id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 augustus 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.476 Rolnummer: A. 109177/XIV-6191 Zaak: Arrest 134476 - - 31/08/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-09-13 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 08:42 Fiche Arrest nr 134.476 van 31 augustus 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.476 van 31 augustus 2004 in de zaak A. 109.177/XIV-
- In zake : 1) XXX, 2) XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 20 september 1956 en XXX, geboren op 29 oktober 1958, beiden van Slowaakse nationaliteit, op 20 augustus 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 24 juli 2001 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 11 januari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partijen aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 17 september 2001 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-6191-1/7 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 3 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 2 juni 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. NAVASARTIAN, die loco Advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partij, van Adjunct-adviseur L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat C. DECORDIER, die loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partijen komen België binnen op 12 december 2000 en verklaren zich vluchteling op 14 december
- 1.
- Op 11 januari 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 24 juli 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelin- gen en de staatlozen deze beslissingen. De bevestigende beslissing van de Commissaris- generaal inzake XXX, die de eerste bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 23 mei 2001 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Slovaakse taal machtig is. Betrokkene, van Slovaakse nationaliteit en Roma-origine, verklaarde op het Commissariaat- generaal op 23 mei 2001 dat hij een jaar geleden werd geslagen door skinheads omwille van zijn origine. Betrokkene heeft geen klacht ingediend. In april of mei 2000 werd betrokkenes zoon, XXX, geslagen door skinheads omwille van zijn origine. Niemand heeft klacht ingediend. Ongeveer één week vóór betrokkenes vertrek naar België werd betrokkenes dochter op de bus geslagen door skinheads omwille van haar origine. Betrokkene heeft toen een klacht ingediend bij de politie. Daarna werd betrokkenes appartement vernield door waarschijnlijk skinheads omdat hij was gaan klagen over de aanval op zijn dochter. Betrokkene is gaan klagen op de huisvestingsdienst. De laatste twee à drie jaar werd betrokkene bovendien, waarschijnlijk XIV-6191-2/7 omwille van zijn origine, op zijn werk niet erg gerespecteerd door de jongeren. Betrokkene verliet samen met zijn vrouw, XXX (OV. 5.044.640), zijn zoon, XXX , (OV. 5.054.025), en zijn minderjarige kleinzoon, XXX (OV. 5.054.776), rond 12 of 13 december 2000 Slovakije. Op 14 december 2000 vroeg betrokkene de status van vluchteling aan. Betrokkene is in het bezit van zijn geldig internationaal Slovaaks paspoort. Ten eerste dient er te worden opgemerkt dat er een tegenstrijdigheid bestaat tussen het verhoor in dringend beroep van betrokkenes vrouw, XXX (OV. 5.044.640), en het verhoor in dringend beroep van betrokkene betreffende de aanval op betrokkenes vrouw een jaar geleden. Zo verklaarde betrokkenes vrouw dat ze geslagen werd tijdens de aanval (CGVS vrouw, p.5). Betrokkene beweerde echter dat zijn vrouw nooit werd geslagen (CGVS man, p.6). Ten tweede dient er te worden opgemerkt dat er een tegenstrijdigheid bestaat tussen enerzijds de verklaringen van betrokkene op de Dienst Vreemdelingenzaken en zijn verhoor in dringend beroep en anderzijds tussen het verhoor in dringend beroep van betrokkenes vrouw en het verhoor in dringend beroep van betrokkene zelf betreffende de aanval op zijn dochter. Zo verklaarde betrokkene op de Dienst Vreemdelingenzaken dat het ziekenhuis hem telefoneerde met de boodschap dat zijn dochter was opgenomen (DVZ, vraag 42). Betrokkene beweerde echter tijdens het verhoor in dringend beroep dat het ziekenhuis geen telefonisch contact had met hem om te zeggen dat zijn dochter in het ziekenhuis lag maar dat Roma’s die mee op de bus zaten, kwamen vertellen dat zijn dochter in het ziekenhuis lag (CGVS, p.3-4). Verder verklaarde zijn vrouw dat haar dochter werd geslagen toen ze op weg was naar huis nadat ze boodschappen had gedaan in een supermarkt in de wijk KVP (CGVS vrouw, p.9-10). Betrokkene beweerde echter dat zijn dochter op weg was naar een winkel in de wijk KVP wanneer ze geslagen werd (CGVS man, p.3). Ten derde dient er te worden opgemerkt dat er betreffende de vernieling van betrokkenes appartement een tegenstrijdigheid bestaat tussen het verhoor in dringend beroep van betrokkenes vrouw en het verhoor in dringend beroep van betrokkene. Zo verklaarde betrokkenes vrouw dat zij en betrokkene werden geslagen terwijl skinheads hun appartement vernielden (CGVS vrouw, p.12). Betrokkene beweerde echter dat er niemand van de familie werd geslagen op de dag van de vernieling van het appartement (CGVS man, p.8). Tenslotte dient er te worden opgemerkt dat betrokkenes vrouw, XXX (OV. 5.044.640), betrokkenes zoon, XXX (OV. 5.054.025), en betrokkenes minderjarige kleinzoon, XXX (OV. 5.054.776) ook een bevestigende beslissing hebben gekregen. Gezien het voorafgaande kan in hoofde van betrokkene geen vermoeden van het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève worden weerhouden. Het in het kader van zijn asielaanvraag neergelegde document (internationaal paspoort) wijzigt het voorgaande niet aangezien het enkel identiteitsgegevens betreft waar niet aan wordt getwijfeld. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegd- heid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 11 januari
- De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandighe- den mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal inzake XXX , die de tweede bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 23 mei 2001 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Slovaakse taal machtig is. Betrokkene, van Slovaakse nationaliteit en Roma-origine, verklaarde op het Commissariaat- generaal op 23 mei 2001 dat ze een jaar geleden werd geslagen en geschopt door vier skinheads omwille van haar origine. Betrokkene heeft hierover nergens een klacht ingediend. Twee weken vóór betrokkenes vertrek naar België werd haar dochter geslagen door skinheads omwille van haar origine. Na de aanval op betrokkenes dochter werd het appartement van betrokkene vernield door skinheads. Tijdens de vernieling werden betrokkene en haar man, XXX (OV. 5.044.640),geslagen. Haar man heeft toen klacht ingediend bij de politie. Betrokkene kon alleen tussen negen en tien uur *s morgens boodschappen doen want in de namiddag waren er overal skinheadgroepen. Betrokkene mocht verschillende keren niet in de bus van de chauffeur omwille van haar origine. Betrokkene kreeg verschillende malen opmerkingen van blanken en skinheads omwille van haar origine. Betrokkenes zoon, XXX (OV. 5.054.025), werd dikwijls XIV-6191-3/7 vervolgd in de wijk KVP. Betrokkene verliet samen met haar man, XXX (OV. 5.044.640), haar zoon, XXX, (OV.S.054.025), en haar minderjarige kleinzoon, XXX (OV. 5.054.776), rond 11 of 12 december 2000 Slovakije. Op 14 december 2000 vroeg betrokkene de status van vluchteling aan. Betrokkene is in het bezit van haar geldig internationaal Slovaaks paspoort en het geldig internationaal paspoort van haar kleinzoon. Ten eerste dient er te worden opgemerkt dat er enerzijds een tegenstrijdigheid bestaat tussen de verklaringen van betrokkene op de Dienst Vreemdelingenzaken en haar verhoor in dringend beroep en anderzijds tussen betrokkenes verhoor in dringend beroep en het verhoor in dringend beroep van haar man, Onody Arpad (OV. 5.044.640)betreffende de aanval op betrokkene een jaar geleden. Zo verklaarde betrokkene op de Dienst Vreemdelingenzaken dat ze na de aanval naar de politie ging (DVZ, vraag 42) terwijl ze in het verhoor in dringend beroep beweerde dat ze nooit naar de politie is geweest in verband met de aanval (CGVS, p.5). Verder verklaarde betrokke(n)ne tijdens het verhoor in dringend beroep dat ze geslagen werd tijdens de aanval (CGVS vrouw p.5). Haar man beweerde tijdens het verhoor in dringend beroep echter dat betrokkene nooit werd geslagen (CGVS man, p.6). Ten tweede dient er te worden opgemerkt dat er een tegenstrijdigheid bestaat tussen het verhoor in dringend beroep van betrokkene en het verhoor in dringend beroep van haar man betreffende de aanval op haar dochter. Zo verklaarde betrokkene dat haar dochter werd geslagen toen ze op weg was naar huis nadat ze boodschappen had gedaan in een supermarkt in de wijk KVP (CGVS vrouw, p.9-10). Betrokkenes man beweerde echter dat zijn dochter op weg was naar een winkel in de wijk KVP wanneer ze geslagen werd (CGVS man, p.3). Ten derde dient er te worden opgemerkt dat er betreffende de vernieling van betrokkenes appartement enerzijds een tegenstrijdigheid bestaat tussen het verhoor in dringend beroep van betrokkene en het verhoor in dringend beroep van haar man en anderzijds tegenstrijdigheden bestaan tussen de verklaringen van betrokkene en de verklaringen van betrokkenes zoon, XXX (OV. 5.054.025). Zo verklaarde betrokkene dat zij en haar man werden geslagen terwijl skinheads hun appartement vernielden (CGVS vrouw, p.12). Betrokkenes man beweerde echter dat er niemand van de familie werd geslagen op de dag van de vernieling van het appartement (CGVS man, p.8). Ook verklaarde betrokkene op de Dienst Vreemdelingenzaken dat op het moment van het interview op de Dienst Vreemdelingenzaken haar dochter nog steeds in het ziekenhuis lag naar aanleiding van een aanval die een week vóór de vernieling van het appartement plaatsvond (DVZ vrouw, vraag 42). Betrokkenes zoon verklaarde echter tijdens het verhoor in dringend beroep dat op de dag waarop men het appartement vernielde, zijn zus op (in) het appartement aanwezig was (CGVS zoon, p. 5, p.6 en p.11). Vervolgens beweerde betrokkene in het verhoor in dringend beroep dat ze nog op het appartement is geweest na de vernieling (CGVS vrouw, p.14). Betrokkenes zoon verklaarde echter dat noch hij noch zijn familie nog in het appartement geweest zijn nadat ze waren weggejaagd uit hun appartement (CGVS zoon, p.6 en p.11). Verder verklaarde betrokkene dat ze de dag volgend op de dag van de vernieling van het appartement, naar haar man in Slanec ging (CGVS vrouw, p.13). Betrokkenes zoon beweerde echter dat betrokkene niet naar Slanec is gegaan in de periode tijdens de welke ze zijn weggejaagd en hun vertrek naar België (CGVS zoon, p.7). Tenslotte dient er te worden opgemerkt dat betrokkenes man, XXX (OV. 5.044.640), betrokkenes zoon, XXX (OV. 5.054.025), en betrokkenes kleinzoon, XXX (OV. 5.054.776), ook een bevestigende beslissing hebben gekregen. Gezien het voorafgaande kan in hoofde van betrokkene geen vermoeden van het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève worden weerhouden. De in het kader van haar asielaanvraag neergelegde documenten (internationale paspoorten van betrokkene en haar kleinzoon) wijzigen het voorgaande niet aangezien ze enkel identiteitsgegevens betreffen van haar en haar kleinzoon en deze hier niet ter discussie staan. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegd- heid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 11 januari
- De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandighe- den mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...)”.
- Overwegende dat verzoekers een eerste middel afleiden uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en de rechten van verdediging omdat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen hen tijdens het verhoor op het XIV-6191-4/7 Commissariaat-generaal nooit heeft geconfronteerd met de in de bestreden beslissingen aangehaalde tegenstrijdigheden; Overwegende dat, wat de beweerde schending van de rechten van verdediging betreft, de procedure voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een administratieve procedure en geen jurisdictionele procedure is; dat bijgevolg de rechten van verdediging niet onverminderd van toepassing zijn; dat op de Commissaris-generaal ten tijde van de verhoren niet de verplichting rustte om de asielzoekers met hun tegenstrijdige verklaringen te confronteren; dat het eerste middel ongegrond is;
- Overwegende dat verzoekers een tweede middel afleiden uit de schending van artikel 1, (A) 2, van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) en van het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat de Commissaris-generaal heeft nagelaten de feiten waarop verzoekers hun vrees voor vervolging baseren, te toetsen aan de Vluchtelingenconventie, terwijl uit de door verzoekers in hun verzoekschrift geciteerde rapporten blijkt dat zij wegens hun Roma-origine worden gediscrimineerd en vervolgd in Slowakije en daarbij geen beroep kunnen doen op de bescherming van de Slowaakse autoriteiten; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfswei- gering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “bedrieglijkheid” is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, tegenstrijdige verklaringen inhouden, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die niet echt zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld indien tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken uit het dossier of wanneer het asielrelaas van verzoekers tegenstrijdigheden inhouden; dat de Commissaris- generaal in casu tegenstrijdigheden heeft vastgesteld tussen de verklaringen van verzoekers voor de verschillende asielinstanties, tussen de verklaringen van verzoekers onderling en tussen de verklaringen van verzoekster en haar zoon, de heer XXX; dat de bestreden beslissingen melding maken van tegenstrijdigheden met betrekking tot de feiten die de directe aanleiding vormden voor hun vertrek uit hun land van herkomst; dat de Commissaris- generaal op grond van voormelde tegenstrijdigheden, die uitvoerig worden weergegeven in XIV-6191-5/7 de bestreden beslissingen, tot de vaststelling is gekomen dat de asielaanvraag van verzoekers bedrieglijk is; Overwegende dat de in de bestreden beslissingen aangehaalde tegenstrijdigheden steun vinden in het administratief dossier, zodat de Commissaris-generaal op goede gronden kon besluiten dat de asielaanvraag van verzoekers bedrieglijk is; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekers geen van de in de bestreden beslissingen weergege- ven tegenstrijdigheden met concrete argumenten weerleggen, doch zich beperken tot de loutere bewering dat de Commissaris-generaal geen onderzoek heeft gevoerd naar hun daadwerkelijke vrees voor vervolging wegens hun Roma-origine, zoals blijkt uit de door hen aangehaalde rapporten; dat niet blijkt dat de Commissaris-generaal bij het nemen van de bestreden beslissingen onzorgvuldig is tewerk gegaan of geen rekening zou hebben gehouden met de situatie in het land van herkomst van verzoekers; dat met betrekking tot de door verzoekers aangehaalde rapporten wordt verwezen naar de rechtspraak van de Raad van State waarin wordt gesteld dat het niet volstaat te verwijzen naar rapporten van algemene aard zonder deze te betrekken op de persoonlijke toestand van verzoekers; Overwegende dat geen van de door verzoekers aangehaalde bepalingen werden geschonden, vermits uit de vergelijking van de diverse verhoorverslagen blijkt dat de Commissaris-generaal op goede gronden tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag van verzoekers kon besluiten, gelet op de tegenstrijdigheden die verzoekers niet weerleggen; dat het tweede middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen middel hebben aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: XIV-6191-6/7 Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig augustus tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-6191-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.476 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.