id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 augustus 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.455 Rolnummer: A. 66790/IX-627 Zaak: Arrest 134455 - - 31/08/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-09-30 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 08:41 Fiche Arrest nr 134.455 van 31 augustus 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.455 van 31 augustus 2004 in de zaak A. 66.790/IX-
- In zake : Heidi MERCKX, wonende te LEDE, Lindestraat 17 tegen : de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening, die woonplaats kiest bij advocaten H. GEYSKENS, A. VANDEURZEN, C. COOMANS, A. VAN DER GRAESEN, M. GEYSKENS, J. VANDEURZEN, M. BOES en W. MERTENS, kantoor houdende te BERINGEN, Scheigoorstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Heidi MERCKX op 11 december 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de raad van bestuur van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening van 6 oktober 1995 waarbij zij als stagedoend adjunct-sectorchef wordt ontslagen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 3 juli 1997 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-627-1/8 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 1 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 juni 2004; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. MATHEÏ, die loco advocaat W. MERTENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Verzoekster is bij de Vlaamse Maatschappij voor Watervoor- ziening op proef in de functie van tekenaar (thans adjunct-sectorchef) in dienst getreden op 1 december
- 1.
- Op 6 september 1995 stelt haar hiërarchische meerdere voor om haar stage te verlengen. IX-627-2/8 Dat voorstel is gebaseerd op de volgende evaluatie : “Is gedienstig, evenwel tamelijk eigengereid in haar optreden en overtuigd van eigen kunnen. Dit heeft reeds aanleiding gegeven tot irritaties en conflicten met haar rechtstreekse begeleiders. Ligt mede daardoor iets moeilijker in de groep. Kan goed werk afleveren, maar is niet standvastig in haar prestaties”. 1.
- Op 7 september 1995 sluit het afdelingshoofd zich aan bij het voorstel tot verlenging van de stage. Het afdelingshoofd maakt hierbij melding van verzoeksters “negatieve ingesteldheid tegenover haar opdracht, haar collega*s en de (Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening)”. 1.
- Verzoekster neemt dezelfde dag kennis van het voorstel en maakt geen opmerkingen. 1.
- Op 6 oktober 1995 beslist de raad van bestuur om verzoekster af te danken wegens beroepsongeschiktheid. Die beslissing, die met een aangetekend schrijven van 13 oktober 1995 aan verzoekster ter kennis wordt gebracht, is als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat de hiërarchische meerderen in hun beoordeling van 7.9.1995 stellen dat : ‘(betrokkene) is gedienstig, evenwel tamelijk eigengereid in haar optreden en overtuigd van haar eigen kunnen. Dit heeft reeds aanleiding gegeven tot irritaties en conflicten met haar rechtstreekse begeleiders. Ligt mede daardoor iets moeilijker in de groep. Kan goed werk afleveren, maar is niet standvastig in haar prestaties.’ - ‘Steunend op het advies van de heer Daniel VANCLEYNENBREUGEL en gezien de negatieve ingesteldheid tegenover haar opdracht, haar collega*s en de VMW, stel ik voor de stageperiode te verlengen.’; Overwegende dat haar hiërarchische meerdere voorstelt om de stageperiode te verlengen; Overwegende dat de redenen die aangehaald worden ter rechtvaardiging van de verlenging van de stage duidelijk te maken hebben met persoonlijkheidskenmerken en sociale vaardigheden van mevrouw Heidi MERCKX, Adjunct-Sectorchef (tekenaar); IX-627-3/8 Overwegende dat de verlenging maximaal twee maanden kan bedragen; Overwegende dat een verlenging van de stage slechts zin heeft wanneer de ongunstige elementen in de beoordeling te wijten zijn aan externe factoren en niet zozeer aan persoonlijkheidskenmerken en sociale vaardigheden; Overwegende dat persoonlijkheidskenmerken en sociale vaardigheden niet gewijzigd kunnen worden op twee maanden tijd; Overwegende dat door haar functie van tekenaar, betrokkene altijd in groepsverband zal tewerkgesteld worden en er in teamverband moet kunnen functioneren; Overwegende dat om deze redenen bij tewerkstelling in definitief verband, de kans groot is dat betrokkene niet behoorlijk zal functioneren in team, waardoor niet alleen haar eigen prestaties, maar ook de prestaties van de hele groep van tekenaars nadelig beïnvloed worden, waardoor de hele groep een onvoldoende rendement behaalt; Overwegende dat het omwille van bovenvermelde redenen geen zin heeft om een verlenging van de stage toe te staan;”. 1.
- Bij wijze van opzeg wordt aan verzoekster een arbeidsovereenkomst van drie maanden aangeboden, die op 17 oktober 1995 door haar wordt aanvaard.
- Over de ontvankelijkheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat verzoekster, door zonder voorbehoud de arbeidsovereenkomst te ondertekenen die haar werd aangeboden, de rechtsgeldigheid van de afdankingsbeslissing heeft erkend en derhalve niet meer gerechtigd is om een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State in te dienen; 2.
- Overwegende dat verzoekster hierop antwoordt dat de omstandigheid dat zij de arbeidsovereenkomst heeft ondertekend en geen opmerkingen heeft geformuleerd tegen haar afdanking, niet betekent dat zij haar recht om een annulatieberoep in te stellen zou verliezen; dat de beslissing van de raad van bestuur een uitvoerbare handeling is waartegen een beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld; IX-627-4/8 2.
- Overwegende dat luidens artikel 16, § 2, van het koninklijk besluit van 26 september 1994 tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de Colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse Gemeenschapscommissie, alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen, aan de stagiair die wordt afgedankt omdat hij niet voldoet een opzeggingstermijn van drie maanden moet worden toegekend en daartoe met de betrokkene een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde duur van drie maanden moet worden gesloten die overeenstemt met de opzeggingstermijn; dat de loutere omstandigheid dat verzoekster zonder voorbehoud de arbeidsovereenkomst van drie maanden heeft aanvaard die haar bij wijze van opzeg werd aangeboden, niet betekent dat zij de regelmatigheid heeft erkend van de beslissing waarbij zij wegens beroepsongeschiktheid wordt afgedankt of dat zij verzaakt heeft aan het recht om tegen die beslissing een annulatieberoep in te stellen bij de Raad van State; dat de exceptie wordt verworpen;
- Over de gegrondheid van het beroep. 3.
- Overwegende dat verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder van haar recht om haar standpunt naar voor te brengen; dat zij hierbij uiteenzet dat zij kon instemmen met het voorstel om haar stage te verlengen en dat zij hieromtrent niet gehoord moest worden, maar dat zij wel gehoord moest worden in verband met de beslissing om haar af te danken en dat aangezien zij niet van de bedoelingen van de raad van bestuur in kennis is gesteld, zij niet de gelegenheid heeft gehad zich daaromtrent te verdedigen; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de geldende reglementering aan de raad van bestuur niet de verplichting oplegt om de betrokkene te horen wanneer hij tot de afdanking van een stagedoend personeelslid wegens beroepsongeschiktheid overgaat; dat in de mogelijkheid voor dat personeelslid om IX-627-5/8 zich te verdedigen wel is voorzien in de fase die voorafgaat aan de beslissing van de raad van bestuur, met name omdat elk stagedoend personeelslid opmerkingen kan formuleren bij het voorstel van de hiërarchische meerdere om de stage te verlengen; dat verzoekster evenwel van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt en het voorstel tot verlenging van haar stage zonder enige opmerking heeft ondertekend; dat zij nochtans op dat ogenblik diende te beseffen dat de raad van bestuur niet gebonden was door het voorstel tot verlenging van haar stage en derhalve kon overgaan tot afdanking; dat het overigens, volgens de verwerende partij, zeer de vraag is of het horen van verzoekster enige zin zou hebben gehad, nu de feiten waarop de raad van bestuur zich steunde, niet voor verbetering vatbaar waren, zeker niet op een periode van twee maanden; 3.
- Overwegende dat verzoekster repliceert dat zij het niet nodig achtte om opmerkingen te formuleren tegen het voorstel van haar hiërarchische meerderen tot verlenging van haar stage omdat zij door deze beslissing geen onmiddellijk nadeel ondervond; dat zij een van het voorstel tot verlenging afwijkende beslissing niet moest verwachten aangezien zij ervan mocht uitgaan dat haar hiërarchische meerderen haar wijze van presteren beter kenden dan de raad van bestuur en derhalve ook wisten dat deze op korte termijn vatbaar was voor verandering en daarom een voorstel tot verlenging van haar stage hebben geformuleerd; 3.
- Overwegende dat het recht van een personeelslid om gehoord te worden in een tuchtrechtelijke aangelegenheid weliswaar niet dezelfde inhoud heeft als een recht om zijn standpunt te doen kennen; dat een beslissing om een stagedoend personeelslid op het einde van zijn proeftijd wegens beroepsongeschiktheid te ontslaan, zelfs bij ontstentenis van een bepaling die zulks uitdrukkelijk voorschrijft, slechts genomen kan worden nadat de betrokkene de gelegenheid heeft gehad minstens zijn standpunt te doen kennen, dat zowel de aard van de overwogen maatregel als de motieven ervan vooraf aan de betrokkene moeten worden medegedeeld en dat de betrokkene over een redelijke termijn moet kunnen beschikken om zijn standpunt voor te bereiden; dat zulks des te meer geldt wanneer IX-627-6/8 de overheid in de loop van de procedure haar zienswijze verandert in verband met de aard van de maatregel die zij overweegt te nemen; dat te dezen verzoekster na afloop van haar stage alleen kennis heeft gekregen van een verslag van haar hiërarchische meerderen met het voorstel om haar stage te verlengen; dat zij op dat voorstel niet heeft gereageerd omdat zij met het voorstel akkoord kon gaan; dat zij evenwel niet in kennis is gesteld van het voornemen van de raad van bestuur om, in afwijking van het voorstel van haar hiërarchische meerderen, haar stage niet te verlengen en haar wegens beroepsongeschiktheid te ontslaan; dat zij bijgevolg niet de gelegenheid heeft gehad om haar standpunt te doen kennen om op die wijze het behoud van het voorstel van haar hiërarchische meerderen te bepleiten; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van de raad van bestuur van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening van 6 oktober 1995 waarbij Heidi MERCKX als stagedoend adjunct-sectorchef wordt ontslagen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-627-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig augustus 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-627-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.455 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.