← België

Arrest 134452 - - 31/08/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 augustus 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.452 Rolnummer: A. 77313/IX-966 Zaak: Arrest 134452 - - 31/08/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-09-24 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 08:41 Fiche Arrest nr 134.452 van 31 augustus 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.452 van 31 augustus 2004 in de zaak A. 77.313/IX-

  1. In zake : Johnny GEEROMS (overleden), rechtsgeding hervat door :
  2. Odile VAN DE PERRE,
  3. Nancy GEEROMS, die woonplaats kiezen bij advocaat W. DE SCHRIJVER, kantoor houdende te AFFLIGEM, Petterstraat 12 tegen : de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Johnny GEEROMS op 29 januari 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 7 januari 1998 van het beheerscomité van de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeits- verzekering waarbij hem voor de periode van 1 september 1995 tot 31 augustus 1996 de beoordeling “goed” wordt toegekend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het uittreksel uit de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Affligem waaruit blijkt dat verzoeker op 30 maart 1999 overleden is; Gezien het verzoekschrift tot hervatting van het rechtsgeding ingediend door Odile VAN DE PERRE en Nancy GEEROMS op 16 mei 1999; IX-966-1/10 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 20 december 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeksters; Gelet op de beschikking van 26 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 april 2004; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. DE SCHRIJVER, die verschijnt voor de verzoeksters, en van advocaat M. BOUTEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  5. Verzoeker is vastbenoemd ambtenaar met de graad van bestuurs- chef bij de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. IX-966-2/10 1.
  6. Bij beslissing van 4 september 1996 van het beheerscomité wordt hem voor de periode van 1 maart 1995 tot 31 juli 1995 de beoordeling “goed” toegekend. Verzoeker heeft tegen deze beslissing een annulatieberoep ingediend (zaak A.72.099/IX-2096). 1.
  7. Op 29 augustus 1996 worden een aantal ongunstige feiten op zijn individuele fiche ingeschreven. Verzoeker wordt onder meer verweten dat hij blijk geeft van slechte wil bij het uitvoeren van zijn werk, dat hij openlijk uiting geeft aan zijn afkeuring wanneer hem een specifieke taak wordt toevertrouwd, dat hij in gevorderde staat van dronkenschap verkeert tijdens de diensturen en onrust veroorzaakt in de dienst, dat hij zijn functie van bestuurschef niet echt waarneemt en dat hij het werk van collega’s verstoort. 1.
  8. Op 3 september 1996 dient verzoeker een bezwaarschrift in, waarin hij verklaart niet akkoord te gaan met de vermeldingen op zijn individuele fiche. 1.
  9. Bij aangetekende brief gedateerd 10 oktober 1996 wordt aan verzoeker een beoordelingsstaat met het beoordelingsvoorstel “goed” toegezonden. Bij brief van 18 oktober 1996 dient hij tegen de voorgestelde beoordeling bezwaar in. 1.
  10. In zijn vergadering van 21 oktober 1996 beslist de directieraad aan verzoeker de beoordeling “goed” toe te kennen. Het verslag van de directieraad vermeldt : “De Directieraad neemt eveneens kennis van de beoordelingsvoorstellen ‘goed’ aan de H. Johnny GEEROMS toegekend door de HH. HENS en ADRIAENSEN, waaruit blijkt dat voor de punten : -
  11. Werkzaamheid en prestatie : gewoon -
  12. Orde, methode, nauwgezetheid : gewoon -
  13. Houding en opvoeding, uiterlijk voorkomen : goed -
  14. Gedrag : goed -
  15. Initiatief en organisatievermogen : normaal -
  16. Verantwoordelijkheidszin en karaktervastheid : normaal gegeven werd. IX-966-3/10 De Directieraad neemt kennis van het bezwaarschrift van de H. GEEROMS tegen hogergenoemde beoordelingsvoorstellen. Na algemene bespreking wordt er overgegaan tot geheime stemming. Met eenparigheid van stemmen wordt de beoordeling ‘goed’ toegekend aan de H. J. GEEROMS”. 1.
  17. Op 22 november 1996 dient verzoeker beroep in bij de raad van beroep. In zijn advies van 4 november 1997 adviseert de raad van beroep met vier stemmen tegen twee om aan verzoeker de beoordeling “zeer goed” toe te kennen. 1.
  18. In zijn vergadering van 7 januari 1998 beslist het beheerscomité aan verzoeker de beoordeling “goed” toe te kennen. De notulen van deze vergadering vermelden desbetreffend : “De H. RIMBEAU stelt de nota voor en zegt verbaasd te zijn over de laksheid van de Raad van Beroep die het voorstel doet om de beoordeling ‘zeer goed’ aan de H. GEEROMS toe te kennen, zelfs zonder dit advies te motiveren terwijl er een gemotiveerde beslissing is van de Directieraad, beslissing die trouwens eenparig werd genomen. Het Beheerscomité is dus zelfs niet in staat om de redenen, die het advies van de Raad van Beroep gestaafd hebben, te onderzoeken, aangezien deze hem onbekend blijven. Gelet op de feiten die aan de H. GEEROMS worden verweten, begrijpt de H. VAN DAMME niet waarom de beoordeling ‘slecht’ niet werd voorgesteld. Het Beheerscomité beslist éénparig om het advies van de Raad van Beroep niet te volgen en kent de beoordeling ‘goed’ aan de H. GEEROMS toe”. 1.
  19. Deze beslissing wordt aan verzoeker ter kennis gebracht bij aangetekende brief van 12 januari 1998, waarin het volgende wordt medegedeeld : “Ik heb de eer u mede te delen dat het Beheerscomité, tijdens zijn zitting van 7 januari 1998, beslist heeft u de beoordeling ‘goed’ toe te kennen over de periode van 1.9.1995 tot 31.8.
  20. Deze beslissing werd genomen met eenparigheid van de stemmen der stemgerechtigde leden. Het Beheerscomité heeft derhalve het advies, uitgebracht door de Raad van Beroep en ons medegedeeld in zijn schrijven van 13 november 1997, niet gevolgd. Dit advies luidde als volgt : ‘Rekening houdend met de argumentatie naar voren gebracht tijdens de beraadslagingen, heeft de Raad gestemd over het ingestelde beroep. Met 4 stemmen tegen 2 heeft de Raad een gunstig advies IX-966-4/10 hierover uitgebracht. De Raad adviseert bij deze dus de beoordeling ‘zeer goed’ toe te kennen’. Het Beheerscomité is van oordeel, aan de hand van de inhoud van deze motivering van de Raad van Beroep, niet te kunnen nagaan op welke gronden de Raad zijn advies heeft gesteund en baseert zijn beslissing op de motivering van de Directieraad, die u, tijdens zijn zitting van 21 oktober 1996, de beoordeling ‘goed’ heeft toegekend. De beslissing van de Directieraad gebeurde unaniem en werd u ter post aangetekend schrijven van 14 november 1996 medegedeeld. Zij was gesteund op zowel het eerste als op het definitieve voorstel van beoordeling ‘goed’ door de respectieve hiërarchische meerderen. Deze beide voorstellen waren op hun beurt gegrond op de ongunstige feiten en bevindingen die werden opgetekend op de individuele fiche op 29 augustus 1996 en waartegen u een bezwaarschrift hebt ingediend in uw schrijven van 3 september 1996”. 1.
  21. Verzoeker heeft tevens een annulatieberoep ingesteld bij de Raad van State tegen de beslissing van 4 maart 1998 van het beheerscomité waarbij bestuurschef M. OLIVIERS wordt bevorderd door verhoging in weddenschaal (zaak A. 78.506/IX-1154).
  22. Over de rechtspleging. 2.1.
  23. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord betoogt dat de memorie van antwoord, in strijd met artikel 86 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, geen inventaris van de ter staving ingeroepen stukken bevat en dat die stukken hem evenmin werden meegedeeld; dat hij vraagt dat de inventaris en die stukken, ter vrijwaring van zijn rechten van verdediging, uit de debatten worden geweerd; 2.1.
  24. Overwegende dat het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 geen bepaling bevat die de verwerende partij ertoe verplicht om aan verzoeker een kopie mee te delen van de stukken die zij bij haar memorie van antwoord voegt; dat verzoeker de mogelijkheid heeft gehad om van de bij de memorie van antwoord gevoegde stukken kennis te nemen en dienaangaande opmerkingen te formuleren; dat IX-966-5/10 het ontbreken van een inventaris zijn rechten van verdediging niet schaadt, zodat er geen reden is om de betreffende stukken uit de debatten te weren; 2.
  25. Overwegende dat verzoeker is overleden op 30 maart 1999; dat de rechthebbenden van verzoeker op 16 mei 1999 een verzoekschrift tot hervatting van het geding hebben ingediend; dat de rechthebbenden geacht kunnen worden een persoonlijk belang te hebben bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing, aangezien de daaropvolgende nietigverklaring van de in de zaak A. 78.506/IX-1154 bestreden beslissing aanleiding kan geven tot een retroactieve reconstructie van de loopbaan van verzoeker;
  26. Over de gegrondheid van het beroep. 3.1.
  27. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat de bestreden beslissing niet de redenen aangeeft waarom het andersluidend advies van 4 november 1997 van de raad van beroep, waarbij werd voorgesteld hem de beoordeling “zeer goed” toe te kennen, niet gevolgd werd; dat hij daaraan toevoegt dat de omstandig- heden en stukken die in aanmerking werden genomen, niet aangegeven zijn zodat de motivering bestaat uit ongecontroleerde en oncontroleerbare feitelijkheden; dat hij besluit dat de loutere verwijzing naar een aantekening van 29 augustus 1996 in zijn individuele fiche, waartegen hij bovendien bezwaar aantekende, niet volstaat als motivering; 3.1.
  28. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord betoogt dat het beheerscomité de beslissing van de directieraad van 21 oktober 1996 en de motivering ervan heeft gevolgd, en dat deze motivering bestaat in de omstandigheid dat de twee hiërarchische meerderen van verzoeker de beoordeling “goed” hebben voorgesteld, hetgeen op zijn beurt gemotiveerd is door ongunstige feiten die opgetekend zijn op de individuele fiche van verzoeker op 29 augustus 1996; dat, gelet op die ongunstige bemerkingen op zijn individuele fiche, IX-966-6/10 verzoeker onmogelijk een zeer goede beoordeling kon krijgen, aangezien hiertoe vereist is dat een ambtenaar alle eerste termen in de beoordeling van de onder titel A bedoelde criteria op de beoordelingsstaat moet hebben verkregen; dat zij daaraan toevoegt dat het beheerscomité het advies van de raad van beroep niet heeft gevolgd, aangezien uit de motivering van dat advies niet duidelijk blijkt op welke gronden het gesteund is; 3.1.
  29. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord verwijst naar de rechtspraak van de Raad van State, die in zijn arrest nr. 42.154 van 8 maart 1993 oordeelt dat “de formele motiveringsplicht die is neergelegd in artikel 94, tweede lid, erop gericht is de rechten van de betrokken ambtenaar te waarborgen en de ambtenaar expliciet in kennis te stellen van de redenen die de minister ertoe hebben aangezet af te wijken van het advies van de raad van beroep”; dat hij verder betoogt dat de loutere verwijzing naar zijn individuele fiche niet volstaat als motivering om af te wijken van dat advies; dat het beheerscomité een objectief advies, verleend nadat verzoeker werd gehoord, naast zich neerlegt en zich beperkt tot de weergave van de verscheidene voorafgaande administratieve stappen, welke door verzoeker bovendien werden bestreden; 3.2.
  30. Overwegende dat verzoeker in een derde middel betoogt dat hij bezwaar indiende tegen de ongunstige vermelding van 29 augustus 1996 op zijn individuele fiche, “welke niets anders is dan een blote bewering en hoegenaamd niet strookt met de werkelijkheid”; dat die vermelding echter de aanleiding was tot de beoordelingsvoorstellen van zijn hiërarchische meerderen, die op hun beurt aan de basis lagen van de bestreden beslissing; dat hij besluit dat die feiten, neergelegd in zijn individuele fiche, niet bewezen zijn en dat hij ze niet heeft kunnen weerleggen; 3.2.
  31. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert dat de ongunstige feiten, neergelegd in de individuele fiche van verzoeker, in een nota werden neergeschreven door zijn functionele chef die reeds jarenlang met hem in dezelfde dienst werkt en dat er geen reden is om die vaststel- lingen in twijfel te trekken; dat verzoeker gedurende de procedure wel weerwoord IX-966-7/10 heeft kunnen bieden, gelet op zijn bezwaarschriften van 3 september 1996, 18 oktober 1996 en 22 november 1996, respectievelijk tegen de ongunstige vermelding- en op zijn fiche, tegen het eerste beoordelingsvoorstel van 10 oktober 1996 en tegen de beslissing van de directieraad; 3.2.
  32. Overwegende dat verzoeker in zijn repliek herhaalt dat het beheerscomité het advies van de raad van beroep zonder pertinente motivering naast zich neerlegt en dat een verwijzing naar de vermeldingen op zijn individuele fiche, waartegen hij bezwaar heeft ingediend, niet volstaat om de beslissing te motiveren; 3.2.4.
  33. Overwegende dat artikel 6 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepaalt dat deze wet “slechts van toepassing (is) op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen dan die bepaald in de voorgaande artikelen”; dat hieruit kan worden afgeleid dat de wet van 29 juli 1991 slechts van toepassing is indien de motiveringsplicht die wordt voorgeschreven door artikel 94, tweede lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel minder streng is; dat artikel 94, tweede lid, van voornoemd koninklijk besluit vereist dat “de minister (...) elke met het advies van de raad van beroep niet overeenstemmende beslissing (motiveert)” en dat “hij (...) geen andere feiten ter sprake (kan) brengen dan die welke het advies van de raad van beroep gemotiveerd hebben”; dat de formele motiveringsplicht, neergelegd in artikel 94, tweede lid, van voornoemd koninklijk besluit, erop gericht is de rechten van de betrokken ambtenaar te waarborgen en hem expliciet in kennis te stellen van de redenen die de minister -in casu het beheerscomité- ertoe hebben aangezet af te wijken van het advies van de raad van beroep; 3.2.4.
  34. Overwegende dat de motivering van de bestreden beslissing zich beperkt tot een verwijzing naar de beslissing van 21 oktober 1996 van de directie- raad, welke beslissing op haar beurt verwijst naar het beoordelingsvoorstel van de hiërarchische meerderen van verzoeker; dat het beheerscomité voorbijgaat aan het IX-966-8/10 feit dat verzoeker tegen het beoordelingsvoorstel van zijn hiërarchische meerderen bezwaar heeft ingediend en dat de raad van beroep, op het beroep tegen de beslissing van de directieraad, een voor verzoeker gunstig advies heeft uitgebracht; 3.2.4.
  35. Overwegende dat de bestreden beslissing vermeldt dat het beheerscomité niet kon nagaan op welke gronden het advies van de raad van beroep was gebaseerd; dat het advies van de raad van beroep een substantiële vormvereiste is, en dat, indien uit de motivering van dat advies niet duidelijk blijkt op welke gronden het is gebaseerd, het beheerscomité aan de raad van beroep een aanvullend advies dient te vragen, teneinde zelf met kennis van zaken een behoorlijk gemotiveerde beslissing te kunnen nemen; dat het eerste en het derde middel bijgevolg gegrond zijn, BESLUIT: Artikel
  36. Vernietigd wordt de beslissing van 7 januari 1998 van het beheerscomité van de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering waarbij aan Johnny GEEROMS voor de periode van 1 september 1995 tot 31 augustus 1996 de beoordeling “goed” wordt toegekend. Artikel
  37. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-966-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig augustus 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-966-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.452 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.