id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.491 Rolnummer: A. 102399/XIV-2900 Zaak: Arrest 134491 - - 02/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-09-13 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-04 08:43 Fiche Arrest nr 134.491 van 2 september 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.491 van 2 september 2004 in de zaak A. 102.399/XIV-
- In zake : XXX, wonende te 2060 ANTWERPEN, tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 7 oktober 1969 en van Azerbeidzjaanse nationaliteit, op 26 maart 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 19 maart 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 31 oktober 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 20 maart 2001; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 6 april 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-2900-1/4 Gelet op de beschikking van 3 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 2 juni 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. NAVASARTIAN, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Adjunct-adviseur L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat C. DECORDIER die, loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 14 december 1999 en verklaart zich vluchteling op 16 december
- 1.
- Op 31 oktober 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 19 maart 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Aan betrokkene werd op 12 februari 2001 op haar gekozen woonplaats een oproeping aangetekend verstuurd om de motieven voor haar asielaanvraag te komen toelichten. Aangezien betrokkene zonder geldige reden binnen de maand na de verzending ervan geen gevolg heeft gegeven aan deze oproeping, bevestigt de Commissaris-generaal overeenkomstig artikel 52, par. 2, al. 4, van de Vreemdelingenwet, de weigering van verblijf besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 31 oktober
- De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandighe- den mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. 2.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar nota een exceptie van onontvankelijkheid opwerpt, afgeleid uit de schending van artikel 3, 4/, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en XIV-2900-2/4 de verwijdering van vreemdelingen; dat, volgens de tweede verwerende partij, “De middelen (van verzoekster) niet voldoende ontwikkeld zijn.”; Overwegende dat uit de lezing van de verzoekschriften blijkt dat verzoekster een enig middel aanvoert dat voldoende duidelijk is, zodat de Raad van State dit middel kan onderzoeken en beantwoorden; dat de exceptie wordt verworpen; 2.
- Overwegende dat de bestreden beslissing steunt op de volgende determinerende motieven: “Aan betrokkene werd op 12 februari 2001 op haar gekozen woonplaats een oproeping aangetekend verstuurd om de motieven voor haar asielaanvraag te komen toelichten. Aangezien betrokkene zonder geldige reden binnen de maand na de verzending ervan geen gevolg heeft gegeven aan deze oproeping, bevestigt de Commissaris-generaal overeenkomstig artikel 52, par. 2, al. 4, van de Vreemdelingenwet, de weigering van verblijf besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 31 oktober 2000.”; Overwegende dat voormelde motieven geen steun vinden in het administratief dossier, vermits verzoekster op 26 februari 2001, hetzij binnen de maand een medisch attest overmaakt, waaruit blijkt dat zij op 20 februari 2001, de datum waarop zij moet aanwezig zijn op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen voor het interview, ziek is en niet kan werken van 19 februari 2001 tot 22 februari 2001; dat dit medisch attest vermeldt dat: “wegens ziekte, thuis verlaten niet aangeraden is.”; dat als iemand niet kan werken, hij ook niet kan aanwezig zijn op een interview afgenomen door de gemachtigde van de Commissaris-generaal; dat verzoekster bovendien op dezelfde datum een handgeschreven tekst van acht bladzijden overmaakt, opgesteld in een vreemde taal, waarin normaliter de elementen worden opgenomen ter ondersteuning van haar asielaan- vraag; dat verzoekster geen vertaling van deze tekst in het Nederlands of het Frans meedeelt aan het Commissariaat-generaal; dat het toekomt aan verzoekster om voor de vertaling van haar tekst in te staan; Overwegende dat verzoekster een enig middel afleidt uit de schending van “het redelijkheidsbeginsel, van artikel 1, A van de Conventie van Genève en van de motiveringsplicht”; dat dit middel gegrond is in de mate dat het steunt op de schending van de materiële motiveringsplicht, gelet op wat voorafgaat, XIV-2900-3/4 BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 19 maart 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 31 oktober 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 20 maart
- Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de eerste verwerende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee september tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-2900-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.491 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.