id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 augustus 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.457 Rolnummer: A. 83277/IX-3547 Zaak: Arrest 134457 - - 31/08/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-09-24 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 08:41 Fiche Arrest nr 134.457 van 31 augustus 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.457 van 31 augustus 2004 in de zaak A. 83.277/IX-
- In zake : Eddy BERGHMANS, die woonplaats kiest bij advocaat L. RAEYMAEKERS, kantoor houdende te WESTERLO, Baksveld 3E tegen : het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW) van ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Eddy BERGHMANS op 1 april 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 15 januari 1999 van de raad voor maatschappelijk welzijn van Antwerpen, waarbij zijn ongunstige basisevaluatie voor de periode van 1 augustus 1997 tot 31 juli 1998 wordt behouden; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. THYS; Gelet op de beschikking van 25 november 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; IX-3547-1/5 Gelet op de beschikking van 8 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 mei 2004; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. DIELTJENS, die loco advocaat L. RAEYMAEKERS verschijnt voor verzoeker, en van advocaat K. VAN BELLINGEN, die loco advocaat M. STOLK verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. THYS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verwerende partij geen memorie van antwoord heeft ingediend; dat zij ook haar administratief dossier niet heeft neergelegd; dat krachtens artikel 21, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dan de door de verzoekende partij aangehaalde feiten bewezen worden geacht, tenzij deze feiten kennelijk onjuist zijn;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 2.
- Verzoeker is gegradueerd ziekenhuisverpleegkundige. Hij is tweeëntwintig jaar tewerkgesteld op de afdeling Urologie 6C van het Middelheimziekenhuis dat onder het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Antwerpen ressorteert, de laatste zeven jaar als bestendig nachtverpleger. 2.
- Nadat hij in het verleden door zijn dienstoversten steeds gunstig werd geëvalueerd, krijgt hij voor de periode van 1 augustus 1997 tot 31 juli 1998 van zijn twee beoordelaars een ongunstige “jaarlijkse basisevaluatie”. Zijn betrokkenheid IX-3547-2/5 ten opzichte van het werk, zijn betrokkenheid ten opzichte van de werkomgeving en het kwalitatieve resultaat van zijn werk worden negatief gewaardeerd. 2.
- Verzoeker dient tegen zijn ongunstige basisevaluatie beroep in bij de raad voor maatschappelijk welzijn. 2.
- Op 20 oktober 1998 worden verzoeker, bijgestaan door een vakbondsafgevaardigde, en zijn twee beoordelaars gehoord door de commissie van beroep inzake ongunstige waardering. De commissie adviseert, na geheime stemming, met twee stemmen voor en twee stemmen tegen, om, “ingevolge staking der stemmen”, de ongunstige evaluatie van verzoeker voor de periode van 1 augustus 1997 tot 31 juli 1998 niet te behouden. 2.
- Met een brief van 4 februari 1999 deelt de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van Antwerpen aan verzoeker mede dat de raad voor maatschappelijk welzijn op 15 januari 1999, “na kennisname van het verslag van de Commissie van Beroep”, heeft beslist om “de ongunstige basisevaluatie voor de periode 1.8.1997 - 31.7.1998 te behouden”. Het verslag van de commissie van beroep is bijgevoegd. Het is deze beslissing die het voorwerp uitmaakt van het onderhavige beroep tot nietigverklaring. 3.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat hij betoogt dat de raad voor maatschappelijk welzijn duidelijk tekort is gekomen aan de motiveringsplicht die op hem rust, doordat hij ter motivering van zijn beslissing uitsluitend heeft verwezen naar het verslag van de commissie van beroep inzake ongunstige waardering, terwijl die commissie precies heeft geadviseerd verzoekers ongunstige evaluatie niet te behouden; dat verzoeker IX-3547-3/5 erop wijst dat de raad voor maatschappelijk welzijn ervan op de hoogte was dat hij in het verleden door zijn oversten steeds positief geëvalueerd is geweest en dat de raad voor maatschappelijk welzijn geconfronteerd is geworden met de getuigenissen ten voordele van verzoeker en met het positief advies van de commissie van beroep, doch dat, niettegenstaande zijn dossier aldus overwegend elementen in zijn voordeel bevatte, de raad voor maatschappelijk welzijn zonder enige verdere motivatie beslist heeft dat zijn ongunstige evaluatie behouden diende te blijven; 3.2.
- Overwegende dat luidens artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen de bestuurshandelingen van de besturen uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd; dat luidens artikel 3 van de voormelde wet de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en ze afdoende moet zijn; 3.2.
- Overwegende dat in de onderhavige zaak aan verzoeker enkel medegedeeld werd dat de raad voor maatschappelijk welzijn op 15 januari 1999 had beslist zijn ongunstige basisevaluatie voor de periode van 1 augustus 1997 tot 31 juli 1998 te behouden “na kennisname van het verslag van de Commissie van Beroep”; dat niet blijkt dat andere motieven aan de bestreden beslissing ten grondslag hebben gelegen, laat staan dat verzoeker van dergelijke motieven in kennis zou zijn gesteld of er kennis van zou hebben gehad; 3.2.
- Overwegende dat de desbetreffende motivering niet als afdoende kan worden beschouwd in de zin van de wet, aangezien het verslag van de commissie van beroep, enig gegeven waarnaar ze verwijst, precies voorstelde om verzoekers ongunstige basisevaluatie niet te behouden, en zij derhalve niet kan verantwoorden waarom de raad voor maatschappelijk welzijn tot een ander besluit is gekomen; dat het eerste middel gegrond is, BESLUIT: IX-3547-4/5 Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 15 januari 1999 van de raad voor maatschappelijk welzijn van Antwerpen, waarbij de ongunstige basisevaluatie van Eddy BERGHMANS voor de periode van 1augustus 1997 tot 31 juli 1998 wordt behouden. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig augustus 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-3547-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.457 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.