id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 augustus 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.451 Rolnummer: A. 72099/IX-2096 Zaak: Arrest 134451 - - 31/08/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-09-24 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-04 08:40 Fiche Arrest nr 134.451 van 31 augustus 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.451 van 31 augustus 2004 in de zaak A. 72.099/IX-
- In zake : Johnny GEEROMS (overleden), rechtsgeding hervat door :
- Odile VAN DE PERRE,
- Nancy GEEROMS, die woonplaats kiezen bij advocaat W. DE SCHRIJVER, kantoor houdende te AFFLIGEM, Petterstraat 12 tegen : de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Johnny GEEROMS op 18 november 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 4 september 1996 van het beheerscomité van de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering waarbij hem voor de periode van 1 maart 1995 tot 31 juli 1995 de beoordeling “goed” wordt toegekend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het uittreksel uit de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Affligem waaruit blijkt dat verzoeker op 30 maart 1999 overleden is; Gezien het verzoekschrift tot hervatting van het rechtsgeding ingediend door Odile VAN DE PERRE en Nancy GEEROMS op 16 mei 1999; IX-2096-1/9 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 20 december 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeksters; Gelet op de beschikking van 26 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 april 2004; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. DE SCHRIJVER, die verschijnt voor verzoeksters, en van advocaat M. BOUTEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : IX-2096-2/9 1.
- Verzoeker is vastbenoemd ambtenaar met de graad van eerste verificateur boekhouding bij de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. Op 1 januari 1994 wordt hij ambtshalve bij wijze van graadverandering benoemd tot bestuurschef. 1.
- Bij aangetekend schrijven van 28 september 1995 wordt hem een beoordelingsstaat met het beoordelingsvoorstel “goed” toegezonden. Bij aangetekende brief van 2 oktober 1995 dient verzoeker tegen de voorgestelde beoordeling bezwaar in. 1.
- Op 18 oktober 1995 bevestigt de adjunct-administratreur-generaal het voorstel om aan verzoeker de beoordeling “goed” toe te kennen. In zijn vergadering van 19 oktober 1995 beslist de directieraad dat aan verzoeker de beoordeling “goed” wordt toegekend. Het verslag van de vergadering van de directieraad vermeldt desbetreffend : “ De Directieraad neemt kennis van de beoordelingsvoorstellen 'goed' door de HH. Hens en Adriaensen aan de H. Geeroms toegekend, waaruit blijkt dat voor de punten : -
- Werkzaamheid en prestatie: gewoon -
- Gedrag: goed -
- Initiatief en organisatievermogen: normaal gegeven werd. De Directieraad neemt kennis van het bezwaarschrift van de H. Geeroms tegen hogergenoemde beoordelingsvoorstellen. Na algemene bespreking wordt er overgegaan tot de geheime stemming. Met eenparigheid van stemmen wordt de beoordeling 'goed' toegekend aan de H. Geeroms”. 1.
- Bij aangetekende brief van 20 oktober 1995 dient verzoeker beroep in bij de raad van beroep. In zijn advies van 29 januari 1996 stelt de raad van beroep het volgende : “Eveneens met eenparigheid van stemmen onderlijnt de Raad het gebrek aan enige motivatie van de toegekende nieuwe beoordeling, zodat het onmogelijk is voor de Raad en voor de belanghebbende te weten waarom bepaalde criteria (nl. IX-2096-3/9 werkzaamheid en prestatie, gedrag, initiatief en organisatievermogen, verantwoordelijkheidszin en karaktervastheid) van appreciatie zijn veranderd; In de ogen van de Raad is er dan ook geen reden om in de huidige stand van zaken de beoordeling 'zeer goed' te wijzigen in 'goed'. De Raad adviseert bij deze dus met eenparigheid van stemmen de beoordeling 'zeer goed' toe te kennen”. 1.
- Bij nota nr. 5099 van 26 juni 1996 aan het beheerscomité handhaaft de administrateur-generaal het voorstel om aan verzoeker de beoordeling “goed” toe te kennen. 1.
- In zijn vergadering van 4 september 1996 neemt het beheerscomité de thans bestreden beslissing : “Het Beheerscomité heeft de nota nr. 5099 onderzocht en besproken. Het volgt het voorstel van de Directieraad, uiteengezet in bedoelde nota, en treedt derhalve de feitelijke motivering bij van de beoordeling 'goed', zoals die is omschreven onder punt B van deze nota. Het Beheerscomité beslist aan de H. GEEROMS de beoordeling 'goed' toe te kennen, omdat het inderdaad van oordeel is dat een ambtenaar van zijn niveau (bestuurschef), die zijn werk uitvoert zonder enige zin voor initiatief de beoordeling 'zeer goed' niet verdient. Bij de stemming hebben vijf leden voor de beoordeling 'goed' gestemd en één lid tegen”. 1.
- Bij aangetekende brief van 19 september 1996 wordt de beslissing van 4 september 1996 van het beheerscomité door de administrateur-generaal aan verzoeker ter kennis gebracht. Deze brief luidt als volgt : “Tijdens zijn vergadering van 4 september 1996 heeft het Beheerscomité van de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering beslist U de beoordeling 'goed' toe te kennen over de periode van 1 maart 1995 tot 31 juli
- Het Beheerscomité bevestigt aldus de beoordelingsvermelding 'goed', U toegekend door de Directieraad op 19 oktober 1995 en volgt derhalve niet het advies van de Raad van beroep, uitgebracht op 29 januari
- De toekenning van de beoordelingsvermelding 'goed' door de Directieraad en het Beheerscomité steunt op de beoordeling met de tweede term in de beoordelingscriteria van titel A van de beoordelingsstaat, nl. criterium nr. 3 : werkzaamheid en prestatie, criterium nr. 6 : gedrag, criterium nr. 8: initiatief en organisatievermogen en criterium nr. 9 : verantwoordelijkheidszin en karaktervastheid. IX-2096-4/9 De motivatie van de beoordeling met de tweede term voor hogergenoemde beoordelingscriteria volgt hierna”. 1.
- Verzoeker heeft tevens een annulatieberoep ingesteld bij de Raad van State tegen de beslissing van 7 januari 1998 van het beheerscomité waarbij hem voor de periode van 1 september 1995 tot 31 augustus 1996 de beoordeling “goed” wordt toegekend ( zaak A. 77.313/IX-966) en tegen de beslissing van 4 maart 1998 van het beheerscomité waarbij bestuurschef M. OLIVIERS wordt bevorderd door verhoging in weddenschaal (zaak A. 78.506/IX-1154).
- Over de rechtspleging. Overwegende dat verzoeker is overleden op 30 maart 1999; dat de rechthebbenden van verzoeker op 16 mei 1999 een verzoekschrift tot hervatting van het geding hebben ingediend; dat de rechthebbenden geacht kunnen worden een persoonlijk belang te hebben bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing, aangezien de daaropvolgende nietigverklaring van de in de zaak A. 78.506/IX-1154 bestreden beslissing aanleiding kan geven tot een retroactieve reconstructie van de loopbaan van verzoeker;
- Over de gegrondheid van het beroep. 3.1.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat de bestreden beslissing de redenen niet aangeeft waarom het andersluidend advies van 29 januari 1996 van de raad van beroep niet werd gevolgd; 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord betoogt dat, aangezien verzoeker op 1 maart 1995 tot bestuurschef benoemd werd overeenkomstig artikel 3, § 2, 3/, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de beoordeling en de loopbaan van het Rijkspersoneel, IX-2096-5/9 aan verzoeker een nieuwe beoordeling moest worden toegekend; dat zij uiteenzet dat de beoordeling gebeurde op basis van een toetsing van de beoordelingscriteria van titel A van de beoordelingsstaat aan de uitoefening van zijn nieuwe functie van bestuurschef en niet op basis van gunstige of ongunstige feiten of bevindingen, opgetekend op zijn individuele fiche, zoals bedoeld in artikel 3, § 2, 1/ en 2/, van voornoemd koninklijk besluit van 7 augustus 1939; dat de onmiddellijke hiërarchische meerdere, die reeds verscheidene jaren deel uitmaakt van dezelfde dienst als verzoeker, in samenspraak met de dienstchef en wetende wat van een bestuurschef wordt verwacht, een eerste beoordelingsvoorstel heeft opgesteld; dat voor de beoordelingscriteria nr. 3 : werkzaamheid en prestatie, nr. 6 : gedrag, nr. 8 : initiatief en organisatievermogen en nr. 9 : verantwoordelijkheidszin en karaktervastheid telkens de tweede term werd vermeld, zodat het voorstel van beoordeling niet anders dan “goed” kon zijn; dat de verwerende partij daaraan toevoegt dat de motivering van de beoordeling uitvoerig uiteengezet werd in de nota nr. 5099 van 26 juni 1996, uitgaande van de administrateur-generaal en gericht aan het beheerscomité, en herhaald werd in de aangetekende brief van 19 september 1996 aan verzoeker; dat verzoeker perfect op de hoogte is van de redenen waarom hem de beoordeling “goed” werd toegekend en dat hij hieruit kan afleiden dat deze beoordeling steunt op een objectieve waarneming van zijn functioneren in zijn nieuwe graad van bestuurschef; 3.1.
- Overwegende dat verzoeker hierop repliceert dat de raad van beroep oordeelde dat het initiële beoordelingsvoorstel onvoldoende gemotiveerd was en dat de nota van de administrateur-generaal gericht aan het beheerscomité, die in een latere fase van de procedure werd opgesteld en bovendien niet aan verzoeker werd betekend, dat niet kon verhelpen; dat de bestreden beslissing steunt op de kwestieuze nota, doch er enkel naar verwijst zonder verdere motivering waarom er afgeweken wordt van het advies van de raad van beroep; 3.2.
- Overwegende dat verzoeker in een derde middel aanvoert dat de motivering van de bestreden beslissing bestaat uit een aaneenschakeling van onbewezen beweringen die niet stroken met de werkelijkheid; IX-2096-6/9 3.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord verwijst naar haar nota nr. 5099 van 26 juni 1996, waarin volgens haar de motivatie van de beoordeling met de tweede term uitvoerig werd uiteengezet; 3.2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat het onwezenlijk lijkt dat hij plotseling, na dertig jaren dienst, op verscheidene beoordelingscriteria negatief scoort; dat hem, gezien zijn kwaliteiten, naast zijn dienstverplichtingen, tevens vrijwillige activiteiten werden opgedrongen, hetgeen in de nota van 26 juni 1996 wordt misbruikt om hem een gebrek aan “présence” op zijn dienst te verwijten; dat verzoeker uiteenzet dat zijn activiteiten met betrekking tot de mess, in tegenstelling tot wat in de kwestieuze nota wordt beweerd, niet onbelangrijk zijn gelet op de geldstroom ten bedrage van “5 miljard BF”, de fraudedossiers, de facturatie en dergelijke, en dat deze bezigheden bezwaarlijk een gebrek aan initiatief en verantwoordelijkheid uitmaken; 3.2.4.
- Overwegende dat artikel 6 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepaalt dat deze wet “slechts van toepassing (is) op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen dan die bepaald in de voorgaande artikelen”; dat hieruit kan worden afgeleid dat de wet van 29 juli 1991 slechts van toepassing is indien de motiveringsplicht die wordt voorgeschreven door artikel 94, tweede lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel minder streng is; dat artikel 94, tweede lid, van voornoemd koninklijk besluit vereist dat “de minister (...) elke met het advies van de raad van beroep niet overeenstemmende beslissing (motiveert)” en dat “hij (..) geen andere feiten ter sprake (kan) brengen dan die welke het advies van de raad van beroep gemotiveerd hebben”; dat de formele motiveringsplicht, neergelegd in artikel 94, tweede lid, van voornoemd koninklijk besluit, erop gericht is de rechten van de betrokken ambtenaar te waarborgen en hem expliciet in kennis te stellen van de redenen die de minister -in casu het beheerscomité- ertoe hebben aangezet af te wijken van het advies van de raad van beroep; IX-2096-7/9 3.2.4.
- Overwegende dat de raad van beroep in zijn advies van 29 januari 1996 vaststelt dat het, gelet op het gebrek aan motivering, voor hem en voor de belanghebbende onmogelijk is te weten waarom bepaalde criteria van appreciatie zijn veranderd, zodat er geen reden is om de beoordeling “zeer goed” te wijzigen in “goed”; dat het beheerscomité op 4 september 1996 echter beslist om de beoordeling “goed” toe te kennen en dit motiveert door te verwijzen naar de feitelijke motivering in punt B van de nota nr. 5099 van 26 juni 1996; dat het beheerscomité die nota niet regelmatig in aanmerking kon nemen, aangezien zij niet aan verzoeker was medegedeeld en hij zich omtrent de daarin vermelde tekortkomingen niet voor de raad van beroep heeft kunnen verdedigen; dat artikel 94, tweede lid, van voornoemd koninklijk besluit van 2 oktober 1937 bovendien verbiedt om, in geval van een niet met het advies van de raad van beroep overeenstemmende beslissing, andere feiten ter sprake te brengen dan die welke het advies van de raad van beroep hebben gemotiveerd; dat het eerste en het derde middel bijgevolg gegrond zijn, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 4 september 1996 van het beheerscomité van de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering waarbij aan Johnny GEEROMS voor de periode van 1 maart 1995 tot 31 juli 1995 de beoordeling “goed” wordt toegekend. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-2096-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig augustus 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-2096-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.451 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.