id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 augustus 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.463 Rolnummer: A. 113226/XIV-7424 Zaak: Arrest 134463 - - 31/08/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-04 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 08:42 Fiche Arrest nr 134.463 van 31 augustus 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.463 van 31 augustus 2004 in de zaak A.113.226/XIV-7.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J.-P. VIDICK, kantoor houdende te 1090 BRUSSEL, Augustijnernonnenstraat 67 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Mauretaanse nationaliteit, op 22 november 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het bevel van de Minister van Binnenlandse zaken van dinsdag 23 oktober 2001 om het grondgebied te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 14 december 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 26 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 31 maart 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-7.424-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat J.-P. VIDICK, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 17 september 1998 en zich vluchteling verklaart op 18 september 1998; dat de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen op 15 mei 2001 heeft beslist tot weigering van erkenning van de hoedanigheid als vluchteling; dat een beroep tot nietigverklaring tegen die beslissing hangende is bij de Raad van State, gekend onder het nummer A. 106.348/XI- 15.168; Overwegende dat de verzoekende partij op 13 april 2001 een aanvraag tot machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, 3de lid van de Vreemdelingenwet indient; dat de minister van Binnenlandse Zaken met een beslissing van 22 augustus 2001 deze aanvraag heeft verworpen; dat het beroept tot nietigverklaring tegen deze laatste beslissing met’s Raads arrest nr. 104.246 is verworpen; Overwegende dat de minister van Binnenlandse Zaken op 23 oktober 2001 een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten geeft aan de verzoekende partij; dat dit het thans bestreden bevel is;
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “De la violation de l’art. 51.4 de la loi du 15.12.1980, de l’absence de motivation ou de motivation adéquate (loi du 29 juillet 1991), de l’excès de pouvoir et de l’abus contraires à d’appréciation. A titre principal Attendu qu’incontestablement la langue qui a été déterminée pour suivre la procédure relative au dossier administratif du requérant est le français. Qu’en vertu de l’art. 51.4 de la loi du 15.12.1980 cette langue doit être appliquée jusqu’à la phase ultime de la procédure engagée par le requérant. Que la décision attaquée est établie en néerlandais. Que cela été fait en violation de la loi précitée et qu’il en résulte que l’acte attaqué est nul puisqu’il a été pris dans le cadre de la demande d’asile introduite par le requérant et manifestement de par le fait de la clôture de ladite procédure. A titre subsidiaire: Qu’actuellement il est contraire à la Convention indiquée ci-dessus d’exiger que le requérant retourne dans son pays d’origine où le régime dictatorial attend son retour pour le persécuter et même l’éliminer. Que la décision attaquée est hautement critiquable et contraire à la Convention indiquée ci-dessus. Attendu que le Cour européeenne des Droits de l’Homme a le 20.03.1991 redu un arrêt (CRUZ VARAS c/Suède, in Revue du Droit des Etrangers, 1991, n/ 63, pp. 100 et svtes) XIV-7.424-2/5 estimant que ‘l’éloignement d’un étranger peut constituer une violation de l’ar. 3 de la Convention européenne des Droits de l’Homme, lorsqu’il y a des motifs sérieux et avérés de croire que l’intéressé courra, dans le pays de destination, un risque réel d’être soumis à la torture ou à des peines ou traitements inhumains et dégradants’. Attendu que la partie requérante allègues avec vraisemblance que si elle retournait en Guinée, son pays d’origine, sa vie y serait automatiquement mise en danger. Attendu par ailleurs que la décision attaquée manque de motivation en ce qu’elle ne fait aucunement référence au fait que le requérant avait en son temps introduit une demande d’asile qui est clôturée par une décision de la commission permanente de recours. Que la décision attaquée doit manifestement avoir été prise en raison de la clôture de ladite procédure et donc dans le cadre de la demande d’asile introduite par le requérant. Attendu que la décision attaquée ne renseigne pas le requérant quant à la date de prise de ladite décision. Que cette date pourrait cependant avoir toute son importance. Que d’une façon générale la partie adverse a un comportement vis-à-vis du requérant que celui-ci a bien du mal à comprendre étant donné que postérieurement à la décision attaquée mais antérieurement au présent recours, la partie adverse a en date du même jour, soit le 31.10.2001 porté à la connaissance du conseil du requérant de ce qu’elle prenait une décision de refus de séjour et de ce qu’elle procédait au retrait de la décision de refus de séjour prise contre lui en date du 22.08.2001.”; Overwegende dat artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) van toepassing is op verklaringen of aanvragen die geschieden in het kader van de asielprocedure; dat het bevel om het grondgebied te verlaten niet het gevolg is van een aanvraag van de verzoekende partij, doch een ambtshalve politiemaatregel die genomen werd op basis van de door de verzoekende partij niet betwiste vaststelling dat zij op het grondgebied verblijft zonder te beschikken over de daartoe vereiste documenten; Overwegende dat artikel 3 van het E.V.R.M. luidt als volgt : “Niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen."; dat deze bepaling slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden ingeroepen, namelijk wanneer blijkt dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn waaruit kan worden afgeleid dat er bij terugleiding naar het land van herkomst een ernstig en reëel risico bestaat op onmenselijke of vernederende bestraffing; dat de uiteenzetting van het middel te summier is; dat de verzoekende partij in gebreke blijft en concrete gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat de verwijdering van het grondgebied van het Rijk ten gevolge van de tenuitvoerlegging van het bestreden bevel, een onmenselijke behandeling zou uitmaken in de zin van artikel 3 van het E.V.R.M.; dat de verzoekende partij zich in haar uiteenzetting tot een blote bewering beperkt; Overwegende dat de verzoekende partij voorts dat betoogt in de bestreden beslissing niet wordt verwezen naar de weigering van haar erkenning als vluchteling; dat in de bestreden beslissing geen dergelijke verwijzing diende opgenomen te worden, nu blijkt dat het bestreden bevel gebaseerd is op het feit dat de verzoekende partij op het grondgebied verbleef zonder te beschikken over de daartoe vereiste documenten; XIV-7.424-3/5 Overwegende dat de verzoekende partij betoogt dat de bestreden beslissing geen melding maakt van de datum waarop de beslissing werd genomen; dat het bevel wel degelijk melding maakt van de datum waarop ze werd genomen; dat het enige middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-7.424-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénendertig augustus tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-7.424-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.463 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.