← België

Arrest 134448 - - 31/08/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 augustus 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.448 Rolnummer: A. 137839/XIV-15513 Zaak: Arrest 134448 - - 31/08/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-09-23 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 08:40 Fiche Arrest nr 134.448 van 31 augustus 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.448 van 31 augustus 2004 in de zaak A. 137.839/XIV-15.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat V. DE MEY, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Quinten Matsijslei 34 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kameroense nationaliteit, op 22 maart 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 8 maart 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 14 februari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 1 september 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 9 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 maart 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-15.513-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die loco advocaat V. DE MEY verschijnt voor de verzoekende partij, van adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 9 februari 2001 en zich vluchteling verklaart op 12 februari 2001; dat op 14 februari 2001 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 8 maart 2001 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “Betrokkene werd verhoord op 28 februari 2001 op de zetel van het commissariaat- generaal. Hij verklaarde de Kameroense nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn uit Buea. In 1997 trad betrokkene toe tot ‘The Headmaster International Secret Organisation’. Deze organisatie had als doel om de huidige corrupte en repressieve regeringen in Afrika te vervangen. Betrokkene was in Buea voorzitter van de organisatie. In november 2000 werd hij tijdens een meeting van ‘The Headmaster’ opgepakt door de politie en gedurende een week opgesloten in het Buea Police Station. Dankzij tussenkomst van M. Peter, die secretaris- generaal was van ‘The Headmaster’ in Kameroen, kon betrokkene vrijkomen. In december 2000 werd hij een tweede maal opgepakt tijden een bijeenkomst van ‘The Headmaster’, die toen in zijn woning plaatsvond. Hij werd andermaal in het politiekantoor van Buea opgesloten en na vijf dagen vrijgelaten, nadat hij zijn beklag had gedaan bij de politiecommissaris. Op 5 januari 2001 reed betrokkene met de wagen van Buea naar Kumba. Hij had zijn vriend, M. William, als passagier meegenomen. In Kumba bleek de versnellingsbak van betrokkenes wagen defect, zodat hij van de weg afraakte. Daarbij werden drie voorbijgangers gedood. Ook de passagier van betrokkene overleefde het ongeval niet. Betrokkene, die ongedeerd was, werd door bewoners van Kumba geslagen. Hij kon ontkomen en vluchtte naar het bos. Na twee dagen belde hij met zijn mobilofoon naar M. Peter, die betrokkene de volgende dag kwam opzoeken in het bos. Peter adviseerde betrokkene om zich aan te geven bij de politie van Kumba. Toen betrokkene dit deed, werd hij door de politie geslagen en opgesloten in een cel. Drie weken later, op 26 januari 2001, werd hij dankzij de tussenkomst van M. Peter, die een advocaat had gecontacteerd, op borgtocht vrijgelaten. Betrokkene zelf, verborgen tussen cocosnoten, in een vrachtwagen naar Douala gebracht, terwijl Peter en de advocaat hem per taxi volgden. Hij werd in Douala gelogeerd in het huis van M. Peter, waar hij ondergedoken leefde. Peter contacteerde een reisagent, die betrokkene een vals paspoort bezorgde en die hem op 4 februari 2001 per vliegtuig vanuit Douala naar België vergezelde. Op 1 februari 2001 vroeg betrokkene asiel aan. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat betrokkenes opeenvolgende verklaringen dermate belangrijke tegenstrijdigheden en hiaten bevatten, dat de geloofwaardigheid ervan totaal wordt ondermijnd. Zo maakte betrokkene voor de dienst Vreemdelingenzaken (cf. verhoor dd. 14 februari 2001, pt. 42) of in zijn verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep (dd. 15 februari 2001) in het geheel geen melding van eventuele problemen die hij in verband met zijn lidmaatschap van ‘The Headmaster International Secret Organisation’ zou hebben gehad, terwijl hij voor het commissariaat-generaal verklaarde in dit verband twee maal te zijn gearresteerd (p. 4). Voor de dienst Vreemdelingenzaken stelde betrokkene zelfs (pt 42) dat ‘The Headmaster’ een geheime organisatie is die zich buiten de politiek houdt, terwijl hij voor het commissariaat-generaal uitdrukkelijk stelde dat de organisatie zich als doel stelt de XIV-15.513-2/6 corruptie en repressie van de regering in Kameroen (en andere Afrikaanse landen) te bestrijden (p. 4 en 5), wat bezwaarlijk als een a-politieke doelstelling kan worden geïnterpreteerd. Hij voegde er voor het commissariaat-generaal aan toe dat de regering in Kameroen de organisatie weinig weet te appreciëren en de leden ervan vervolgt. Verder stelde hij voor de dienst Vreemdelingenzaken (pt 42) dat hij lid werd van de organisatie toen hij aan een hogeschool in Nigeria studeerde, terwijl hij voor het commissariaat-generaal, voor wat zijn hogere studies betreft, uitsluitend melding maakte (p. 1) van een hogeschool in Buea (Kameroen). Betrokkene verklaarde verder voor het commissariaat-generaal (p. 5) in Buea voorzitter te zijn geweest van ‘The Headmaster’, terwijl hij voor de dienst Vreemdelingenzaken in het geheel geen melding maakte van deze prominente functie. Voor wat (de problemen in verband met) het ongeval in Kumba betreft, lopen betrokkenes verklaringen eveneens uiteen. Zo stelde hij voor de dienst Vreemdelingenzaken (pt 42) op 5 februari 2001 een ongeluk te hebben veroorzaakt in Kumba, terwijl hij voor het commissariaat-generaal (p. 2) en in het verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep verklaarde dat dit ongeval op 5 januari 2001 plaatsvond. Verder verklaarde hij voor de dienst Vreemdelingenzaken (pt 42) dat hij zich na het ongeval gedurende drie weken in het bos verborgen hield en dat M. Peter hem daar op 22 januari 2001 kwam opzoeken, terwijl hij voor het commissariaat-generaal (p. 2) verklaarde zich gedurende twee dagen in het bos te hebben verscholen en daar op 7 januari 2001 het bezoek te hebben gekregen van M. Peter. In het verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep beweerde hij dan weer drie dagen in het bos te zijn gebleven. Voor de dienst Vreemdelingenzaken was ook in het geheel geen sprake van het feit dat betrokkene, aldus zijn verklaringen voor het commissariaat-generaal (p. 2), ten gevolge van het veroorzaken van dit ongeval gedurende drie weken zou zijn opgesloten in het politiekantoor van Kumba. In het verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep stelde betrokkene naar aanleiding van het ongeval gedurende twee weken te zijn opgesloten door de politie. Verder verklaarde hij in het verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep dat hij zich voor zijn vertrek gedurende drie dagen in het huis van M. Pita (Peter) verschool, terwijl hij voor het commissariaat-generaal stelde (p. 3 en 6) van 26 januari 2001 tot 4 februari 2001 bij Peter te zijn gebleven, wat neerkomt op ongeveer acht dagen. Algemeen beschouwd zijn de motieven die betrokkene aanhaalde voor zijn asielaanvraag verschillend, naargelang de asielinstantie. Voor de dienst Vreemdelingenzaken verklaarde hij (pt 42) Kameroen preventief te hebben verlaten, omdat hij vreesde te worden opgesloten door de politie naar aanleiding van het ongeval of, in het slechtste geval, te worden vermoord door de familieleden van de slachtoffers die hij had gemaakt. Voor het commissariaat-generaal verklaarde hij uitdrukkelijk Kameroen te hebben verlaten omwille van het feit dat hij vreesde (verder) vervolgd te worden, zowel in het kader van het ongeval als omwille van zijn activiteiten in het kader van ‘The Headmaster’. Daarenboven kan betrokkenes beweerde lidmaatschap van ‘The Headmaster’ ten zeerste worden betwijfeld. Vooreerst kan worden verwezen naar de hierboven aangehaalde tegenstrijdige verklaringen in verband met zijn lidmaatschap en bijhorende vervolgingsproblemen. Verder is het merkwaardig dat betrokkene op de vraag van de interviewer van het commissariaat-generaal naar de betekenis van het begrip ‘Headmaster’, replikeerde dat dit verwees naar de ‘voorvaderen van Afrika’, zijnde de oorspronkelijke zwarte leiders van het continent. Uit de door betrokkene voorgelegde documenten (zie verder) blijkt echter dat ‘The Headmaster’ verwijst naar de blanke koloniale heerser. Vermits betrokkene voor het commissariaat-generaal verklaarde plaatselijk voorzitter te zijn geweest van ‘The Headmaster International Secret Organisation’, is deze kapitale fout bijzonder bedenkelijk. Voor wat de inhoud van de door betrokkene voorgelegde vier documenten van ‘The Headmaster International Secret Organisation’ betreft kan worden opgemerkt dat sommige passages dermate grotesk zijn, dat kan worden betwijfeld of de organisatie wel degelijk werkzaam is (cf. ‘Timetable of the Organisation a-1997-2010: secret recruitment of members within and outside Afica. b-1999-2000: notification of the Headmaster about our mission. c- 2010-2013: offices will be open in different countries within and outside Africa by members in his or her own country d-2013 above: The Africa leaders stepping down for the Headmaster, but if they refuse there will be total destruction, rutual killings, bloodshed, assassination, and poisons. The organisation will automatically transform to a deadly organisation. The continent will be ungovernable’). De door betrokkene voorgelegde (ongenummerde en ongedateerde) lidkaart van ‘The Headmaster International Secret Organisation’ doet geen afbreuk aan voorgaande opmerkingen. Betrokkene legde geen documenten voor waaruit zijn identiteit of reisweg zouden kunnen blijken. Tenslotte bevat zijn verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep geen enkel ander element dat vermag de weigeringsbeslissing van de dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare XIV-15.513-3/6 gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokken. Bijgevolg bevestigt de commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken op 14 februari
  3. De commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit, of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren.”; 2.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Enig middel: schending van art. 52, §1, 2/ van de Vreemdelingenwet. Aangezien de bestreden beslissing gebaseerd is op vermeende tegenstrijdigheden in het verhaal van verzoeker en dat van zijn echtgenote, welke volgens het commissariaat-generaal voor vluchtelingen en staatlozen aan de asielaanvraag een bedrieglijk karakter geeft. Aangezien de beslissing derhalve is gebaseerd op art. 52, §1, 2/ van de Vreemdelingenwet. Aangezien vermelde tegenstrijdigheden zich o.a. beperken tot - The headmaster is wel degelijk een politieke organisatie, verzoeker heeft ook nooit anders beweerd. Het is de manier van vraagstelling die de oorzaak is van de afwijkende antwoorden. - Wat betreft de school waar verzoeker is geweest, is blijkbaar sprake van verwarring aangaande het begrip ‘High School’, eigenlijk is dit in het Nederlands de humaniora, terwijl dit heir als hogeschool wordt beschouwd. Verzoeker heeft eerst Buea gestudeerd, waarna hij heeft verder gestudeerd in Nigeria. - Verzoeker was inderdaad de voorzitter van de Headmaster in Buea, in het eerste interview heeft hij uit angst geen gewag gemaakt van deze functie. Zelfs hier heeft verzoeker angst voor represailles. - Het ongeval vond plaats op 5 januari 2001, de aankomst in Brussel was op 5 februari
  5. Het is mogelijk dat hierover verwarring is ontstaan, maar dit is de juist chronologische volgorde van de gebeurtenissen. - In november 2000 bracht verzoeker de hele maand in gevangenis door, het was niet de eerste maal dat hij gearresteerd werd. - Gedurende 8 dagen hield verzoeker zich schuil bij M. Pita (Peter), ook hier is de oorzaak de verschillende vragen, die geleid hebben tot een verschillend antwoord. - Dat voor het overige er eigenlijk amper sprake is van tegenstrijdigheden. Aangezien, gelet op de totaliteit van het verhaal, hetgeen fundamentele tegenstrijdigheden betreft, welke afbreuk doen aan de gegrondheid van het verhaal van verzoeker. Aangezien deze feiten geenszins een bedrieglijkheid in hoofde van verzoeker aantonen. Aangezien bovendien de kwaliteit van de vertaling nergens in twijfel wordt getrokken. Aangezien geen element in het dossier wijst op een bedrieglijke aanvraag vanwege verzoeker. Dat het daarom onbegrijpelijk is dat geen rekening wordt gehouden en minstens geen aandacht wordt besteed aan de voortdurende bedreigingen die verzoeker en zijn gezin ontvingen en de aanval die hij zelf heeft ondergaan. Dat omwille van deze en bovenstaande redenen art. 52, §1, 2/ van de Vreemdelingenwet werd geschonden en de bestreden beslissing dan ook dient te worden vernietigd.”; 2.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij de schending van artikel 52, §1, 2/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) opwerpt; dat de bestreden beslissing echter is genomen met toepassing van artikel 52, §2 van de Vreemdelingenwet, waarin naar de in §1 van dat artikel bedoelde gevallen wordt verwezen; dat de verzoekende partij de schending van artikel 52, §2 van de Vreemdelingenwet bedoelt; Overwegende, in zoverre de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing aan een inhoudelijke kritiek onderwerpt, dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn XIV-15.513-4/6 beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat het bedrieglijk karakter van een asielaanvraag onder meer kan blijken uit tegenstrijdigheden of onsamenhangendheden in de verklaringen van een kandidaat-vluchteling; dat de commissaris-generaal tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag heeft besloten, onder andere op grond van tegenstrijdigheden in het asielrelaas van de verzoekende partij doch niet op grond van de tegenstrijdigheden tussen haar verklaringen en deze van haar “echtgenote”; dat het middel in die mate feitelijke grondslag mist; Overwegende dat uit het verhoorverslag van de dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat het eigenlijke asielrelaas van de verzoekende partij niet in de vorm van vraag en antwoord is opgesteld doch als een doorlopend verhaal; dat de verzoekende partij aldaar wel degelijk had verklaard dat de Headmaster een geheime a- politieke organisatie is (verhoorverslag dienst Vreemdelingenzaken, bijlage 1), zodat het door haar herhaaldelijk aangevoerde argument dat de manier van vraagstelling de oorzaak van haar afwijkende antwoorden zou zijn, niet kan worden bijgetreden; dat de tegenstrijdigheid over de opleiding van de verzoekende partij niet slaat op het terminologische onderscheid in het Engels tussen humaniora en hogeschool, maar wel op de plaats waar zij had gestudeerd, gelet op de relevantie van die plaats voor de aanvang van haar lidmaatschap van de Headmaster; dat de nuance die de verzoekende partij daaromtrent aanbrengt geen steun vindt in het administratief dossier; dat de verzoekende partij niet verduidelijkt waarom zij nog angst zou moeten koesteren na haar aankomst in België; dat zij evenmin repliceert op de vaststelling dat haar verklaring van het begrip “Headmaster” foutief zou zijn; dat van iemand die beweert voorzitter te zijn geweest van een bepaalde organisatie minstens kan worden verwacht dat hij de eventuele betekenis van de benaming van die organisatie zou kennen; dat over de tegenstrijdigheid over het ongeval in Kumba de verzoekende partij niet verder komt dan verwijzen naar een eventuele “verwarring”, zonder te specifiëren in wiens hoofde die is ontstaan; dat zij blijkens het verhoorverslag van de dienst Vreemdelingenzaken uitdrukkelijk verklaarde op 5 februari 2001 een ongeval te hebben veroorzaakt (verhoorverslag, bijlage 1); dat zij na voorlezing dat verhoorverslag eigenhandig voor akkoord ondertekende zonder enig voorbehoud te maken over de vermeende “verwarring”; dat uit dat verhoorverslag evenmin blijkt dat zij gewag maakte van een arrestatie ten gevolge van het kwestieuze ongeval; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de XIV-15.513-5/6 ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het middel in die mate ongegrond is;
  7. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  8. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénendertig augustus tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-15.513-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.448 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.