← België

Arrest 134851 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/09/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.851 Rolnummer: A. 155308/X-12031 Zaak: Arrest 134851 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-09-14 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-04 08:52 Fiche Arrest nr 134.851 van 10 september 2004 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.851 van 10 september 2004 in de zaak A. 155.308/X-12.

  1. In zake :
  2. Robert FRANS,
  3. Emiel KIEBOOMS, die woonplaats kiezen bij Advocaat G. JACOBS, kantoor houdende te 1140 BRUSSEL, Gemeenschappenlaan 2 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat Ph. DECLERCQ, kantoor houdende te 3010 LEUVEN (KESSEL-LO), Tiensesteenweg
  4. tussenkomende partij : het Commissariaat-generaal voor de Bevordering van de Lichamelijke Ontwikkeling, de Sport en de Openluchtrecreatie (BLOSO), dat woonplaats kiest bij Advocaat K. RONSE, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 149, bus
  5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Robert FRANS en Emiel KIEBOOMS op 3 september 2004 hebben ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 23 augustus 2004 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar waarbij aan het BLOSO de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor de gedeeltelijke omgevingsaanleg van het BLOSO-domein op een perceel gelegen te Zemst, Tervuursesteenweg, kadastraal bekend Sectie B, 2/ blad; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 3 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 september 2004; X-12.031-1/6 Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat G. JACOBS, die verschijnt voor verzoekers, van Advocaat Ph. DECLERCQ, die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaten K. RONSE en V. PETITAT, die verschijnen voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat het Commissariaat-generaal voor de Bevordering van de Lichamelijke Ontwikkeling, de Sport en de Openluchtrecreatie (BLOSO) met een ter terechtzitting neergelegd verzoekschrift heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat, gelet op het zeer uitzonderlijk en zeer ongewoon karakter van de uiterst dringende procedure tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een administratieve rechtshandeling waarin de wet voorziet, en op de ernstige stoornis die zij in het normaal verloop van de rechtspleging voor de Raad van State teweegbrengt, waarbij de rechten van verdediging van de verwerende partijen en eventueel tussenkomende partijen tot een strikt minimum zijn herleid, de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering duidelijk moet worden aangetoond; dat om te voldoen aan die voorwaarde, feiten en gegevens dienen te worden aangebracht die direct aannemelijk maken dat de gevraagde schorsing, wil zij enig nuttig effect sorteren, onmiddellijk moet worden bevolen, en dat, mocht de vordering worden onderzocht volgens de gewone procedureregeling X-12.031-2/6 inzake schorsing, de schorsing onmiskenbaar te laat zou komen omdat het nadeel dat ernstig wordt genoemd, reeds gerealiseerd zou zijn en niet meer, of alleszins zeer moeilijk nog hersteld zou kunnen worden, met name zo moeilijk als in het geval dat de tenuitvoerlegging van de bestreden akte niet wordt geschorst; Overwegende dat krachtens artikel 8, tweede lid, 6 /, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State de vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid een uiteenzetting moet bevatten van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen; dat de verzoekende partijen ter zake uiteenzetten dat ze er mochten van uitgaan dat na het op 13 augustus 2004 uitgesproken schorsingsarrest van een eerder door hen aangevochten beslissing van 16 februari 2004, de werken zouden worden stilgelegd in afwachting van een uitspraak over het verzoek tot nietigverklaring, dat door nauwelijks tien dagen na de datum van het schorsingsarrest reeds een nieuwe stedenbouwkundige vergunning te verlenen ter vervanging van de vorige, de verzoekende partijen bijna voor voldongen feiten worden geplaatst, dat de werken intussen reeds goed gevorderd zijn maar nog niet beëindigd zijn, dat gelet op de voor hen onverwachte snelheid en gedrevenheid waarmee de werken worden uitgevoerd, het waarschijnlijk is dat thans een gewone schorsingsprocedure te laat zal komen en er dus, gelet op de gemiddelde duur waarbinnen een gewone schorsingsprocedure haar beslag krijgt, een reële kans is dat de werken beëindigd zullen zijn voordat de Raad zich kan uitspreken; dat voorts een bijkomend element de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid verantwoordt, m.n. dat indien de werken thans worden stilgelegd, er nog een redelijke kans bestaat dat de nog niet voltooide werken, evenals de nog niet aangevangen werken, herzien kunnen worden en het herstel daarvan in de oorspronkelijke toestand nog zou kunnen worden gevorderd of worden uitgevoerd, dat indien alle werken volledig zouden beëindigd zijn, er bij de bevoegde overheden veel minder of geen bereidheid meer zal bestaan om bepaalde werken te herzien, zij het over te gaan tot het herstel in de oorspronkelijke toestand; dat zij voorts betogen dat het hen niet ten kwade kan worden geduid dat ze naar aanleiding van een eerste stedenbouwkundige vergunning geen beroep hebben gedaan op de procedure van de uiterst dringende noodzakelijkheid en dat niets er zich tegen verzet dat een procedure houdende schorsing bij wege van uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingesteld, zelfs indien voordien slechts een gewone schorsingsprocedure werd ingeleid, dat ook het feit dat de werken reeds vergevorderd zijn niet kan inhouden dat zij geen belang meer zouden hebben bij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing; X-12.031-3/6 Overwegende dat de bestreden beslissing tot voorwerp heeft de "gedeeltelijke omgevingsaanleg van het BLOSO-domein (grond-, water-, wegenwerken & aanplantingen) op een domein met een oppervlakte van 160 ha" en dit op een perceel gelegen te Zemst, Tervuursesteenweg, kadastraal bekend Sectie B, 2de blad; dat luidens de bestreden vergunning de werken worden uitgevoerd in verschillende fases, m.n. fase 1 de aanleg van ringgrachten en centrale as tot aan de Fuutlaan, het plaatsen van bruggen en pompen; fase 2 de aanleg van een ringweg, parkings en bufferzone rand Trianonlaan; fase 3 de aanleg van sportvelden en evenementenweide en fase 4 de aanleg van een speeltuin en park; dat tijdens de eerste fase het vroegere tracé van de op het domein aanwezige ringgrachten wordt hersteld en gedeeltelijk verplaatst; dat voorts voor "het uitvoeren van de geplande werken (...) bomen met een stamomtrek groter en kleiner dan 1 meter (moeten) worden gekapt en daar waar nodig vervangen"; dat uit de debatten is gebleken dat de bomen onderwijl gekapt zijn en dat de werken zich in de eerste fase bevinden; dat inzonderheid niet blijkt dat met de andere fases reeds een aanvang is genomen; Overwegende dat de verzoekende partijen hun nadeel situeren op het vlak van de verandering van het uitzicht dat ze genieten - door het kappen van de ongeveer 1050 bomen en ingevolge de aanleg van een "verbindingsweg" - , de hinder die ten gevolge van de geplande uitbreiding met nieuwe recreatieve activiteiten zal ontstaan, het verlies van een door de omwonenden gewaardeerde ecologische leefomgeving en het moeten wijken van rustige wandelpaden voor een recreatieve structuur; dat het nadeel betrokken op het verlies aan uitzicht ingevolge het kappen van de bomen - dat zich in de eerste fase situeerde - zich thans reeds volkomen lijkt te hebben gerealiseerd zodat dit de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering niet meer kan verantwoorden; dat wat de overige aangevoerde nadelen betreft, de verzoekende partijen in hun uiteenzetting betreffende de uiterst dringende noodzakelijkheid geen concrete en precieze gegevens bijbrengen die aannemelijk maken dat de vergunde werken, gelet op de aard en de omvang ervan en de uitvoering in vier fases, reeds in die mate zouden zijn uitgevoerd c.q. voltooid dat een schorsing volgens de gewone procedure onmiskenbaar te laat zou komen en dat de door de verzoekende partijen aangevoerde nadelen die zij ernstig noemen reeds zouden zijn gerealiseerd derwijze dat ze niet meer, of alleszins zeer moeilijk, nog hersteld zouden kunnen worden; dat een loutere bewering dat het waarschijnlijk is dat thans een gewone schorsingsprocedure te laat zal komen, te dezen niet volstaat; dat tot slot het feit dat bij een eventueel schorsingsarrest bij uiterst dringende noodzakelijkheid er nog een redelijke kans bestaat dat de nog niet voltooide en nog X-12.031-4/6 niet aangevatte werken zouden herzien kunnen worden, op zich de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering evenmin afdoende verantwoordt; dat er anders over oordelen ertoe zou leiden dat elke vordering tot schorsing uiterst dringend zou zijn, hetgeen de negatie zou zijn van het uitzonderlijke karakter van deze procedure; Overwegende dat niet is voldaan aan de eerste door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het bestreden besluit te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  6. Het verzoek tot tussenkomst van het Commissariaat-generaal voor de Bevordering van de Lichamelijke Ontwikkeling, de Sport en de Openluchtrecreatie (BLOSO) in de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingewilligd. Artikel
  7. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  8. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien september 2004, door : X-12.031-5/6 de H. G. DEBERSAQUES, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. G. DEBERSAQUES. X-12.031-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.851 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.688 ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.763 ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.463 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.