id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.550 Rolnummer: Zaak: Arrest 134550 - - 06/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-09-21 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-07-04 08:44 Fiche Arrest nr 134.550 van 6 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.550 van 6 september 2004 in de zaken A. 91.338/IX-2345 91.339/IX-
- In zake : I. Bart BEDDEGENOODTS, II. Philip VAN TONGERLOO, die woonplaats kiezen bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 33 tegen :
- het Selectiebureau van de Federale Overheid (SELOR), vertegenwoordigd door de afgevaardigd bestuurder,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, thans de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij advocaat P. LUYPAERS, kantoor houdende te LEUVEN, Ijzerenmolenstraat
- tussenkomende partijen : I. in de zaak A. 91.338/IX-2345 :
- Jacques PEYSKENS, die woonplaats kiest bij advocaat J. DE SMET, kantoor houdende te WAREGEM, Westerlaan 37/
- Dimitri KUN, die woonplaats kiest bij advocaat K. GEELEN, kantoor houdende te HASSELT, Gouverneur Roppesingel
- IX-2345-1/32 II. in de zaak A. 91.339/IX-2346 :
- Dimitri KUN, die woonplaats kiest bij advocaat K. GEELEN, kantoor houdende te HASSELT, Gouverneur Roppesingel 131,
- Sabine VERSTRAETE, die woonplaats kiest bij advocaat J. DE SMET, kantoor houdende te WAREGEM, Westerlaan 37/
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien de verzoekschriften die Bart BEDDEGENOODTS en Philip VAN TONGERLOO op 27 april 2000 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : - "de rangschikking van de deelnemers aan het bevorderingsexamen voor de graad van commissaris voor de Gerechtelijke Politie, in het bijzonder het assessment center", - "de examenresultaten van de laureaten van voormeld bevorderingsexamen", en - het besluit waarbij zij "niet geslaagd werd[en] bevonden voor het bevorderings- examen voor de graad van commissaris voor de Gerechtelijke Politie, in het bijzonder het assessment center"; Gezien de verzoekschriften tot tussenkomst van Jacques PEYSKENS, Dimitri KUN en Sabine VERSTRAETE; Gelet op de beschikkingen van 17 april 2001 die de tussenkomst van Jacques PEYSKENS, Dimitri KUN en Sabine VERSTRAETE toelaten; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; IX-2345-2/32 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 6 februari 2003 tot voeging van de zaken; Gelet op de beschikking van 6 februari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 19 januari 2004 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 8 maart 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaten H. SEBREGHTS en N. AMSONS, die verschijnen voor verzoekers, van adviseur-generaal J. MOMMENS die verschijnt voor de eerste verwerende partij, van advocaat H. K. CARÊME, die loco advocaat P. LUYPAERS verschijnt voor de tweede verwerende partij en van advocaten J. DE SMET en K. GEELEN, die verschijnen voor de tussenkomende partijen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; IX-2345-3/32
- De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Artikel 2 van het koninklijk besluit van 17 december 1998 betreffende de bevordering van gerechtelijke agenten bij de parketten tot de graad van gerechtelijk commissaris of van laboratoriumcommissaris bepaalt dat om bevorderd te kunnen worden tot gerechtelijk commissaris, de kandidaat gedurende ten minste vier jaar het ambt van gerechtelijk agent moet hebben uitgeoefend en moet slagen in een selectieproef betreffende de bekwaamheid vereist voor het uitoefenen van de functie, alsmede in een selectieproef van het type "assessment center". Artikel 3 van hetzelfde besluit machtigt de minister van Justitie om de inhoud van die selectieproeven te bepalen en artikel 5 schrijft voor dat de bevorderingen tot de graad waarvoor de proeven worden ingericht, gebeuren overeenkomstig de rangschikking die door de geslaagden werd verkregen op het assessment center. 1.
- Bij ministerieel besluit van 18 december 1998 legt de minister van Justitie de inhoud van de selectieproeven vast. Artikel 8 van dit besluit bepaalt dat het assessment center bestaat uit : "1/ één of meerdere gedrags- en/of situatieproeven; 2/ één of meerdere persoonlijkheidsvragenlijsten; 3/ één of meerdere interviews." Volgens datzelfde artikel heeft de proef tot doel de gegadigde te beoordelen op de persoonlijkheidskenmerken en de gedragsdimensies die relevant zijn voor het uitoefenen van de functie van gerechtelijk officier. In de artikelen 6 en 10 wordt de samenstelling van de examencom- missie voor de beide selectieproeven bepaald. 1.
- Bij ministerieel besluit van 26 februari 1999 duidt de minister van Justitie de leden van de examencommissie voor de eerste selectieproef -de bekwaamheidsproef- aan. IX-2345-4/32 1.
- Aan de kandidaten wordt een toelichtende nota bij de assessment- proef ter beschikking gesteld waarin hun wordt uitgelegd hoe een dergelijke proef wordt opgevat, welke soorten proeven er verwacht kunnen worden en meer bepaald ook welke "persoonlijkheidsdimensies" men door de proef zal meten. Daarbij wordt de inhoud van die dimensies uitvoerig toegelicht vanuit de concrete realiteit van de taken van een gerechtelijk officier. Het zijn communicatievaardigheid, leadership, organisatietalent en zin voor synthese, motivatie en loyauteit en stressbestendigheid. 1.
- De bekwaamheidsproef vindt plaats op 27 maart
- Het schriftelijk gedeelte van het assessment center vindt plaats op 27 oktober 1999 en het mondelinge gedeelte op verschillende dagen tussen 8 december 1999 en 22 februari
- Verzoekers slagen in de bekwaamheidsproef maar mislukken op het assessment center. 1.
- Verzoekers worden met brieven van 25 februari 2000 uitgaande van de eerste verwerende partij op de hoogte gebracht van hun mislukken voor het assessment center. In deze brieven wordt telkens aangegeven hoeveel punten op 100 zij behaald hebben. 1.
- De lijst met de rangschikking van de geslaagde kandidaten wordt aan verzoekers bekendgemaakt met een informatiebulletin voor het personeel van 28 februari
- 1.
- Bij koninklijke besluiten van 23 mei, 26 mei en 24 juni 2000 worden een aantal geslaagden bevorderd tot gerechtelijk commissaris. Het schorsingsberoep dat tegen die besluiten werd ingesteld, is verworpen bij arrest nr. 92.492 van 22 januari
- Bij koninklijk besluit van 5 december 2000 worden nog twee geslaagden benoemd tot gerechtelijk commissaris. De tegen dit besluit ingestelde schorsingsvordering is verworpen bij arrest nr. 97.334 van 29 juni 2001; IX-2345-5/32
- De ontvankelijkheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat de tussenkomende partijen Jacques PEYSKENS en Sabine VERSTRAETE in hun verzoekschriften tot tussenkomst betogen dat noch het persoonlijk, noch het rechtstreeks, het zeker en het actueel belang van de verzoekers aangetoond is; dat de tussenkomende partij Dimitri KUN zijnerzijds betoogt dat verzoekers geen belang hebben om de nietigverklaring te vorderen van de examenresultaten van de laureaten van het bevorderingsexamen; dat volgens hem niet valt in te zien op welke wijze verzoekers benadeeld worden door een beslissing waarbij bepaalde kandidaten geslaagd worden verklaard en opgenomen worden in een wervingsreserve; dat hij bovendien betwist dat een gebeurlijke vernietiging van de resultaten van de geslaagde kandidaten aan de verzoekers een voordeel kan opleveren, aangezien verzoekers daarmee het voordeel niet bekomen dat zij nastreven, met name een nieuwe evaluatie; 2.
- Overwegende dat verzoekers hun belang zien in de nieuwe kans die zij krijgen om in het bevorderingsexamen voor de graad van commissaris voor de Gerechtelijke Politie te slagen teneinde op grond daarvan bevorderd te kunnen worden tot gerechtelijk commissaris; 2.3 Overwegende dat verzoekers, op het ogenblik dat zij hun annulatieberoep indienden, voldoende belang hadden bij de nietigverklaring van de resultaten van de laureaten van het examen, aangezien deze de betrekkingen van gerechtelijk commissaris konden innemen, hetgeen hun eigen kansen op benoeming verminderde; dat hangende dit geding het politielandschap echter grondig gewijzigd is; dat uit het nieuwe politiestatuut, vervat in het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, meer bepaald uit artikel XII.II.25 en de bijlage 11 bij het besluit -inzonderheid rubriek 3.2.
- van kolom 3-, blijkt dat de laureaten van het bevorderingsexamen voor gerechtelijk commissaris in de nieuwe gradenstructuur worden ingeschaald als officier, in de graad van commissaris van politie, zonder dat daarvoor betrekkingen van commissaris vrij dienen te zijn; dat bijgevolg, indien de verzoekers slagen in het IX-2345-6/32 assessment center dat de verwerende partij -in het kader van het aan de verzoekers te verlenen rechtsherstel na de eventuele vernietiging van de beslissing waarbij zij niet geslaagd zijn verklaard in die proef- zal moeten inrichten, zij krachtens de vermelde bepalingen van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 de voorwaarden vervullen om als commissaris van politie in de nieuwe politiestructuur ingeschaald te worden; dat de verwerende partij niet aantoont dat de huidige regelgeving haar verbiedt om op grond van de overgangsregeling van artikel XI.II.25 en bijlage 11 van het RPPol en zonder dat daarvoor betrekkingen vrijgemaakt dienen te worden, de verzoekers alsnog in de graad van commissaris van politie aan te stellen; dat derhalve, afgaande op die overgangsbepalingen van het RPPol, vastgesteld moet worden dat verzoekers geen belang meer hebben bij het bestrijden van de examenuitslag en van de rangschikking van de laureaten van het examen, maar dat zij nog enkel belang hebben bij de vernietiging van hun persoonlijke uitslag, dit is het derde voorwerp van het beroep; Overwegende dan weer dat de raadsman van de verzoekende partijen ter terechtzitting betoogt dat het Arbitragehof met zijn arrest nr. 102/2003 van 22 juli 2003 artikel XII.VII.15 van het RPPol gedeeltelijk vernietigd heeft en dat de verzoekers, na die vernietiging, hun belang nog wel bij de eerste twee voorwerpen van hun beroep behouden; dat het Arbitragehof met het genoemde arrest artikel XII.VII.15 van het RPPol vernietigd heeft " in zoverre het de leden van de voormalige gerechtelijke politie die geslaagd zijn voor het examen voor de graad van gerechtelijk commissaris of van laboratoriumcommissaris een automatische bevordering tot de graad van officier laat genieten"; dat wegens die vernietiging, het teloorgaan van het actueel belang van de verzoekers niet meer zeker is; dat daarin dan ook geen grond kan worden gevonden om hun vordering, wat het eerste en het tweede voorwerp betreft, bij gebrek aan belang onontvankelijk te verklaren;
- De gegrondheid van het beroep. 3.
- Overwegende dat verzoekers in het eerste middel de schending aanvoeren van artikel 8 van het ministerieel besluit van 18 december 1998 betreffende IX-2345-7/32 de bevordering van de gerechtelijke agenten bij de parketten tot de graad van gerechtelijk commissaris of laboratoriumcommissaris, van het vertrouwensbeginsel en van het gelijkheidsbeginsel doordat, eerste onderdeel, zij tijdens de mondelinge proef onderworpen werden aan een gedrags- of situatieproef -met name een rollenspel- terwijl volgens artikel 8 van het ministerieel besluit van 18 december 1998 en volgens de toelichting die de verwerende partij bij het examen had verstrekt, het derde deel van het assessment center had dienen te bestaan uit een interview en doordat, tweede onderdeel, de Nederlandstalige kandidaten onderworpen zijn aan een rollenspel, terwijl de Franstalige kandidaten onderworpen zijn aan het in het vooruitzicht gesteld interview; Overwegende dat verzoekers bij het eerste onderdeel van het middel toelichten dat het assessment center uit drie duidelijk gescheiden onderdelen bestaat, dat -nadat zij eerst een gezamenlijk georganiseerde schriftelijke proef hadden afgelegd, bestaande uit een schriftelijke gedrags- of situatieproef en het invullen van een computergestuurde vragenlijst, een biografische vragenlijst en een vragenlijst met betrekking tot hun indrukken betreffende de situatie- of gedragstest, welke de eerste twee gedeelten van het examen waren- zij uitgenodigd werden voor "het laatste gedeelte van het assessment center (mondeling gedeelte)", dat niet werd aangekon- digd dat er nogmaals een gedrags- of situatietest zou plaatsvinden, hoewel uit alle medegedeelde informatie, zoals de toelichtingsnota die aan de kandidaten ter beschikking werd gesteld, bleek dat de kandidaten na het afleggen van het schriftelijk gedeelte de eerste twee proeven van het assessment center hadden doorstaan en dat het mondeling gedeelte zou bestaan uit een interview en dat verzoekers toch opnieuw en zonder voorbereiding geconfronteerd werden met een gedrags- of situatieproef, namelijk een "rollenspel"; dat zij ook nog aanstippen dat de kandidaten die niet als eerste werden opgeroepen wel de mogelijkheid hebben gehad zich op het derde examenonderdeel voor te bereiden -hetgeen zinvol is ook al kan men er niet voor studeren- wat hen onmiskenbaar in staat heeft gesteld de laatste proef in gunstiger omstandigheden af te leggen; IX-2345-8/32 Overwegende dat verzoekers bij het tweede onderdeel van het middel toelichten dat de Franstalige kandidaten als derde onderdeel van het assessment center wel degelijk het aangekondigde interview hebben kunnen afleggen en dat die onderscheiden behandeling van de Nederlandstalige en de Franstalige kandidaten niet verantwoord kan worden, terwijl nochtans de kandidaten van de beide taalgroepen deel uitmaken van een groot federaal korps zodat zij ooit met elkaar in concurrentie kunnen komen voor de benoeming in bepaalde functies; 3.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord verwijst naar de nota die zij in het kader van het administra- tief kortgeding neergelegd heeft en naar het auditoraatsverslag dat over het verzoek tot schorsing opgesteld werd; dat de tweede verwerende partij verwijst naar het arrest nr. 92.492 van 22 januari 2001; dat zij daar, wat betreft de bewering dat de kandidaten die niet als eerste werden opgeroepen de mogelijkheid hebben gehad om zich voor te bereiden, aan toevoegt dat elke kandidaat zich gedurende een halfuur op het rollenspel heeft kunnen voorbereiden en dat bovendien geen enkele verzoeker aanvoert dat hij als eerste werd opgeroepen; dat zij betreffende het tweede onderdeel van het middel betoogt dat de benoeming tot commissaris gebeurt per taalrol zodat bij de keuze van een Nederlandstalig of een Franstalig kandidaat voor een bepaalde vacature de rangschikking in de selectieproef geenszins bepalend is; 3.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord met betrekking tot het eerste onderdeel van het middel herhalen dat zij op grond van de aan hen gerichte uitnodigingen er vanuit konden gaan dat het mondeling gedeelte van het assessment zou bestaan uit een interview, doch dat zij in tegenspraak met artikel 8 van het ministerieel besluit van 18 december 1998 opnieuw onderworpen werden aan een gedrags- en/of situatieproef -te weten een rollenspel-; dat zij benadrukken dat zij zich mentaal niet op dergelijke proef hebben kunnen voorbereiden, en dat de kandidaten die niet -als zij- als eerste werden geëxamineerd de proef in gunstiger omstandigheden hebben kunnen afleggen; dat zij, met betrekking tot het tweede onderdeel van het middel herhalen dat het verschillend verloop van het examen voor de Nederlandstaligen aan de ene en de Franstaligen aan IX-2345-9/32 de andere kant door geen enkele reglementaire tekst wordt mogelijk gemaakt en dat artikel 5 van het koninklijk besluit van 17 december 1998 bepaalt dat de bevordering tot gerechtelijk commissaris gebeurt naar orde van rangschikking op de assessment- proef, zonder dat daarin een opsplitsing per taalgroep is voorzien; 3.
- Overwegende dat de tussenkomende partijen Jacques PEYSKENS en Sabine VERSTRAETE aanvoeren dat een rollenspel past in het derde onderdeel van de proef omdat het een wijze is van nader ingaan op de scores van de persoonlijkheidsvragenlijst, dat de verzoekers niet bewijzen dat elk examen individueel verlopen is zoals zij voorhouden en dat elke kandidaat wist dat hij met een rollenspel geconfronteerd kon worden; dat zij, met betrekking tot het tweede onderdeel van het middel, uiteenzetten dat de verzoekers niet bewijzen dat de Franstalige kandidaten geen rollenspel hebben moeten ondergaan en dat niets belet dat de onderscheiden examenjury's het derde onderdeel van de assessmentproef anders hebben ingevuld, aangezien de verstrekte inlichtingen aan de kandidaten dergelijke eigen invulling mogelijk maakten; Overwegende dat de tussenkomende partij Dimitri KUN betoogt dat het eerste onderdeel van het middel in feite faalt omdat verzoekers er ten onrechte vanuit gaan dat het mondelinge gedeelte van het examen enkel zou bestaan uit een vraaggesprek; dat hij uiteenzet dat noch in de uitnodiging voor het schriftelijk gedeelte of die voor het mondeling gedeelte, noch in de toelichtingsnota aan de kandidaten wordt vermeld dat het mondeling gedeelte enkel bestaat uit een toelichting van de schriftelijke proeven, maar dat integendeel de toelichtingsnota erop wijst dat de gedrags- en situatietest mondeling kan verlopen; dat hij ook opmerkt dat een assessmentproef erop gericht is de persoonlijkheid van de kandidaat te evalueren door na te gaan hoe deze op een bepaalde situatie zal reageren, dat een rollenspel in dergelijk kader volkomen op zijn plaats is en in zekere zin zelfs beschouwd kan worden als een interview, waarbij men de kandidaat met een bepaalde situatie confronteert om daaruit te leren hoe hij erop inspeelt; dat volgens hem het eerste onderdeel van het middel ook in rechte faalt, aangezien noch artikel 8 van het ministerieel besluit van 18 december 1998, noch het vertrouwensbeginsel zich IX-2345-10/32 verzetten tegen een rollenspel, aangezien artikel 8 van het ministerieel besluit uitdrukkelijk vermeldt dat meerdere situatieproeven en interviews kunnen gehouden worden, -wat betekent dat de schriftelijke situatieproef het rollenspel geenszins uitsloot- en aangezien nergens in de toelichtingsnota wordt gesteld dat de mondelinge proef beperkt zou zijn tot een vraaggesprek omtrent de reeds afgelegde schriftelijke proeven; dat hij besluit dat, hoewel het niet noodzakelijk is zich op een dergelijke test voor te bereiden, aangezien het erop aankomt zichzelf te zijn, iedere kandidaat toch een dertigtal minuten tijd heeft gekregen om het rollenspel voor te bereiden; dat volgens dezelfde tussenkomende partij ook het tweede onderdeel van het middel in feite en in rechte faalt, vooreerst omdat niet aangetoond wordt dat de Franstalige kandidaten geen rollenspel hebben moeten afleggen, vervolgens omdat het rollenspel er in elk geval toe moest strekken, zonder dat daar voorbereiding voor nodig was, de persoonlijkheid van de kandidaten te onderzoeken; 3.5.
- Overwegende, wat het eerste onderdeel van het middel betreft, dat blijkens artikel 8 van het ministerieel besluit van 18 december 1998 betreffende de bevordering van gerechtelijke agenten bij de parketten tot de graad van gerechtelijk commissaris of laboratoriumcommissaris "het assessment center, gequoteerd op 100 punten, bestaat uit 1/ één of meerdere gedrags- en/of situatieproeven, 2/ één of meerdere persoonlijkheidsvragenlijsten en 3/ één of meerdere interviews"; dat verzoekers de onder 1/ en 2/ genoemde proeven gelijkstellen met het "schriftelijk" gedeelte en de sub 3/ genoemde proef -het interview- met het "mondeling" gedeelte; dat zij met andere woorden de mening toegedaan zijn dat het interview het enige mondeling onderdeel van het assessment center kan uitmaken en dat, wanneer zij werden opgeroepen om de mondelinge proef af te leggen, deze enkel zou kunnen bestaan uit een interview; Overwegende dat uit voornoemd artikel 8 van het ministerieel besluit van 18 december 1998 echter niet volgt dat de eerste, en eventueel ook de tweede proef, louter schriftelijk dienden te zijn; dat derhalve niet uitgesloten wordt dat de eerste proef -de gedrags- en situatietest- uit zowel een schriftelijk als een mondeling gedeelte bestaat; dat zulks ook wordt gezegd in de toelichting die aan de IX-2345-11/32 kandidaten werd verstrekt over de inhoud en het verloop van een assessment center; dat uit de gegevens van het dossier kan worden afgeleid dat de drie onderdelen van het assessment center gespreid werden over twee examendagen, waarbij de eerste dag, 27 oktober 1999, dezelfde voor alle kandidaten, de proeven of gedeelten ervan die schriftelijk konden worden afgelegd op het programma stonden en de tweede dag, verschillend naargelang de kandidaten, de individuele, mondelinge proeven of gedeelten ervan werden afgelegd; dat zodoende de gedrags- en situatietest terzake blijkt te hebben bestaan uit een schriftelijk gedeelte, een zogenaamde "postbakoefening", afgelegd de eerste dag samen met de andere schriftelijke proeven, en een mondeling gedeelte, een zogenaamd "rollenspel", afgelegd op de tweede examendag; dat op die tweede dag dan ook het derde onderdeel van het assessment center, het interview, plaats had, wat verzoekers niet formeel betwisten; dat verzoekers daaromtrent ook niet werden misleid, aangezien in de oproepingsbrieven die hen werden toegestuurd er geen sprake was van drie onderdelen, wel van het "eerste gedeelte" respectievelijk "het tweede gedeelte (mondeling gedeelte)" van het assessment center; Overwegende dat de bewering als zouden de kandidaten die niet als eerste werden opgeroepen wel de mogelijkheid hebben gehad zich erop voor te bereiden en zij daardoor de laatste proef in gunstiger omstandigheden konden afleggen, wordt tegengesproken door de geplande timing van de mondelinge proeven, welke voor elke kandidaat voorzag in een voorbereiding van een half uur op het rollenspel; dat het eerste onderdeel van het middel niet gegrond is; 3.5.
- Overwegende, wat het tweede onderdeel betreft, dat, ook al zouden de proeven welke de Franstalige kandidaten moesten afleggen, niet volledig gelijklopend zijn geweest met die van de Nederlandstalige kandidaten, daaruit geen schending van het gelijkheidsbeginsel volgt; dat, immers, het gaat om aparte selectieproeven met een eigen rangschikking; dat de benoemingen tot gerechtelijk commissaris -met het oog waarop het hier bestreden examen een rangschikking diende op te stellen- moesten gebeuren overeenkomstig de taalwetgeving in bestuurszaken zodat bij de keuze van de kandidaten voor een benoeming in IX-2345-12/32 voorkomend geval enkel de taalrol waartoe zij behoren een rol kon spelen, met name naargelang de te begeven betrekking op het Franstalig dan op het Nederlandstalig, eentalig of tweetalig kader moest worden aangerekend; dat bij de keuze tussen een Nederlandstalig of een Franstalig kandidaat de rangschikking van de selectieproef dus geenszins bepalend was; dat het tweede onderdeel van het middel evenmin gegrond is; 4.
- Overwegende dat verzoekers in het tweede middel de schending aanvoeren van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen doordat de mededeling die zij mochten ontvangen betreffende hun uitslag voor het assessment center geen enkele of zeker geen afdoende motivering bevatte, terwijl die beslissing toch tot gevolg heeft dat zij niet voor een benoeming tot gerechtelijk commissaris in aanmerking komen; dat zij bij het middel toelichten dat enkel de punten werden opgegeven als motief van het besluit, terwijl het assessment center geen kennisexamen is maar een proef die tot doel heeft de gegadigden te beoordelen op persoonlijkheidskenmerken en gedragsdi- mensies die relevant zijn voor de uit te oefenen functie, zodat een verantwoording van die punten dient te bestaan opdat men zicht zou krijgen op de motieven die tot de in punten uitgedrukte waardering hebben geleid, terwijl het ontbreken van een dergelijke bijkomende verantwoording niet zou kunnen worden goedgemaakt door een achteraf opgemaakte nota; dat zij stellen dat het ontbreken van een bijkomende verantwoording hier des te meer klemt daar er voor het assessment center in geen puntenrooster is voorzien zodat niet uitgemaakt kan worden in welke mate het luik "interview" bepalend was voor het resultaat en dat zij dan ook in het duister tasten aangaande de exacte reden van hun onvoldoende op de proef; 4.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat de "cruciale competenties" die vereist zijn om commissaris bij de gerechtelijke politie te worden en die gesynthetiseerd zijn in vijf "basisdimenties" -te weten de communicatievaardigheid (luistervaardigheid, inleving, sensitiviteit, verbale vaardigheid en vlotheid, het vermogen ideeën helder en duidelijk te formuleren, expressiviteit), organisatietalent (waarin onder meer planmatigheid, IX-2345-13/32 systematiek, nauwkeurigheid en pro-actief optreden), leadership (delegatie-, motivatie- en coachingvermogen), motivatie en loyauteit (inclusief initiatief) en stressbestendigheid- doorheen de verschillende gedeelten van het assessment center geëvalueerd zijn en dat de jury, per basisdimensie, na onderling overleg aan de kandidaten een beoordeling toegekend heeft gaande van zwak (score 1) over matig (score 2) en voldoende (score 3) tot goed (score 4); dat zij vervolgt dat "na analyse van de motiveringsfiches van alle kandidaten", die zij bij het dossier voegt, gesteld kan worden dat de kandidaten die hetzij voor één "cruciale dimensie" -dit is het leidinggeven of de motivatie en loyauteit- hetzij voor twee dimensies "zwak" scoorden, niet geslaagd zijn verklaard, dat de kandidaten die op één niet-cruciale dimensie de score "zwak" behaalden toch geslaagd zijn verklaard op voorwaarde dat zij op ten minste drie van de vier resterende dimensies de score "voldoende" behaalden en dat de kandidaten die nergens "zwak" en "goed" scoorden alleen geslaagd zijn verklaard op voorwaarde dat zij voor minstens twee dimensies "voldoende" behaald hebben; dat zij dan besluit dat de omzetting in cijfers van de scores voor de verschillende dimensies betekent "dat alleen de kandidaten slagen die minimaal 12 punten op 20 behalen" en dat daaruit kan worden afgeleid "dat er wel degelijk een band is tussen het behaalde eindresultaat -slagen of niet slagen- en de annotaties voor de vijf dimensies die op de motiveringsfiches, die integraal deel uitmaken van het proces-verbaal, zijn vermeld"; Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord in de eerste plaats verwijst naar het arrest nr. 92.492 van 22 januari 2001 en erop wijst dat de kandidaten, die om inlichtingen gevraagd hebben, die ook gekregen hebben onder de vorm van een algemene uiteenzetting over de wijze van quoteren volgens de basisdimensies en de mededeling van de punten die voor elk van die dimensies werden toegekend; dat zij vervolgens betoogt dat de "er een weerlegbaar vermoeden bestaat dat de examencijfers een correcte beoordeling weergeven" en dat de redelijkheid van de aangehouden beoordeling afgeleid kan worden uit het feit dat, zoals moet blijken uit de tabel met de score en het puntentotaal van de verschillende kandidaten, de onderscheiden scores voor de verschillende basisdimensies niet sterk verschillen; IX-2345-14/32 4.
- Overwegende dat verzoekers in hun memorie van wederantwoord het schorsingsarrest nr. 92.492 bekritiseren; dat zij van oordeel zijn dat de overweging dat de mededeling van de punten als formele motivering volstaat, ingaat tegen de rechtspraak die stelt dat punten op zich geen afdoende motivering vormen van een examen dat niet tot kennisvragen beperkt is; dat naar hun oordeel de kandidaten individueel een verantwoording -in woorden- van de toegekende scores voor de geëvalueerde persoonlijkheidskenmerken dienden te krijgen en dat de omstandigheid dat de kandidaten die verantwoording konden opvragen bij de examinator, in strijd is met het fundamentele beginsel dat de motieven moeten voorkomen in de beslissing zelf; dat zij daaraan toevoegen dat de achteraf meegedeel- de motieven ook geen afdoende motivering vormen, aangezien het opnieuw een puntenscore betreft, aangezien het niet duidelijk is welk onderling gewicht aan de diverse vaardigheden gehecht is en hoe de puntenscores werden omgevormd tot een eindpercentage en aangezien uit de vergelijking van de puntenscores en eindpercenta- ges van de kandidaten onderling blijkt dat de toekenning van de percentages op arbitraire wijze geschiedde; dat zij bij wijze van voorbeeld de mededeling verstrekt aan de verzoekers BOTERDAELE -die uiteindelijk 45/100 behaalde met de scores 2,1,1,3,2- vergelijken met de score van verzoeker DEVRIESE -die 47/100 behaalde met de scores 2,1,1,2,2 en wijzen op de scores van de verzoekers HANSENS - 50/100 met vier keer score 2 en eenmaal score 1- en HUBEAU -50/100 met vijf keer score 2-; dat zij besluiten dat de verantwoording van de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord over de wijze van beoordelen van de kandidaten, niet in aanmerking kan worden genomen, aangezien, ten eerste, die uitleg volkomen nieuw en derhalve laattijdig is, ten tweede, hij vaag en algemeen is, en, ten derde, hij ingaat tegen de informatie die aan de kandidaten werd verstrekt, aangezien hen nooit een score op 20 is meegedeeld, doch enkel op 100 en zij onwetend waren over het bestaan van "cruciale" dimensies; dat verzoekers tenslotte betogen dat de verwerende partij zich niet kan beroepen op het proces-verbaal en de motiveringsfiches, aangezien deze stukken nooit aan verzoekers werden overgemaakt en bovendien enkel puntenscores bevatten; IX-2345-15/32 4.
- Overwegende dat de tussenkomende partijen Jacques PEYSKENS en Sabine VERSTRAETE in eerste instantie stellen dat de verzoekers dit middel enkel kunnen aanvoeren tegen hun eigen examenresultaat maar niet tegen dat van de geslaagden; dat zij vervolgens dat de Raad van State zich in examendossiers voorzichtig opstelt in verband met de formele motiveringsvereiste, dat er rechtspraak bestaat die stelt dat de motivering van examenresultaten in principe vervat ligt in de punten en dat dit principe ook geldt voor psychotechnische proeven; dat naar hun oordeel het besluit tot niet geslaagd zijn van verzoekers wel degelijk afdoende gemotiveerd is door de mededeling van het behaalde resultaat; Overwegende dat de tussenkomende partij Dimitri KUN verwijst naar de rechtspraak van de Raad van State die stelt dat de motivering van examen- quoteringen in principe vervat ligt in de punten en dat deze alleen dan niet als motivering kunnen volstaan als er elementen zijn die kunnen doen twijfelen aan de ernst van de toegekende punten, terwijl de verzoekers geen enkel element aanhalen dat zou doen twijfelen aan de ernst van de toegekende punten; 4.5.
- Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdruk- kelijke motivering van de bestuurshandelingen het bestuur ertoe verplicht individuele besluiten formeel te motiveren en die motieven tezamen met het besluit ter kennis van de betrokkene te brengen; dat de adressaat van het besluit er mag van uitgaan dat de hem ter kennis gebrachte motieven ook de enige motieven zijn die het besluit dragen; dat dit evenwel niet betekent dat het bestuur de verplichting heeft om de nadere verantwoording van de motieven in de beslissing zelf op te nemen; dat zulks een probleem van materiële motivering betreft, waarbij het bestuur moet kunnen aantonen dat het bij zijn besluitvorming rekening gehouden heeft met concrete gegevens die het formele motief terdege onderbouwen en die aldus de latere wettigheidstoetsing van dat motief mogelijk maken; Overwegende dat verzoekers het middel formeel beperken tot de vraag naar de uitdrukkelijke motiveringsverplichting; dat evenwel, in de mate zij IX-2345-16/32 aanvoeren dat de verwerende partij de punten niet terdege verantwoordt, zij de materiële motiveringsplicht bij het middel betrekken; 4.5.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij met een brief van 25 februari 2000 aan de verzoekers medegedeeld heeft hoeveel punten zij voor de assessmentproef hadden behaald; dat met die mededeling, die teruggaat naar de door de examenjury opgestelde puntenlijsten welke de Vaste Wervingssecretaris in zijn proces-verbaal van het examen heeft overgenomen, de verwerende partij voldaan heeft aan de verplichtingen opgelegd door de wet van 29 juli 1991; 4.5.
- Overwegende dat buiten betwisting staat dat het assessment center, waarvan de vernietiging wordt nagestreefd, geen kennisexamen is; dat het globaal puntentotaal dat elk van de verzoekers behaalde, op zich dan ook hun uitslag niet kan rechtvaardigen; dat dan de vraag rijst of de verwerende partijen kunnen aantonen dat de examencommissie bij de puntentoekenning op correcte wijze gebruik gemaakt heeft van haar ruime discretionaire bevoegdheid; dat daarvoor dient nagegaan of de verwerende partijen aan de hand van stukken die bij de deliberatie aan de examencommissie voorlagen of die het relaas vormen van de besprekingen en de besluitvorming in de examencommissie, de betrokkene en uiteindelijk de Raad van State -die terzake over een marginale toetsingsbevoegdheid beschikt- kunnen laten begrijpen waarom de commissie aan de verzoekers een bepaald puntentotaal heeft toegekend; 4.5.4.
- Overwegende dat het assessment center ertoe strekte de kandidaten te screenen op vijf persoonlijkheidskenmerken :
(1)communicatievaardig- heid,
(2)leadership,
(3)organisatietalent en zin voor synthese,
(4)motivatie en loyauteit en
(5)stressbestendigheid; dat zulks aan de kandidaten was ter kennis gebracht in de "toelichting over de assessmentproef (...)"; dat blijkens artikel 8 van het ministerieel besluit van 18 december 1998 dat diende te gebeuren op basis van een of meer gedrags- en situatieproeven, persoonlijkheidsvragenlijsten en interviews; IX-2345-17/32 4.5.4.
- Overwegende dat uit het administratief dossier van de zaak blijkt dat de eerste verwerende partij ten behoeve van de examencommissie een draaiboek "Assessment center - toelichting procedure" heeft opgesteld, met daarin een uiteenzetting over het verloop van het examen, een beschrijving van en een uitgewerkt stramien voor de beoordeling van de gedragsproeven -de schriftelijke postbakoefening en het rollenspel- en de wijze waarop die gedragsproeven samen met de evaluatie van de persoonlijkheidsvragenlijst en de biografische vragenlijst tot een eindoordeel kunnen leiden en een overzicht van de dimensies die in elk van de oefeningen (postbak, rollenspel, persoonlijke vragenlijst, biografische vragenlijst en interview) gemeten moeten worden; dat uit die toelichting duidelijk blijkt dat de verschillende proeven van het assessment center complementair zijn in die zin dat de commissie de eerste beoordeling die zij op basis van de schriftelijke proeven -de postbakoefening, de persoonlijkheidsvragenlijst en de biografische vragenlijst- over de kandidaten had gemaakt, gedurende het mondeling gedeelte diende te verfijnen, rekening houdend met de aandachtspunten die uit de deliberatie naar voren waren gekomen; Overwegende dat de examencommissie bij de uitvoering van haar opdracht die leidraad heeft gevolgd, zoals blijkt uit de verschillende documenten die zij met betrekking tot elke kandidaat opgesteld heeft: vooreerst is er, met betrekking tot het schriftelijk gedeelte van het examen, het document waarop de beoordeling van de postbakoefening is vermeld -er wordt door een vermelding +, - of +/-, welke de synthese is van de punten die elk de drie evaluatoren van de postbakoefening aan de kandidaat hebben gegeven, een overzicht gegeven van de scores behaald op de getoetste dimensies, er wordt ook een totaalscore vermeld en er wordt vermeld welke "hypothesen" nader onderzocht dienen te worden tijdens het mondeling gedeelte van het examen- en waarop de "aandachtspunten" zijn vermeld die uit de persoonlijkheidsvragenlijst op de voorgrond zijn gekomen; vervolgens is er het document waarop de score is vermeld die de kandidaten behaalden op de persoon- lijkheidsaspecten die tijdens het rollenspel werden getoetst; tenslotte is er de "motiveringsfiche", waarin de examencommissie, door de kandidaten een score "zwak", "matig", "voldoende" of "goed" toe te kennen, een eindoordeel uitspreekt IX-2345-18/32 over de wijze waarop zij voldoen aan elk van de vijf basiscompetenties die zij diende te toetsen; dat de examencommissie vervolgens de waardering van de kandidaten, vermeld op de motiveringsfiche, omgezet heeft in een puntencijfer, zoals vereist door het ministerieel besluit van 18 december 1998; Overwegende dat geen verzoeker betwist dat de verschillende documenten die hiervoor vermeld zijn, de neerslag vormen van een deliberatie in de examencommissie; dat zij ook niet aanvoeren dat de examencommissie zich bij het formuleren van de verschillende beoordelingen op bepaalde punten zou vergist hebben; dat het dossier van de zaak derhalve voldoende gegevens bevat die het eindoordeel over de verschillende kandidaten verantwoordt; 4.5.4.
- Overwegende dat verzoekers er zich wel over beklagen dat niet duidelijk wordt gemaakt op grond van welke criteria de examencommissie de scores voor de verschillende persoonlijkheidskenmerken, vermeld op de motiveringsfiche, omgezet heeft in het -onvoldoende- puntentotaal dat ieder van hen uiteindelijk gekregen heeft; dat zij, ten bewijze van het onsamenhangend handelen van de examencommissie, bij wijze van voorbeeld verwijzen naar de punten die de verzoekers DEVRIESE, BOTERDAELE, HANSSENS en HUBEAU hebben gekregen -eerstgenoemde kreeg met een score 2,1,1,2,2, een totaal van 47 punten op 100; BOTERDAELE moest zich met een score 2,1,1,3,2, tevreden stellen met 45 punten op 100; HANSSENS en HUBEAU kregen een totaal van 50/100 hoewel hun scores verschilden- en op grond daarvan besluiten dat die scores niet toelaten de punten te begrijpen; Overwegende dat de examencommissie er reglementair toe verplicht was aan de kandidaten een globaal puntencijfer toe te kennen; dat vooreerst met verzoekers inderdaad vastgesteld moet worden dat de door hen aangehaalde voorbeelden erop wijzen dat de examencommissie geen uniform criterium toegepast heeft bij de puntentoekenning; dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord trouwens erkent dat de daar vermelde beoordelingscriteria resulteren uit een "analyse van de motiveringsfiches", hetgeen een post factum motivering is; dat IX-2345-19/32 vervolgens uit het puntentotaal dat aan verschillende kandidaten is toegekend, ook opgemaakt kan worden dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord ten onrechte het puntentotaal van de kandidaten rechtvaardigt met een verwijzing naar de -naar 100 afgeleide- som van de cijfers die corresponderen met de scores vermeld op de motiveringsfiche; dat die vaststellingen evenwel niet moeten doen besluiten dat het puntentotaal van verzoekers in redelijkheid niet correspondeert met de waarderingen vermeld op de motiveringsfiche; dat immers, indien in redelijkheid aangenomen kan worden dat de waardering "voldoende" overeenstemt met het reglementair vereiste puntentotaal van 60 op 100, er de vaststelling blijft dat geen van de verzoekers op meer dan één van de vijf dimensies een "voldoende" behaalt, terwijl zij voor de overige dimensies altijd "zwak" of "matig" scoren; dat het niet kennelijk onredelijk is dergelijk lage score te laten resulteren in een puntentotaal dat in geen enkel geval de 50/100 overschrijdt; 4.5.
- Overwegende, besluitend, dat uit de door de verwerende partij overgelegde stukken wel degelijk blijkt waarom de examencommissie elk van de verzoekers niet geslaagd heeft verklaard; dat die stukken de examenuitslag van de verzoekers inhoudelijk verantwoorden; dat derhalve, ook in zoverre het stoelt op de schending van de materiële motiveringsverplichting, het tweede middel niet gegrond is; 5.
- Overwegende dat verzoekers in een derde middel de schending aanvoeren van het "onpartijdigheids- en onafhankelijkheidsbeginsel" doordat een hoofdcommissaris uit de brigade Brugge en een afdelingscommissaris uit de brigade Gent deel uitmaakten van de jury en doordat die personen actief deelgenomen hebben aan de beoordeling van de proeven van de eigen personeels- leden; dat naar hun oordeel zulks de objectieve beoordeling in de weg stond of dat er minstens een schijn van partijdigheid door is ontstaan; 5.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord opmerkt dat de examencommissie samengesteld is overeenkomstig de bepalingen van het ministerieel besluit van 18 december 1998, dat IX-2345-20/32 verzoekers dat besluit niet bestreden hebben en dat zij ook tijdens de examen- verrichtingen geen opmerkingen gemaakt hebben over de samenstelling van de jury, zodat zij zich nu voor het eerst voor de Raad van State niet op het middel kunnen beroepen; dat, inhoudelijk, zij van oordeel is dat de aanwezigheid van de betrokken juryleden niet ipso facto moet doen besluiten tot de partijdige opstelling van de jury, dat het verbod om deel te nemen aan een beraadslaging enkel geldt voor de personen die een rechtstreeks en persoonlijk belang hebben bij de aangelegenheid -hetgeen in dit geval niet bewezen wordt- en dat de verzoekers ook geen precieze feiten aanwijzen die op enige partijdigheid van de betrokken leden en op beïnvloeding van de gehele examenjury wijzen; 5.
- Overwegende dat verzoekers in hun memorie van wederantwoord stellen dat zij geen kennis hebben van het besluit waarbij de examencommissie is samengesteld; dat zij voorts betogen dat "gedurende een aanzienlijk gedeelte van de assessment center" de jury bestond uit een magistraat en twee officieren van de gerechtelijke politie uit het arrondissement Gent die "in rechtstreeks professioneel verband met de kandidaten van de brigade Gent (stonden)" waardoor de kandidaten "uit Gent" bevoordeeld konden zijn; dat volgens hen de omstandigheid dat die personen zich niet teruggetrokken hebben bij de beoordeling van de kandidaten over wie zij rechtstreeks commando voeren, een objectieve beoordeling in de weg heeft gestaan of minstens de schijn van partijdigheid opgewekt heeft; 5.
- Overwegende dat de tussenkomende partijen Jacques PEYSKENS en Sabine VERSTRAETE er in eerste instantie op wijzen dat de samenstelling van de jury niet meer op regelmatige wijze kan worden aangeklaagd nu deze gebeurde bij de ministeriële besluiten van 18 december 1998 en 26 februari 1999; dat zij daarnaast ook stellen dat niet het minste bewijs wordt voorgebracht van partijdig gedrag vanwege de jury, en daar aan toevoegen dat de eventuele partijdigheid niet kan spelen in hoofde van de verzoekers daar zij niet afkomstig zijn uit de brigades van Brugge of Gent; IX-2345-21/32 Overwegende dat de tussenkomende partij Dimitri KUN betoogt dat de omstandigheid dat één of meerdere leden van de examenjury in een gezagsver- houding staan tot één of meerdere kandidaten, niet meebrengt dat het onpartijdigheidsbeginsel is geschonden, dat de bewijslast hiervan bij de verzoekers ligt, maar dat zij zelfs niet beweren dat de betrokken juryleden partijdig zijn opgetreden; dat hij daaraan toevoegt dat volgens de Raad van State het onpartijdigheidsbeginsel binnen het actief bestuur aldus moet worden toegepast dat het verenigbaar is met de eigen aard en structuur van het orgaan, dat voor het bevorderingsexamen tot de graad van gerechtelijk commissaris de aanwezigheid van één of twee (hoofd)commissarissen absoluut noodzakelijk is, en dat, aangezien de kandidaten afkomstig waren uit het hele land, er altijd enkele kandidaten geconfronteerd zouden worden met hun hiërarchisch overste; 5.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij in het administratief dossier, neergelegd in de schorsingszaak, een document heeft opgenomen waaruit de precieze samenstelling blijkt van de examencommissie die de assessmentproef heeft afgenomen; dat het niet volstaat te beweren dat een examencommissie partijdig was of dat er een schijn van partijdigheid was, maar dat het verzoekers toekomt de gegevens aan te brengen waaruit die partijdigheid kan blijken; dat in dezen zij enkel stellen dat twee, zelfs drie leden van de examencom- missie de hiërarchische oversten waren van sommige kandidaten; dat het weliswaar mogelijk is dat de betrokken juryleden op de kandidaten die ze persoonlijk kennen als hun ondergeschikten een iets andere kijk hebben dan op de andere kandidaten, doch zulks daarom nog niet wil zeggen en ook niet laat vermoeden dat zij niet meer in staat zijn die kandidaten op een voldoende objectieve wijze te beoordelen; dat, overigens, de commissie uit vier personen bestond en de stelling van verzoekers, samengelezen met hun vierde middel, er in feite op neerkomt dat zij vrijwel nooit zal kunnen worden samengesteld op de wijze zoals voorgeschreven door artikel 10 van het ministerieel besluit van 18 december 1998, aangezien er altijd wel een of andere kandidaat een ondergeschikte zal zijn van een der twee gerechtelijke officieren, leden van de commissie, zoals bepaald in het eerste lid, 3/, van dat artikel; dat het middel niet gegrond is; IX-2345-22/32 6.
- Overwegende dat verzoekers in het vierde middel de schending aanvoeren van het vertrouwens- en het zorgvuldigheidsbeginsel en van het gelijkheidsbeginsel, doordat de samenstelling van de examenjury niet voor alle kandidaten dezelfde was, terwijl een assessment center nochtans psychologische tests omvat, waarbij de subjectieve beoordeling van de examinatoren een belangrijke rol speelt; dat zij bij het middel toelichten dat het beoordelen en rangschikken van de kandidaten op basis van een evaluatie van hun persoonlijkheidsprofiel een subjectief oordeel inhoudt dat ongetwijfeld van persoon tot persoon verschilt en dat dit oordeel dan ook maar als rangschikkingselement deugdelijk kan zijn als het voor alle kandidaten uitgebracht wordt door dezelfde personen, omdat alleen dan de examenjury de ene kandidaat met de andere kan vergelijken en op basis daarvan vaststellen hoe die kandidaten zich tot elkaar verhouden; 6.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord verwijst naar haar uiteenzetting bij het derde middel; dat zij daaraan toevoegt dat de verzoekers niet aantonen op welke wijze de verschillende samenstelling van de jury hen in hun belangen geschaad zou hebben en dat artikel 3 van het koninklijk besluit van 17 december 1998 betreffende de bevordering van gerechtelijke agenten bij de parketten tot de graad van gerechtelijk commissaris of laboratoriumcommissaris stelt dat de minister van Justitie voor de in artikel 2,2/, bedoelde selectieproeven onder meer de samenstelling van de (verschillende) examencommissies bepaalt, waaruit blijkt dat verschillende jury’s niet onwettig zijn en, gelet op het hoge aantal inschrijvingen en de praktische doenbaarheid van de proeven, in dit geval zelfs aangewezen waren; 6.
- Overwegende dat de verzoekers in hun memorie van wederantwoord betogen dat van bij de tweede zitting één van de juryleden zich systematisch liet vervangen door een plaatsvervanger zonder dat hiervoor enige motivering werd gegeven en dat op sommige momenten de examencommissie bestond uit vijf -in plaats van vier- leden, zodat in de examencommissie leden hebben gezeteld die nooit als effectief of plaatsvervangend lid zijn aangeduid; dat zij herhalen dat er een subjectieve beoordeling van de persoonlijkheidskenmerken van de IX-2345-23/32 kandidaten is gebeurd door examinatoren die de kandidaten niet met elkaar hebben kunnen vergelijken; 6.
- Overwegende dat de tussenkomende partijen Jacques PEYSKENS en Sabine VERSTRAETE argumenteren dat de verzoekers te laat zijn om de rechtsgeldigheid van de jury in vraag te stellen en dat zij ten onrechte laten uitschijnen dat er slechts één examenjury zou bestaan, terwijl artikel 3 van het koninklijk besluit van 17 december 1998 spreekt van examenjury's; dat zij daaraan toevoegen dat niet wordt aangetoond hoe het bestaan van meerdere examenjury's de belangen van verzoekers zou hebben geschaad, aangezien niet blijkt dat er grote discrepanties zijn geweest in de beoordeling van die diverse jury's; Overwegende dat de tussenkomende partij Dimitri KUN aanvoert dat verzoekers geen bewijs voorleggen van de wisselende samenstelling van de examencommissie; dat hij betoogt dat, indien en in zoverre de examencommissie anders was samengesteld doordat een jurylid door zijn plaatsvervanger werd vervangen, er in werkelijkheid geen sprake is van een andere samenstelling, aangezien plaatsvervangers tegelijkertijd met de effectieve leden worden aangeduid bij de samenstelling van de examencommissie en derhalve van bij de aanvang werkelijk deel uit maken van de commissie; dat hij voorts uiteenzet dat er geen bezwaar kan zijn tegen het bestaan van meerdere examencommissies, aangezien de reglementering zelf meerdere examencommissies voorziet, met name één per landstaal; dat hij besluit dat uit het arrest nr. 85.637 van 28 februari 2000 blijkt dat de Raad van State het gelijkheidsbeginsel enkel geschonden acht wanneer duidelijk is dat één examencom- missie duidelijk strenger geoordeeld heeft dan andere examencommissies en dat verzoekers niet aantonen dat de commissie die hen heeft geëxamineerd strenger geoordeeld heeft dan een anders samengestelde commissie; 6.
- Overwegende dat artikel 10, eerste lid, van het ministerieel besluit van 18 december 1998 bepaalt hoe de examencommissie van het assessment center moet worden samengesteld en dat blijkens artikel 11 van hetzelfde besluit inzake de werking van de examencommissie de reglementering van het Vast IX-2345-24/32 Wervingssecretariaat van toepassing is; dat de verzoekers niet betwisten dat de examenjury met inachtneming van die bepaling samengesteld is; dat uit de door de eerste verwerende partij overgelegde stukken blijkt dat voor de parketmagistraat een vervanger was aangewezen; dat uit de nadere toelichting van de eerste verwerende partij aan de auditeur-verslaggever blijkt dat de titelvoerend parketmagistraat zich na de eerste vergadering van de commissie wegens werkoverlast heeft laten vervangen door haar plaatsvervanger en dat de jury zich op bepaalde ogenblikken overeenkom- stig artikel 6 van het besluit van 3 november 1994 van de Vaste Wervingssecretaris, heeft laten bijstaan door een secretaris teneinde de werklast van de voorzitter te verlichten, maar zonder dat die persoon enige invloed heeft gehad op de beslissing van de jury; dat die uiteenzetting bevestiging vindt in het feit dat de puntenlijsten, door de examencommissie opgesteld, ondertekend zijn door de vier officieel aangestelde leden van de jury; Overwegende dat de omstandigheid dat de secretaris van de jury zich mogelijk in de ondervraging van de kandidaten zou gemengd hebben op zich het examenresultaat niet vitieert, aangezien het blijkens de ondertekende puntenlijsten de vier leden van de examenjury zijn die de punten hebben bepaald en die daarmee de verantwoordelijkheid voor het resultaat op zich hebben genomen; Overwegende dat de omstandigheid dat de examencommissie tijdens het afnemen van de mondelinge proeven van het assessment center niet voor alle kandidaten dezelfde is geweest, niet zonder meer de conclusie wettigt dat die proeven niet objectief verlopen zijn noch dat de ene commissie kandidaten geslaagd zou hebben verklaard die door een anders samengestelde commissie afgewezen werden; dat wanneer, zoals in casu een groot aantal kandidaten moet worden getest, op meerdere data, niet kan worden uitgesloten en ook niet als ontoelaatbaar kan worden geacht dat op bepaalde dagen commissieleden worden vervangen door hun plaatsvervangers, zeker wanneer dat gebeurt op grond van een "verhindering"; dat zowel het strikt geregeld zijn van de modaliteiten waaronder de proeven moesten worden afgelegd en beoordeeld als de omstandigheid dat de commissie uit vier leden -waarvan slechts één kon wisselen- bestond een voldoende continuïteit bij de IX-2345-25/32 beoordeling waarborgde, wat de bezwaren van verzoekers aangaande de vergelijk- baarheid van de uitslagen en de rangschikking in grote mate neutraliseert; dat wat dat laatste betreft nog kan worden opgemerkt dat het terzake niet gaat om de rangschik- king van de geslaagd verklaarde kandidaten onderling maar om de vergelijking tussen wie niet en wel geslaagd is; dat het middel niet gegrond is; 7.
- Overwegende dat verzoekers in het vijfde middel de schending aanvoeren van het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel en van het gelijkheidsbeginsel, doordat hen werd voorgehouden dat zij hun antwoorden, gegeven tijdens de eerste twee onderdelen van het assessment center, later zouden kunnen toelichten en zij met die mogelijkheid ook rekening hebben gehouden bij het formuleren van hun antwoorden terwijl -eerste onderdeel- zij dan geheel onverwacht tijdens het laatste deel van de assessmentproef die toelichting niet hebben kunnen geven, en terwijl -tweede onderdeel- de Franstalige kandidaten wel in de mogelijk- heid gesteld zijn om hun antwoorden gegeven tijdens de eerste twee proeven toe te lichten; dat zij bij het eerste onderdeel van het middel toelichten dat zij, ingaande op de raadgevingen vervat in de "toelichting over de assessment-proef voor bevordering tot de graad van gerechtelijk commissaris of laboratoriumcommissaris", zich voor het interview hadden voorbereid op een bespreking van de afgelegde gedrags- en situatietest enerzijds en de persoonlijkheidsvragenlijst anderzijds, doch dat naderhand bleek dat tijdens het geplande interview geen enkele terugblik plaatshad, en dat er van een interview zelfs gewoon geen sprake was; dat volgens verzoekers in de voornoemde toelichting was gesteld dat ze de kans zouden krijgen om tijdens het interview de wijze waarop ze de twee andere delen van de test hebben afgelegd nader toe te lichten en zulks in die toelichting met een dergelijke stelligheid was toegezegd, dat zij de eerste twee gedeelten hebben afgelegd vanuit de optiek dat ze later daarover toelichting zouden kunnen geven, dat dit laatste een dermate rechtmatige verwachting was dat het feit dat die verwachting niet is uitgekomen een schending uitmaakt van het vertrouwensbeginsel; IX-2345-26/32 7.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord verwijst naar haar uiteenzetting bij het eerste middel; dat zij aanvoert dat de aan verzoekers verstrekte informatie enkel sprak van de mogelijkheid dat er toelichtingen konden worden gegeven, zonder dat er hiertoe een verplichting rustte op de juryleden; dat zij verklaart dat alle tussenkomende partijen bevestigen dat er tijdens het mondeling gedeelte wel degelijk vragen werden gesteld over de vorige proeven; dat zij besluit dat verzoekers ten tijde van het examen hieromtrent nooit enig voorbehoud hebben aangetekend en zij dit middel niet voor de eerste maal ontvankelijk kunnen opwerpen in het raam van de vernietigingsprocedure; 7.
- Overwegende dat de tussenkomende partijen Jacques PEYSKENS en Sabine VERSTRAETE stellen dat er wel degelijk werd ingegaan op de gedrags- en situatietest enerzijds en op de persoonlijkheidsvragenlijst anderzijds, zij het dat dit gebeurde door middel van een rollenspel; Overwegende dat de tussenkomende partij Dimitri KUN betoogt dat verzoekers niet aantonen dat zij het schriftelijk gedeelte anders zouden beantwoord hebben indien zij er niet vanuit waren gegaan dat gedeelte later nog te kunnen toelichten en dat, in tegenstelling tot wat verzoekers beweren, tijdens het mondelinge gedeelte wel vragen werden gesteld over het schriftelijke gedeelte; dat hij voorts betoogt dat verzoekers onterecht meenden het schriftelijk gedeelte zo te moeten beantwoorden dat zij dit later nog konden motiveren, aangezien bij de schriftelijke proeven het gestelde probleem naar behoren moet worden behandeld; dat hij besluit dat de toelichtingsnota vermeldt dat het interview meestal bestaat uit drie onderdelen, waaruit volgt dat de kandidaten er rekening mee moesten houden dat dit niet het geval kon zijn; 7.4.
- Overwegende dat verzoekers van oordeel zijn dat de toelichting bij de assessmentproef opgenomen in de nota van 29 augustus 1998 van Johan TROTTEYN, hen mocht doen verhopen dat zij de kans zouden krijgen om het schriftelijk gedeelte van hun examen toe te lichten; dat de nota het volgende stelt : IX-2345-27/32 "Bij vele tests zal de kandidaat later de gelegenheid krijgen om tijdens een interview [...] zijn/haar aanpak toe te lichten : [...] Omdat men vaak eventuele notities tijdens de oefening heeft moeten afgeven, is het nuttig om onmiddellijk na de test voor zichzelf een en ander te memoriseren, ten einde beter voorbereid te zijn voor het interview"; dat daaruit niet blijkt dat de kandidaten gedurende het derde deel van de proef in ieder geval zouden kunnen terugkomen op hun prestaties in de eerdere proeven, dat er enkel in wordt aangegeven dat bij vele proeven de mogelijkheid wordt geboden een toelichting te verstrekken; dat de raadgeving om nota te nemen dan moet worden gezien in het perspectief van het verwachte tijdsverloop tussen de proeven, zodat het raadzaam is te voorzien in een geheugensteuntje voor een eventuele latere toelichting; 7.4.
- Overwegende dat volgens de voornoemde toelichting het interview meestal bestaat uit drie onderdelen, waarvan één bestaat uit het nader ingaan op de gedrags- en situatietest; dat ook hieruit verzoekers niet met zekerheid konden afleiden dat zij tijdens het interview de mogelijkheid zouden krijgen in te gaan op de wijze waarop zij de gedrags- en/of situatietest hebben afgelegd; dat met andere woorden de toelichtende tekst enkel een globale beschrijving geeft van hoe een assessment center verloopt zonder evenwel de inhoud van de verschillende onderdelen zoals ze effectief zullen worden ingevuld aan te geven : zo wordt er aangegeven welke soorten gedragstest gebruikt kunnen worden bij een dergelijke proef zonder dat uitsluitsel wordt gegeven over welke test nu effectief zal worden gebruikt; dat verzoekers er niet de rechtmatige verwachting konden uit putten dat ze ook effectief tijdens het interview de kans zouden krijgen op de gedrags- en situatietest terug te komen; dat, ook voor zover het juist is dat verzoekers hun schriftelijke proeven niet daadwerkelijk hebben kunnen toelichten, het eerste onderdeel van het middel niet gegrond is; dat wat het tweede onderdeel betreft kan worden verwezen naar de bespreking van het tweede onderdeel van het eerste middel; dat het middel niet gegrond is; IX-2345-28/32 8.
- Overwegende dat verzoekers in een zesde middel de schending aanvoeren van de artikelen 2 en 5 van het koninklijk besluit van 17 december 1998 betreffende de bevordering van gerechtelijke agenten bij de parketten tot de graad van gerechtelijk commissaris of van laboratoriumcommissaris en van artikel 10 van het ministerieel besluit van 18 december 1998 betreffende de bevordering van de gerechtelijke agenten bij de parketten tot de graad van gerechtelijk commissaris of van laboratoriumcommissaris, doordat, eerste onderdeel, een andere examencommis- sie de Nederlandstalige en de Franstalige kandidaten beoordeeld heeft, terwijl overeenkomstig artikel 10 van het koninklijk besluit van 17 december 1998 de examencommissie voor de beide taalgroepen dezelfde moet zijn en doordat, tweede onderdeel, er een afzonderlijke rangschikking is opgesteld voor de Nederlandstalige en de Franstalige kandidaten, terwijl artikel 5 van hetzelfde koninklijk besluit slechts één rangschikking mogelijk maakt en artikel 2, waarin de benoemingsvoorwaarden zijn bepaald, geen taalvoorwaarden bevat; 8.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord betoogt dat in artikel 3 van het koninklijk besluit van 17 december 1998 sprake is van meerdere examencommissies, dat in artikel 6 van het ministerieel besluit van 18 december de examencommissie wordt opgesplitst in een Nederlandstalige, Franstalige en Duitstalige afdeling en dat het bestaan van verschillende commissies werd bevestigd door het ministerieel besluit van 26 februari 1999, waartegen de verzoekers nooit enig bezwaar hebben aangetekend; dat zij besluit dat, aangezien er verschillende examencommissies zijn opgetreden, het logisch is dat er verschillende rangschikkingen werden opgemaakt; 8.
- Overwegende dat de tussenkomende partijen Jacques PEYSKENS en Sabine VERSTRAETE andermaal stellen dat de verzoekers te laat zijn om de samenstelling van de jury nog ontvankelijk te bestrijden; dat zij betogen dat, aangezien er verschillende commissies in het leven werden geroepen, het de evidentie zelf is dat er verschillende rangschikkingen worden opgemaakt, in casu per taalrol; IX-2345-29/32 Overwegende dat de tussenkomende partij Dimitri KUN verwijst naar zijn uiteenzetting bij het derde middel, waaruit blijkt dat de wetgever minstens één examencommissie per taalrol heeft willen installeren; dat hij besluit dat verzoekers geen belang hebben bij de ontwikkeling van dit middel, aangezien de rangschikking enkel voor de geslaagden van belang kan zijn en die rangschikking bovendien geen invloed heeft op de geldigheid van het besluit waarbij dat slagen vastgesteld is; 8.
- Overwegende dat artikel 10 van het ministerieel besluit van 18 december 1998 luidt als volgt : "De examencommissie bestaat uit : 1/ een selectieadviseur van het Vast Wervingssecretariaat die voorzitter is; 2/ een magistraat van een parket van de procureur des Konings; 3/ twee gerechtelijke officieren (...). In de Duitstalige examencommissie moeten tenminste twee van de leden bedoeld in het derde lid, 2/ en 3/ blijk hebben gegeven van kennis van het Duits"; Overwegende vooreerst dat hoewel er in het eerste lid sprake is van "de examencommissie", er in het tweede lid een regeling opgenomen wordt voor de Duitstalige examencommissie, waaruit impliciet reeds volgt dat de samenstelling van die commissie kan variëren naargelang de taalaanhorigheid van de examinandi; dat voorts de leden van de gerechtelijke politie onderworpen zijn aan de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken zodat zij hun selectieproeven alleen wettig kunnen afleggen in hun eigen taal, die wordt bepaald door de taal waarin ze hun onderwijs hebben genoten; dat zulks noodzakelijk meebrengt dat er aparte proeven moeten worden ingericht per taalgroep, waarbij uiteraard iedere proef zijn eigen Nederlandstalige, Franstalige of Duitstalige jury heeft; dat dit de enige met de taalwetten verenigbare interpretatie van het ingeroepen koninklijk en ministerieel besluit vormt; dat, voor zover er in artikel 5 van het koninklijk besluit van 17 december 1998 sprake is van de rangschikking, zulks in dat licht dan ook moet worden begrepen als de rangschikking in de proeven -Nederlandstalig of Franstalig IX-2345-30/32 of Duitstalig- waaraan de betrokkenen hebben deelgenomen; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- De beroepen worden verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 694,12 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 743,7 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, ieder voor een derde. IX-2345-31/32 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes september 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2345-32/32 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.550 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div