← België

Arrest 134857 - - 14/09/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.857 Rolnummer: A. 88315/IX-2122 Zaak: Arrest 134857 - - 14/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-09-27 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 08:53 Fiche Arrest nr 134.857 van 14 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.857 van 14 september 2004 in de zaak A. 88.315/IX-

  1. In zake : Kim VAN DEUN, die woonplaats kiest bij advocaat G. VAN GRIEKEN, kantoor houdende te BRUSSEL, Vossendreef 4, bus 29 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Kim VAN DEUN op 7 december 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het ministerieel besluit van 28 september 1999 waarbij haar aanvraag tot verbreking van haar dienstneming als kandidaat-beroepsonderofficier wordt geweigerd evenals van “de beslissingen van onbekende data houdende opname in het actief kader van de beroepsonderofficieren en benoeming in haar graad, nl. sergeante”; Gelet op het arrest nr. 87.659 van 29 mei 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 20 juni 2001 door verzoekster; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; IX-2122-1/7 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur R. AERTGEERTS; Gelet op de beschikking van 29 juli 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoekster; Gelet op de beschikking van 17 juni 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 september 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van majoor militair-administrateur A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het behoudens wat de kosten betreft, eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. AERTGEERTS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  3. Op 23 augustus 1993 neemt verzoekster, geboren op 11 januari 1975, voor zes jaar dienst in de hoedanigheid van leerling van de intermachten- afdeling van de Koninklijke Kadettenschool. Op 21 augustus 1995 neemt zij dienst voor vijf jaar als kandidaat-beroepsonderofficier bij de luchtmacht. Op 26 maart 1996 wordt zij aangesteld in de graad van sergeant. IX-2122-2/7 1.
  4. Op 25 augustus 1999 vraagt verzoekster de verbreking van haar dienstneming als kandidaat-beroepsonderofficier. Zij wenst te vertrekken op 1 september
  5. Drie hiërarchische meerderen van verzoekster geven een gunstig advies. De Stafchef van de Luchtmacht adviseert evenwel ongunstig om volgende reden : "De LuM kan moeilijk aanvaarden dat een OOffr LuVerd C/1 het leger verlaat juist na 4 jaar vorming zonder iets te renderen". Ook de Chef van de Generale Staf geeft een ongunstig advies voor de verbreking van de dienstneming "gezien de uitzonderlijk slechte encadreringsitua- tie in deze categorie van jonge onderofficieren in de ambtengroep "Controle van de operaties en het luchtverkeer". 1.
  6. Op 28 september 1999 weigert de Minister van Landsverdediging de aanvraag tot de verbreking van de dienstneming ondertekend op 21 augustus 1995 in de hoedanigheid van kandidaat-beroepsonderofficier met de volgende motivering : "In rechte : KB van 13 Nov 91 (Reg A16-K25, Art 13 en Art 15, 1/) In feite : De dienstneming of wederdienstneming van de kandidaat die erom verzoekt, kan worden verbroken, tenzij dit in uitzonderlijke omstandigheden onmoge- lijk blijkt. Het bestaan van deze omstandigheden wordt vastgesteld door de Minister van Landsverdediging. De verbreking van de dienstneming of van de wederdienstneming wordt uitgesproken door de Minister van Landsverdediging indien het om een kandidaat-onderofficier gaat. Gezien het deficit in de categorie van jonge onderofficieren in de ambtengroep 'Controle van de operaties en het luchtverkeer' wordt uw aanvraag geweigerd". Dit is de eerste bestreden akte in onderhavige zaak. Zij wordt op 27 oktober 1999 ter kennis van verzoekster gebracht. IX-2122-3/7 1.
  7. Op 18 november 1999 verleent de Chef van de Generale Staf aan de korpscommandant verzoekster de toelating om haar te laten onderzoeken door een militair geneesheer teneinde een "model 5" op te stellen om te laten nagaan of zij nog medisch geschikt is voor de dienst. 1.
  8. Op 31 januari 2000 zendt de Minister van Landsverdediging de volgende brief aan verzoekster : "Sergeant, Op 25 augustus 1999 vroeg u de verbreking van uw dienstneming als KBOO. Op 28 september 1999 heb ik deze aanvraag geweigerd. U vecht deze beslissing aan voor de Raad van State (zaak G/A 88.315/IX-2122) waar u zich o.m. beklaagt over het feit dat u geen verweer heeft kunnen laten gelden t.a.v. het advies van de Stafchef van de Luchtmacht. Om die reden trek ik mijn beslissing van 28 september 1999 in. Indien u mij binnen de 14 dagen vanaf de ontvangst van onderhavig schrijven geen verweer- schrift toezendt ga ik er van uit dat u geen verweer wenst te laten gelden. In dat geval zal ik uw aanvraag tot verbreking van uw dienstaanwijzing opnieuw beoordelen zonder uw verweer. U kan de voormelde beslissingen bestrijden voor de Raad van State volgens de door u gekende procedure". 1.
  9. Bij ministerieel besluit nr. 80.843 van 2 februari 2000 wordt verzoekster benoemd in de graad van sergeant-beroepsonderofficier op 26 september 1999, met terugwerkende kracht wat anciënniteit betreft voor de bevordering in de graad op 26 september 1997, in de ambtengroep "controle van de operaties van het luchtverkeer". 1.
  10. Het besluitvormingsproces met betrekking tot de aanvraag van verzoekster van 25 augustus 1999 om de verbreking van haar dienstverbintenis te verkrijgen wordt hernomen met een verweerschrift van de raadsman van verzoekster tegen het negatief advies van de Stafchef van de Luchtmacht. Daarop volgt een nieuw ongunstig advies van de Chef van de Generale Staf. Uiteindelijk beslist de minister van Landsverdediging op 14 maart 2000 opnieuw de aanvraag van verzoekster tot verbreking van haar dienstverbintenis te weigeren om volgende reden : IX-2122-4/7 "(...) De dienstneming of wederdienstneming van de kandidaat die erom verzoekt, kan worden verbroken, tenzij dit in uitzonderlijke omstandigheden onmogelijk blijkt. Het bestaan van deze omstandigheden wordt vastgesteld door de Minister van Landsverdediging. De verbreking van de dienstneming of van de wederdienstneming wordt uitgesproken door de Minister van Landsverdediging indien het om een kandi- daat-onderofficier gaat. Gezien de uitzonderlijk slechte encadreringssituatie, door het scherpe deficit in de categorie van jonge onderofficieren, in de ambtengroep 'Controle van de operaties en het luchtverkeer' wordt uw aanvraag geweigerd". 1.
  11. Op 10 april 2000 dient verzoekster een annulatieberoep in tegen het sub 1.
  12. vermeld ministerieel besluit waarbij zij tot sergeant-beroepsofficier wordt benoemd en tegen het sub 1.
  13. vermeld ministerieel besluit van 14 maart 2000 waarbij haar verbrekingsaanvraag opnieuw geweigerd wordt. Dat beroep wordt bij arrest nr. 99.541 van 8 oktober 2001 verworpen omdat verzoekster na de verwerping van de vordering tot schorsing die zij tegen dezelfde besluiten had ingediend geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging heeft ingediend;
  14. Overwegende dat het ministerieel besluit van 28 september 1999 waarbij de aanvraag van verzoekster om de verbreking van haar dienstverbintenis te verkrijgen -het eerste voorwerp van het beroep- in de loop van de procedure ingetrokken is met het ministerieel besluit van 31 januari 2000; dat, wat dat betreft, het beroep geen voorwerp meer heeft; dat overigens het ministerieel besluit van 14 maart 2000, waarmee na heroverweging een tweede keer over de aanvraag van verzoekster beslist is, definitief geworden is door de verwerping, bij het arrest nr. 99.541 van 8 oktober 2001, van het door verzoekster ingediende annulatieberoep;
  15. Overwegende, wat het tweede voorwerp van het beroep betreft, dat verzoekster in de loop van het geding bij ministerieel besluit van 2 februari 2000 tot sergeant benoemd is; dat verzoekster niet aantoont en dat uit het dossier ook niet blijkt dat er voordien een beslissing bestond waaruit een opname in het actief kader IX-2122-5/7 van de beroepsonderofficieren blijkt; dat het beroep dan oorspronkelijk ook gericht was tegen een beslissing die op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift niet bestond; dat overigens het ministerieel besluit van 2 februari 2000, wegens het verwerpen van het annulatieberoep dat verzoekster ertegen had ingesteld -het arrest nr. 99.541 van 8 oktober 2001-, definitief de rechtstoestand van verzoekster geregeld heeft en zij dan ook geen enkel voordeel meer kan halen uit de vernietiging van beslissingen die daaraan voorafgaan; Overwegende dat het beroep niet ontvankelijk is; dat er, aangezien de onontvankelijkheid van het eerste voorwerp van het beroep het gevolg is van de intrekking van het bestreden besluit, reden is om de vraag van verzoekster om de kosten ten laste van de verwerende partij te leggen, in te willigen, BESLUIT: Artikel
  16. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  17. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-2122-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien september 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2122-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.857 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.87.659 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.