federatie. Indien u en uw kinderen werkelijk in gevaar zijn, zou u er wellicht de voorkeur aan geven uw kind verder in België te laten behandelen. Het lijkt me dan ook niet aannemelijk dat u en uw kinderen door de problemen van uw broer in gevaar zouden verkeren om één van de criteria voorzien in de Conventie van Genève van 28 juli
- Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde geen vermoeden van het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De documenten die u voorlegt ter ondersteuning van uw asielaanvraag, wijzigen deze conclusie niet. De drie medische attesten van 8 augustus 1997 bespreken uw medische problemen en de onderzoeken die u onderging, maar bevatten geen enkele verwijzing naar een fysieke aanval die de oorzaak zou vormen van deze problemen, hetgeen vreemd is. Het attest van de medische expertise dd. 3 juni 1998 vermeldt uw verklaring dat de verwondingen door de buurvrouw zijn toegebracht; er wordt echter geen enkele melding gemaakt van RNE-mannen die u ook zouden aangevallen hebben, hetgeen zeer vreemd is. Het attest dat bevestigt dat de strafzaak tegen uw buurvrouw geseponeerd werd, vermeldt enkel dat u klacht indiende tegen uw buurvrouw, en blijkbaar niet tegen de RNE-leden, hetgeen opnieuw zeer vreemd is. Het uittreksel uit uw medische kaart is slechts een fotokopie waaraan geen bewijswaarde kan worden gehecht. Hetzelfde geldt voor het antwoord van de UVD dd. 29 juni 1999, waarin het openen van een rechtszaak geweigerd wordt. Het attest van de brandweer bevestigt dat een winkel ‘Atlantor” is uitgebrand op 1 september 1999, mogelijks tengevolge van brandstichting. Uit dit attest, noch uit de andere documenten blijkt echter dat u de eigenares van deze winkel was. Er wordt bovendien ook niets meegedeeld over de vermoedelijke dader(s). De verklaring van februari 2000 bevestigt dat een huiszoeking werd uitgevoerd op 9 oktober 1999 en dat 1,( gram opium werd gevonden. Deze verklaring verkreeg u op schriftelijk verzoek van 15 januari
- Het lijkt zeer onwaarschijnlijk dat u dit document zou gekregen hebben, indien er kwaad opzet vanwege de politiediensten in het spel zou zijn geweest. De overige door u voorgelegde documenten (intern paspoort, geboorteaktes kinderen, echtscheidingsakte, diploma met bijlage, certificaat betreffende de verandering van uw familienaam, attest wijziging geboorteaktes kinderen, medisch attest dochter, familiefoto’s) betreffen enkel uw identiteit en persoonlijk leven en die van uw kinderen, maar bevestigen geenszins uw verklaringen m.b.t. de problemen die u zou gehad hebben. De krantenartikels en het programma van het RNE bevatten enkel algemene informatie en hebben geen betrekking op u persoonlijk. De video toont de begrafenisplechtigheid van een militair en de verblijfplaats van de militairen. Zoals hiervoor reeds vermeldt, bevestigt de video niets van uw vermoedens i.v.m. de dood van uw broer.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het beginsel van behoorlijk bestuur; dat de verzoekende partij betoogt dat zij en haar moeder aangevallen werden door vier mannen in uniform van het fascistische RNE omwille van hun joodse origine, dat zij daadwerkelijk bedreigd, beledigd en geslagen werd door haar buurvrouw in het bijzijn van drie leden van het RNE, dat zij pas kennis kreeg van de tegenklacht van haar buurvrouw op het ogenblik van haar eigen klacht, dat haar verklaring over het proces-verbaal van 5 juni1999 niet tegenstrijdig is, dat zij nooit heeft verklaard dat haar winkel door een bom werd geraakt doch dat het om een ontvlambare stof ging, dat de schuldigen nooit werden vervolgd en dat op 9 oktober 1999 een huiszoeking plaatsvond in haar woonst, dat het RNE verschillende leiders heeft, waaronder Alexei Dimitrivich Valsiliev, dat de informatie van de commissaris-generaal over de houding van de Russische autoriteiten ten aanzien van het RNE en over de bescherming die zij zouden bieden aan de joodse gemeenschap niet algemeen aanvaard is, dat een vervolging van een jood elders in Russische Federatie mogelijk blijft, dat er wel degelijk een link is tussen haar vlucht en de moord op haar broer XIV-9292-4/6 door RNE-leden, dat dit zichtbaar is op de video-opname, dat de door de verzoekende partij afgegeven documenten de gegrondheid van haar vrees voor vervolging staven, dat zij niet werd verhoord door de commissaris-generaal en dat de bestreden beslissing derhalve niet gemotiveerd is en de bovenvermelde bepalingen schendt; 2.
- Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen vereist dat de rechtsonderhorige in de hem aanbelangende beslissing kan lezen op welke gronden die beslissing is gesteund, zodat hij met kennis van zaken kan oordelen of het zinvol is gebruik te maken van de rechtsmiddelen waarover hij in rechte beschikt; dat die gronden op eenvoudige wijze in de bestreden beslissing kunnen worden gelezen, namelijk het bestaan van ernstige tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van de verzoekende partij op de dienst Vreemdelingenzaken en op het commissariaat-generaal, de informatie in het bezit van het commissariaat-generaal over de naam van de leider van het RNE te Omsk, de houding van Russische autoriteiten ten aanzien van de RNE-leden en de bescherming van de joodse gemeenschap, het bestaan van een intern vluchtalternatief in de Russische Federatie en het feit dat de problemen van de verzoekende partij op loutere vermoedens steunen; dat daarmee aan de voornaamste vereiste van de formele motiveringsplicht is voldaan en dat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende, in de mate dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing inhoudelijk aanvecht en daarmee de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt, dat de verzoekende partij zich daarbij beperkt tot het herhalen van haar eigen standpunt, zonder dit met concrete gegevens te staven; dat zij daarmee niet aantoont dat de bestreden beslissing is genomen op grond van onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze; dat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende, in de mate dat de verzoekende partij de hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur geschonden acht, dat blijkens het administratief dossier de verzoekende partij op de datum van 14 januari 2002 verhoord werd door de commissaris- generaal in de aanwezigheid van een tolk in het Russisch en dat het middel in die mate ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-9292-5/6 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénendertig augustus tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-9292-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.445 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.