id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.727 Rolnummer: A. 155245/XIV-20512 Zaak: Arrest 134727 - - 08/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-09-13 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 08:49 Fiche Arrest nr 134.727 van 8 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.727 van 8 september 2004 in de zaak A. 155.245/XIV-20.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat K. SALLET, kantoor houdende te 1040 BRUSSEL, Nijverheidsstraat 26-38 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 7 december 1958 en van XXX nationaliteit, op 31 augustus 2004 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijk- heid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 12 augustus 2004, houdende de onontvankelijk- heidsverklaring van een aanvraag om machtiging tot verblijf, op basis van artikel 9, § 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van 26 augustus 2004 van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken, beide beslissingen aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 26 augustus 2004; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 2 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 8 september 2004 om 10.45 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-20.512-1/3 Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. SALLET, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat, wat de eerste voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, uit het administratief dossier blijkt dat de eerste bestreden beslissing van 12 augustus 2004 op 26 augustus 2004 aan verzoekster ter kennis werd gebracht; dat tevens blijkt dat de tweede bestreden beslissing van 26 augustus 2004 op dezelfde datum aan verzoekster werd ter kennis gebracht en dat verzoekster haar verzoekschrift bij uiterst dringende noodzakelijkheid pas indiende op 31 augustus 2004, zijnde de dag waarop zij uiterlijk het grondgebied van het Rijk diende te verlaten; dat niet wordt betwist dat verzoekster woont op een vast adres in A. en dat volgens de brief van de Dienst Vreemdelingenzaken van 2 september 2004 ten aanzien van verzoekster nog geen uitvoeringsmaatregel werd genomen; dat verzoekster niet alert en diligent heeft gehandeld en een oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, zodat niet is voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2; dat deze vaststelling volstaat om de ingestelde vordering af te wijzen, XIV-20.512-2/3 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht september tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. Kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-20.512-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.727 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.