id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.488 Rolnummer: A. 155121/VII-32677 Zaak: Arrest 134488 - - 02/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-09-06 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 08:43 Fiche Arrest nr 134.488 van 2 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing 1 RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 134.488 van 2 september 2004 in de zaak A. 155.121/VII-32.677 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat R. JESPERS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Bangladese nationaliteit, op 30 augustus 2004 per fax heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 16 juli 2004 houdende de onontvankelijkverklaring van de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf in toepassing van artikel 9, §3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 24 augustus 2004 en van de daarin vervatte beslissing dat gevolg dient te worden gegeven aan het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij betekend op 8 maart 2002; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 30 augustus 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 2 september 2004 om 10.00 uur; VII-32.677-1/5 2 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. JESPERS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Verzoeker stelt dat hij in België binnenkwam op 20 oktober
- 1.
- Hij huwde met een Belgische op 3 april 1989 en scheidde uit de echt op 20 april
- 1.
- Hij verkreeg een verblijfskaart voor vreemdelingen, geldig tot 22 maart
- 1.
- Verzoeker keerde terug naar zijn land van herkomst wegens de ziekte van zijn moeder en werd zelf ziek aldaar. 1.
- Op 11 september 1996 werd hij ambtshalve geschrapt uit het vreemdelingenregister. 1.
- Verzoeker keerde terug naar België en diende op 13 juli 1998 een aanvraag in om machtiging tot voorlopig verblijf in toepassing van artikel 9, §3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Deze werd onontvankelijk verklaard bij beslissing van 27 augustus
- Daarop diende verzoeker-via zijn raadsman- op 9 november 1998 een gelijkaardige aanvraag in. 1.
- Tevens diende hij op 28 januari 2000 een regularisatieaanvraag in op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen VII-32.677-2/5 3 verblijvend op het grondgebied van het Rijk. De Commissie voor Regularisatie bracht een gunstig advies uit, maar bij beslissing van 6 december 2001 sloot de minister van Binnenlandse Zaken verzoeker uit van het voordeel van regularisatie wegens zijn veroordeling op 21 oktober 1994 door het Hof van Beroep van Antwerpen voor handel in verdovende middelen. Het beroep tot nietigverklaring en de vordering tot schorsing tegen de beslissing van 6 december 2001 werden als onontvankelijk ratione temporis door de Raad van State verworpen bij arrest nr. 126.456 van 16 december
- 1.
- Op 24 augustus 2004 verklaarde de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf in toepassing van artikel 9, §3 van de Vreemdelingenwet onontvankelijk en motiveerde deze beslissing als volgt: “De aanvraag komt zonder gevolg gezien de regularisatiecommissie zich heeft uitgesproken over de uitsluiting van de aanvraag tot regularisatie op basis van de wet van 22/12/1999.". Dit is de bestreden beslissing. 2.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
- Overwegende dat verzoeker met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel uiteenzet wat volgt: “Verzoeker is met een onderbreking van een groot jaar bijna 18 jaar in België. Hij heeft hier al zijn belangen. Zoals ondermeer het advies van de regularisatiecommissie bevestigt heeft verzoeker in België relaties ontwikkeld, hij beschikt over een arbeidsovereenkomst, hij betaalt belastingen en sociale bijdragen, hij spreekt Nederlands (zoals het advies van de regularisatiecommissie bevestigt). Verzoeker heeft zeer veel vrienden en kennissen in België. Het is evident dat hij na een zo lange verblijfsduur volkomen geïntegreerd is in België. Verzoeker wijst er specifiek nog op dat de regularisatiecommissie aanvaard heeft dat verzoeker duurzame sociale bindingen heeft uitgebouwd en dat er humanitaire redenen waren voor zijn verblijf in België. VII-32.677-3/5 4 Het uitvoeren van de bestreden beslissing en meer inzonderheid de erin opgenomen bepaling dat verzoeker gevolg dient te verlenen aan een bevel om het grondgebied te verlaten maken dat in geval van niet schorsing van de bestreden beslissing bij alle voordelen die hij tijdens zijn zeer lang verblijf in België heeft uitgebouwd (integratie, relaties, werk, sociale zekerheid, taalkennis ... ) zou verliezen, dat er alleszins een onherstelbaar nadeel terzake zou berokkend worden.”; 2.
- Overwegende dat verzoeker er ten onrechte lijkt van uit te gaan dat de bestreden beslissing een verwijderingsmaatregel is, nu hij het nadeel steunt op een veronderstelde verwijdering van het Belgische grondgebied; dat echter dit nadeel niet voortvloeit uit de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, die overigens, evenmin als de aanvraag die tot die beslissing leidde, zijn rechtstoestand van onrechtmatig verblijf niet heeft gewijzigd; dat aldus de gevraagde schorsing dit nadeel, gesteund op dat onrechtmatig verblijf en de weigering (uitsluiting) van regularisatie op grond van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, niet kon weren; dat de bestreden beslissing expressis verbis verwijst naar het bevel betekend op 8 maart 2002; dat niet wordt aangetoond dat dit bevel om één of andere reden was geschorst of zijn rechtskracht zou hebben verloren; dat bijgevolg de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing aan verzoeker geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent;
- Overwegende dat niet is voldaan aan de derde van de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-32.677-4/5 5 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee septembr tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-32.677-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.488 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div