← België

Arrest 134856 - - 14/09/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.856 Rolnummer: A. 116328/IX-3205 Zaak: Arrest 134856 - - 14/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-09-28 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 08:53 Fiche Arrest nr 134.856 van 14 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.856 van 14 september 2004 in de zaak A. 116.328/IX-

  1. In zake : Jacqueline BESSEMANS, wonende te SINT-TRUIDEN, Zegestraat 10 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jacqueline BESSEMANS op 14 december 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de haar op 18 oktober 2001 ter kennis gebrachte beslissing van 13 augustus 2001 van de minister van Landsverdediging waarbij haar aanvraag tot afwezigheid om gezondheidsredenen gedurende 36 maanden wordt afgewezen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur R. AERTGEERTS; Gelet op de beschikking van 18 september 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de gewisselde laatste memorie van verzoekster, die tevens het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging bevat; IX-3205-1/7 Gelet op de beschikking van 17 juni 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 september 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van majoor militair-administrateur A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. AERTGEERTS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat verzoekster op 31 december 1981 opgenomen is in het kader van de beroepsvrijwilligers van de Krijgsmacht en dat zij op 26 september 1997 benoemd is in de graad van eerste korporaal-chef; dat zij op 12 maart 2001 de wens uitgedrukt heeft om, in toepassing van het koninklijk besluit van 23 maart 1989 betreffende de afwezigheid om gezondheidsredenen van de militairen van het actief kader, gedurende 36 maanden afwezig te mogen zijn in plaats van 24 maanden in de gewone regeling; dat met het bestreden besluit, getroffen op 13 augustus 2001, de minister van Landsverdediging de aanvraag van verzoekster geweigerd heeft om reden dat zij “niet voldoet aan de reglementaire voorwaarden”; dat de ministeriële beslissing met een nota van 16 augustus 2001 ter kennis gebracht is van de korpscommandant van verzoekster; dat die nota verwijst naar artikel 5, § 2, van het koninklijk besluit van 23 maart 1989 en naar de omstandigheid dat “volgens de analyse van het medisch dossier uitgevoerd door de medische dienst, de aanvraag aan geen van de 3 criteria vermeld in hoger geciteerd KB beantwoordt” en dat er ook in wordt vermeld dat tegen het besluit een annulatieberoep kan worden ingediend; IX-3205-2/7 Overwegende dat verzoekster erkent dat de nota van 16 augustus 2001 haar op 18 oktober 2001 ter kennis gebracht is; 2.
  3. Overwegende dat de verwerende partij aanvoert dat het beroep laattijdig ingesteld is, doordat verzoekster erkent dat de ministeriële beslissing van 13 augustus 2001 haar met een aangetekend schrijven van 18 oktober 2001 ter kennis gebracht is -wat volgens haar betekent dat de beroepstermijn afliep op 17 december 2001-, terwijl het verzoekschrift, dat zij van de griffie van de Raad van State heeft ontvangen, pas op 5 februari 2002 bij de Raad van State geregistreerd is; 2.
  4. Overwegende dat verzoekster daar in haar memorie van wederantwoord op repliceert dat zij op 14 december 2001 -dus binnen de beroepstermijn- een verzoekschrift heeft ingediend, maar dat de griffie van de Raad van State haar met een brief van 19 december 2001 heeft medegedeeld dat dit verzoekschrift niet voldeed aan de reglementair bepaalde ontvankelijkheidsvoor- waarden, welke zij alsnog diende te vervullen "indien zij de bedoeling had de effectieve vernietiging te vorderen van de (bestreden) beslissing" en dat zij binnen de daarop volgende zestig dagen een nieuw verzoekschrift heeft ingediend dat voldeed aan de reglementaire voorwaarden; dat zij “in ondergeschikte orde” zich ook beroept op overmacht doordat zij “meermaals verbleef in het psychiatrisch centrum Ziekeren te Sint-Truiden”, hetgeen in haar geval, waarin zij de aangetekende brief van 18 oktober 2001 in ontvangst heeft kunnen nemen, “een verlenging van de beroeps- termijn tot gevolg heeft”; Overwegende dat verzoekster daar in haar laatste memorie nog aan toevoegt dat de brief, die zij van de griffie van de Raad van State ontving buiten de beroepstermijn, klaar en duidelijk liet veronderstellen dat zij alsnog het nodige kon doen om een geldig verzoekschrift in te dienen, aangezien er verwezen wordt naar “de bedoeling de effectieve vernietiging te vorderen van de hoger vermelde beslissing”; dat zij voorts betoogt dat de Raad van State haar met die brief van 19 december 2001 de mogelijkheid geboden heeft om alsnog te voldoen aan de eisen IX-3205-3/7 van het procedurereglement, zonder daarbij te verwijzen naar “de termijnen welke dienden gerespecteerd te worden”; 2.3.
  5. Overwegende dat verzoekster met een aangetekende brief van 14 december 2001 -het eerste beroep- aan de Raad van State heeft gevraagd : “betreft: Beroep tot nietigverklaring van de beslissing mij betekend op 18/10/2001 betreffende de weigering van mijn aanvraag tot 36 maanden afwezigheid om gezondheidsredenen. (...) Met dit schrijven wens ik een beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen in bijlage gevoegde beslissing van de minister van Landsverdediging en dit op grond van ar. 5, § 2 van het Koninklijk Besluit van 23 maart 1989 (...) betreffende de afwezigheid om gezondheidsredenen van de militairen van het actief kader van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst alsmede van de officieren, militaire aalmoezeniers en onderofficieren van het reservekader, in dienst.”; Overwegende dat de hoofdgriffier van de Raad van State op 19 december 2001 aan verzoekster heeft medegedeeld wat volgt : "Ik heb de eer U de ontvangst te melden van uw brief van 14 december 2001 houdende uw 'beroep tot vernietiging' van een beslissing van 18 oktober 2001 van de Minister van de Landsverdediging waarbij uw aanvraag tot 36 maanden afwezigheid wegens gezondheidsredenen wordt geweigerd. Bedoelde brief voldoet evenwel niet aan de voorwaarden gesteld bij de wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 12 januari 1973 en bij de procedureregeling. Bovendien meen ik U erop te moeten wijzen dat de Raad van State een rechtscollege is en slechts kan optreden binnen de perken van zijn bevoegdheid zoals deze is omschreven in de artikelen 7 tot 18 van voormelde wetten. Indien het uw bedoeling is om de effectieve vernietiging te vorderen van hogervermelde beslissing dient U voormelde wetsbepalingen en de voorschriften van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State in acht te nemen (met ingang van 1 april 1997 gewijzigd bij koninklijk besluit van 17 februari 1997 - Belgisch Staatsblad van 27 februari 1997). Eventueel kan U bij een raadsman inlichtingen inwinnen omtrent de wijze waarop uw belangen of rechten best beschermd kunnen worden en waarbij U, indien U dit wenst, woonstkeuze kunt doen. Met het oog op alle mogelijkheden voeg ik hierbij de tekst der bijzonderste wets- en reglementsbepalingen betreffende het indienen van een eventuele vordering bij de Raad van State."; IX-3205-4/7 Overwegende dat verzoekster vervolgens, in antwoord op het schrijven van de hoofdgriffier, met een op 4 februari 2002 ter post aangetekende brief een volledig nieuw verzoekschrift heeft ingediend; dat zij daarin, wat de ontvankelijk- heid betreft, verwijst naar de brief van 19 december 2001 waarin haar was medegedeeld dat zij, om een geldig verzoekschrift in te dienen, de reglementaire voorschriften moest naleven maar zonder dat daarin “bijkomende termijnvoorwaar- den gesteld (werden)”; dat, in tegenstelling met het eerste verzoekschrift, dit nieuw verzoekschrift gezegeld is en een uiteenzetting bevat van de feiten en van de middelen; dat in de optiek van verzoekster dit laatste verzoekschrift haar vordering van 14 december 2001 vervangen heeft en dat zij dat nog tijdig heeft kunnen doen omdat de Raad van State haar in de gelegenheid heeft gesteld om een geldig verzoekschrift in te dienen zonder daar bijkomende termijnvoorwaarden aan te koppelen; 2.3.
  6. Overwegende dat buiten betwisting staat dat het verzoekschrift van 14 december 2001 ingediend is binnen de zestig dagen volgend op de kennisneming van het bestreden besluit zodat die vordering, wat het louter temporeel aspect betreft, ontvankelijk was; dat evenwel, aangezien er geen rechten zijn voor betaald en het verzoekschrift ook geen uiteenzetting bevat van de feiten of de middelen die een vernietiging kunnen verantwoorden, dit beroep in ieder geval ratione materiae niet ontvankelijk is; 2.3.
  7. Overwegende dat het verzoekschrift van 4 februari 2002 niet binnen de reglementair bepaalde beroepstermijn ingediend is; 2.3.3.
  8. Overwegende dat verzoekster argumenteert dat het beroep toch ontvankelijk is, aangezien de beroepstermijn slechts ingegaan is bij de ontvangst van het bericht van 19 december 2001 van de hoofdgriffier van de Raad van State; 2.3.3.
  9. Overwegende dat de termijn voor het indienen van een annulatie- beroep door artikel 4, derde lid, van het algemeen procedurereglement voor gevallen als het onderhavige, waarin de bestreden beslissing aan verzoekster betekend moest IX-3205-5/7 worden, vastgesteld is op zestig dagen na de kennisgeving; dat de hoofdgriffier van de Raad van State niet bevoegd is om de tijdigheid van verzoekschriften die bij de Raad van State inkomen of andere substantiële vormvoorschriften te beoordelen en om desgevallend aan een verzoeker een nieuwe termijn te verlenen om een nieuw annulatieberoep in te dienen; dat niets hem belet aan de verzoekers inlichtingen te verschaffen over de wijze waarop verzoekschriften rechtsgeldig worden ingediend, maar dat die inlichtingen geen rechten genereren; Overwegende dat in dit geval de hoofdgriffier aan verzoekster medegedeeld heeft op welke wijze zij rechtsgeldig een annulatieberoep kon indienen; dat die inlichtingen verzoekster toelieten uit te maken of zij haar eerder ingediend verzoekschrift misschien nog kon regulariseren of aanvullen, maar dat zij in geen geval kunnen worden gezien als de vaststelling, ook niet impliciet, van het vertrekpunt van een nieuwe beroepstermijn; 2.3.3.
  10. Overwegende dat verzoekster subsidiair verwijst naar het bestaan van overmacht doordat zij wegens hospitalisatie het beroep niet binnen de oorspronk- elijke beroepstermijn heeft kunnen indienen; dat zij -daargelaten de vaststelling dat ter zake geen enkel bewijsgegeven wordt voorgelegd- daarmee evenwel niet bewijst dat het haar volstrekt onmogelijk was om het verzoekschrift tijdig te verzenden; dat, integendeel, de omstandigheid dat zij het beroep van 14 december 2001 heeft ingediend, aantoont dat zij bij machte was om tijdig een verzoekschrift naar de Raad van State te verzenden; 2.3.3.
  11. Overwegende dat het verzoekschrift van 4 februari 2002 niet ontvankelijk is ratione temporis, BESLUIT: Artikel
  12. Het beroep wordt verworpen. IX-3205-6/7 Artikel
  13. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien september 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-3205-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.856 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.