← België

Arrest 134858 - - 14/09/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.858 Rolnummer: A. 93245/IX-3548 Zaak: Arrest 134858 - - 14/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-09-27 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 08:53 Fiche Arrest nr 134.858 van 14 september 2004 - Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.858 van 14 september 2004 in de zaak A. 93.245/IX-

  1. In zake : Marc VERVAET, die woonplaats kiest bij advocaat A. NAVASARTIAN, kantoor houdende te BRUSSEL, Jenatzystraat 13 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij Rijkswacht Algemeen Commando DGP/DPSC, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc VERVAET op 4 juli 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 2 mei 2000 van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij hem de tuchtmaatregel van de tijdelijke ambtsontheffing door non-activiteit voor een periode van vijftien dagen wordt opgelegd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur R. AERTGEERTS; IX-3548-1/16 Gelet op de beschikking van 19 maart 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 7 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 september 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. NAVASARTIAN, die verschijnt voor verzoeker, en van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. AERTGEERTS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Op 27 juni 1979 wordt verzoeker, geboren op 21 maart 1959, opgenomen in de rijkswacht. Hij is sinds 4 augustus 1986 tewerkgesteld in de brigade Antwerpen. Op 26 september 1992 wordt hij benoemd in de graad van eerste wachtmeester. 1.
  5. Op 9 juni 1999 geeft de directeur personeel en logistiek van het district Antwerpen de opdracht een voorafgaand onderzoek uit te voeren met IX-3548-2/16 betrekking tot de uitzending van een televisieprogramma op 26 mei 1999 op VT4 met de titel "strippers", waarin verzoeker herkenbaar is. 1.3.
  6. Op 18 oktober 1999 stelt de directeur personeel en logistiek van het district Antwerpen ten laste van verzoeker een inleidend verslag op. In dit verslag wordt de volgende tenlastelegging geformuleerd : "Heeft, als lid van een brigade, niet met dienst bevolen : op 19 maart 1999, in een openbare drankgelegenheid, waar uw hoedanigheid als rijkswachter gekend is, met een stripteaseuse een strip-act uitgevoerd waarbij zij volledig uit de kleren ging en u enkel een string aanhield. De volledige strip- act werd daarbij, zonder enige vorm van oppositie of verzet van uwentwege, doch met uw medeweten gefilmd en op 26 mei 1999 op VT4 vertoond in het programma 'Strippers'. Dit gedrag is strijdig met de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, inzonderheid : art 132 dat stelt dat het personeelslid elke gedraging vermijdt, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die het vervullen van de ambtsplichten in de weg kan staan of met de waardigheid van het ambt strijdig is"; 1.3.
  7. Op 22 oktober 1999 zendt de directeur personeel en logistiek van de Groep Provincie Antwerpen het inleidend verslag aan verzoeker. Op 2 december 1999 wordt verzoeker verhoord door de directeur personeel en logistiek van de Groep Provincie Antwerpen, zijn korpscommandant. Deze formuleert de volgende tenlastelegging : "Heeft, als lid van een brigade, niet met dienst bevolen, op 19-03-1999 in een openbare drankgelegenheid in aanwezigheid van collega's en kennissen, actief deelgenomen aan een striptease-act waarbij de stripteaseuse volledig uit de kleren ging en hij enkel een string aanhield. Deze act werd, zonder enige vorm van oppositie of verzet van zijnentwege, doch met zijn medeweten volledig gefilmd en op 26-05-1999 op de televisiezender VT4 vertoond in het populaire programma 'Strippers', waardoor aan zijn optreden een grote ruchtbaarheid werd gegeven. Dit gedrag is in strijd met : C art 24/2, § 2, van de statutaire wet dat bepaalt dat de personeelsleden zich moeten gedragen naar de richtlijnen die in het belang van de dienst worden gegeven meer bepaald punt 1.b van de KN DPB/069 DK 670 van 15-03-1993 dat stelt dat elk personeelslid zijn houding en gedrag, zowel in de uitoefening van de dienst als daarbuiten, permanent moet afstemmen op de essentiële IX-3548-3/16 deontologische normen en er zorg voor moet dragen dat zij nooit aanleiding geven tot enige dubbelzinnigheid op dit vlak. C art 132 van de wet van 07-12-1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus dat bepaalt dat het personeelslid elke gedraging moet vermijden, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die het vervullen van de ambtsverplichtingen in de weg kan staan of met de waardigheid van het ambt strijdig is"; De korpscommandant is van oordeel dat, rekening houdend met de ernst van de inbreuk, die volgens hem een zware deontologische tekortkoming uitmaakt, en het tuchtverleden van verzoeker, ze dient bestraft te worden met een sanctie hoger dan de blaam. Hij beslist de onderzoeksraad te vatten teneinde verzoeker te straffen met een tuchtrechtelijke terugzetting in graad. 1.
  8. Met een nota van 9 december 1999 adieert de korpscommandant de voorzitter van de onderzoeksraad. Hij vraagt dat verzoeker zou worden gestraft met de tuchtrechtelijke terugzetting in de graad. 1.
  9. Op 9 februari 2000 verschijnt verzoeker voor de onderzoeksraad. Daarna formuleert de onderzoeksraad het volgende advies : "- er worden drie feiten bewezen geacht : - feit 1 (na heromschrijving) : '1WM VERVAET heeft, als lid van een brigade, niet met dienst bevolen, op 19-03-1999 in aanwezigheid van collega's en kennissen, actief deelgenomen aan een striptease-act waarbij de stripteaseuse volledig uit de kleren ging en hij zelf enkel een string aanhield'. - feit 2 : '1 WM VERVAET, lid van een brigade, heeft toegelaten dat de striptease-act waaraan hij op 19-03-1999 in aanwezigheid van collega's en vrienden actief heeft deelgenomen [waarbij de stripteaseuse volledig uit de kleren ging en hij zelf enkel een string aanhield] werd gefilmd'. - feit 3 : '1 WM VERVAET, lid van een brigade, heeft geen enkele handeling gesteld om te beletten dat de striptease-act waaraan hij op 19-03-1999 actief had deelgenomen [en waarbij de stripteaseuse volledig uit de kleren ging en hij zelf enkel een string aanhield] op 26-05-1999 op de televisiezender VT4 zou worden vertoond in het populaire programma 'STRIPPERS' waardoor aan zijn optreden een grote ruchtbaarheid werd gegeven'. IX-3548-4/16 - de tenlastelegging van de feiten aan verzoeker (de schuldvraag) wordt als volgt afgedaan : 'B. Tenlastelegging aan 1 WM VERVAET
  10. Feit 1 Overwegende dat niet bewezen is dat door het plegen van de feiten voormeld Sub 1 het schaamtegevoel werd gekwetst; dat ook niet met zekerheid vaststaat dat op het ogenblik van het gebeuren de drankgelegenheid toegankelijk was voor het publiek; dat rekening moet worden gehouden met de beslotenheid van het gebeuren; om deze redenen oordeelt de raad, bij stemming, dat Feit 1 NIET ten laste wordt gelegd aan 1 WM VERVAET.
  11. Feit 2 Overwegende dat het niet uitgesloten is dat 1 WM VERVAET op het ogenblik zelf van de striptease-act in de mening verkeerde dat de scène werd opgenomen voor een herinneringstape; dat kan aangenomen worden dat 1 WM VERVAET zich in dergelijke omstandigheden tegen deze opname niet verzette; om deze redenen oordeelt de raad, bij stemming, dat Feit 2 NIET ten laste wordt gelegd aan 1WM VERVAET.
  12. Feit 3 Overwegende dat de herberguitbaatster op de hoogte was dat de opnames werden gemaakt door een cameraploeg van VT4; dat wanneer kan aanvaard worden dat 1WM VERVAET hierover niet was ingelicht op het ogenblik zelf van de filmopname, redelijkerwijze mag worden aangenomen dat hij dit ook heeft vernomen in de dagen die daarop volgden; dat 1WM VERVAET zich achteraf had kunnen realiseren dat de opname niet geschiedde door vrienden of kennissen; dat de omstandigheid dat de 'cameraploeg' professioneel was uitgerust en dat de leden van deze ploeg hem niet bekend waren, alsook de aard van de opnames, er hem hadden moeten toe aanzetten ter zake navraag te doen; Overwegende dat men er redelijkerwijze kan van uitgaan dat 1WM VERVAET over voldoende tijd en mogelijkheden beschikte om zich te verzetten tegen de uitzending. om deze redenen oordeelt de raad, bij stemming, dat Feit 3 ten laste wordt gelegd aan 1WM VERVAET". Over het tuchtrechtelijk karakter van de feiten stelt de onderzoeksraad het volgende : "C. Omschrijving van de feiten
  13. Tekortkoming aan de ambtsplichten en de waardigheid van het ambt Overwegende dat : IX-3548-5/16 C het rijkswachtpersoneel erop gewezen werd dat zij hun houding en gedrag, zowel in de uitoefening van hun ambt als daarbuiten, permanent moeten afstemmen op de essentiële deontologische normen en er zorg voor moet dragen dat zij nooit aanleiding geven tot enige dubbelzinnigheid op dit vlak (Onderrichting van de Commandant van de Rijkswacht Nr. DPB/069 DK 670 van 15-03-1993); C dat van personeelsleden van de rijkswacht verwacht wordt dat zij blijk geven van een volstrekte onkreukbaarheid en integriteit (Charter van de waarden van de Rijkswacht, Art 3); C dat de goede werking van de rijkswacht en het welslagen van haar acties vereisen dat haar personeelsleden de deontologische plichten en waarden inherent aan hun staat onvoorwaardelijk naleven; C dat deze waarden niet alleen in dienst in acht moeten worden genomen, maar dat zij tevens gelden in het privé-leven, voor zover zij noodzakelijk zijn voor de goede werking van de dienst; Overwegende dat 1WM VERVAET door het plegen van Feit 3 heeft toegelaten dat de video-opname met de striptease-act werd uitgezonden op de televisiezender VT4; dat hij er aldus heeft toe bijgedragen dat aan de beelden die in besloten kring werden opgenomen, een grote verspreiding werd gegeven. Overwegende dat feiten uit het privé-leven tuchtrechtelijk kunnen worden gesanctioneerd wanneer zij een invloed hebben op de waardigheid van het ambt; dat door de verspreiding van de filmopname ingevolge de TV-uitzending waartegen 1WM VERVAET zich niet verzette, de bescherming van het privé- leven is weggevallen; dat dergelijke houding niet voldoet aan de minimale normen van behoorlijke levenswandel in hoofde van een rijkswachter wiens privé-leven gelet op zijn ambt, in alle opzichten onbesproken moet blijven; om deze redenen oordeelt de raad dat : betrokkene zich niet gedragen heeft naar de richtlijnen die gegeven worden in het belang van de dienst en dat dit derhalve een inbreuk uitmaakt op: C Art 24/2 §2 van de Statutaire Wet dat bepaalt dat de personeelsleden zich moeten gedragen naar de richtlijnen die in het belang van de dienst worden gegeven, meer bepaald punt 1.b van de Korpsnota DPB/069, DK 670 van 15-03-1993, dat stelt dat elk personeelslid zijn houding en gedrag, zowel in de uitoefening van de dienst als daarbuiten, permanent moet afstemmen op de essentiële deontologische normen en er zorg voor moet dragen dat zij nooit aanleiding geven tot enige dubbelzinnigheid op dit vlak; C Art 132 van de Wet van 07-12-1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus dat bepaalt dat het personeelslid elke gedraging moet vermijden, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die het vervullen van de ambtsverplichtingen in de weg kan staan of met de waardigheid van het ambt strijdig is. en dat Feit 3 een tuchtvergrijp uitmaakt.
  14. Wat betreft de ernst van het tuchtvergrijp Rekening houdend met onze beschouwingen met betrekking tot de kwalificatie van het feit en met het belang en de ruime verspreiding van de IX-3548-6/16 richtlijnen betreffende de deontologische plichten inherent aan de staat van personeelslid van de rijkswacht. Oordeelt de Raad, bij stemming, dat het tuchtvergrijp ernstig is'." Het advies besluit met het volgende strafvoorstel : "Overwegende dat de korpscommandant, bij de bepaling van de straf, voldoende rekening houdt met de ernst van het gepleegde feit; dat de voorgestelde straf evenwel moet worden gemilderd rekening houdend met : C het niet ten laste leggen van de feiten Sub 2 en 3; C de staat van dienen van betrokkene; Geeft de Raad, bij stemming, het advies dat een inhouding van bezoldiging ten belope van acht prestatie-uren zou moeten worden opgelegd"; 1.
  15. Op 2 mei 2000 beslist de minister van Binnenlandse Zaken verzoeker een tijdelijke ambtsontheffing door non-activiteit bij tuchtmaatregel voor een periode van vijftien dagen op te leggen. Hij zendt de volgende nota aan de commandant van de rijkswacht : "ONDERWERP : Tucht - Toezending van een dossier Betreft : Eerste wachtmeester VERVAET Marc (...) Ref :
  16. Art .24/13 § 1, 4/; 24/17; 24/24 § 1, al l; 24/34 § 2; 24/35 en 25-3/ van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht.
  17. Art 36 en 43 van het koninklijk besluit van 25 april 1979 betreffende het ambt en de ambtsontheffing van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht.
  18. Adiëringsverslag van de korpscommandant Nr GpA-1034 DK670 van 09 december
  19. Advies van de onderzoeksraad voor het rijkswachtpersoneel Nederlandstalige kamer, Nr 20/010/N van 09 februari
  20. Ik heb kennis genomen van de feiten uiteengezet voor de onderzoeksraad en de tenlasteleggingen hiervan aan Eerste wachtmeester VERVAET. Meer bepaald heeft hij, als lid van een brigade, geen enkele handeling gesteld om te beletten dat de striptease-act waaraan hij op 19 maart 1999 actief had deelgenomen (en waarbij de stripteaseuse volledig uit de kleren ging en hij zelf enkel een string aanhield), op 26 mei 1999 op de televisiezender VT4 zou worden vertoond in het populaire programma "STRIPPERS" waardoor aan zijn optreden een grote ruchtbaarheid werd gegeven.
  21. Tevens heb ik kennis genomen van het advies van de onderzoeksraad omtrent de omschrijving van de feiten, meer bepaald dat de feiten een IX-3548-7/16 tuchtvergrijp uitmaken en dat het tuchtvergrijp ernstig is. Ik sluit mij bij dit uitgebrachte advies aan.
  22. Evenwel kan ik mij niet aansluiten bij het advies van de onderzoeksraad dat in deze een inhouding van bezoldiging die overeenstemt met acht- prestatie-uren zou worden opgelegd. Ik ben immers van oordeel dat de onderzoeksraad onvoldoende rekening heeft gehouden met de overweging dat een personeelslid elke gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die het vervullen van de ambtsplichten in de weg kan staan of met de waardigheid van het ambt strijdig is, moet vermijden hetgeen belanghebbende hier duidelijk niet heeft gedaan; dat in deze niet alleen rekening dient gehouden te worden met het laakbaar karakter van de feiten, maar vooral ook met de grote openbaarheid die aan deze feiten is gegeven door de beelden uit te laten zenden via televisie; dat belanghebbende bovendien de mogelijkheid had zich te verzetten tegen de uitzending via televisie, hetgeen hij niet heeft gedaan; dat Eerste wachtmeester VERVAET door zijn optreden de gangbare normen van integriteit duidelijk heeft overschreden en dergelijke feiten dan ook getuigen van een grote normvervaging bij Eerste wachtmeester VERVAET.
  23. Bijgevolg leg ik Eerste wachtmeester VERVAET een tijdelijke ambtsontheffing door non-activiteit bij tuchtmaatregel voor een periode van vijftien dagen op"; Dit is de bestreden beslissing. Op 15 mei 2000 wordt zij ter kennis van verzoeker gebracht. 2.
  24. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht doordat de verwerende partij hem verwijt niets ondernomen te hebben tegen de uitzending van zijn zogenaamde striptease-act op de televisiezender VT4, terwijl de onderzoeksraad toch had aangenomen dat de eerste twee oorspronkelijke tenlasteleggingen -het deelnemen aan een striptease-act en het filmen van die act- geen laakbaar karakter hadden -de eerste niet omdat het schaamtegevoel niet gekwetst bleek te zijn, het tweede niet omdat verzoeker in de mening kon zijn dat het filmen gebeurde voor een herinneringstape-, zodat niet duidelijk is waarom de verwerende partij van oordeel kon zijn dat hij zich dan toch had moeten verzetten tegen de televisie-uitzending; dat hij vervolgens ook stelt dat uit het dossier niet blijkt dat hij wist dat de act zou uitgezonden worden, dat de IX-3548-8/16 onderzoeksraad terzake enkel een vermoeden formuleert, maar dat zulks onvoldoende is om een straf te rechtvaardigen; dat hij besluit dat "noch in de materiële, noch in de formele motivering afdoende en genoegzaam wordt aangegeven waarom de gewraakte handeling strijdig zou zijn met de waardigheid van het ambt"; Overwegende dat verzoeker in het daarbij aansluitende tweede middel aanvoert dat de verwerende partij van oordeel is dat hij een tuchtvergrijp heeft begaan in de zin van artikel 24/2, § 2, van de wet van 27 december 1973 en van artikel 132 van de wet van 7 december 1998, terwijl het bestreden besluit niet aangeeft waarom de ten laste gelegde handeling strijdig zou zijn met de waardigheid van het ambt, inzonderheid nu het publiek niet kon of moest weten dat verzoeker rijkswachter was; 2.
  25. Overwegende dat de verwerende partij op het eerste middel antwoordt wat volgt: de onderzoeksraad en het bestreden besluit nemen aan dat verzoeker slechts schuld heeft aan één tuchtfeit -het zich niet verzetten tegen de uitzending op televisie-; in het advies van de onderzoeksraad -rubriek C : "omschrijving van de feiten"- wordt duidelijk aangegeven waarom die misdraging een tekortkoming aan zijn ambtsplichten uitmaakt en de waardigheid van het ambt in het gedrang brengt; aldus is voldaan aan de formele motiveringsverplichting; het bestuur heeft discretionair geoordeeld dat er sprake was van "handelingen die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen" en het heeft concreet de redenen daarvoor in het besluit vermeld; dat zij daaraan toevoegt dat verzoeker zich eigenlijk aan openbare zedenschennis schuldig gemaakt heeft, hetgeen evident strijdig is met de voorbeeldfunctie die een politieambtenaar heeft; Overwegende dat de verwerende partij, ten aanzien van het argument van verzoeker dat de onderzoeksraad op grond van een vermoeden aangenomen heeft dat verzoeker wist dat de opname op de televisie zou uitgezonden worden, stelt dat het dossier geen stukken bevat die "duiden op enige moeite die verzoeker zich zou getroost hebben om navraag te doen over de aard van de opnames en het bedoelde gebruik ervan en om zijn gedrag af te stemmen op de IX-3548-9/16 essentiële deontologische normen", welke inhouden dat het gedrag van een rijkswachter nooit aanleiding mag geven tot enige dubbelzinnigheid, dat integendeel de verdediging van verzoeker voor de onderzoeksraad heeft gesteld dat verzoeker "enige tijd (na zijn verjaardagsfeest) verneemt dat de video-opnamen zullen worden uitgezonden in het programma Strippers van VT4"; Overwegende dat de verwerende partij op het argument dat niet blijkt -noch op materieel noch op formeel vlak- waarom het ten laste gelegde tuchtfeit strijdig zou zijn met de waardigheid van het ambt, antwoordt dat, aangezien er terzake voldaan is aan de formele motiveringsverplichting, er ook voldaan is aan de materiële motiveringsverplichting; Overwegende dat de verwerende partij voor haar antwoord op het tweede middel verwijst naar de voorgaande uiteenzetting; dat zij daaraan toevoegt dat het kijkerspubliek van de televisieuitzending wel degelijk wist of kon weten dat verzoeker rijkswachter was aangezien bij de aankondiging van de uitzending en tijdens de uitzending zelf gezegd is dat de stripteaseuse een act ging uitvoeren voor rijkswachters; dat zij ook nog herhaalt dat de tuchtoverheid discretionair bevoegd is om uit te maken of bepaalde gedragingen een tuchtrechtelijke overtreding vormen en dat zij, in dit geval die bevoegdheid met inachtneming van de grenzen van het redelijke uitgeoefend heeft; 2.
  26. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat niet duidelijk wordt gemaakt waarom een politieambtenaar zich zou moeten verzetten tegen de uitzending van beelden die betrekking hebben op feiten die op zichzelf niet laakbaar zijn, dat de verwerende partij niet duidelijk aantoont dat verzoeker wist dat de opname op VT4 uitgezonden zou worden en dat zij zelfs blijk geeft van tegenstrijdigheid waar zij aan de ene kant verwijst naar het strafrechtelijk karakter van de strip-act maar daar aan de andere kant zelf toch geen aanstoot aan neemt; IX-3548-10/16 2.
  27. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog uiteenzet dat daden uit het privé-leven als een tuchtfout kunnen worden beschouwd wanneer zij de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen, waarvoor vereist is dat zij een weerslag kunnen hebben op het functioneren van de dienst en dat het bijdragen aan een ruime verspreiding van beelden aangaande feiten die op zich niet laakbaar worden geacht de waardigheid van het ambt in het gedrang kan brengen; dat zij daaraan toevoegt dat verzoeker, als rijkswachter in een lokale brigade, gekend is door het publiek van ter plaatse waardoor het privé-karakter van de striptease-act overstegen wordt en er wel degelijk sprake is van een daad die de waardigheid van het ambt aantast; 2.5.1.
  28. Overwegende dat de onderzoeksraad verzoeker slechts voor één feit -het derde- verantwoordelijk gesteld heeft, te weten dat hij niets heeft gedaan om te beletten dat een striptease-act, waarbij hij zelf betrokken was en waarin de stripteaseuse volledig uit de kleren ging en hij zelf enkel een string aanhield, in een populair programma op de televisiezender VT4 zou worden uitgezonden en dat daardoor zijn optreden een grote ruchtbaarheid heeft gekregen; dat de onderzoeksraad de twee andere feiten -de deelname zelf aan de striptease-act en het geven van de toelating om die act te filmen- voor bewezen heeft verklaard, maar dat hij van oordeel was dat verzoeker voor die feiten niet verantwoordelijk moest gesteld worden, aangezien niet bewezen was dat het gebeuren “het schaamtegevoel” had gekwetst -geen enkele van de aanwezige personen blijkt aanstoot genomen te hebben aan het optreden- en ook niet gebleken was dat het optreden geen besloten karakter had (feit 1), terwijl, wat het tweede feit betreft, het niet uitgesloten werd geacht dat verzoeker op het ogenblik van de feiten in de mening was dat er gefilmd werd “voor een herinneringstape” en hij zich om die reden niet verzette tegen de filmopname; Overwegende dat in het sub 1.
  29. geciteerd advies van de onderzoeksraad in de rubriek "omschrijving van de feiten" -rubriek die de minister in het bestreden besluit uitdrukkelijk bijvalt- klaar en duidelijk wordt uiteengezet waarom feit 3 een inbreuk op de tucht uitmaakt; dat er eerst in het algemeen wordt op gewezen dat van een rijkswachter een volstrekte onkreukbaarheid en integriteit IX-3548-11/16 wordt verwacht en dat hij onvoorwaardelijk zijn "deontologische plichten en waarden" moet naleven; dat er vervolgens, met betrekking tot het geval van verzoeker, wordt uiteengezet dat, door zich niet te verzetten tegen de televisie- uitzending, "aan de beelden die in besloten kring werden opgenomen een grote verspreiding werd gegeven", dat feiten uit het privé-leven tuchtrechtelijk gesanctioneerd kunnen worden wanneer zij een invloed hebben op de waardigheid van het ambt, dat in casu de verwijzing naar de beslotenheid van de privékring is weggevallen aangezien verzoeker de opname heeft laten verspreiden via de televisie en dat "dergelijke houding niet voldoet aan de minimale normen van behoorlijke levenswandel in hoofde van een rijkswachter wiens privé-leven, gelet op zijn ambt, in alle opzichten onbesproken moet blijven"; dat, in het verlengde daarvan, het bestreden besluit overweegt dat niet alleen rekening gehouden moet worden met het laakbaar karakter van de feiten zelf, maar "vooral" met de grote openbaarheid die aan de feiten gegeven is, terwijl verzoeker de mogelijkheid had om zich tegen de uitzending te verzetten en dat verzoeker daardoor "de gangbare normen van integriteit duidelijk heeft overschreden" en blijk gegeven heeft van "een grote normvervaging"; 2.5.1.
  30. Overwegende dat verzoeker die redenering gebrekkig vindt omdat hij voor de eerste twee feiten niet verantwoordelijk gesteld is, dat hij op dat vlak dus geen laakbaar gedrag tentoon heeft gespreid en dat hij bijgevolg niet inziet waarom hij dan toch had moeten verhinderen dat de opname van iets dat hem niet verweten wordt, op televisie wordt uitgezonden; dat hij daarmee evenwel uit het oog verliest dat de onderzoeksraad zijn verantwoordelijkheid met betrekking tot de eerste twee feiten in wezen heeft afgewezen omdat zij in besloten kring hadden plaatsgevonden -het schaamtegevoel van de aanwezigen was niet gekwetst; het staat niet vast dat de drankgelegenheid toegankelijk was voor het publiek; de opname kon gezien worden als een herinnering-, daarbij in het midden latend of verzoeker als zodanig laakbare daden heeft gesteld; dat, daar tegenover, het derde tuchtfeit betrekking heeft op de mogelijkheid die verzoeker gecreëerd heeft om zijn act aan het grote publiek te vertonen, met andere woorden op het feit dat een striptease-act met een rijkswachter de beslotenheid van de vriendenkring -in welk kader zijn handelen nog kon geduld IX-3548-12/16 of verschoond worden- heeft kunnen overstijgen en op het publieke forum beland is; dat, aangezien de verwerende partij nooit heeft gesteld dat zij een striptease-act met deelname van een rijkswachter in besloten kring niet laakbaar vond, zij zichzelf ook niet tegenspreekt wanneer zij dergelijke striptease-act waaraan een publiek karakter is gegeven wel ongeoorloofd acht; 2.5.1.
  31. Overwegende dat de verwerende partij discretionair oordeelt of handelingen van haar personeelsleden tuchtrechtelijk bestraft moeten worden; dat daden uit het privé-leven aanleiding kunnen geven tot tuchtrechtelijk optreden wanneer zij een negatieve weerslag hebben op het ambt, wat onder meer het geval is wanneer daarmee de waardigheid van het ambt in het gedrang gebracht wordt; dat in dit geval vastgesteld is dat verzoeker actief meegewerkt heeft aan een striptease- act die op de televisie vertoond is; dat het publiek hem heeft kunnen herkennen en dat, aangezien verzoeker lid is van een lokale rijkswachtbrigade, er aangenomen mag worden dat hij ook daadwerkelijk als rijkswachter herkend is; dat bovendien niet betwist wordt dat bij de aankondiging van het programma gezegd is dat de stripteaseuse een act ging uitvoeren voor rijkswachters en dat er tijdens de uitzending ook meerdere keren verwezen is naar het feit dat de beelden opgenomen waren in een milieu van rijkswachters; dat die gegevens de verwerende partij in redelijkheid tot het besluit hebben kunnen brengen dat wat publiek vertoond werd de waardigheid van het ambt van rijkswachter heeft aangetast en dat verzoeker, door niets te ondernemen om de uitzending te beletten, een tuchtfout had begaan, die -gelet op de voorbeeldfunctie die een rijkswachter in het maatschappelijk bestel te vervullen heeft- terecht als het overschrijden van de gangbare normen van integriteit en grote normvervaging gekwalificeerd is; 2.5.2.
  32. Overwegende dat verzoeker ook van oordeel is dat de verwerende partij er ten onrechte van uitgaat dat hij wist dat de striptease-act op VT4 uitgezonden zou worden en dat zij haar houding terzake steunt op een vermoeden; 2.5.2.
  33. Overwegende dat de Raad van State op het vlak van het bewijs van de feiten slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid beschikt, in die zin dat hij IX-3548-13/16 niet in de plaats van het bestuur kan beslissen of de feitelijke gegevens waarop het bestuur zich baseert afdoende bewezen zijn, maar dat hij enkel moet nagaan of het bestuur, met de gegevens die hem voorlagen, in redelijkheid de feiten voor bewezen kon houden; Overwegende dat in het advies van de onderzoeksraad -rubriek: “tenlastelegging”- een aantal overwegingen opgenomen zijn die deze raad tot de conclusie konden brengen “dat men er redelijkerwijze kan van uitgaan dat 1WM VERVAET over voldoende tijd en mogelijkheden beschikte om zich te verzetten tegen de uitzending”; dat verzoeker er wel terecht op wijst dat uit geen van de verklaringen die in het kader van het tuchtonderzoek zijn afgenomen, expliciet blijkt dat hij effectief wist dat zijn optreden van 19 maart 1999 op televisie uitgezonden zou worden; dat er evenwel geen redelijke twijfel over kan bestaan dat hij, in de periode volgend op 19 maart 1999, wel degelijk de ware toedracht van de zaak vernomen heeft, met name dat de opname gebeurd was door een commerciële televisiezender en dat aldus de kans bestond dat zij zou uitgezonden worden; dat immers de herberguitbaatster, die in opdracht van verzoeker het feest had georganiseerd, op het ogenblik van de feiten door de door haar ingehuurde stripteaseuse ingelicht is geworden over de aanwezigheid van een cameraploeg van VT4 en dat het ondenkbaar is dat de herberguitbaatster in de dagen volgend op de opname verzoeker, zo hij zelf al niet tot die conclusie was kunnen komen op de avond zelf, niet ingelicht zou hebben over het opzet van de opname; dat redelijkerwijze ook moeilijk begrepen kan worden dat het gebeuren, indien het dan toch bijgedragen had tot de goede sfeer op de avond zelf, binnen de vriendenkring -die ook grotendeels uit de werkkring van verzoeker bestond-, onbesproken is kunnen blijven en dat de ware toedracht van de zaak niet aan verzoeker duidelijk zou geworden zijn; dat derhalve aangenomen wordt dat de verwerende partij, rekening houdend met alle overeenstemmende gegevens waarover zij blijkens het dossier beschikte en waarvan het advies van de onderzoeksraad er enkele op de voorgrond plaatst, terecht heeft kunnen besluiten dat verzoeker wist dat zijn optreden publiek verspreid kon worden of dat hij minstens meer dan voldoende gelegenheden en tijd IX-3548-14/16 heeft gehad om zich in te lichten over de bedoeling van de opname, teneinde nog te kunnen beletten dat de video in de openbaarheid werd vertoond; 2.5.
  34. Overwegende, besluitend, dat uit het advies van de onderzoeksraad en het bestreden besluit duidelijk blijkt dat verzoeker gestraft is omdat het door zijn toedoen mogelijk is geweest dat een striptease-act, waaraan hij heeft deelgenomen, op televisie uitgezonden is; dat er ook duidelijk uit blijkt waarom de handelwijze van verzoeker als een tuchtfeit in aanmerking genomen is; dat het bestuur, rekening houdend met de stukken van het dossier, geen kennelijk onredelijk gebruik gemaakt heeft van zijn discretionaire bevoegdheid; dat het eerste en het tweede middel niet gegrond zijn;
  35. Overwegende dat het auditoraatsverslag beperkt is tot het onderzoek van het eerste en het tweede middel; dat er reden is om het onderzoek van de zaak voort te zetten, BESLUIT: Artikel
  36. De debatten worden heropend. Artikel
  37. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt ermee belast het onderzoek van de zaak voort te zetten. IX-3548-15/16 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien september 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-3548-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.858 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.012 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.