← België

Arrest 134471 - - 31/08/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 augustus 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.471 Rolnummer: A. 155063/XII-4241 Zaak: Arrest 134471 - - 31/08/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-09-13 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-04 08:42 Fiche Arrest nr 134.471 van 31 augustus 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.471 van 31 augustus 2004 in de zaak A. 155.063/XII-

  1. In zake : Aline CATTEEUW, vertegenwoordigd door Joël CATTEEUW en Marie-Astrid VERBANCK handelend in hoedanigheid van ouders en wettige vertegenwoordigers, die woonplaats kiezen bij advocaten P. Thomas en D. Vandermarliere, kantoor houdende te Koksijde, Zeelaan 172 tegen : de VZW IMMACULATA-INSTITUUT DE PANNE, die woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Canadesen Hof, Bevrijdingslaan 4, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER, Gezien het verzoekschrift dat Aline Catteeuw, vertegenwoordigd door Joël Catteeuw en Marie-Astrid Verbanck handelend in hoedanigheid van ouders en wettige vertegenwoordigers, op 26 augustus 2004 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van “de beslissing genomen door de klassenraad van het 4e jaar HWE van de VZW Immaculata-Instituut dd. 28.06.2004 houdende toekenning van een B-attest aan Aline Catteeuw, evenals van de beslissing van de inrichtende macht dd. 19.07.2004 en betekend aan verzoekster op 20.07.2004, waarbij werd beslist om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen om de eerder genomen beslissing opnieuw te overwegen”; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; XII-4241-1/4 Gelet op de beschikking van 27 augustus 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 31 augustus 2004, om 15.00 uur; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. Vandermarliere, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat N. De Clercq, die loco advocaat B. Staelens verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, wat de uiterst dringende noodzakelijkheid betreft, dat verzoekster betoogt hetgeen volgt : “Aangezien het nieuw schooljaar aanvat op 01.09.
  3. Dat ingevolge de bestreden beslissing verzoekster zich niet kan inschrijven voor het vijfde jaar handelswetenschappen. Dat verzoekster geen enkele studierichting in het algemeen secundair nog kan volgen. Dat een eventuele schorsing na de gewone schorsingsprocedure te laat zou komen om verzoeksters' nadeel te voorkomen. Dat derhalve de rechtspleging in geval van uiterst dringende noodzakelijkheid gewettigd is. (R.v.St. nr. 75.747, 15.09.1998; R.v.St., nr. 91.057, 23.11.2000)”; Overwegende dat verzoekster een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid heeft ingediend; dat zij met andere woorden heeft gekozen voor een zeer uitzonderlijke procedure die een ernstige stoornis in het normaal verloop van de rechtspleging voor de Raad van State teweegbrengt; dat die procedure immers vooreerst de verwerende en eventueel tussenkomende partijen aanzienlijk in hun rechten van verdediging belemmert; dat voorts de dringende aandacht die aan dergelijke procedure moet worden besteed, afbreuk doet aan de XII-4241-2/4 zorg die door alle betrokken geledingen van de afdeling administratie van de Raad van State aan de andere procedures kan worden besteed en de afhandeling daarvan vertraagt; dat in een dergelijke procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid de magistraten in voorkomend geval het administratief dossier en de nota van de verwerende partij evenals de eventuele verzoekschriften in tussenkomst slechts onmiddellijk vóór of op de terechtzitting ontvangen en deze stukken in grote spoed worden verzameld en opgesteld met gekende gevolgen van onvolledigheid en foutieve voorstelling van zaken; dat daarbij de zetelende magistraten ook niet de waarborg genieten van een geschreven verslag van het optredend lid van het auditoraat; dat tenslotte de rechtspraak die in een dergelijke procedure op zeer korte termijn tot stand wordt gebracht, onmogelijk dezelfde gedegenheid kan vertonen als mag worden verwacht in de andere procedures; Overwegende dat om al deze redenen de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts mag worden aangewend in de enkele gevallen dat het spoedeisend karakter van de zaak, namelijk het feit dat een gewone vordering tot schorsing te laat zou komen om het nadeel te weren, ofwel voor iedereen duidelijk is, ofwel door de verzoekende partij duidelijk wordt aangetoond aan de hand van precieze en concrete gegevens en voorts de verzoekende partij zelf met bekwame spoed haar vordering heeft ingeleid; Overwegende dat te dezen verzoekster in haar verzoekschrift herhaaldelijk verklaart dat de brief waarmee haar de tweede bestreden beslissing is ter kennis gebracht, haar werd betekend op 20 juli 2004; dat verzoekster in haar inleidend verzoekschrift op geen enkele wijze verklaart of zelfs maar poogt te verklaren om welke reden zij dan nog meer dan vijf weken heeft gewacht, namelijk tot 26 augustus 2004, om haar vordering in te stellen; dat verzoekster de huidige procedure vroeger had moeten instellen; dat haar houding niet in te passen is in het uiterst dringend karakter dat die procedure kenmerkt; dat de schorsingsvordering dienvolgens niet voldoet aan de eerste van de door het voormelde artikel 17 gestelde voorwaarden, XII-4241-3/4 BESLUIT: Artikel
  4. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  5. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig augustus 2004, door : de H. D. VERBIEST, kamervoorzitter, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4241-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.471 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.137.779 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.