← België

Arrest 134484 - - 02/09/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.484 Rolnummer: A. 136855/XIV-15177 Zaak: Arrest 134484 - - 02/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-09-13 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 08:42 Fiche Arrest nr 134.484 van 2 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.484 van 2 september 2004 in de zaak A. 136.855/XIV-15.177. In zake : 1. XXX, 2. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 15 januari 1977 en XXX, geboren op 20 juli 1979, beiden van Russische nationaliteit, op 19 mei 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 17 april 2003 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 12 december 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partijen aangetekend verstuurd op 22 april 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 16 juni 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-15.177-1/8 Gelet op de beschikking van 30 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 5 mei 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat F. LANDUYT, die loco Advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Adjunct-adviseur M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partijen komen België binnen op 23 augustus 2001 en verklaren zich vluchteling op dezelfde datum. 1.2. Op 2 oktober 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Op 22 april 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen. Op 22 mei 2002 vorderen verzoekers de nietigverklaring en de schorsing van deze beslissingen. De XIVde kamer van de Raad van State verwerpt deze beroepen bij arrest nr. 122.690 en arrest nr. 122.691 van 12 september 2003. 1.3. De verzoekende partijen verklaren zich beiden een tweede keer vluchteling op 20 november 2002. 1.4. Op 12 december 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. XIV-15.177-2/8 1.5. Op 17 april 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal ten aanzien van verzoeker, die de eerste bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) A. Vluchtrelaas U bent een Russische staatsburger van (

  1. de)Tsjetsjeense origine. U diende reeds een eerste asielaanvraag in op 23 augustus 2001. De Dienst Vreemdelingenzaken besliste op 2 oktober 2001 tot weigering van verblijf. Deze beslissing werd door het Commissariaat-Generaal op 22 april 2002 bevestigd op basis van bedrieglijkheid. De beroepsprocedure is sinds 23 mei 2002 hangende bij de Raad van State. Op 20 november 2002 diende u een tweede asielaanvraag in bij de Dienst Vreemdelingenza- ken. Deze dienst nam wederom een beslissing van weigering tot (ver)verblijf op 12 december 2002. U verklaart sinds uw eerste asielaanvraag niet meer naar de Russische Federatie te zijn teruggekeerd. U legt nieuwe documenten voor die uw eerdere relaas zouden moeten staven. Het gaat hier om de interne paspoorten, drie convocaties en een opsporingsbevel. U bent ervan overtuigd in Rusland in levensgevaar te verkeren. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat uit uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-Generaal blijkt dat u zich op dezelfde asielmotieven beroept als bij uw eerste asielaanvraag. In het kader van uw eerste asielaanvraag werden deze feiten reeds onderzocht en omwille van het bedrieglijke karakter ervan werd een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf genomen. U verklaart bij uw tweede asielaanvraag niet te zijn teruggekeerd naar de Russische Federatie omdat u er nog steeds van overtuigd bent dat uw leven daar in gevaar is. U legt nieuwe documenten voor om deze vrees te onderschrijven. Met name 3 oproepingsbrieven van de UVD te Grozny en een bewijs van opsporing uitgegeven door de plaatselijke administratie te Podgornoye (die) zouden moeten aantonen dat u nog steeds actief gezocht wordt door de Russische overheden. Deze nieuwe documenten doen echter geen afbreuk aan de eerder genomen beslissing van bedrieglijkheid van uw relaas. Immers, de documenten werpen geen nieuw licht op de tegenstrijdigheden uit de eerste asielaanvraag, zoals bv. het feit dat uw echtgenote expliciet verklaarde toen (zij) voor de Dienst Vreemdelingenza- ken (verscheen), dat u in 1999 nooit werd gearresteerd (DVZ I, vraag 42). Uzelf verklaarde echter voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u in november 1999 gedurende vijf dagen werd opgesloten (DVZ I, vraag 42). Voor het Commissariaat-Generaal verklaarde u destijds dat u slechts één dag opgesloten zat (CGVS I, p. 5-6). Bovendien verklaart u niet te weten waarom u werd geconvoceerd (CGVS II, p. 9), noch waarom deze oproeping u in Grozny convoceerde terwijl u in de 50 kilometer verder gelegen regio Nadterechny woonde met als administratief centrum Znamenskoye (CGVS II, p. 8-9). Verder legt u nu uw afgenomen interne paspoorten voor. U verkreeg deze terug nadat uw moeder contact opnam met de personen die uw reis naar België regelden en de paspoorten achterhielden (CGVS II, p. 2). U verklaarde geen internationale paspoorten te hebben gehad (CGVS, p. 3). Echter, in uw intern paspoort staat een stempel, dat u toch een internationaal paspoort werd uitgereikt en dit zo een tweetal maanden vóór uw vertrek uit Tsjetsjenië (Zie kopie intern paspoort) . U verklaart hierover niet te weten hoe die stempel in uw intern paspoort terecht kwam (CGVS, p. 3). Ook uit informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan zich een kopie in het administratief dossier bevindt, blijkt dat dergelijke stempels enkel worden aangebracht bij uitreiking van een internationaal paspoort. (Aan)Gezien de tegenstrijdigheden uit uw eerste asielaanvraag door de nieuwe documenten niet weerlegd worden, maar integendeel, eerder nieuwe onbeantwoorde vragen creëren, kan er in hoofde van u niet besloten worden tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees in de zin van de Vluchtelingenconventie. In het dossier van uw schoonmoeder (O.V. 5.067.160) en van uw schoonbroer (O.V. 5.067.161) werd besloten tot verder onderzoek. Naast de reeds eerder voorgelegde geboorteaktes(
  2. n)van de drie kinderen en uw huwelijks- akte, legt u nu ter staving van uw asielaanvraag ook de interne paspoorten van man en vrouw voor, alsook drie oproepingsbrieven van de UVD en een bewijs van opsporing uitgerij(ei)kt door de gemeentelijke administratie. De door u voorgelegde documenten doen geen afbreuk aan de bovenstaande vaststellingen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. XIV-15.177-3/8 Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal ten aanzien van verzoekster, die de tweede bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) A. Vluchtrelaas U bent een Russische staatsburger van (
  3. de)Tsjetsjeense origine. U diende reeds een eerste asielaanvraag in op 23 augustus 2001. De Dienst Vreemdelingenzaken besliste op 2 oktober 2001 tot weigering van verblijf. Deze beslissing werd door het Commissariaat-Generaal op 22 april 2002 bevestigd op basis van bedrieglijkheid. De beroepsprocedure is sinds 23 mei 2002 hangende bij de Raad van State. Op 20 november 2002 diende u een tweede asielaanvraag in bij de Dienst Vreemdelingenza- ken. Deze dienst nam wederom een beslissing van weigering tot (ver)verblijf op 12 december 2002. U verklaart sinds uw eerste asielaanvraag niet meer naar de Russische Federatie te zijn teruggekeerd. U legt nieuwe documenten voor die uw eerdere relaas zouden moeten staven. Het gaat hier om de interne paspoorten, drie convocaties en een opsporingsbevel. U bent ervan overtuigd in Rusland in levensgevaar te verkeren. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat uit uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-Generaal blijkt dat u zich op dezelfde asielmotieven beroept als bij uw eerste asielaanvraag. In het kader van uw eerste asielaanvraag werden deze feiten reeds onderzocht en omwille van het bedrieglijke karakter ervan werd een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf genomen. U verklaart bij uw tweede asielaanvraag niet te zijn teruggekeerd naar de Russische Federatie omdat u er nog steeds van overtuigd bent dat uw leven daar in gevaar is. U legt nieuwe documenten voor om deze vrees te onderschrijven. Met name 3 oproepingsbrieven van de UVD te Grozny en een bewijs van opsporing uitgegeven door de plaatselijke administratie te Podgornoye (die) zouden moeten aantonen dat uw echtgenoot nog steeds actief gezocht wordt door de Russische overheden. Deze nieuwe documenten doen echter geen afbreuk aan de eerder genomen beslissing van bedrieglijkheid van uw relaas. Immers, de documenten werpen geen nieuw licht op de tegenstrijdigheden uit de eerste asielaanvraag, zoals bv. het feit dat u toen expliciet voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat uw echtgenoot in 1999 nooit werd gearresteerd (DVZ I, vraag 42). Uw echtgenoot verklaarde echter voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat hij in november 1999 gedurende vijf dagen werd opgesloten (DVZ I, vraag 42). Voor het Commissariaat-Generaal verklaarde hij destijds dat hij slechts één dag opgesloten zat (CGVS I, p. 5-6). Bovendien verklaart u niet te weten waarom deze oproeping uw echtgenoot in Grozny convoceerde terwijl u in de 50 kilometer verder gelegen regio Nadterechny woonde met als administratief centrum Znamenskoye (CGVS II, p. 4-5). Verder legt u nu uw afgenomen interne paspoorten voor. U verkreeg deze terug nadat uw schoonmoeder contact opnam met de personen die uw reis naar België regelden en de paspoorten achterhielden (CGVS II, p. 3). U verklaarde geen internationale paspoorten te hebben gehad (CGVS, p. 3). Echter, in uw intern paspoort staat een stempel, dat u toch een internationaal paspoort werd uitgereikt en dit zo een tweetal maanden vóór uw vertrek uit Tsjetsjenië (Zie kopie intern paspoort) . U verklaart hierover niet te weten hoe die stempel in uw intern paspoort terecht kwam (CGVS, p. 3). Ook uit informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan zich een kopie in het administratief dossier bevindt, blijkt dat dergelijke stempels enkel worden aangebracht bij uitreiking van een internationaal paspoort. (Aan)Gezien de tegenstrijdigheden uit uw eerste asielaanvraag door de nieuwe documenten niet weerlegd worden, maar integendeel, eerder nieuwe onbeantwoorde vragen creëren, kan er in hoofde van u niet besloten worden tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees in de zin van de Vluchtelingenconventie. In het dossier van uw moeder (O.V. 5.067.160) en van uw broer (O.V. 5.067.161) werd besloten tot verder onderzoek. Naast de reeds eerder voorgelegde geboorteaktes van de drie kinderen en uw huwelijksakte, legt u nu ter staving van uw asielaanvraag ook de interne paspoorten van man en vrouw voor, alsook drie oproepingsbrieven van de UVD en een bewijs van opsporing uitgerij(ei)kt door de gemeentelijke administratie. De door u voorgelegde documenten doen geen afbreuk aan de bovenstaande vaststellingen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. XIV-15.177-4/8 Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. 2.1. Overwegende dat verzoekers een eerste middel afleiden uit de schending van de rechten van verdediging en het zorgvuldigheidsbeginsel omdat “door de bijstand van een Russische tolk enerzijds de verhoren van verzoekers geenszins in objectieve omstandig- heden plaatsvonden en dat anderzijds door verweerder niet werd voldaan aan de keuze van verzoekers om bijstand van een Tsjetsjeense tolk te verkrijgen.”; Overwegende dat, wat de beweerde schending van de rechten van verdediging betreft, de procedure voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een administratieve procedure en geen jurisdictionele procedure is; dat bijgevolg de rechten van verdediging niet onverminderd van toepassing zijn; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekers bij hun inschrijving als asielaanvragers op 20 november 2002 hebben verklaard dat zij het Russisch machtig zijn; dat verzoekers in het taalkeuzeformulier om de bijstand hebben verzocht van een Russische tolk; dat zij in het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingen- zaken zowel het Russisch als het Tsjetsjeens als hun talen van oorsprong hebben aangeduid (verhoorverslag DVZ, vraag 42); dat derhalve niet kan worden ingezien hoe de Commissaris- generaal het zorgvuldigheidsbeginsel zou hebben geschonden door verzoekers effectief te laten bijstaan door een Russische tolk; dat bovendien uit het verhoorverslag van verzoeker op het Commissariaat-generaal blijkt dat hij op het einde van het interview verklaarde dat “hij voldoende Russ[isch] spreekt.”; dat het feit dat hij hieraan toevoegde: “we willen liever (een) Tsj[etsjeense] tolk, vroeg hier vanaf het begin naar.” aan voorgaande vaststelling geen afbreuk doet, omdat verzoeker geen inhoudelijk argument koppelt aan de voorkeur voor een Tsjetsjeense tolk; dat de grief van verzoekers dat de verhoren niet objectief zouden zijn verlopen wegens de aanwezigheid van een Russische tolk, niet wordt gestaafd, noch wordt uitgewerkt in het middel; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2. Overwegende dat verzoekers een tweede middel afleiden uit de schending van artikel 1, A

(2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), de artikelen 52, § 1, 7/, en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelin- genwet), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat verzoekers aanvoeren dat de Commissaris-generaal geen grondig onderzoek heeft ingesteld naar hun vrees voor vervolging bij een terugkeer naar hun land van herkomst, waar hun leven en XIV-15.177-5/8 vrijheid in gevaar zijn, zoals blijkt uit de drie oproepingsbrieven en het opsporingsbewijs van de Russische autoriteiten; dat zij verwijzen naar internationale mensenrechtenrapporten die aantonen dat etnische Tsjetsjenen noch naar Tsjetsjenië noch naar Rusland kunnen terugkeren; dat zij betogen dat de weerhouden tegenstrijdigheden slechts details betreffen en geen afbreuk doen aan hun vrees voor vervolging; dat zij ten slotte stellen dat de Commissaris-generaal niet grondig heeft gemotiveerd waarom de neergelegde oproepings- brieven en het opsporingsbewijs geen afdoende bewijs vormen van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat zij tevens verwijzen naar de asielaanvragen van hun (schoon)moeder en (schoon)broer waarin wel tot een verder onderzoek werd besloten; 2.2.1. Overwegende dat artikel 52, § 1, 7/, van de Vreemdelingenwet enkel van toepassing is op vreemdelingen die zich aan de grens vluchteling hebben verklaard; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekers zich hebben aangeboden bij de Dienst Vreemdelingenzaken te Brussel zodat voornoemd artikel niet dienstig kan worden aangevoerd; 2.2.2. Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvragen van verzoekers heeft besloten op grond van de motieven die integraal worden weergegeven onder punt 1.5. van huidig arrest; dat de Commissaris-generaal heeft vastgesteld dat verzoekers zich op dezelfde asielmotieven beroepen als bij hun eerste asielaanvraag, dat deze motieven toen reeds werden onderzocht en dat wegens het bedrieglijk karakter ervan, de bevestigende beslissingen tot weigering van verblijf werden genomen; dat hij overweegt dat verzoekers niet terugkeerden naar de Russische Federatie en nu nieuwe documenten voorleggen (drie oproepingsbrieven van de UVD te GROZNY en een bewijs van opsporing uitgegeven door de plaatselijke administratie te PODGORNOYE) die zouden moeten aantonen dat verzoeker nog steeds actief wordt gezocht door de Russische overheden; dat hij opmerkt dat deze documenten geen afbreuk doen aan de eerder genomen beslissingen betreffende de bedrieglijkheid van de asielrelazen omdat ze geen nieuw licht werpen op de tegenstrijdigheden weerhouden naar aanleiding van de eerste asielaanvragen; dat de Commissaris-generaal in de bestreden beslissingen besluit dat “(aan)gezien de tegenstrijdigheden uit (...) (
  1. de)eerste asielaanvraag door de nieuwe documenten niet weerlegd worden, maar integendeel, eerder nieuwe onbeantwoorde vragen creëren, (...) er in hoofde van (...) (verzoek(st)
  2. er)niet (kan) besloten worden tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees in de zin van de Vluchtelingenconventie.”; Overwegende dat verzoekers geen elementen aanbrengen die aantonen dat de bevindingen van de Commissaris-generaal onjuist of niet relevant zijn; dat zij opwerpen dat zij een gegronde vrees voor vervolging koesteren, maar de motieven van de bestreden beslissingen niet weerleggen; dat uit de arresten nr. 122.690 en nr. 122.691 XIV-15.177-6/8 gewezen op 12 september 2003 door de XIVde kamer van de Raad van State, blijkt dat de beslissingen, waarin de Commissaris-generaal besloot tot de bedrieglijkheid van de eerste asielaanvragen van verzoekers, wettig zijn; dat verzoekers na de negatieve beslissingen inzake hun eerste asielaanvraag niet zijn teruggekeerd naar de Russische Federatie; dat de Commissaris-generaal in het kader van de tweede asielaanvraag van verzoekers vaststelde dat zij zich op dezelfde motieven beroepen als bij hun eerste asielaanvraag, wat steun vindt in de gegevens van het administratief dossier; dat de Commissaris-generaal vervolgens de door verzoekers neergelegde oproepingsbrieven en het opsporingsbewijs onderzocht om na te gaan in hoeverre zij het bedrieglijk karakter van de eerste asielaanvragen kunnen weerleggen; dat hij evenwel tot het besluit komt dat de documenten de toen vastgestelde tegenstrijdigheden niet ontkrachten; dat hij in de bestreden beslissingen op omstandige wijze uiteenzet waarom de ingediende documenten veeleer nieuwe, onbeantwoorde vragen creëren: dat de kandidaat-vluchtelingen immers niet kunnen verklaren waarom verzoeker werd geconvoceerd, noch waarom hij in GROZNY werd geconvoceerd, terwijl hij in een verder gelegen regio verbleef met als administratief centrum ZNAMENSKOYE; dat zij bovendien niet kunnen uitleggen waarom in hun paspoort een stempel is aangebracht waaruit blijkt dat hen, in tegenstelling tot wat zij op het Commissariaat-generaal beweerden, een internationaal paspoort werd uitgereikt; dat de Commissaris-generaal derhalve op goede gronden kon overwegen dat de asielaanvragen van verzoekers kennelijk ongegrond zijn; dat verzoekers in hun inleidend verzoekschrift niet aantonen dat de vaststellingen van de Commissaris- generaal over de motieven van de opeenvolgende asielaanvragen en over de neergelegde documenten onjuist zijn; dat met betrekking tot hun grief dat de tegenstrijdigheden “slechts details” betreffen, wordt verwezen naar de overwegingen van de arresten nr. 122.690 en 122.691, namelijk dat de tegenstrijdigheden de kern van de asielaanvragen van verzoekers betreffen en de geloofwaardigheid van hun asielrelaas volledig ondermijnen; dat voornoemde arresten inmiddels in kracht van gewijsde zijn getreden; dat verzoekers voor het overige verwijzen naar mensenrechtenrapporten om hun vrees voor vervolging te staven maar hiermee geen individuele vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie aannemelijk maken; dat ten slotte geen wet in materiële zin of rechtsbeginsel voorschrijft dat de Commissaris-generaal uitdrukkelijk dient te motiveren waarom de asielaanvragen van de (schoon)moeder en de (schoon)broer van de asielzoekers ontvankelijk werden verklaard; Overwegende dat uit de bestreden beslissingen blijkt dat de asielaanvra- gen van verzoekers afzonderlijk en individueel werden onderzocht op grond van de relevante elementen uit het administratief dossier; dat de bestreden beslissingen steunen op pertinente en afdoende motieven die draagkrachtig zijn en steun vinden in het administratief dossier; dat de Commissaris-generaal derhalve in redelijkheid kon vaststellen dat de asielaanvragen van verzoekers kennelijk ongegrond zijn; dat het tweede middel ongegrond is; XIV-15.177-7/8 4. Overwegende dat de verzoekende partijen geen middel hebben aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee september tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-15.177-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.484 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.