← België

Arrest 134641 - - 07/09/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.641 Rolnummer: A. 132157/XIV-13565 Zaak: Arrest 134641 - - 07/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-04 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 08:47 Fiche Arrest nr 134.641 van 7 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.641 van 7 september 2004 in de zaak A. 132.157/XIV-13.

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX die woonplaats kiezen bij advocaat P. BETZ, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Amerikalei 31 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- - DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, van XXX nationaliteit, op 22 januari 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 23 december 2002 tot bevestiging van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 10 oktober 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op 23 december 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 30 januari 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 9 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 maart 2004; XIV-13.565-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. BETZ, die verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de verzoekende partijen België binnenkomen op 9 juni 2002 en zich allebei vluchteling verklaren op 2 september 2002; dat op 10 oktober 2002 de minister van Binnenlandse Zaken telkens beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 23 december 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissingen zijn; 2.1.
  5. Overwegende dat de verzoekende partijen een eerste middel aanvoeren dat luidt als volgt: “Betreffende de vermeende laattijdigheid Middel: schending van de motiveringsplicht en schending van het zorgvuldigheidsbeginsel Het feit dat tussen de aankomst van verzoekers in België op 9 juni 2002 en de asielaanvraag op 2 september 2002 meer dan acht dagen verlopen zijn kan eenvoudig worden verklaard.
  6. Onwetendheid Door het feit dat verzoekers niet op de hoogte waren van de Belgische wetgeving terzake, was de termijn van acht dagen al snel verlopen. Immers eerste verzoeker en zijn echtgenote, wiens leven werd bedreigd, had enkel de bedoeling zijn land te ontvluchten en was bij zijn aankomst in België begrijpelijkerwijze niet onmiddellijk begaan met het vervullen van allerlei formaliteiten. "Vluchten en overleven" was hun primaire bekommernis. Bovendien was zijn vrouw zwanger en hadden verzoekers in eerste instantie nog voldoende financiële middelen om niet onmiddellijk een beroep te moeten doen op de overheidsinstanties; Enkel de onwetendheid maakt reed een geldige verantwoording uit
  7. Artikel 6 van de Vreemdelingenwet Verzoekers kwamen het land binnen in het bezit van een geldig paspoort. De inschrijving bij het gemeentebestuur opgelegd door art. 5 Vreemdelingenwet, is een louter administratieve controlemaatregel, die geen invloed heeft op de wettigheid van de binnenkomst en het verblijf. De niet-naleving van die verplichting tast dan ook in termen van art. 50-51 Vreemdelingenwet de geldigheid niet aan van een verzoek tot erkenning als vluchteling, ingediend door een vreemdeling meer dan 15 dagen na zijn binnenkomst, maar voor het verstrijken van de periode van regelmatig verblijf, gedekt door een geldig paspoort (art. 6 Vreemdelingenwet). (Commissie van Advies Vreemdelingen 23 november 1983, T. Vreemd. 1985, 131.) Verzoekers dienden hun asielaanvraag in vóór het verstrijken van de periode van regelmatig verblijf, gedekt door een geldig paspoort;
  8. Overmacht Er zijn daarenboven eveneens medische omstandigheden die in casu meespeelden. XIV-13.565-2/5 Tweede verzoekster was immers hoog zwanger;
  9. Besluit Het bovenstaande in acht genomen, had de dienst vreemdelingenzaken en het Commissariaat Generaal niet anders kunnen besluiten dat verzoekers een aanvaardbare uitleg verschaften voor de vertraging in hun aanvraag.”; 2.1.
  10. Overwegende dat de verzoekende partijen België zijn binnengekomen op 9 juni 2002 en zich vluchteling hebben verklaard op 2 september 2002, zijnde meer dan twee en een halve maand te laat; dat de onwetendheid omtrent de Belgische asielwetgeving, de zwangerschap van de tweede verzoekende partij en het gegeven dat zij nog over “voldoende financiële middelen” beschikten deze laattijdigheid niet verantwoordt, aangezien op de kandidaat-vluchteling immers de plicht rust om bij aankomst in België onmiddellijk de bescherming van de Belgische overheid te vragen; dat het feit dat de verzoekende partijen de asielaanvraag hebben ingediend in een periode van wettig verblijf, gedekt door een geldig paspoort, niet wegneemt dat die aanvraag binnen de termijn van acht werkdagen na binnenkomst moet worden ingediend, zoals bepaald in artikel 51, eerste lid, van de Vreemdelingenwet; dat de rechtsleer die de verzoekende partijen in dit verband aanhalen dateert van 1985, dus van vóór de inwerkingtreding van de wetswijziging van 15 juli 1996; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
  11. Overwegende dat de verzoekende partijen een tweede middel aanvoeren dat luidt als volgt: “Betreffende de vermeende kennelijke ongegrondheid Middel: schending van de motiveringsplicht en schending van het zorgvuldigheidsbeginsel Verzoekers gaven een coherent verhaal, zonder tegenstrijdigheden, en met vermelding van, talrijke details, zodat aan de oprechtheid van hun verhaal niet getwijfeld kan worden, het Commissariaat generaal dan ook niet doet; Eerste verzoeker noemt de betrokken personen met naam en voornaam Het Commissariaat stelt echter dat het verhaal als dusdanig niet gekwalificeerd kan worden dat het onder de toepassing van artikel 1 A van het verdrag van Genève valt, zodat conform het artikel 52 van de wet van 15.12.1980 kan besloten worden tot een kennelijke ongegrondheid; Niets is minder waar; Uit het relaas van verzoekers blijkt dat zij inderdaad niet in staat kunnen geacht worden de bescherming in te roepen van de autoriteiten, vermits de autoriteiten in casu eveneens de agressor waren; Toch steunt de commissaris generaal zijn beslissing op de motivering dat verzoekers zouden hebben nagelaten beroep te doen op de XXX autoriteiten ter verkrijging van bescherming. In hoofde van ver-zoekers komt dergelijke redenering bijzonder onlogisch over. Hoe kunnen ver-zoekers, mits enig gezond verstand, bescherming gaan zoeken bij de autoriteiten die net dezelfde zijn die hen achtervolgen en bedreigen; De agressor en de beschermer identificeren zich hier met elkaar; In alle redelijkheid had het Commissariaat generaal nooit toch deze beslissing mogen komen. Enige aandacht en inzonderheid een onderzoek naar de problematiek van verzoeker geschiedde niet. Ondanks de bovenstaande feiten, waarvan het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op de hoogte is, besluit het niettemin tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag van verzoekers; Uit de voorbereidende werkzaamheden van art. 52 van de Wet van 15 december 1980 blijkt immers dat het onderzoek naar de ontvankelijkheid van de aanvraag enkel deze XIV-13.565-3/5 aanvragen, die manifest bedrieglijk en ongegrond zijn, kunnen geweerd worden (Part. St., zitting 1986-1987, 68911, p.7, m.b.t. de Wet van 14 juli 1987); Dat inderdaad, de aanvragen onontvankelijk dienen verklaard te worden indien vastgesteld wordt dat de ingeroepen motieven volkomen vreemd zijn aan de criteria die voorzien zijn in de Conventie van Genève, zoals "om persoonlijke, familiale, economische of sociale moeilijkheden"; De motieven die verzoekster inroept, zijn allerminst volkomen vreemd aan de criteria van de Conventie; Verzoekers voeren aan dat de Commissaris-generaal niet doeltreffend geoordeeld heeft of de elementen welke door hen werden aangevoerd ernstige aanwijzingen vormden voor een gegronde vrees voor vervolgingen.”; 2.2.
  12. Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de eerste verzoekende partij op het commissariaat-generaal heeft verklaard dat zij met niemand anders dan met T. en G. problemen kende en dat zij niet werd gezocht door de XXX autoriteiten; dat dit motief steun vindt in het administratief dossier; dat de verzoekende partijen met een algemene bevestiging van hun standpunt dat zij geen bescherming konden inroepen van de XXX autoriteiten, niet aannemelijk maken dat de commissaris-generaal de bestreden beslissingen op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het tweede middel ongegrond is;
  13. Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  14. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. XIV-13.565-4/5 Artikel
  15. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven september tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-13.565-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.641 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.