← België

Arrest 134458 - - 31/08/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 augustus 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.458 Rolnummer: Zaak: Arrest 134458 - - 31/08/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-09-24 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 08:42 Fiche Arrest nr 134.458 van 31 augustus 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.458 van 31 augustus 2004 in de zaken A. 84.180/IX-1825 89.045/IX-

  1. In zake : Johan VAN DEN BRANDEN, wonende te BAAL, Peter Benoitlaan 21 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking, thans de minister van Ontwikkelingssamenwerking, die woonplaats kiest bij advocaten D. D’HOOGHE en M. GELDERS, kantoor houdende te BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 47-51, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien een eerste verzoekschrift dat Johan VAN DEN BRANDEN op 17 mei 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “- de benoeming van mevrouw Iris UYTTERSPROT via de spoedprocedure voor zes maanden als projectleider van het VIE-project 'Training of Teachers of Pedagogical Secondary Schools in 7 Provinces of North Vietnam'; - de weigering om verzoeker te benoemen via de normale procedure voor een periode van drie jaar, zijnde de duur van het project."; Gezien een tweede verzoekschrift dat Johan VAN DEN BRANDEN op 19 januari 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : IX-1825-1/10 - de beslissing van de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking van 29 oktober 1999 houdende verlenging voor zes maanden via de spoed- procedure van de benoeming van Iris UYTTERSPROT als projectleider van het project "Training of Teachers of Pedagogical Secondary Schools in 7 Provinces of North Vietnam"; - de hierin vervatte volgehouden weigering om verzoeker via de gewone procedure te benoemen voor een periode van drie jaar, zijnde de totale duur van het project; Gelet op de arresten nrs. 82.911 en 86.892 respectievelijk van 18 oktober 1999 en 25 april 2000 waarbij de vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen worden verworpen; Gezien de verzoeken tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 23 december 1999 en 16 juni 2000 door verzoeker; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de verslagen opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikkingen van 14 december 2001 die de neerlegging ter griffie van de verslagen en van de dossiers gelasten; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikkingen van 8 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 mei 2004; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; IX-1825-2/10 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. MARTENS, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat L. SCHELLEKENS, die loco advocaat D. D'HOOGHE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaken kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Verzoeker is licentiaat in de pedagogie en sinds 1977 benoemd als lid van het kaderpersoneel in een betrekking van lange duur bij het personeel van de coöperatie met de ontwikkelingslanden. Na meer dan twintig jaar werkzaam te zijn geweest in ontwikkelingsprojecten rond pedagogische vorming en onderwijs in Afrika, wordt hij vanaf 14 september 1998 belast met een opdracht bij het Algemeen Bestuur van de Ontwikkelingssamenwerking (ABOS) te Brussel. Deze opdracht, die oorspron- kelijk een maximumduur had van zes maanden, wordt bij ministerieel besluit van 30 maart 1999 verlengd voor opnieuw maximum zes maanden ingaand op 14 maart
  5. Zij loopt, behoudens nieuwe verlenging, af op 13 september
  6. 1.
  7. Bij brief van 8 mei 1998 laat het ABOS aan verzoeker en aan twee andere collega's weten dat er een vacature is voor de functie van projectleider voor het project "Training of Teachers of Pedagogical Secondary Schools in 7 Provinces of North Vietnam". Dit project heeft een looptijd van drie jaar. In die brief worden de vereiste kwalificaties als volgt omschreven : IX-1825-3/10 - universitair diploma in de pedagogische wetenschappen; - ervaring op het vlak van projectmanagement, kennis van microtraining en onderwijstechnieken, van het gebruik en de evaluatie van pedagogische documenten en audiovisuele leermiddelen en het op punt stellen en uitvoeren van opleidingsprogramma's; - ten minste vijf jaar ervaring op het vlak van lerarenopleiding in ontwikkelings- landen, ervaring in Vietnam is een pluspunt; - grondige kennis van het Engels en het Frans, kennis van het Vietnamees kan nuttig zijn. Verzoeker stelt zich op 21 mei 1998 kandidaat voor die betrekking. 1.
  8. In een nota van 26 augustus 1998 stelt de dienst G3 van het ABOS de kandidaten voor aan de staatssecretaris. Hij is van mening dat verzoeker van alle kandidaten het best voldoet aan de jobvereisten en stelt voor dat hij zou worden aangesteld. Daar de aanstelling van een ontwikkelingssamenwerker moet worden goedgekeurd door het land waar de functie zal worden uitgeoefend en de autoriteiten van de meeste ontwikkelingslanden erop staan te kunnen kiezen uit meerdere kandidaten, stelt de dienst voor ook de curricula vitae van de andere kandidaten te bezorgen maar hij benadrukt dat de andere kandidaten niet voldoende beantwoorden aan het profiel en dat de kandidatuur van verzoeker reeds informeel gunstig werd beoordeeld door de MOET-verantwoordelijken. Hij benadrukt ook dat de Vietnamese overheden de wens hebben uitgedrukt dat de kandidaat zo mogelijk voor het begin van het nieuwe schooljaar in de maand september ter plaatse zou zijn. 1.
  9. Evenwel laat de kabinetschef in opdracht van de staatssecretaris bij nota van 28 september 1998 aan het ABOS weten dat geen enkele van de voorgelegde kandidaturen voldoende beantwoordt aan het profiel. Hij geeft het ABOS opdracht een nieuw onderzoek in te stellen naar passende kandidaten. IX-1825-4/10 1.
  10. Op 2 oktober 1998 informeert verzoeker bij het ABOS naar het gevolg dat aan zijn kandidatuur werd gegeven. Met een brief van dezelfde datum antwoordt de dienst G3 aan verzoeker dat de staatssecretaris van oordeel is dat zijn kandidatuur niet voldoende beantwoordt aan het profiel en dat hij niet voor de functie in aanmerking komt. In reactie hierop schrijft verzoeker rechtstreeks aan de staatssecretaris. Hij argumenteert dat hij zeer ruim aan de gestelde vereisten voldoet en vraagt een meer gestoffeerde motivering van de beslissing tot afwijzing van zijn kandidatuur. 1.
  11. Ook de administratie schrijft in een nieuwe nota van 4 november 1998 aan de staatssecretaris dat verzoeker volgens haar voldoende beantwoordt aan het gewenste profiel. Zij merkt voorts op dat het stellen van hoge eisen aan het profiel het vinden van kandidaten op korte termijn niet zal vergemakkelijken. Zij stelt voor om verzoekers kandidatuur samen met de andere voor te leggen aan de Vietnamese autoriteiten. De staatssecretaris antwoordt in een nota van 14 januari 1999 echter dat hij zijn vroeger standpunt bevestigt en dat de administratie haar onderzoek naar passende kandidaten moet voortzetten. 1.
  12. Blijkbaar kruist dat antwoord een nota van de administratie van 7 januari 1999 waarin zij vijf nieuwe kandidaten voorstelt, waaronder Iris UYTTERSPROT. Zij vraagt de staatssecretaris een keuze te willen maken tussen deze kandidaten en de kandidaten die reeds eerder bij nota van 26 augustus 1998 waren voorgesteld. 1.
  13. Op 11 januari 1999 schrijft verzoeker de staatssecretaris nogmaals aan over zijn kandidatuur. Hij geeft het relaas van de verschillende nota's van de administratie en van zijn tot dan toe ijdele pogingen om desbetreffend een onderhoud te hebben met de kabinetschef van de staatssecretaris. IX-1825-5/10 1.
  14. Op 8 maart 1999 schrijft de staatssecretaris aan het ABOS dat hij van plan is Iris UYTTERSPROT te benoemen met spoedprocedure en voor zes maanden aangezien zij reeds ter plaatse is, de plaatselijke situatie kent en een basiskennis heeft van de Vietnamese taal, wat haar zal toelaten het project vlug op te starten. Bij ministerieel besluit van 17 mei 1999 wordt Iris UYTTERSPROT dan benoemd voor een periode van zes maanden als aanvullend personeelslid van de coöperatie met de ontwikkelingslanden. Dit is de bestreden akte in de zaak A.84.180/IX-
  15. 1.
  16. In een nota van 14 oktober 1999 stelt de Dienst Gouvernementele Samenwerking - Dienst Azië - aan de bestuursdirectie Human Resources van het ABOS voor om Iris UYTTERSPROT op het einde van haar dienstperiode te herbenoemen voor de duur van zes maanden daar zij haar functie vervult tot tevredenheid van de lokale autoriteiten en de regularisatie van haar definitieve benoeming nog niet volledig is afgerond. 1.
  17. Bij besluit van 29 oktober 1999 wordt Iris UYTTERSPROT dan opnieuw benoemd voor een maximumduur van zes maanden, als aanvullend personeelslid van de coöperatie met de ontwikkelingslanden met als aanwijzing Vietnam. Dit is de bestreden beslissing in de zaak A. 89.045/IX-
  18. Overwegende dat de met het tweede beroep bestreden handeling voorkomt als een vervolg op die welke bestreden wordt in het eerste beroep en er haar rechtsgrond uit put; dat de beide zaken verknocht zijn en het past ze samen te voegen in het belang van een goede rechtsbedeling; 3.
  19. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memories opwerpt dat verzoekers belang is teloorgegaan omdat inmiddels, ten gevolge van een reorganisatie in de loop van het geding, de betrekkingen waarnaar hij meedingt opgehouden hebben te bestaan; dat zij uiteenzet dat de kandidatuur van verzoeker IX-1825-6/10 betrekking had op functies als aanvullend personeelslid van de coöperatie in de zin van het koninklijk besluit van 10 april 1967 houdende het statuut van het personeel van de coöperatie met de ontwikkelingslanden; dat naar aanleiding van de hervorming en opsplitsing van het ABOS echter een einde werd gemaakt aan dat systeem van "personeel van de coöperatie met de ontwikkelingslanden"; dat met de wet van 21 december 1998 overgegaan werd tot oprichting van een nieuwe afzonderlijke rechtspersoon, de "Belgische Technische Coöperatie" (BTC), in de vorm van een vennootschap van publiek recht, welke wet een radicale breuk inhoudt met het verleden, wat een grondige personeelshervorming meebracht waarbij het ontwikkelingsbeleid niet langer meer wordt uitgevoerd door personeel van de coöperatie onderworpen aan het statuut van 10 april 1967, maar door de "technische samenwerkingsdeskundigen" van de BTC en de "attachés voor Internationale Samenwerking”; dat te dezen het desbetreffende project bij overeenkomst van 28 maart 2000 werd overgedragen aan de BTC, met inwerkingtreding op 1 april 2000 en einde voorzien op 31 mei 2002; dat tussen de BTC en Iris UYTTERSPROT op 1 april 2000 een arbeidsovereenkomst voor een welbepaald werk is gesloten op grond van de toepassing van artikel 25 van het eerste beheerscontract BTC; dat de verwerende partij hieruit afleidt dat verzoeker niet langer belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden benoemingen, aangezien deze hem geen nieuwe kans zal bezorgen om die betrekkingen te verwerven, nu de Belgische Staat (het ABOS) na nietigverklaring immers niet meer tot benoeming overeenkomstig het koninklijk besluit van 10 april 1967 zal kunnen overgaan en de betrokken functies werden uitgesplitst tussen enerzijds de attachés van het ministerie van Buitenlandse Zaken en anderzijds de technische samenwerkingsdeskundigen van de BTC, die telkens onderworpen zijn aan een geheel eigen statuut en waarvoor andere benoemingsvoorwaarden en -procedures gelden; dat de verwerende partij ten slotte nog stelt dat verzoeker ook zijn belang verloren heeft omdat hij niet langer deel uitmaakt van het betrokken bestuur "wegens de afschaffing van betrekking"; Overwegende dat de verwerende partij naderhand nog heeft medegedeeld dat het hele project is afgelopen, dat aan het arbeidscontract met IX-1825-7/10 Iris UYTTERSPROT definitief een einde is gekomen en dat de betrekking waarin verzoeker aangesteld wenste te worden niet meer bestaat, onder welke vorm ook; 3.
  20. Overwegende dat verzoeker ter terechtzitting erkent dat hij geen kans meer maakt om in de geambieerde betrekking aangesteld te worden, doch dat hij nog een moreel belang behoudt, voornamelijk dat hij in zijn eer gekrenkt is doordat zijn bekwaamheid schromelijk werd onderschat ten opzichte van die van Iris UYTTERSPROT, wier aanspraken nochtans veel geringer waren dan de zijne; 3.3.
  21. Overwegende dat iemand die, zoals verzoeker, voor de Raad van State de rechtshandeling aanvecht waardoor hij niet wordt aangesteld in een betrekking waarvoor hij zich kandidaat had gesteld maar waarin integendeel iemand anders wordt aangesteld, door de nietigverklaring ervan voornamelijk beoogt te verkrijgen dat die betrekking opnieuw open verklaard wordt en dat hij aldus de kans krijgt om zelf, in de plaats van degene wiens benoeming nietig verklaard is, in die betrekking te worden aangesteld en om ze daadwerkelijk waar te nemen; 3.3.
  22. Overwegende dat in dezen, ingevolge de reorganisatie van de ontwikkelingssamenwerking en de daarmede gepaard gaande afschaffing van de samenwerkingssecties, er een einde werd gemaakt aan de diensten bij de ont- wikkelingssamenwerking van de coöperanten die er werkzaam waren; dat dit ook het geval was voor de betrekking die werd bezet door Iris UYTTERSPROT; dat weliswaar die betrekking naderhand onder een ander juridisch statuut is blijven voortbestaan en door dezelfde persoon werd uitgeoefend; dat echter ook daaraan een einde is gekomen; dat de verwerende partij dan ook terecht stelt dat verzoeker er niet meer in aangesteld kan worden zodat wat dat betreft voor hem een rechtsherstel in natura onmogelijk is; dat wat dit betreft verzoekers belang alleszins is teloorgegaan; 3.3.
  23. Overwegende, in zoverre verzoeker zich beroept op een moreel nadeel, dat weliswaar uit de gegevens van de zaak blijkt dat verzoeker door de administratie van het ABOS van alle kandidaten de geschiktste werd geacht, terwijl volgens haar Iris UYTTERSPROT in eerste instantie helemaal niet in aanmerking IX-1825-8/10 kwam; dat bij de keuze van laatstgenoemde door de benoemende overheid echter geen vernederende uitspraken zijn gedaan of blamerende bewoordingen ten aanzien van verzoeker werden gebruikt; dat verzoekers moreel belang eigenlijk bestaat in het niet erkend zien van zijn capaciteiten; dat het niet zal worden gediend door een nietigverklaring, daar een erkenning van zijn capaciteiten alleen maar zou kunnen worden verkregen door zelf aangesteld te worden in de geambieerde betrekking, hetgeen thans niet meer mogelijk is; dat de mogelijkheid dat de benoemende over- heid voor iemand anders kiest trouwens inherent is aan iedere kandidaatstelling; 3.3.
  24. Overwegende dat uit wat voorafgaat moet worden besloten dat het belang dat verzoeker doet gelden niet meer toereikend is om een nietigverklaring van de bestreden aanstellingen te wettigen; dat aangezien zijn belang niet is teloorgegaan door zijn eigen toedoen, het past de kosten van het geding ten laste van de verwerende partij te brengen, BESLUIT: Artikel
  25. De zaken nrs. A. 84.180/IX-1825 en 89.045/IX-2174 worden gevoegd. Artikel
  26. De beroepen worden verworpen. Artikel
  27. De kosten van de vorderingen tot schorsing en van de beroepen tot nietigverklaring, bepaald op 694,12 euro, komen ten laste van de Belgische Staat. IX-1825-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig augustus 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-1825-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.458 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.