← België

Arrest 134470 - - 31/08/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 augustus 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.470 Rolnummer: A. 125054/XIV-11183 Zaak: Arrest 134470 - - 31/08/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-04 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 08:42 Fiche Arrest nr 134.470 van 31 augustus 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.470 van 31 augustus 2004 in de zaak A. 125.054/XIV-11.183 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat P. VAEREWYCK, kantoor houdende te 9250 WAASMUNSTER, Eikenlaan 21 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van XXX nationaliteit, op 7 augustus 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 10 juli 2002 tot weigering van regularisatie; Gelet op het arrest nr. 109.707 van 9 augustus 2002 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de genoemde bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting; Gelet op de beschikking van 26 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 31 maart 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-11.183-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat F. LANDUYT, die loco advocaat P. VAEREWYCK verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de verzoekende partij op 26 januari 2000 een regularisatieaanvraag indient op basis van de artikel 2, 4/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet); dat op 7 september 2001 het onderzoekssecretariaat van de commissie voor Regularisatie vaststelt dat het dossier onvolledig is en het met een negatief advies verzendt naar de minister van Binnenlandse Zaken; dat aan de verzoekende partij een termijn van drie werkdagen wordt gegeven om haar standpunt omtrent dit negatief advies mee te delen aan de minister; dat op 10 juli 2002 de minister vaststelt dat de verzoekende partij geen gevolg heeft gegeven aan de uitnodiging om haar standpunt omtrent dit negatief advies mee te delen; dat de minister beslist om het negatief advies van onderzoekssecretariaat te volgen en de inhoud ervan te onderschrijven; dat dit de thans bestreden beslissing is; 2.
  2. Overwegende dat de verzoekende partij in vier middelen in essentie de schending aanvoert van de motiveringsplicht doordat met haar aanvullende documenten en verklaringen geen rekening is gehouden, dat haar het recht op een tegensprekelijke behandeling van haar dossier is ontnomen aangezien zij niet werd gehoord en dat de termijn van drie dagen geen vervaltermijn is; 2.
  3. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “De vier voor verzoeker voorgestelde middelen zijn afgeleid uit een en dezelfde foutieve premissie als zou verzoeker hebben gereageerd op het negatief advies van het onderzoekssecretariaat, zonder dat nog maar de problematiek van de tijdigheid van die reactie wordt aangeraakt. De wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk is zeer duidelijk: Enkel indien de minister van Binnenlandse Zaken wenst af te wijken van het advies van het secretariaat, maakt hij de aanvraag aanhangig bij een kamer van de Commissie. Verzoeker verzuimde zijn standpunt uiteen te zetten binnen de bij wet gestelde termijn van drie dagen, hetgeen leidde tot de afwijzingsbeslissing van 10 juli
  4. De middelen zijn in de gegeven omstandigheden niet gegrond.”; XIV-11.183-2/5 2.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij er in de memorie van wederantwoord het volgende aan toevoegt: “Verzoeker wenst volgende voorafgaandelijk bemerkingen te maken. In de memorie van antwoord wordt er op blz. 3 vermeld dat er een afwijzingsbeslissing zou getroffen zijn op 10.07.2001 daar waar dit 2002 is. De argumentatie van verwerende partij De argumentatie van verwerende partij komt er op neer dat zij voorhoudt dat in artikel 12 § 1 van de wet van 22.12.1999 (‘... de betrokkene beschikt vanaf de tussenkomst van de gemeentepolitie bedoeld in voornoemde artikelen over drie dagen om zijn standpunt uiteen te zetten aan de minister, en dit per aangetekende brief’) te kunnen afleiden dat het hier zou gaan om klaarblijkelijk een op straffe van verval en nietigheid voorgeschreven termijn. Weerlegging. Verzoeker betwist met klem dat voornoemde drie dagen termijn een vervaltermijn zou betreffen die maakt dat elke informatie of bijkomende gegevens of documentatie die aan de minister worden bezorgd vooraleer hij een definitieve beslissing neemt niet meer in aanmerking zouden mogen, kunnen en (zelfs moeten) komen bij het nemen van zijn beslissing. Dergelijke gevolgen en consekwenties zijn in de wet noch in de voorbereidende werken terug te vinden. Evenmin is er ergens bepaald dat het om een vervaltermijn zou gaan. Nergens worden dergelijk ernstige en ingrijpende gevolgen vermeld in enige kennisgeving. Verwerende partij is trouwens slecht geplaatst om problemen te maken nopens de tijdigheid van de reactie van verzoeker daar waar het negatief advies werd toegezonden bij brief van 06.12.2001 en hierop door verzoeker per aangetekende brief van 19.12.2001 aanvullende gegevens en documenten werden verstrekt, terwijl de minister er dan blijkbaar tot 10.07.2002 over meent te kunnen doen om te stellen dat hij enkel met het, trouwens niet binden, negatief advies vanwege de commissie rekening moet houden om de aanvraag tot regularisatie te verwerpen. Bovendien wordt door verwerende partij geenszins aangetoond of bewezen dat verzoeker niet binnen de drie (werk)dagen zou gereageerd hebben. Bovendien herhaalt verzoeker het reeds in het inleidende verzoekschrift uiteengezette standpunt dat de minister wanneer hij over de regularisatieaanvraag moet oordelen rekening dient te houden met alle hem ter beschikking zijnde elementen en argumenten en bijgevolg en o.m. met de inmiddels bijkomend ingediende stukken. Doet hij dit niet dan is zijn beslissing onjuist en onvoldoende gemotiveerd (vergelijk Raad van State nr. 103.586; 14.02.2002).”; 2.
  6. Overwegende dat artikel 12, §1, eerste lid, van de Regularisatiewet bepaalt dat, wanneer het secretariaat van de Commissie vaststelt dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig is, het de aanvraag met een negatief advies voor beslissing aan de minister zendt; dat in het tweede lid van voormeld artikel 12, §1, wordt bepaald dat dit advies ter kennis wordt gebracht van de betrokkene op de wijze bepaald in de artikelen 10 en 13 en dat de betrokkene vanaf de tussenkomst van de gemeentepolitie, bedoeld in de voornoemde artikelen, beschikt over een termijn van drie dagen om zijn standpunt uiteen te zetten aan de minister en dit per aangetekende brief; dat gedurende de parlementaire werkzaamheden is gesteld dat de termijn van drie dagen, waarbinnen de aanvrager dient te reageren op het advies dat hem ter kennis werd gebracht, een vervaltermijn is en als voldoende moet worden beschouwd omdat hij ingaat op de dag waarop de gemeentepolitie dat advies overhandigt. (Parl. St., Kamer, 1999-2000, nr. 234/5, p. 49); dat de verzoekende partij zelf stelt dat zij het advies van het onderzoekssecretariaat heeft ontvangen op 6 december 2001; dat zij pas op 19 december 2001haar standpunt heeft meegedeeld, zijnde tien dagen na het verstrijken van de termijn van drie dagen; dat derhalve de minister van Binnenlandse Zaken de bestreden beslissing XIV-11.183-3/5 terecht heeft kunnen steunen op artikel 12, §1 van de Regularisatiewet; dat de middelen ongegrond zijn;
  7. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  8. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-11.183-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénendertig augustus tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-11.183-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.470 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.