id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.493 Rolnummer: A. 93778/XIV-4156 Zaak: Arrest 134493 - - 02/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-09-22 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 08:43 Fiche Arrest nr 134.493 van 2 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.493 van 2 september 2004 in de zaak A. 93.778/XIV-
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J.M. VAN DAMME, kantoor houdende te 9000 GENT, Clarissenstraat 35 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 1 januari 1981 en van ex-Joegoslavische nationaliteit, op 19 juli 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 26 juni 2000 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 8 januari 1999 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 29 juni 2000; Gelet op het arrest nr. 97.358 van 3 juli 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gelet op de beschikking van 27 september 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; XIV-4156-1/5 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 3 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 2 juni 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. NAVASARTIAN die, loco Advocaat J.M. VAN DAMME verschijnt voor de verzoekende partij, van Adjunct-adviseur L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat C. DECORDIER, die loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 31 augustus 1998 en verklaart zich vluchteling op 1 september
- 1.
- Op 8 januari 1999 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 26 juni 2000 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 8 juni 2000 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Albanese taal machtig is. Uit zijn verklaringen blijkt dat betrokkene een etnische Albanees uit Kosovo (Joegoslavië), meerbepaald uit Raushiq (gemeente Pejë) zou zijn. Op 20 juni 1998 zou betrokkenes dorp door de Serviërs een eerste keer gebombardeerd zijn. Op 14 augustus 1998 zou betrokkenes dorp een tweede maal gebombardeerd zijn door de Serviërs. Op 17 augustus 1998 zou betrokkene uiteindelijk Kosovo ontvlucht zijn omwille van de algemene oorlogsomstandigheden. Via Montenegro, Albanië en Italië zou hij vervolgens naar België gevlucht zijn, waar hij op 1 september 1998 asiel aanvroeg. Betrokkene wil niet terugkeren naar Kosovo omwille van de slechte naoorlogse economische omstandigheden in Kosovo. Vooreerst dient opgemerkt te worden dat er ernstige twijfels bestaan over zijn beweerde afkomst uit Kosovo. Betrokkene is immers niet in het bezit van enig Joegoslavisch identiteitsdocument. Bij de vraag naar welke identiteitsdocumenten er in Kosovo in omloop zijn XIV-4156-2/5 verklaarde hij dat er daar vier verschillende identiteitsdocumenten gebruikt worden, die hij respectievelijk aanduidde met de Albanese term voor identiteitskaart, de Servische term voor identiteitskaart, de Servische term voor geboorteakte en de Servische term voor internationaal paspoort. Hierbij moet eerst opgemerkt worden dat betrokkene uitdrukkelijk verklaarde dat de documenten aangeduid met respectievelijk de Servische en Albanese term voor identiteitskaart, twee documenten zijn met een verschillende lay-out. Hij verklaarde immers dat het document, dat hij aanduidde met de Albanese term voor identiteitskaart, een blad is van half A4-formaat en dat het document, dat hij aanduidde met de Servische term voor identiteitskaart, een klein boekje is. In werkelijkheid echter wordt de Servische en Albanese term gebruikt om één en hetzelfde document aan te duiden, nl. de Joegoslavische identiteitskaart. Voorts verklaarde hij dat het document dat hij aanduidde met de Servische term voor geboorteakte ook een klein boekje is, terwijl een Joegoslavische geboorteakte in werkelijkheid een blad is van A4-formaat. Verder verklaarde betrokkene dat de documenten die hij respectievelijk aanduidde met de Servische en de Albanese term voor identiteitskaart en de Servische term voor paspoort allen dezelfde functie hebben en alledrie zowel voor intern als internationaal gebruik dienen. In werkelijkheid is er evenwel een duidelijk verschil in de functie van een Joegoslavische identiteitskaart (intern gebruik) en een Joegoslavisch paspoort (extern gebruik). Wat er ook van zij, er dient opgemerkt te worden dat betrokkene geen elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat hij een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie dient te koesteren bij een eventuele terugkeer naar Kosovo. Sinds betrokkenes vertrek is de situatie immers gevoelig gewijzigd. Overeenkomstig resolutie 1244, aangenomen door de veiligheidsraad van de Verenigde Naties op 10 juni 1999, is het bestuur en de controle van Kosovo volledig in handen van de internationale gemeenschap, die ernstige inspanningen levert om de orde en rust te herstellen en de veiligheid te garanderen met het oog op de normalisering van het dagelijks leven in Kosovo. Bovendien hebben de Servische troepen en autoriteiten zich sindsdien teruggetrokken uit Kosovo. Hier kan nog aan toegevoegd worden dat de slechte naoorlogse economische situatie in Kosovo een probleem is van socio-economische aard. Dergelijke problemen vallen als dusdanig niet onder het toepassingsgebied van de Conventie van Genève. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 8 januari
- De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstan- digheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...)”.
- Over de gegrondheid van de zaak. 2.
- Overwegende dat in een eerste onderdeel van het enig middel verzoeker de schending aanvoert van artikel 6 van het E.V.R.M.; dat naar luid van het arrest van 5 oktober 2000 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake MAAOUIA tegen Frankrijk, de beslissingen over de toegang tot, het verblijf op en de verwijdering van het grondgebied niet onder artikel 6, § 1, van het E.V.R.M. vallen; dat bijgevolg het eerste onderdeel niet dienstig kan worden aangevoerd en niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; XIV-4156-3/5 2.
- Overwegende dat in een tweede onderdeel verzoeker kritiek formuleert op het optreden van de Albanese tolk tijdens het interview van verzoeker op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat verzoeker aanvoert dat de tolk de eed niet aflegt en verzoeker betwijfelt of de tolk voldoende geschoold is om zijn verklaringen van het Albanees naar het Nederlands te vertalen; Overwegende dat verzoeker niet aangeeft op welke rechtsgrond hij zich steunt om aan te voeren dat de tolk in casu een eed moet afleggen; dat vervolgens uit het administratief dossier niet blijkt dat er zich problemen voordeden tijdens het interview met de tolk; dat uit nota’s genomen tijdens het verhoor voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen blijkt dat de interviewer via de tussenkomst van de tolk duidelijke en eenduidige vragen stelt die verzoeker begrijpt en precies beantwoordt; dat voornoemde nota’s dertien bladzijden omvatten en dat verzoeker op het einde van het verhoor verklaart dat hij niets heeft toe te voegen; dat niet blijkt dat een andere taal dan het Albanees en het Nederlands werd gebruikt; dat de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken niet van toepassing is op de procedure van dringend beroep voor de Commissaris-generaal; dat het tweede onderdeel ongegrond is; 2.
- Overwegende dat in een derde onderdeel onder de rubriek middelen (cfr. p. 6 tot p. 9 van het verzoekschrift tot nietigverklaring), verzoeker zijn asielrelaas nog eens overdoet; dat in de mate dat in dit onderdeel de schending van de materiële motiveringsplicht wordt aangevoerd, het volstaat vast te stellen dat de Raad van State geen feitenrechter is en de beoordeling van de eventuele gegrondheid van het dringend beroep niet overdoet; dat de Raad van State enkel een wettigheidscontrole uitoefent en in het kader van deze controle nagaat of de eerste verwerende partij uitgaat van de juiste feitelijke gegevens en of zij die correct heeft beoordeeld om tot haar conclusie te komen dat de asielaanvraag van verzoeker kennelijk ongegrond is; dat uit het administratief dossier blijkt dat de eerste verwerende partij haar beslissing steunt op correcte feitelijke gegevens; dat in de bestreden beslissing grondig wordt ingegaan op de beweerde afkomst van verzoeker uit Kosovo; dat hiertoe wordt onderzocht welke identiteitsdocumenten in Kosovo in omloop zijn, vermits verzoeker niet in het bezit is van enig Joegoslavisch identiteitsdocument; dat verzoeker niet weet hoe een Joegoslavische identiteitskaart en een Joegoslavische geboorteakte eruitzien; dat de bestreden beslissing vervolgens vaststelt dat verzoeker geen elementen aanhaalt waaruit blijkt dat hij een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), dient te koesteren bij een eventuele terugkeer naar Kosovo; dat hiertoe op goede gronden wordt verwezen naar de resolutie 1244, aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op 10 juni 1999; dat tenslotte uit het asielrelaas van verzoeker blijkt dat hij gevlucht is om socio-economische motieven die niet onder het toepassingsgebied vallen van de Conventie van Genève; dat dit motief alleen XIV-4156-4/5 reeds de bestreden beslissing kan schragen, omdat het deugdelijk, pertinent en afdoend is; dat het derde onderdeel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee september tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-4156-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.493 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.