← België

Arrest 134584 - - 06/09/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.584 Rolnummer: A. 81080/IX-1545 Zaak: Arrest 134584 - - 06/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-09-27 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 08:44 Fiche Arrest nr 134.584 van 6 september 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.584 van 6 september 2004 in de zaak A. 81.080/IX-

  1. In zake : het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van LEUVEN, gevestigd te LEUVEN, A.Vesaliusstraat 47 tegen : het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van BIERBEEK, gevestigd te BIERBEEK, Stationsstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Leuven op 12 november 1998 heeft ingediend om hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant genomen op 1 oktober 1998, in een geschil gerezen tussen hem en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Bierbeek betreffende de terugvordering van de door de verzoekende partij toe- gekende steunverlening aan Kristine DE BRABANDERE; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. THYS; Gelet op de beschikking van 3 december 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-1545-1/13 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 20 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 mei 2004; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. HENDERIX, die loco advocaat Th. HOSCHET verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat P. VAN BREUSEGEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. THYS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Kristine DE BRABANDERE, wonende te Bierbeek, wordt van 4 tot 8 september 1995 dringend opgenomen in het Universitair Ziekenhuis Sint-Pieter te Leuven. Op 16 januari 1997 en van 20 januari 1997 tot 8 maart 1997 wordt zij dringend opgenomen in het Universitair Ziekenhuis Gasthuisberg te Leuven. Tijdens haar voormelde verblijven in het ziekenhuis verklaart zij telkens dat zij de kosten van haar hospitalisatie niet kan vereffenen en verzoekt zij de Universitaire Ziekenhuizen Leuven “een beroep te doen op een tussenkomst van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn”. IX-1545-2/13 1.
  5. Onder verwijzing naar artikel 9 van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn -hierna : de wet van 2 april 1965- stelt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn -hierna : OCMW- van Leuven met aangetekende brieven van 11 oktober 1995 en 18 februari 1997 het OCMW van Bierbeek in kennis van de dringende opnamen van Kristine DE BRABANDERE in het ziekenhuis. Het deelt tevens mede dat het de kosten van die opnamen, eventueel na aftrek van de tegemoetkoming van het ziekenfonds, op het laatstgenoemde OCMW zal verhalen. 1.
  6. Op 23 oktober 1995 en 24 februari 1997 erkent het bijzonder comité voor de Sociale Dienst van het OCMW van Leuven de staat van behoeftigheid van Kristine DE BRABANDERE. 1.
  7. Met aangetekende brieven van 8 november 1995 en 5 maart 1997 antwoordt het OCMW van Bierbeek aan het OCMW van Leuven dat het de kosten van het verblijf en de verpleging van Kristine DE BRABANDERE in de Universitaire Ziekenhuizen Leuven niet ten laste zal nemen omdat betrokkene niet behoeftig is. Het OCMW van Bierbeek deelt ook mede dat indien Kristine DE BRABANDERE steun meent nodig te hebben, zij zich tot hem dient te wenden en niet tot het OCMW van Leuven. 1.
  8. Met een op 11 maart 1996 ter post aangetekend verzonden brief, herinnerd op 13 februari 1997 en 17 maart 1997, en met een aangetekende brief van 9 januari 1998 zendt het OCMW van Leuven niettemin de staten van verschotten naar het OCMW van Bierbeek. De kosten van de opnamen van Kristine DE BRABANDERE in de Universitaire Ziekenhuizen Leuven die, na tussenkomst van het ziekenfonds, door het OCMW van Leuven worden teruggevorderd, bedragen : - 52.477 BEF voor de opname van 4 tot 8 september 1995; - 16.176 BEF voor de opname van 20 januari 1997 tot 8 maart
  9. IX-1545-3/13 1.
  10. Omdat het OCMW van Bierbeek niet tot de terugbetaling van de voormelde bedragen overgaat, legt het OCMW van Leuven, bij toepassing van artikel 15, tweede lid, van de wet van 2 april 1965, het geschil dat het met het eerstgenoemde centrum heeft, met een aangetekend verzoekschrift van 16 maart 1998 ter beslechting voor aan de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. 1.
  11. Op 1 oktober 1998 besluit de bestendige deputatie dat de steun die door het OCMW van Leuven aan Kristine DE BRABANDERE werd verleend, niet kan worden teruggevorderd van het OCMW van Bierbeek. Het besluit van de bestendige deputatie steunt inzonderheid op de volgende overwegingen : “(...) Overwegende dat het artikel 1, 1/, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door O.C.M.W., het ‘steunverlenend O.C.M.W.’ omschrijft als ‘het O.C.M.W. van de gemeente op wier grondgebied zich een persoon bevindt die bijstand behoeft, wiens staat van behoeftigheid door dit centrum erkend werd en aan wie zij steun verleent waarvan de aard en, zo nodig, het bedrag door haar beoordeeld en bepaald worden’; Overwegende dat uit de samenlezing van het artikel 2, tweede lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn en het artikel 1, 1/, van de voormelde wet van 2 april 1965 volgt dat de openbare centra voor maatschappelijk welzijn bevoegd zijn om maatschappelijke bijstand te verlenen aan de personen die zich ‘op het grondgebied van hun gemeente bevinden’; Overwegende dat volgens een constante rechtspraak van de Raad van State onder het begrip ‘gemeente op wier grondgebied zich een persoon bevindt die bijstand behoeft’ moet worden begrepen de gemeente waar de betrokkene zijn gewone verblijfplaats heeft op het ogenblik dat de bijstand noodzakelijk is, tenzij er de noodzaak om hulp te verstrekken urgent is; Overwegende dat bijgevolg, behoudens de uitzonderingen bepaald bij het artikel 2 van de wet van 2 april 1965, enkel de plaats waar de behoeftige gewoonlijk verblijft in aanmerking komt om te bepalen welk het bevoegd centrum is; dat het toevallig of opzettelijk verblijf alleen aanleiding zal geven tot de tussenkomst van het centrum van dit grondgebied in zover het een zeer dringend geval betreft; Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat het O.C.M.W. dat bevoegd is tot dienstverlening, het O.C.M.W. is ‘van de gemeente op wier grondgebied de behoeftige ten tijde van de steunvraag gewoonlijk verblijft of in geval van IX-1545-4/13 dringende hulp zich toevallig of intentioneel ophoudt’; dat deze regel ook geldt ten aanzien van de vereffening van een ziekenhuisrekening; dat na het ontslag uit het ziekenhuis daarvoor enkel het O.C.M.W. van de plaats waar men gewoonlijk verblijft, kan aangesproken worden; dat bijgevolg enkel tijdens de verplegingsperiode en voorzover de hulp van een O.C.M.W. dringend nodig is, de betrokkene zich ook kan richten tot het O.C.M.W. van de plaats waar hij verzorgd wordt (toevallig verblijf); Overwegende dat zodoende mevrouw K. De Brabandere zich als behoeftige in principe tot het O.C.M.W. van de gemeente waar zij haar gewoon verblijf heeft, moet richten, zijnde in casu het O.C.M.W. van Bierbeek; Overwegende dat betrokkene zich enkel kon richten tot het O.C.M.W. van Leuven, waar het ziekenhuis gelegen is, indien dit O.C.M.W. van Leuven dringende steun diende te verlenen; Overwegende dat mevrouw K. De Brabandere op 4 september 1995, 16 januari 1997 en 20 januari 1997 weliswaar dringend werd opgenomen/ambulant verzorgd in de Universitaire Ziekenhuizen St.-Pieter en Gasthuisberg te Leuven; dat het O.C.M.W. van Leuven haar evenwel ingevolge deze dringende opnamen en ambulante verzorging geen dringende steun heeft verleend; dat de dringende hulp (medische verzorging) effectief werd verleend door de Universitaire Ziekenhuizen, zonder enige dringende steunverlening van het O.C.M.W. van Leuven; Overwegende immers dat het tijdsverloop tussen de opnamen van mevrouw K. De Brabandere in het ziekenhuis, de facturaties door het ziekenhuis en de betaling van de facturen, duidelijk aantoont dat het O.C.M.W. van Leuven in geen enkel geval dringend steun heeft moeten verlenen [Opname : Facturatie Betaling van 04.09 tot 08.09.95 17.01.96 07.03.96 van 20.01 tot 08.03.97 23.04.97 22.12.97]; Overwegende bovendien dat uit de door mevrouw K. De Brabandere ondertekende attesten waarbij zij verklaart ‘de onkosten veroorzaakt door haar verblijf in de Academische Ziekenhuizen niet te kunnen vereffenen’ en om die reden de voormelde instelling verzoekt een beroep te doen op een tussenkomst van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, duidelijk blijkt dat het een vraag om -niet dringende- financiële steun betrof; Overwegende dat het betalen van ziekenhuisrekeningen zeker niet als het verlenen van dringende steun beschouwd kan worden doch wel als een gewone dienstverlening gezien dient te worden; dat voor gewone niet dringende financiële hulp de belanghebbende zich enkel tot het O.C.M.W. van de plaats waar hij gewoonlijk verblijft kan wenden (zie o.m. arrest R.v.St. nr. 39.095 van 30 maart 1992); Gelet op het antwoord van de Staatssecretaris voor Leefmilieu en Maatschappelijke Emancipatie op de vraag van senator Van Daele d.d. 11 juni 1987 (Vragen en Antwoorden - Senaat - 21 juli 1987) waaruit blijkt dat de bepalingen van de artikelen 4 en 9 van de wet van 2 april 1965 niet van toepassing zijn op de betrekkingen tussen het bevoegd steunverlenend centrum en het betrokken privé-ziekenhuis en het de (behoeftige) patiënt zelf of een gevolmachtigde is die een (steun)aanvraag moet richten aan het bevoegd IX-1545-5/13 steunverlenend centrum, zijnde dus het centrum van de plaats waar de behoeftige zijn gewoon verblijf heeft; Overwegende dat het O.C.M.W. van Leuven derhalve niet bevoegd was om als steunverlenend centrum op te treden en in casu dus buiten de perken van zijn wettelijke bevoegdheid handelde; Overwegende dat ten onrechte verleende steun niet teruggevorderd kan worden;”. 1.
  12. Het besluit van de bestendige deputatie wordt met een aangetekende brief van 13 oktober 1998 aan het OCMW van Leuven betekend. 1.
  13. Op 12 november 1998 stelt het OCMW van Leuven tegen dat besluit het thans voorliggende hoger beroep bij de Raad van State in. 2.1.
  14. Overwegende dat de verzoekende partij aanvoert, vooreerst dat krachtens artikel 1, 1/, van de wet van 2 april 1965 het toevallig of opzettelijk verblijf op het grondgebied van een gemeente aanleiding kan geven tot een tussenkomst van het OCMW van die gemeente indien het een zeer dringend geval betreft en dat uit de parlementaire voorbereiding van de bedoelde wet blijkt dat “(het vereiste van) de hoogdringendheid betrekking heeft op de opname en niet op de betaling van de kosten verbonden aan de opname”; dat zij betoogt dat uit de bij haar verzoekschrift gevoegde stukken blijkt dat de hospitalisaties van Kristine DE BRABANDERE die tot steunverlening aanleiding hebben gegeven, dringend waren; dat zij daarbij refereert aan het arrest nr. 39.095, van 30 maart 1992, van de Raad van State, naar luid waarvan de bevoegdheid ratione loci van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn in de regel moet worden beoordeeld op de dag van de steunaanvraag en de behoeftige tijdens de verplegingsperiode en voorzover de hulp dringend nodig is, zijn steunaanvraag kan richten aan het OCMW van de plaats waar hij wordt verzorgd; dat zij erop wijst dat Kristine DE BRABANDERE haar steunaanvragen telkens heeft geformuleerd toen zij in de Universitaire Ziekenhuizen te Leuven verbleef; Overwegende dat de verzoekende partij voorts laat gelden dat het krachtens artikel 1, 1/, van de wet van 2 april 1965 aan het steunverlenende OCMW IX-1545-6/13 toekomt om de behoeftigheid van de steunaanvrager te beoordelen en dat het OCMW van het onderstandsdomicilie de niet-behoeftigheid van de steunaanvrager niet mag voorwenden om de terugbetaling van de verleende steun te weigeren, maar dat het alleen de hoogdringendheid van de tussenkomst van het steunverlenende centrum kan betwisten; dat zij nog opmerkt dat zij tot twee keer toe, op basis van een sociaal verslag, tot de vaststelling is gekomen dat Kristine DE BRABANDERE wel degelijk behoeftig was; dat volgens haar de verwerende partij haar bevoegdheid dan ook overschreden heeft door op basis van de vermeende niet-behoeftigheid van betrokkene de terugvordering van de verleende steun af te wijzen; dat zij voorts nog stelt dat de verwerende partij een dubbelzinnige houding heeft aangenomen door eensdeels aan te voeren dat Kristine DE BRABANDERE niet behoeftig was en anderdeels toch te stellen dat indien betrokkene hulp nodig had, zij zich tot haar en niet tot de verzoekende partij moest wenden en dat, indien de verwerende partij van oordeel was dat betrokkene niet behoeftig was, zij dan de aan de verzoekende partij terugbetaalde kosten van steunverlening kon terugvorderen van de onderhoudsplichtigen; dat zij besluit dat de bestendige deputatie ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet bevoegd was om de ziekenhuiskosten van Kristine DE BRABANDERE ten laste te nemen en vervolgens terug te vorderen van de verwerende partij; 2.1.
  15. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat krachtens artikel 1, 1/, van de wet van 2 april 1965 in principe het OCMW van de gemeente op wier grondgebied de behoeftige gewoonlijk verblijft, bevoegd is om steun te verlenen; dat volgens haar er in de onderhavige zaak geen gegronde reden was om af te wijken van de voormelde principiële regel : uit de gegevens van het dossier blijkt dat de facturering van de ziekenhuiskosten dateert van na de opname van Kristine DE BRABANDERE in het ziekenhuis; er diende aan betrokkene dan ook geen dringende steun te worden verleend, te meer daar het ziekenhuis de verstrekte zorgen niet afhankelijk heeft gemaakt van een dringende tussenkomst van een OCMW; dat de verwerende partij bovendien “in het algemeen” opwerpt dat de tussenkomst ingevolge een toestand van dringende noodzakelijkheid uit de eigen aard ervan dient beperkt te blijven, en dient op te houden zodra ingevolge de dringende hulp de IX-1545-7/13 toestand van dringende noodzakelijkheid is beëindigd; dat zij van oordeel is dat zijzelf bevoegd was om, als steunverlenend centrum, de steunaanvraag van Kristine DE BRABANDERE te onderzoeken en te beoordelen en dat het OCMW van Leuven niet gerechtigd is de steun die het met bevoegdheids-overschrijding heeft verleend van haar terug te vorderen; dat zij er nog op wijst dat bij navraag op het tweede registratiekantoor van Leuven is gebleken dat op 4 juni 1997 een akte tot aankoop van twee onroerende goederen op naam van Kristine DE BRABANDERE werd verleden; 2.1.
  16. Overwegende dat de verzoekende partij repliceert dat Kristine DE BRABANDERE haar steunaanvragen heeft geformuleerd op een ogenblik dat zij nog in de Universitaire Ziekenhuizen Leuven was opgenomen en zij zich derhalve op het grondgebied van de stad Leuven bevond en dat bovendien uit de overgelegde medische attesten blijkt dat de opnamen van betrokkene in het ziekenhuis dringend waren; dat zij daaruit afleidt dat zij wel degelijk bevoegd was om aan betrokkene steun te verlenen; dat zij herhaalt dat zij een sociaal onderzoek heeft ingesteld waaruit is gebleken dat betrokkene behoeftig was en dat het OCMW van het onderstandsdomicilie enkel de hoogdringendheid van de steunverlening kan betwisten, maar niet de staat van behoeftigheid van de steunaanvrager; 2.2.
  17. Overwegende dat artikel 1 van de meergenoemde wet van 2 april 1965 luidt als volgt : "Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder : 1/ ‘steunverlenend openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn’: het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente op wier grondgebied zich een persoon bevindt die bijstand behoeft, wiens staat van behoeftigheid door dit centrum erkend werd en aan wie zij steun verleent waarvan de aard en, zo nodig, het bedrag door haar beoordeeld en bepaald worden; 2/ ‘openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van het onderstandsdomicilie’: het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waar de betrokkene voor zijn hoofdverblijf ingeschreven is in het bevolkingsregister op het ogenblik waarop hij, al dan niet als behoeftige, behandeld wordt, met of zonder hospitalisatie, in een verplegingsinstelling. (...); IX-1545-8/13 3/ ‘verplegingsinstelling’: elke instelling of afdeling van een instelling waarin, met of zonder hospitalisatie, een diagnose wordt gesteld of een pathologische toestand wordt behandeld. Voor de toepassing van deze wet worden niet als verplegingsinstellingen beschouwd de psychiatrische ziekenhuizen, de psychiatrische verzorgingstehuizen, de initiatieven van beschut wonen ten behoeve van psychiatrische patiënten, de medisch-pedagogische instellingen, de instellingen voor doofstommen, blinden of gebrekkigen die lijden aan een zware ongeneeslijke aandoening, de kinderverblijven en de rustoorden voor bejaarden evenals de serviceflatgebouwen en de woningcomplexen met dienstverlening, voor zover deze voorzieningen als dusdanig door de bevoegde overheid erkend zijn.”; dat artikel 4 van dezelfde wet luidt : “Onverminderd de bepalingen betreffende het Speciaal Onderstandsfonds en het Fonds voor medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten, komen de kosten voor de behandeling, met of zonder hospitalisatie, van een behoeftige in een verplegingsinstelling ten laste van : 1/ het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van het onderstandsdomicilie; 2/ de Staat, wanneer het een behoeftige betreft die geen onderstands- domicilie heeft verworven.”; dat ten slotte artikel 9 van de wet bepaalt : “§
  18. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat, overeen- komstig artikel 4 of 5, gerechtigd is kosten van bijstand terug te vorderen, moet van de steunverlening kennis geven binnen vijfenveertig dagen, naargelang van het geval : 1/ hetzij aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waar de ondersteunde zijn onderstandsdomicilie heeft of geacht wordt te hebben; 2/ hetzij aan de Minister tot wiens bevoegdheid de openbare onderstand behoort. §
  19. De in § 1 bepaalde termijn gaat in de dag waarop het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de kennisgeving moet doen van het onderstandsdomicilie kennis heeft. §
  20. (...).”; 2.2.
  21. Overwegende dat telkens Kristine DE BRABANDERE werd opgenomen in de Universitaire Ziekenhuizen Sint-Pieter en Gasthuisberg te Leuven, verplegingsinstellingen in de zin van de wet van 2 april 1965, zij zich bevond op het grondgebied van de stad Leuven; dat daargelaten de vraag welke betekenis precies moet worden gehecht aan de woorden “zich bevindt” in artikel 1, 1/, van de wet, aangenomen wordt dat zij in hun letterlijke betekenis moeten worden opgevat wanneer de betrokken persoon dringend wordt opgenomen in een verplegingsinstelling welke op het grondgebied van die gemeente is gevestigd en bij IX-1545-9/13 de opname in die verplegingsinstelling of tijdens de duur van zijn verblijf aldaar nood heeft aan maatschappelijke steunverlening; dat het dus kan gaan om een louter toevallig of zelfs intentioneel vertoeven; dat in dat geval de steunaanvrager niet hoeft te worden doorverwezen naar het OCMW van de gemeente waar hij gewoonlijk verblijft, maar het OCMW van de gemeente waar de verplegingsinstelling is gevestigd dan bevoegd is om ten aanzien van de steunaanvrager op te treden als steunverlenend centrum, ongeacht of de verplegingsinstelling in kwestie een privé- inrichting is, dan wel een verplegingsinstelling van het OCMW of een verplegingsinstelling waarmee het OCMW een overeenkomst heeft gesloten; dat evenmin van belang is of de behoeftigheid van de steunaanvrager reeds bestond op het ogenblik van diens opname in het ziekenhuis, dan wel pas is gebleken tijdens de verplegingsperiode, noch of de opname van de betrokkene in het ziekenhuis al dan niet door toedoen van het OCMW is gebeurd; 2.2.
  22. Overwegende dat de verwerende partij niet betwist en niet kan betwisten het OCMW van het onderstandsdomicilie te zijn, nu Kristine DE BRABANDERE in het bevolkingsregister van Bierbeek was ingeschreven; dat zij echter zowel het bestaan van de hoogdringendheid van de steunverlening als het zich bevinden op het grondgebied van Leuven toen de steunaanvraag werd ingediend betwist; 2.2.
  23. Overwegende dat, zoals vermeld, Kristine DE BRABANDERE zich op het grondgebied van de stad Leuven bevond toen zij in een ziekenhuis werd opgenomen; dat blijkens de voorgelegde medische getuigschriften die bij het verzoekschrift zijn gevoegd de opnamen van Kristine DE BRABANDERE in de Universitaire Ziekenhuizen Leuven van 4 tot 8 september 1995, op 16 januari 1997 en van 20 januari 1997 tot 8 maart 1997 “dringend”waren; dat voornoemde tijdens haar dringende verblijven in het ziekenhuis te kennen heeft gegeven dat zij nood had aan maatschappelijke steunverlening; dat zij zich dan nog steeds op het grondgebied van de stad Leuven bevond; dat derhalve op dat moment het OCMW van Leuven bevoegd was om de vraag tot steunverlening te onderzoeken; dat de omstandigheid dat het dat onderzoek pas verricht heeft en dienaangaande een IX-1545-10/13 beslissing genomen heeft toen Kristine DE BRABANDERE reeds het ziekenhuis verlaten had daaraan geen afbreuk doet; dat daar anders over oordelen immers zou betekenen dat het betrokken OCMW of ziekenhuis steeds een onderzoek moet gaan uitvoeren naar de juiste woon- of verblijfplaats van de steunaanvrager, wat in geval van dringende opname niet zijn taak is; dat de bevoegdheid om steun te verlenen uiteraard ook niet moet worden beoordeeld op het moment dat het bedrag van de inmiddels verleende steun wordt teruggevorderd; dat de verzoekende partij vrijwel enkel nog kon oordelen of zij steun diende te verlenen; dat of die steunverlening dringend nodig was immers in grote mate bepaald werd door de dringendheid van de opname, welke beoordeeld wordt door de bevoegde medici; dat uit de stukken van het dossier ook blijkt dat de verzoekende partij een onderzoek heeft gewijd aan de toestand van Kristine DE BRABANDERE en de nodige gegevens heeft verzameld die dienstig zijn ter verantwoording van haar oordeel dat betrokkene behoeftig was en steun nodig had; dat de wet aan de verwerende partij als centrum van het onderstandsdomicilie van Kristine DE BRABANDERE niet toelaat haar oordeel over de staat van behoeftigheid van betrokkene in de plaats te stellen van dat van het steunverlenend centrum; 2.2.
  24. Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat de verzoekende partij bevoegd was om de noodzaak van steunverlening aan Kristine DE BRABANDERE naar aanleiding van haar verblijf in de Universitaire Ziekenhuizen Leuven van 4 tot 8 september 1995, op 16 januari 1997 en van 20 januari 1997 tot 8 maart 1997 te beoordelen; dat aangezien bovendien blijkt dat de verzoekende partij zich ook heeft gevoegd naar de voorschriften van de artikelen 9 en 12 van de wet van 2 april 1965 met betrekking tot de terugvordering van de verleende steun, de verwerende partij als OCMW van het onderstandsdomicilie van Kristine DE BRABANDERE ertoe is gehouden de verleende steun terug te betalen, IX-1545-11/13 BESLUIT: Artikel
  25. Vernietigd wordt het besluit van 1 oktober 1998 waarbij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Leuven weigert de terugvordering toe te staan jegens het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Bierbeek van de door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Leuven uitgekeerde steunverlening met betrekking tot de hospitalisatie van Kristine DE BRABANDERE. Artikel
  26. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Bierbeek is ertoe gehouden aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Leuven de kosten terug te betalen van de dringende opnamen van Kristine DE BRABANDERE in de Universitaire Ziekenhuizen Leuven van 4 tot 8 september 1995, op 16 januari 1997 en van 20 januari 1997 tot 8 maart 1997, ten bedrage van 52.477 frank en 16.176 frank, thans 1.701,86 euro, vermeerderd met de wettelijke intresten overeenkomstig artikel 13 van de wet van 2 april
  27. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes september 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : IX-1545-12/13 de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-1545-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.584 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.