← België

Arrest 134467 - - 31/08/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 augustus 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.467 Rolnummer: A. 127018/XIV-11791 Zaak: Arrest 134467 - - 31/08/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-04 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 08:42 Fiche Arrest nr 134.467 van 31 augustus 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.467 van 31 augustus 2004 in de zaak A. 127.018/XIV-11.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat S. MENTEN, kantoor houdende te 3600 GENK, Europalaan 50/2 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Liberiaanse nationaliteit, op 20 september 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 22 augustus 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 14 juni 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 22 augustus 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 26 september 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 22 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 juni 2004; XIV-11.791-1/9 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. LEUS, die loco advocaat S. MENTEN verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur Ch. LECHAT, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 15 mei 2002 en zich dezelfde vluchteling verklaart; dat op 14 juni 2002 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 22 augustus 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “U beweerde de Liberiaanse nationaliteit te bezitten, uit Gbarnga (Bong County) afkomstig te zijn en tot de Kpelle-etnie te behoren. Uw vader, XXX, heeft de Liberiaanse nationaliteit en overleed in 1990 in Liberia in u onbekende omstandigheden. Uw moeder, XXX, heeft de Sierra-Leoonse nationaliteit en is van Krio-afkomst. U verbleef met uw moeder, uw oudere broer XXX en uw jongere zus, XXX, sedert uw zes jaar in Wellington (Freetown, Sierra Leone). In augustus 1998 ging uw broer XXX naar een feestje in Kissy (Freetown). Hij keerde niet naar huis terug. U ging hem tevergeefs zoeken. In januari 1999 (een week na Nieuwjaar) vielen de rebellen van het ‘RUF’ (Revolutionary United Front) Freetown aan. Drie tot vier dagen later kwam XXX terug naar huis. Hij werd vergezeld door twee andere voor u onbekende jongens. Hij vertelde jullie dat hij door de rebellen was gevangen genomen en hij was gedwongen hen te vervoegen. De buren adviseerden uw moeder om XXX en zijn twee metgezellen weg te sturen, omdat het rebellen waren. Vier dagen later vielen de Kamajors (traditionele jagers, aanhangers van de ‘Sierra Leone People’s Party’) jullie woning ‘s nachts aan. De Kamajors drongen jullie woning binnen en uw broer werd door hen neergeschoten. U ontsnapte via het raam aan de achterkant, door het glas met uw hoofd te breken. U nam de benen naar Portee Junction. U was zwaar gewond aan het hoofd. U ontmoette er voor u onbekende mannen, waarop u het bewustzijn verloor. Vier dagen later bevond u zich in het woud met drie u onbekende mannen, die rebellen bleken te zijn. Zij vroegen u tot welke groep u behoorde. U vermoedt dat de rebellen dachten dat u eveneens bij de rebellen behoorde. U kon echter niet praten door uw zware verwondingen en u slaagde er slechts moeizaam in om te knikken. De rebellen stelden u vragen. U werd door de rebellen verzorgd. Na negen maanden vertelde u hen dat u tot geen enkele groep rebellen behoorde, maar dat uw broer door de ‘West Side Boys’ was gevangen genomen. U vertelde hen eveneens dat uw verwondingen door de Kamajors waren veroorzaakt. De rebellen vroegen u of u ‘mensen wilde controleren’, waarbij u dan een geweer zou krijgen en al uw wensen in vervulling zouden gaan. U replikeerde dat u geen geweer en geen controle wilde, omdat u vreesde gewond te raken tijdens gevechten en te moeten doden. U werd door de rebellen meegenomen naar een kamp, nabij ‘Fourman Village’, alwaar u na twee dagen te voet aankwam. U diende er een fysieke training (gewichtheffen) te ondergaan. Op een u onbekende datum in 2001 trachtte u te ontsnappen uit het kamp, maar werd u gevat en verwond aan uw been door uw bewakers. In maart 2002 werd u door de rebellen met drie van uw vrienden, XXX, XXX en XXX, naar Freetown gebracht om de burgers te bedreigen en te intimideren om voor de presidentskandidaat van het RUF, Augustin Bah, te stemmen tijdens de verkiezingen op 14 mei
  3. Op 2 april 2002 slaagde u erin te ontsnappen. U vluchtte naar uw woning terug, maar u merkte dat er niemand van uw familie aanwezig was. Twee mannen vroegen u waar u had gewoond. U nam de benen, omdat u niet wilde dat de mensen u als een rebel zouden identificeren. U besloot naar Liberia terug XIV-11.791-2/9 te keren. U nam een taxi naar Victoria Park, vandaar ging u verder naar een u onbekende plaats in Sierra Leone, vanwaar u verder reisde naar de grens met Liberia. In Koïdu nam u een auto tot Gbarnga (Bong County, Liberia), alwaar u op 2 april 2002 aankwam. U ontmoette er een oudere dame, die zich als de zus van uw vader voorstelde. U ontmoette in haar woning uw neef, XXX, aan wie u uw problemen uitlegde. XXX vertelde u dat er een oorlog bezig was in Liberia. Na zeven dagen wilde u een vriend, XXX, bezoeken, die vaak bij uw tante op bezoek kwam. Op uw terugweg werden u en XXX door militairen van president Charles Taylor tegengehouden. U en XXX werden door hen meegenomen naar een militaire basis in een u onbekende plaats in een u onbekende county. U diende er een militaire training te ondergaan. Na twee weken ontmoette u er een heer, ‘Senior sergeant’, hij vertelde u dat hij een vriend van uw vader was geweest en hij u zou helpen het land te verlaten. De zestiende dag na uw aankomst in de militaire basis (april 2002) reisde u terug naar Freetown met hulp van ‘Senior sergeant’. U diende er een heer, Ibrahim, te zoeken die u zou helpen Sierra Leone te verlaten. Diezelfde dag loodste Ibrahim u aan boord van een schip, dat op 15 mei 2002 in België aanmeerde. U vroeg op 15 mei 2002 asiel aan in België. Vooreerst bestaan er enige ernstige twijfels omtrent uw verklaringen voor het commissariaat-generaal (hierna CG) over uw Liberiaanse nationaliteit en uw recent verblijf in Liberia in april 2002 (zeven dagen in Gbarnga en zestien dagen in een militaire basis op een voor u onbekende plaats) (CG p. 1 en 39). Wanneer u door het commissariaat-generaal naar de geboorteplaats van uw vader wordt gevraagd, antwoordt u dit niet te weten, maar te vermoeden dat het Gbarnga is (CG p. 9). Op de vraag van het commissariaat-generaal naar overige familieleden in Liberia, antwoordt u een oude vrouw in Gbarnga te hebben ontmoet, die zich voorstelde als de zus van uw vader, maar u kan merkwaardigerwijs haar naam niet verstrekken (CG, p. 9). U verklaarde voor de dienst Vreemdelingenzaken (hierna DVZ) (verhoor dd. 6 juni 2002 en 11 juni 2002) nog in dit verband dat de oudere vrouw u vertelde dat uw vader als een broer voor haar is geweest en u veronderstelde dat het verre familieleden waren, aangezien haar familie dezelfde naam had als de uwe (DVZ punt 42). U kent tijdens het verhoor in dringend beroep met uitzondering van Monrovia en Gbarnga geen enkele andere stad in Liberia en u verklaart onterecht voor het commissariaat-generaal dat Grand Keppe County (wellicht Grand Gedeh County); Grand Kru County; River Cross County (wellicht River Cess County); Lofa County; Bong County; Moserado (wellicht Montserrado County) en Nimba County in Liberia voorkomende steden zouden zijn (CG p. 10) (zie bijgevoegde informatie in het administratief dossier en gedetailleerde geografische kaart van Liberia). Op de vraag van het commissariaat-generaal naar de naam van de politieke partij van Charles Taylor, blijft u het antwoord schuldig (CG, p. 10). U blijkt er evenmin een idee van te hebben welke steden u zou hebben gepasseerd vanaf de grens Sierra Leone met Liberia tot in Gbarnga (CG, p. 32). U stelt voor het commissariaat-generaal dat de zoon van uw tante, XXX, u vertelde dat er een oorlog bezig was in Liberia, maar u kan geen enkele uitleg, laat staan de naam, verstrekken omtrent de strijdende partijen in het conflict (CG, p. 33). U kan voor het commissariaat-generaal ook niet specificeren of er eveneens rebellen in Liberia zijn (CG, p. 33). U kan tijdens het verhoor in dringend beroep evenmin preciseren welke oorlog (partijen) u in 1990 in Liberia ontvluchtte (CG, p. 41) en ook over de omstandigheden van het overlijden van uw vader in 1990 kan u geen details verstrekken (CG, p. 3). U kan voor het commissariaat-generaal geen enkele andere naam van een straat in Gbarnga verstrekken dan Main Street, Brush Street en Mongo Street (CG, p. 34) en u kent zelfs geen enkel dorp of stad in de onmiddellijke omgeving van Gbarnga (CG, p. 34). U verklaart in strijd met de werkelijkheid voor het commissariaat-generaal dat de Mandingo de (numerieke) meerderheid zouden vormen in Gbarnga (CG, p. 34) (zie bijgevoegde informatie in het administratief dossier) en u kent met uitzondering van het Kpelle en het Ku (wellicht Kru), geen enkele andere in Liberia voorkomende taal (CG, p. 34), alhoewel uit informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt, blijkt dat er negenentwintig talen in Liberia zijn geregistreerd (zie bijgevoegde informatie in het administratief dossier). U stelt nog verkeerdelijk in dit verband dat Nimba een in Liberia voorkomende taal zou zijn (CG, p. 34) (zie bijgevoegde informatie in het administratief dossier). Verder verklaart u voor het commissariaat-generaal tot de Kpelle-etnie te behoren, maar de gelijknamige taal niet machtig te zijn (CG,p. 35). In het algemeen kan nog worden opgemerkt dat uw lage scholingsgraad en uw kort verblijf in Liberia geen afdoende verklaringen zijn om uw gebrek aan elementaire kennis over uw vermeende land van herkomst te verantwoorden. Er mag redelijkerwijze van u worden verwacht dat u enige toelichting kan geven bij een aantal basisgegevens over uw land van oorsprong, zodat uw nationaliteit kan worden vastgesteld. Overigens is het heel merkwaardig dat u voor het commissariaat-generaal kan specificeren dat Gbarnga ‘de tweede hoofdstad is van Liberia’ (CG, p. 10), maar u verder geen (correct) antwoord kan verstrekken op een aantal heel eenvoudige vragen. Daarenboven, zelfs indien uw verklaringen omtrent uw nationaliteit aan de werkelijkheid zouden beantwoorden (quod non), dient te worden vastgesteld dat u voor de diverse Belgische asielinstanties (dienst Vreemdelingenzaken en commissariaat-generaal) omtrent de door u ingeroepen (vervolgings-)feiten in Liberia een aantal heel vage en weinig coherente heeft verklaringen afgelegd. Zo is het merkwaardig dat u tijdens het verhoor in dringend beroep XIV-11.791-3/9 beweert de etnische origine van XXX niet te kennen, alhoewel u reeds bevriend met hem was in Gbarnga (CG, p. 34) en met hem een militaire opleiding heeft gevolgd in een voor u onbekende militaire basis gedurende twee weken (CG, p. 36). U verklaart voor het commissariaat-generaal gedurende twee weken een militaire opleiding te hebben gevolgd in een militaire basis, maar u kan in het geheel niet situeren in welke regio (dorp of stad) of in welke ‘county’ (administratieve indeling) deze militaire basis is gesitueerd. Verder stelde u voor de dienst Vreemdelingenzaken dat u door het leger werd meegenomen en na ongeveer dertig à vijfendertig minuten rijden aan een kamp aankwam (DVZ, punt 42), terwijl u tijdens het verhoor in dringend beroep beweert niet te weten hoelang u van Gbarnga tot de militaire basis heeft gereden (CG, p. 36). Verder blijkt u er voor het commissariaat-generaal geen idee van te hebben wat de naam is van uw instructeur (tenzij ‘sergeant’) en kent u met uitzondering van XXX geen enkele andere naam van gerecruteerden (CG, p. 36). Ook de naam van de bevelvoerder in het kamp is u geheel onbekend (tenzij ‘senior sergeant’) voor het commissariaat-generaal (CG, p. 36). U verklaart nog in dit verband tijdens het verhoor in dringend beroep dat de ‘senior sergeant’ bevriend was met uw vader, maar u zijn naam niet kan kennen, vermits u op jonge leeftijd Liberia heeft verlaten (CG, p. 42), hetgeen een weinig overtuigende uitleg is, vermits u verzekert dat de persoon die u aanduidt als ‘senior sergeant’ gedurende twee weken uw overste is geweest (CG, p. 36). U verklaart voor het commissariaat- generaal dat u na twee weken training werd geroepen, om uw naam op te schrijven, maar u kan het doel van het document dat u ondertekende niet uitleggen (CG, p. 37). U beweert voor het commissariaat-generaal dat u van de ‘senior sergeant’ een brief diende te overhandigen aan de man die u in Freetown ontmoette, Ibrahim, maar u kan niet preciseren wat er in die brief stond vermeld (CG, p. 38). Verder kan u tijdens het verhoor in dringend beroep niet preciseren waar in Freetown Ibrahim verbleef (CG,p. 38). Verder verklaart u voor het commissariaat-generaal dat u in Sierra Leone vreest door de mensen als rebel te worden beschouwd (CG, p. 38), maar er kunnen enige vraagtekens worden geplaatst bij uw verklaringen voor de dienst Vreemdelingenzaken en het commissariaat- generaal omtrent de door u ingeroepen (vervolgings-)feiten in Sierra Leone en meer in het bijzonder omtrent uw (vermeende) gedwongen verblijf bij de rebellen vanaf januari 1999 tot en met 2 april 2002 (CG, p. 13 en 30). U beweert immers tijdens het verhoor in dringend beroep dat uw broer, XXX, met twee jongens gedurende vier dagen in uw woning verbleef, maar u kan de namen van die twee jongens niet verstrekken (CG,p. 14). U blijkt er tijdens het verhoor in dringend beroep geen idee van te hebben waar uw broer sedert zijn gevangenneming door de rebellen heeft verbleven (CG, p. 13). Op de vraag van het commissariaat-generaal hoe de buren wisten dat XXX en zijn twee metgezellen rebellen waren, antwoordde u dat de mensen hen herkenden en aan uw moeder vroegen hen weg te sturen, maar u kan geen namen verschaffen van mensen die hen herkenden (CG, p. 14 en 15). Omtrent uw eerste verblijfplaats gedurende negen manden bij de rebellen, kunnen volgende opmerkingen worden gemaakt. Zo kan u voor het commissariaat-generaal in het geheel niet situeren in welke regio u in het woud bij de rebellen verbleef gedurende negen maanden (CG, p. 17). U verklaart voor het commissariaat-generaal dat de rebellen u vragen stelden (CG, p. 18). U beweert voor het commissariaat-generaal dat u na negen maanden de rebellen vertelde wat er met u was gebeurd (CG, p. 18 en 20), terwijl u voor de dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat u ‘zich voor de domme hield’ (DVZ, punt 42). Wanneer u door het commissariaat-generaal naar de leider van het kamp wordt gevraagd, antwoordt u dat die er niet was (CG, p. 18), terwijl u voor de dienst Vreemdelingenzaken, specificeerde dat de bijnaam van de leider ‘Kafte Choblot’ was (DVZ punt 42). U beweert voor het commissariaat-generaal dat de leider van het (tweede) kamp waar u tot maart 2002 verbleef, Abu Zapko of ‘Zigallo’ werd genoemd (CG, p. 22). Voor de dienst Vreemdelingenzaken maakte u geen melding van een verplaatsing van het eerste kamp naar het tweede kamp en stelde u gedurende twee jaar in het kamp te hebben verbleven onder leiding van ‘Kafte Choblot’ (DVZ, punt 42). U kent met uitzonderintg van ‘Kafti Blood’ en ‘Destroying Leader’ geen andere namen van rebellen in het (eerste) kamp (CG, p. 18). Omtrent uw tweede verblijfplaats vanaf eind 1999 tot en met maart 2002, dienen volgende vaststellingen worden gemaakt. U verklaart voor het commissariaat-generaal dat u in een kamp verbleef nabij Fourman village (CG, p. 21), maar u kan geen enkele andere naam van een dorp in de buurt verstrekken (CG, p. 24). U verklaart voor het commissariaat-generaal dat u een fysieke training diende te ondergaan, maar u kan niet specificeren waarom u die training moest volgen (CG, p. 21). U beweert tijdens uw verhoor in dringend beroep dat u in 2001 trachtte te ontsnappen, maar u kan de datum niet preciseren (CG, p. 21 en 25). Op de vraag van het commissariaat-generaal of u eveneens een rebellennaam kreeg, ontkent u dit uitdrukkelijk en stelt u die niet te krijgen als je niet controleerde (CG, p. 22). Nochtans verklaarde u voor de dienst Vreemdelingenzaken dat u ‘Black Shadow’ werd genoemd door de rebellen (DVZ, punt 42). Zelfs wanneer u door het commissariaat-generaal de naam ‘Black Shadow’ wordt voorgelegd, antwoordt u er nog nooit van te hebben gehoord (CG, p. 25). U kan voor het commissariaat-generaal geen andere namen van rebellen verstrekken dat ‘Brasil’ en ‘AK’ (CG, p. 22 en 23). Ook wanneer u door het commissariaat-generaal naar namen van medegevangenen wordt gevraagd, kan u er niet meer geven dat Bangura, Karima en Nagbwe (CG, p. 23). Verder is het hoogst merkwaardig dat u er geen idee van blijkt te hebben wie ‘Sam XIV-11.791-4/9 Bockarie’ is (CG, p. 24). U verklaart in dit verband dat hij een soort woordvoerder is, maar u kan niet preciseren voor wie of voor welke groep (CG, p. 24). Over ‘Dennis Mingo’ verklaart u in strijd met de werkelijkheid tijdens het verhoor in dringend beroep dat hij een aanhanger van (president) Kabbah zou zijn (CG,p. 24) (zie bijgevoegde informatie in het administratief dossier). U beweert voor het commissariaat-generaal dat u in het kamp met ongeveer zes personen sliep, maar u kan geen enkele naam verstrekken (CG, p. 24 en 25). U kent voor het commissariaat-generaal geen enkele naam van een dorp of stad die door de rebellen werd aangevallen tijdens uw verblijf in het kamp (CG, p. 25). Omtrent uw deelname aan de campagne voor de verkiezingen van 14 mei 2002, dienen volgende bemerkingen te worden gemaakt. Zo verklaart u geheel in strijd met de werkelijkheid voor het commissariaat-generaal dat ‘Augustin Bah’ de presidentskandidaat was voor het RUF (CG, p. 26) (zie bijgevoegde informatie in het administratief dossier). U stelt eveneens verkeerdelijk voor het commissariaat-generaal dat de naam van de politieke partij van de rebellenbeweging ‘RUF’ (zonder meer), zou zijn (CG, p. 27) (zie bijgevoegde informatie in het administratief dossier). U kan tijdens het verhoor in dringend beroep het partijbureau van het RUF in Freetown niet situeren (CG, p. 28) en u beweert onterecht voor het commissariaat-generaal dat er geen kandidaat was voor het RUF voor het vice-presidentschap (CG, p. 28) (zie bijgevoegde informatie in het administratief dossier). U kent voor het commissariaat-generaal buiten Augustine Bah geen andere kandidaten voor het RUF (CF, p. 29). Ook uw verklaringen omtrent uw reisweg zijn weinig overtuigend tijdens het verhoor in dringend beroep. U kan immers weinig of geen details verstrekken omtrent de bootreis (tussenhavens) en het schip (naam, nationaliteit), waarmee u naar België bent gereisd (CG, p. 40). Verder stemt uw verklaring in 1984 te zijn geboren (CG, p. 1) niet overeen met de werkelijkheid. Uit een radiografisch onderzoek uitgevoerd door een arts van het Universitair Ziekenhuis Antwerpen (dd. 30 mei 2002), blijkt immers dat uw skeletleeftijd minstens negentien jaar bedraagt. U blijkt niet in het bezit te zijn van enig document dat een controle van uw reisweg en uw identiteit mogelijk zou kunnen maken. Tot slot brengt uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep geen andere elementen naar voor die de weigeringsbeslissing van de dienst Vreemdelingenzaken vermogen te wijzigen.”; 2.1.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending opwerpt van artikel 1, A, van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); dat zij aanvoert dat zij in haar verklaring op het commissariaat-generaal dezelfde elementen naar voor heeft gebracht als op de dienst Vreemdelingenzaken en deze elementen slechts heeft verduidelijkt, dat zij onder de bepalingen van de Vluchtelingenconventie valt omdat haar vervolging stoelt op het feit dat zij tot de sociale (leeftijds-)groep behoort waaruit soldaten worden geronseld die mensonterende behandelingen zullen ondergaan en dat zij niet naar het land van herkomst mag worden teruggeleid gelet op de eerdere mishandelingen en de explosieve situatie in Liberia; 2.1.
  5. Overwegende dat dient te worden herhaald dat artikel 1 van de Vluchtelingenconventie op zichzelf niet volstaat om toepasbaar te zijn zonder dat verdere reglementering met het oog op precisering of vervollediging noodzakelijk is; dat die bepaling geen duidelijke en juridisch volledige tekst is die de verdragspartijen of een onthoudingsplicht of een plicht om op een welbepaalde wijze te handelen, oplegt en dat er derhalve een directe werking aan moet worden ontzegd zodat de verzoekende partij de rechtstreekse schending ervan niet dienstig kan inroepen; dat het eerste middel om die reden niet ontvankelijk is; XIV-11.791-5/9 2.2.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending opwerpt van artikel 3 van het E.V.R.M.; dat zij aanvoert dat de uitvoering van het bevel om het grondgebied te verlaten haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dreigt te berokkenen omdat zij er ingevolge de dood van haar vader en broer een vreselijke jeugd heeft gekend, omdat zij in het leger mensonterende behandelingen heeft ondergaan, omdat in Liberia een burgeroorlog woedt en omdat haar vlucht bij een eventuele terugkeer zwaar zal worden aangerekend en dat zij een gegrond asielmotief in overeenstemming met de Vluchtelingenconventie heeft aangebracht; 2.2.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij moet aantonen dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat in het land waarnaar ze mag worden teruggeleid, zij een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling; dat de bescherming via artikel 3 van het E.V.R.M. slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing zal vinden; dat degene die aanvoert dat hij een dergelijk risico loopt zijn beweringen moet staven met een begin van bewijs; dat de eenvoudige vrees voor een onmenselijke behandeling op zich niet volstaat om een inbreuk uit te maken op artikel 3 van het E.V.R.M.; dat, in de mate dat de verzoekende partij verwijst naar haar asielrelaas, de asielaanvraag met de bestreden beslissing kennelijk ongegrond is bevonden en dat haar grieven daartegen, zoals hierna zal blijken, blijkens de bespreking van het derde middel ongegrond zijn; dat de verzoekende partij derhalve geen schending van artikel 3 van het E.V.R.M. aannemelijk maakt en dat het tweede middel ongegrond is; 2.3.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij in hetgeen als een derde middel kan worden beschouwd onder punt IV. het volgende aanvoert: “IV. Tegenstrijdigheden tussen relaas dienst Vreemdelingenzaken en relaas commissariaat- generaal: geen noemenswaardige tegenstrijdigheden. Het commissariaat-generaal (hierna CG) is van oordeel dat er meerdere tegenstrijdigheden kunnen vastgesteld worden tussen het relaas op het CG en dat op de dienst Vreemdelingenzaken (hierna DVZ). De geloofwaardigheid van de verklaringen zou daardoor in het gedrang komen. Dat echter de tweede verklaring gedetailleerd werd afgelegd. Nergens werden er belangrijke nieuwe feiten aangevoerd die niet in de eerste verklaring zouden zijn afgelegd. De eerste verklaring werd dieper besproken omdat de kans zich daar nu toe verleende. Verzoeker heeft alle vragen, datums en plaatsen kunnen beantwoorden. Is nergens het antwoord schuldig gebleven. Dat er nergens noemenswaardige tegenstrijdigheden tussen beide verklaringen kunnen weerhouden worden. Het valt op in de beslissing van het CG dat de door hun weerhouden tegenstrijdigheden als belangrijk worden gehouden. Ze zouden de kern van zijn relaas raken. In tegendeel ! Geen enkele van de zogenaamde tegenstrijdigheden raken de kern van zijn relaas. Verzoeker wordt aangewreven dat hij slechts enkele straten kon opsommen doch uiteraard weet verzoeker er meerdere. Zie zijn lijst in bijlage. Nogmaals mag erop gewezen worden dat verzoeker op zeer jonge leeftijd (in 1990 toen hij aldus 6 was) Liberia heeft verlaten en het perfect mogelijk is niet heel vlot te zijn in het noemen van namen, plaatsen of talen in Liberia. Verzoeker heeft daarentegen steeds dezelfde zwaarwichtige feiten beschreven, zijn verhaal nooit gewijzigd, de belangrijke date en namen steeds vermeld. De redenering dat er weinig geloof kan worden gehecht aan zijn relaas op basis van de door het CG betreffende weerhouden tegenstrijdigheden is niet correct.”; XIV-11.791-6/9 2.3.
  9. Overwegende dat uit de uiteenzetting in het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven, waarop de bestreden beslissing is gesteund, kent, doch betwist dat die motieven de beslissing kunnen dragen; dat de verzoekende partij aldus de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt; dat het bij de beoordeling daarvan niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekende partij met de stelling dat haar verklaring op het commissariaat-generaal een detaillering is van de op de dienst Vreemdelingenzaken afgelegde verklaring en dat er geen noemenswaardige tegenstrijdigheden tussen die verklaringen bestaan, slechts op algemene wijze de vaststellingen van de commissaris-generaal poogt te minimaliseren; dat zij in concreto enkel ingaat op de vaststelling dat de verzoekende partij slechts enkele straten kon opsommen doch dat zij deze vaststelling niet weerlegt door voor de Raad van State een lijst van andere straten bij te brengen; dat zij voorbijgaat aan de diverse andere vaststellingen door de commissaris-generaal van tegenstrijdigheden, die op gedetailleerde wijze en met vermelding van de vindplaats in de bestreden beslissing zijn weergegeven, dit zowel met betrekking tot de voorgehouden nationaliteit als de feiten die de verzoekende partij in Liberia en in Sierra-Leone zou hebben ondergaan; dat in de bestreden beslissing terdege rekening gehouden is met de lage leeftijd en het korte verblijf van de verzoekende partij in Liberia; dat de verzoekende partij tenslotte uit het oog verliest dat de bestreden beslissing als een geheel moet worden gelezen, waarbij het niet is vereist dat ieder afzonderlijk element van de motivering die beslissing op zichzelf kan dragen; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing is genomen op grond van onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze tot stand is gekomen; dat het derde middel ongegrond is; 2.4.
  10. Overwegende dat de verzoekende partij in hetgeen als een vierde middel kan worden beschouwd onder punt V. het volgende aanvoert: “V. Leeftijd van verzoeker Ten tijde van de interviews was verzoeker minderjarig. Aangezien hij fors gebouwd is - door zijn vele fysieke trainingen - werd een onderzoek gelast waaruit standaard zou blijken dat hij ‘minstens 19 jaar oud’ zou zijn. Doch heden is hij meerderjarig (geboren op 10.08.1984). Men heeft dus een botscan gedaan op 30.05.2002, d.w.z. ongeveer 2 maanden voor hij 18 werd om te stellen dat hij 19 is ! Niet iedereen is gelijk gebouwd en deze bij elkaar liggende leeftijden doen niet terzake. Hij was op het moment van negatieve beslissing van het CG reeds meerderjarig, waardoor het dan toch wel vreemd is dat men hem aanwrijft minstens 19 te zijn (hetgeen men misschien wel kan doen met minderjarigen) wanneer hij reeds 18 is ! XIV-11.791-7/9 Dit kan verzoeker onmogelijk verweten worden.”; 2.4.
  11. Overwegende dat de twijfels aan de voorgehouden Liberiaanse nationaliteit en de vage en weinig coherente verklaringen over de voorgehouden vervolging in Liberia en in Sierra-Leone en over de bootreis, in hun geheel genomen een determinerend motief vormen in de zin dat het volstaat om de bestreden beslissing te kunnen dragen; dat het tegen deze motieven gerichte derde middel ongegrond is bevonden; dat de kritiek in het vierde middel aangaande de skeletleeftijd van de verzoekende partij derhalve is gericht tegen een overtollig motief, waarvan de eventuele gegrondheid, gelet op voormeld determinerend motief, niet tot de onwettigheid van de bestreden beslissing kan leiden; dat het vierde middel om die reden niet ontvankelijk is;
  12. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  13. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  14. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénendertig augustus tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, XIV-11.791-8/9 M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-11.791-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.467 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.