id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.859 Rolnummer: A. 90445/IX-2286 Zaak: Arrest 134859 - - 14/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-09-27 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 08:53 Fiche Arrest nr 134.859 van 14 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.859 van 14 september 2004 in de zaak A. 90.445/IX-
- In zake : Annick COLSOUL, die woonplaats kiest bij advocaat P. MALUMGRÉ, kantoor houdende te TESSENDERLO, Lichtveld 55, A2 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Annick COLSOUL op 25 maart 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 26 januari 2000 van de Militaire Commissie van Beroep voor Geschiktheid en Reform, waarbij haar “het ambt van militair wordt ontnomen wegens gezondheidsredenen”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 21 december 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-2286-1/24 Gelet op de beschikking van 17 juni 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 september 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MALUMGRÉ, die verschijnt voor verzoekster, en van majoor militair-administrateur A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoekster treedt op 3 augustus 1992 voor twee jaar in dienst van de Krijgsmacht als kandidaat-aanvullingsvrijwilliger bij de Medische Dienst. Op 3 augustus 1994 gaat zij een wederindienstneming aan voor twee jaar. Op 27 maart 1995 gaat zij over naar het kader van de aanvul- lingsvrijwilligers en wordt zij benoemd tot de graad van korporaal. Op 21 december 1997 wordt zij opgenomen in het kader van de beroepsvrijwilligers. 1.2.
- Op 4 september 1995 vraagt de korpscommandant van verzoekster aan de Generale Staf van de Krijgsmacht de toestemming om het attest van medisch onderzoek - "model 5" - aan te vragen, met het oog op het starten van de procedure voor de Militaire Commissie voor Geschiktheid en Reform (afgekort : MCGR). Op die datum waren aan verzoekster voor het jaar 1995 reeds 243 dagen verlof om gezondheidsredenen toegekend. Op 21 september 1995 geeft de chef van de IX-2286-2/24 Generale Staf van de Krijgsmacht de toelating om verzoekster te laten onderzoeken door een militair geneesheer ten einde het "model 5" op te stellen. 1.2.
- Op 11 oktober 1995 wordt door geneesheer-kapitein VAN BOGAERT een attest van medisch onderzoek "model 5" opgesteld. Hij verklaart dat verzoekster "aangetast is door '513' voortkomende van 'onbekend'. Hij oordeelt dat verzoekster ongeschikt is voor de dienst, dat bovenvermelde kwaal 'vatbaar voor verbetering' is en haar waarschijnlijke duur 'meerdere maanden' zal bedragen, dat deze aandoening niet noodzakelijk moet verergeren ten gevolge van de dienst en 'voortkomt van een feit vreemd aan de dienst"'. Het getal "513" verwijst naar het criterium nummer 513 (hoofdstuk geestesafwijkingen - rubriek psychopatieën) van de keuringscriteriatabellen gevoegd bij het koninklijk besluit van 5 november 1971 tot vaststelling van de keuringscriteria inzake medische geschiktheid voor de militaire dienst van de dienstplichtigen evenals voor de andere militairen en van het personeel van de rijkswacht. 1.2.
- Op 11 juni 1996 beslist de MCGR dat verzoekster geschikt is voor de dienst. De motivering van deze beslissing luidt als volgt : "Goede motivatie en haar psychotherapie is in goede zin geëvolueerd". 1.2.
- Op 27 juni 1996 geeft verzoeksters eenheidscommandant, bij ontstentenis van beroep tegen de beslissing van de MCGR, haar het bevel de eenheid op 11 juli 1996 te vervoegen. Op 11 juli 1996 hervat verzoekster haar dienst. 1.
- Op 5 juni 1998 vraagt verzoeksters korpscommandant, wegens haar veelvuldige afwezigheden om gezondheidsredenen, de toestemming om opnieuw het attest van medisch onderzoek "model 5" aan te vragen, met het oog op het starten van een nieuwe procedure voor de MCGR. Op 24 juni 1998 geeft de chef van de Generale Staf de toelating tot het laten opstellen van een "model 5". IX-2286-3/24 1.
- Op 2 juli 1998 wordt het medisch profiel van verzoekster gewijzigd. Voor factor E wordt zij van de waardeschaal 1 overgeheveld naar waardeschaal
- 1.
- Op 27 juli 1998 stelt geneesheer-kapitein LAMMENS een attest van medisch onderzoek "model 5" op. Hij verklaart dat verzoekster aangetast is door "
(511)-512-
(513)", voortkomende van : "constitutioneel". Hij oordeelt dat verzoekster ongeschikt is voor de dienst, dat bovenvermelde kwaal "ongeneesbaar" en "niet vatbaar voor verbetering" is, dat de ongeschiktheid definitief is en de aandoening "waarschijnlijk moet verergeren ten gevolge van de dienst". Het cijfer 511 verwijst naar "de psychosen" en het cijfer 512 naar "de neurosen". 1.
- Op 25 augustus 1998 maakt verzoeksters eenheidscommandant, op vraag van de voorzitter van de MCGR het volgend informatief verslag over : "a. Redelijke prestaties wanneer ze aanwezig was op haar dienst, doch onvoorspelbare langdurige afwezigheden, m.a.w. geen continuïteit, geen samenwerking kan opgebouwd worden. b. Isoleert zich, vormde een bedreiging voor zichzelf en een potentiële bedreiging voor haar directe omgeving. c. Als gevolg van de medische problematiek en de beperkte functies konden haar geen grote verantwoordelijkheden worden toevertrouwd, toch was ze telkens van goede wil om eventuele opdrachtjes te vervul- len. Ze betekende een gevaar op de weg. Deze taken werden liever niet aan haar overgelaten. d. Geen straffen noch veroordelingen opgelopen. e. Bij mijn weten had desbetreffende geen buitenactiviteit. f. Meermaals werd haar aangespoord tot het volgen van een gespeciali- seerde behandeling. Zelf ging ze meermaals ten rade in psychiatrische instellingen. Tot tweemaal toe is de dienst geconfronteerd geweest met automutilatie en meermaals met episoden van mutisme. Iedereen had een luisterend oor voor haar maar dit kon haar niet beïnvloeden, ingevolge de ziektetoestand". 1.
- Op 8 september 1998 richt Dr. Verfaillie van het Psychiatrisch Ziekenhuis Onze-Lieve-Vrouw te Brugge - behandelend geneesheer van IX-2286-4/24 verzoekster - zich tot Dr. Dillen van het Militair Hospitaal met de vraag dat verzoekster de kans krijgt haar werk te behouden. 1.
- Op 17 december 1998 neemt de MCGR de volgende beslissing : "DE COMMISSIE : na inzage van het dossier en na het verschijnen van belanghebbende, rekening houdend met de keuringscriteriatabel van het koninklijk besluit van 5 november
- BESLIST dat belanghebbende ONGESCHIKT is voor de dienst en dat deze ongeschiktheid DEFINITIEF is, in de zin van de wet van 14 februari
- Het verlies van de graad van zelfredzaamheid, volgens het M.B. van 30 juli 1987, werd vastgesteld op MINDER DAN 12 punten. Belanghebbende heeft GEEN RECHT op het forfaitair pensioensupplement volgens Art. 134 van de wet van 26 juni
- CRITERIA :
- MOTIVERING : Borderline persoonlijkheidsstoornis". 1.
- Op 7 januari 1999 dient verzoekster bij de Medische Commissie van Beroep voor Geschiktheid en Reform (hierna : MCBGR) beroep in tegen deze beslissing. Zij stelt dat de MCGR zich gesteund heeft op "voorbijgaande verslagen (...) die niet meer stroken met de huidige situatie". Op 3 maart 1999 dient verzoekster bij de MCBGR een medisch verslag in van geneesheer-psychiater Verfaillie van 20 januari 1999 en een verslag van psycholoog-psychotherapeut Verslype van 26 februari
- In het verslag van Dr. Verfaillie wordt gesteld dat personen met een borderline persoonlijkheidsstoornis positief kunnen evolueren, na eerst een moeilijke periode te hebben doorgemaakt, en wordt ervoor gepleit dat verzoekster de kans krijgt haar werk te hervatten. In het verslag van psycholoog-psychotherapeut Verslype, wordt de evolutie bij verzoekster als zeer positief ingeschat, ondanks zwaar stresserende gebeurtenissen. Op 23 maart 1999 vraagt Dr. Verfaillie nogmaals dat aan verzoekster de kans zou gegeven worden haar werk te hervatten. 1.
- Op 24 maart 1999 neemt de MCBGR de volgende beslissing : "DE COMMISSIE na inzage van het dossier en na verschijnen van belang- hebbende, rekening houdend met de keuringscriteriatabel van het koninklijk IX-2286-5/24 besluit van 5 november 1971, BEVESTIGT de in eerste aanleg getroffen beslissing. BESLIST dat zij DEFINITIEF ONGESCHIKT is voor de dienst, in toepassing van Art. 117 Par. 2 van de wet van 14 februari
- Het verlies van de graad van zelfredzaamheid, volgens het M.B. van 30 juli 1987, werd vastgesteld op MINDER DAN 12 punten. Belanghebbende heeft GEEN RECHT op het forfaitair pensioensupplement volgens Art. 134 van de wet van 26 juni
- CRITERIA :
- MOTIVERING : Borderline persoonlijkheidsstoornis". 1.
- Op 22 mei 1999 stelt verzoekster bij de Raad van State vernieti- gingsberoep in tegen deze beslissing (de zaak A. 84.281/IX-1828). Ten gevolge van dat beroep trekt de MCBGR haar besluit op 27 oktober 1999 in. 1.
- Op 4 november 1999 wordt verzoekster opgeroepen voor de zitting van de MCBGR van 24 november
- Op 22 november 1999 richt Dr. Verfaillie zich tot de behandelend geneesheer van het Militair Hospitaal met de vraag "patiënte de kans te geven (...) het werk te hervatten" aangezien "haar attitude t.o.v. haar werk (...) positief (blijft)". Dr. Verfaillie voegt eraan toe "dat patiënten met een persoonlijkheidsproblematiek van het type borderline persoonlijkheidsstoornis, gunstig kunnen evolueren en ook beroepsmatig weer goed kunnen functioneren". Op 24 november 1999 beslist de MCBGR de zaak uit te stellen omdat de commissie niet regelmatig is samengesteld. 1.
- Op 21 december 1999 richt Dr. Ketelers van het Militair Hospitaal zich tot de voorzitter van de MCBGR. Hij verklaart dat hij zich aansluit bij de visie van zijn collegae Dillen en Schenkels "in deze zin dat iemand met een Borderline persoonlijkheid d.m.v. langdurige therapie kan evolueren in gunstige zin". Hij formuleert het volgend voorstel : "deprofilering E4 voor crit.
- Een herevaluatie binnen 01 jaar is geïndiceerd ter herziening van het profiel naar E5 of E3 in functie van de evolutie". Op 6 januari 2000 wordt verzoekster opgeroepen voor de zitting van de MCBGR van 26 januari
- IX-2286-6/24 1.
- Op 26 januari 2000 verschijnt verzoekster, bijgestaan door haar raadsman, voor de MCBGR. De MCBGR bevestigt de in eerste aanleg getroffen beslissing en beslist dat verzoekster definitief ongeschikt is voor de dienst op grond van het criterium nummer 513 van de keuringstabellen gevoegd bij het koninklijk besluit van 5 november
- De motivering van de beslissing luidt als volgt : "Borderline persoonlijkheid met emotieve en morele onevenwichtigheid, kent momenten van bewustzijnsdaling die bij grote fysieke uitputting en emotionele stress drastische maatregelen (opnames) noodzakelijk maken. De aanvallen van gekarakteriseerde impulsiviteit en agerend gedrag verhinderen een professioneel functioneren ondanks de positieve attitude tot werkhervatting. Belangrijke risico's tot decompensatie, zoals ze zich voordeden in het recent verleden geven een geschiktheidsprofiel E5 (K.B. van 28 Augustus 1981 betreffende Medisch geschiktheidsprofiel ...). De ernstige psychiatrische problematiek vereiste reeds meerdere jaren psychotherapie die volgens experten nog langere tijd nodig blijft. De MCGR besliste GESCHIKT (11 juni 96) omwille van de motivatie en voorspelde gunstige evolutie; duurzame werkhervatting, deeluitmakend van de therapie blijkt echter moeilijk realiseerbaar. Samen met de noodzaak van een quasi permanente medische omkadering is een tewerkstelling binnen de Krijgsmacht bijgevolg ondoelmatig om reden van behoorlijk bestuur". Dit is de thans bestreden beslissing. Verzoekster erkent dat zij haar op 20 januari 2000 ter kennis gebracht is; 2.
- Overwegende dat verzoekster in het eerste middel de schending aanvoert van het onpartijdigheidsbeginsel -en van de rechten van verdediging die daarmee verbonden zijn- doordat W. CHRISTIAENS -voorzitter- en G. VERVOORT -lid- deel uitmaakten van de commissie van beroep die de bestreden beslissing van 20 januari 2000 genomen heeft, terwijl zij ook reeds deel uitmaakten van de commissie die de beslissing van 24 maart 1999 genomen had en terwijl het “uiteraard onaanvaardbaar is dat dezelfde personen tweemaal achtereenvolgens in een zelfde zaak deelnemen aan een deliberatie”; dat zulks naar haar oordeel des te meer klemt “in een aangelegenheid waarbij een voor verzoekster negatieve beslissing werd genomen die slechts werd ingetrokken nadat verzoekster een rechtsmiddel, nl. het verzoekschrift tot nietigverklaring voor de Raad van State had ingediend” en wanneer, als in het onderhavige geval “de voorzitter van het MCBGR tijdens de IX-2286-7/24 zitting van 24 november te kennen gaf dat de eerste beslissing van 24 maart 1999 slechts werd ingetrokken om de nietigverklaring door de Raad van State te voorkomen”, waarmee hij op zijn minst de indruk van partijdigheid heeft gewekt; dat zij daar aan toevoegt dat ook bij de behandeling van haar zaak in eerste aanleg een lid van de commissie zich twee keer -eerst in 1996 en vervolgens, met een tegengesteld besluit in 1998- over zijn dossier heeft uitgesproken, terwijl hij zich had moeten wraken; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het recht van verdediging, behoudens andersluidend voorschrift, enkel van toepassing is in straf- en in tuchtzaken, dat de militaire commissies voor geschiktheid en reform geen administratieve rechtscolleges zijn en dat die commissies, zoals zij door de reglementering georganiseerd zijn, structureel voldoende waarborgen bieden voor een onpartijdige functionering; dat zij dan, ten aanzien van de vraag of er in het individueel geval van verzoekster sprake kan zijn van een partijdige benadering, betoogt dat verzoekster geen feiten voorlegt die kunnen doen vermoeden dat de luitenant-kolonels CHRISTIAENS en VERVOORT -de eerste voorzitter van de commissie van beroep, de tweede lid van die commissie- zich partijdig opgesteld zouden hebben en dat zij ook niet aantoont dat de partijdigheid van die personen de gehele commissie beïnvloed heeft, terwijl in ieder geval de inbreng van de genoemden gerelativeerd moet worden omdat de bestreden beslissing op medische gronden steunt en de geviseerde personen geen geneesheer zijn; dat zij voort stelt dat verzoekster niet aantoont dat de betrokken personen enig belang zouden gehad hebben bij het bestreden besluit, dat zij in tempore non suspecto dat rechtmatigheids- bezwaar nooit aan de orde heeft gesteld en dat de verwijzing naar de samenstelling van de commissie voor geschiktheid en reform niet relevant is aangezien het bestreden besluit uitgaat van de militaire commissie van beroep; 2.
- Overwegende dat verzoekster daar in haar memorie van wederantwoord op repliceert dat het onpartijdigheidsbeginsel “als algemeen beginsel toepasselijk is op organen van actief bestuur” en op colleges die het bestuur adviseren, dat de eigen aard noch de structuur van de MCBGR beletten dat het IX-2286-8/24 beginsel op die commissie wordt toegepast, zodat de commissie van beroep derhalve zodanig samengesteld moest worden dat “elke zweem van partijdigheid vermeden werd”, terwijl te dezen het vermoeden van partijdigheid ligt in het feit dat twee leden van de commissie van beroep voordien reeds meegewerkt hadden aan een beslissing over de geschiktheid van verzoekster; dat zij voort betoogt dat het haar niet mogelijk was de onregelmatigheid vroeger te berde te brengen omdat zij de samenstelling van de MCBGR niet kende vooraleer de bestreden beslissing haar ter kennis werd gebracht; 2.
- Overwegende dat verzoekster in haar laatste memorie nog stelt dat de twee commissieleden wel degelijk belang hadden bij de ongeschiktverklaring van verzoekster wegens het gezichtsverlies dat zij dreigden te lijden indien zij met het bestreden besluit afstand zouden genomen hebben van het oorspronkelijk besluit nadat er een annulatieberoep tegen ingesteld was, terwijl dat gezichtsverlies niet bevorderlijk geweest zou zijn voor hun carrière; dat zij daar nogmaals benadrukt dat er minstens sprake is van een schijn van partijdigheid; 2.5.
- Overwegende dat geen tekst uitdrukkelijk bepaalt dat het de leden van de commissie van beroep verboden is deel te nemen aan een beraadslaging in een aangelegenheid waarin zij voorheen reeds een beslissing hebben genomen; Overwegende dat de Militaire Commissie van Beroep voor Geschiktheid en Reform geen administratief rechtscollege is maar een orgaan van het actief bestuur dat ermee belast is uitspraak te doen over de medische geschiktheid voor de dienst van militairen; dat de regels van onpartijdigheid, die gelden voor de leden van rechtsprekende organen, niet op dezelfde wijze gelden voor de leden van dergelijke beraadslagende vergadering die deel uitmaakt van het actief bestuur; dat het onpartijdigheidsbeginsel dat zich, buiten haar optreden in tuchtzaken, als beginsel van behoorlijk bestuur aan de administratie opdringt, inhoudt dat de leden van beraadslagende organen -voor zover zulks verenigbaar is met de eigen structuur van de administratie- zich moeten onthouden van deelname aan een besluitvormingspro- ces met betrekking tot een aangelegenheid waarin zij zelf een rechtstreeks en IX-2286-9/24 persoonlijk belang hebben; dat aangenomen wordt dat het belang, dat leidt tot een opstelling die niet meer onbevangen is, van morele aard kan zijn, onder meer wanneer een lid van het beraadslagend orgaan in een welbepaalde zaak reeds duidelijk een standpunt heeft ingenomen en het niet zonder gezichtsverlies op zijn standpunt zou kunnen terugkomen; dat verzoekster van oordeel is dat zulks zich in haar geval voorgedaan heeft; 2.5.
- Overwegende dat het bestaan van het hier aan de orde staand belang niet vermoed wordt; dat het ook niet volgt uit het enkele feit dat bepaalde leden van een collegiaal orgaan een tweede keer mede over de aangelegenheid beraadslagen; dat het aan diegene zich door een bepaald besluit benadeeld voelt, toekomt om aan de hand van precieze gegevens de daadwerkelijk partijdige opstelling van de leden van de vergadering aannemelijk te maken; dat hij voorts ook aannemelijk moet maken dat die aangetoonde partijdigheid doorgewerkt heeft in de beslissing die de vergadering als geheel heeft genomen; 2.5.
- Overwegende dat, in het algemeen, de leden van de MCBGR geen rechtstreeks en persoonlijk belang hebben bij de beslissing waarmee de commissie zich, na intrekking van haar vorig besluit, opnieuw over de medische geschiktheid van een militair uitspreekt; dat de omstandigheid dat, in dit geval, de intrekking geïnspireerd was door de bekommernis om een nietigverklaring door de Raad van State te ontlopen, ook geen vermoeden van enige subjectieve benadering doet ontstaan; Overwegende dat de verwijzing naar de vrees voor gezichtsverlies bij de luitenanten-kolonel CHRISTIAENS en VERVOORT met geen enkel gegeven aannemelijk wordt gemaakt; dat die bewering overigens volledig irrelevant is aangezien de commissie van beroep haar beslissingen neemt bij meerderheid van stemmen en er zelfs niet wordt aangetoond dat die commissieleden ooit naar buiten uit een standpunt hebben ingenomen dat hen, precies wegens het gevreesde gezichtsverlies, heeft kunnen beletten uiteindelijk, bij het aannemen van het bestreden besluit, een standpunt in te nemen dat gunstig was voor verzoekster; IX-2286-10/24 2.5.
- Overwegende dat verzoekster ook kritiek uitbrengt op de samenstelling van de commissie die in eerste aanleg een beslissing genomen heeft over haar geschiktheid; dat evenwel, wegens de devolutieve werking van het beroep dat verzoekster tegen dat besluit ingesteld heeft, die beslissing niet meer bestaat, zodat de eventuele onregelmatigheden die er mogelijk aan kleefden, niet dienstig aangevoerd kunnen worden tegen het bestreden besluit; 2.5.
- Overwegende dat het middel niet gegrond is; 3.
- Overwegende dat verzoekster in het tweede middel de schending aanvoert van artikel 14 van het koninklijk besluit van 5 oktober 1959 betreffende de militaire commissies voor geschiktheid en reform, doordat het bestreden besluit niet vermeldt dat zij bij meerderheid van stemmen tot stand gekomen is en er dus niet wordt aangetoond dat de meerderheid van leden van de commissie van beroep instemde met de ongeschiktverklaring van verzoekster; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het bestreden besluit vermeldt dat er toepassing gemaakt is van het koninklijk besluit van 5 oktober 1959, wat betekent dat er bij meerderheid van stemmen beslist is, terwijl geen van de commissieleden een voorbehoud heeft geformuleerd en zij allen het besluit ondertekend hebben; 3.
- Overwegende dat verzoekster repliceert dat uit de vermelding dat de beslissing genomen is in toepassing van het koninklijk besluit van 5 oktober 1959, niet afgeleid mag worden dat zij bij meerderheid van stemmen getroffen is; 3.4.
- Overwegende dat artikel 14 van het koninklijk besluit van 5 oktober 1959 betreffende de militaire commissies voor geschiktheid en reform bepaalt : "Elke commissie doet uitspraak bij meerderheid van stemmen"; IX-2286-11/24 dat die bepaling geen regeling bevat met betrekking tot het bewijs van het stemge- drag van de leden; 3.4.
- Overwegende dat, zoals de Raad van State in zijn arrest nr. 11.723 van 23 maart 1966 inzake SYMONS heeft gewezen, artikel 14 van het koninklijk besluit van 5 oktober 1959 op het vlak van het bewijs van het bestaan van de beslissing niets meer vergt dan wat begrepen is in de gewone regel volgens welke een beslissing van een collectief orgaan slechts bestaat wanneer de meerderheid van de leden ervan hun instemming met het besluit hebben betuigd en dat die regel zo elementair is dat de bevestiging dat het collectief orgaan een bepaalde beslissing genomen heeft, meteen geldt als de bevestiging dat het besluit met de meerderheid van stemmen genomen is; 3.4.
- Overwegende dat de bestreden beslissing opgenomen is in een proces-verbaal van de vergadering van 26 januari 2000 van de commissie van beroep; dat dit proces-verbaal ondertekend is door de voorzitter en de vier leden van de commissie; dat daarmee het bestaan van de beslissing en meteen ook het feit dat de beslissing bij meerderheid van stemmen is genomen, wordt bewezen; dat het middel niet gegrond is; 4.
- Overwegende dat verzoekster in het derde middel de schending aanvoert van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en van de zorgvuldigheidsnorm, doordat het bestreden besluit niet binnen een redelijke termijn tot stand gekomen is en het bestuur de “bij de taakuitoefening betrokken belangen (...) onnodig geschaad heeft”; dat zij uiteenzet dat de procedure voor de beoordeling van haar medische geschiktheid opgestart is in juli 1998 en dat de beslissing slechts 19 maanden later genomen is, terwijl het bestuur reeds in 1998 over alle feitelijke gegevens beschikte om een beslissing te nemen en zijzelf gedurende die lange tijd geen “duurzame beslissing” heeft kunnen nemen over haar professionele en financiële toekomst; dat ook zij wijst op “de kwade trouw” van de MCBGR doordat zij haar beslissing van 24 maart 1999 “zonder enige valabele reden” ingetrokken heeft en zij sinds 24 maart IX-2286-12/24 1999 door geen militair geneesheer meer onderzocht is, hetgeen bewijst dat de verwerende partij de besluitvorming nodeloos en zonder reden heeft gerokken; 4.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat verzoekster geen belang heeft bij het middel aangezien hoe langer de MCBGR haar beslissing uitstelde, hoe meer tijd zij had om te herstellen van haar aandoening en aangezien het ogenblik waarop de ongeschiktheid wordt vastgesteld niet ter zake doet omdat de enige vraag was of verzoekster geschikt was voor de dienst; dat zij voorts betoogt dat artikel 6 EVRM niet geldt voor administratieve organen, dat er geen bepaling bestaat die de MCBGR aan een beslissingstermijn bindt of die haar na verloop van tijd haar beslissingsbevoegdheid doet verliezen zodat de redelijkheid van de gebruikte termijn in concreto beoordeeld moet worden, rekening houdend met de complexiteit van de zaak en de houding van de betrokkene en van het bestuur; dat zij dan met betrekking tot het bestreden besluit, uiteenzet dat voor de beoordeling van de redelijke termijn enkel acht mag geslagen worden op het tijdsverloop tussen de intrekking van het besluit van 24 maart 1999 en de nieuwe beslissing van de MCBGR -drie maanden, hetgeen niet onredelijk lang is- en dat overigens ook “de volledige procedure” niet onredelijk lang aangesleept heeft -ongeveer twintig maanden-, waarbinnen met de nodige ijver voort gewerkt is; 4.
- Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord uiteenzet dat noch de complexiteit van de zaak noch haar houding de overdreven lange termijn van de besluitvorming rechtvaardigde en dat zij nogmaals benadrukt dat de verwerende partij, door de intrekking van haar besluit van 24 maart 1999, het besluitvormingsproces nodeloos vertraagd heeft; dat zij in haar laatste memorie aandacht vraagt voor het feit dat de procedure voor de beoordeling van haar lichamelijke geschiktheid reeds in juli 1998 opgestart was en dat het -volgens haar niet gemotiveerd- intrekkingsbesluit van 27 oktober 1999 dagtekent van zeven maanden na de eerste beslissing, wat betekent dat de verwerende partij de procedure, zonder reden, “bijna 1 jaar gerekt heeft”; IX-2286-13/24 4.4.
- Overwegende dat een beslissing als de bestredene, waarbij het bestuur de lichamelijke geschiktheid van een militair vaststelt, geen betrekking heeft op de vaststelling van burgerlijke rechten, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM; 4.4.
- Overwegende dat geen reglementaire bepaling de MCBGR ertoe verplicht haar beslissing binnen een welbepaalde termijn te nemen; dat zij er krachtens de beginselen van behoorlijk bestuur wel toe gehouden is te beslissen binnen een redelijke termijn; dat evenwel, in tegenstelling met wat verzoekster aanvoert, het overschrijden van die redelijke termijn, in gevallen als het onderhavige waarin het bestuur zich in ieder geval moet uitspreken over de actuele geschiktheid van verzoekster, niet betekent dat de beslissingsbevoegdheid van de commissie van beroep teloorgegaan is -dat met andere woorden zij verzoekster niet meer ongeschikt mocht verklaren-, maar enkel dat daarmee mogelijk aangetoond kan worden dat de beslissing niet steunt op actuele gegevens en dat zij daarom onregelmatig is; 4.4.
- Overwegende, wat de redelijkheid van de door de MCBGR gebezigde beslissingstermijn betreft, dat verzoekster ten onrechte stelt dat de commissie haar besluit van 24 maart 1999 zonder reden ingetrokken heeft; dat immers het besluit van 27 oktober 1999 uitdrukkelijk verwijst naar de “herlezing van haar pv van 24 maart 1999 n.a.v. de kennisname van het verzoekschrift tot nietigverklaring ingediend bij de Raad van State (...)”; dat de commissie daarmee binnen de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid is gebleven en dat zij het intrekkingsbesluit niet onredelijk lang heeft uitgesteld, aangezien het annulatieberoep ingediend was op 22 mei 1999; dat de termijn die de MCBGR vervolgens nodig gehad heeft om een nieuwe beslissing te nemen -van 27 oktober 1999 tot 26 januari 2000- niet buitensporig is, aangezien uit het dossier van de zaak blijkt dat de eerste oproeping voor het onderzoek van verzoekster vastgesteld was op 24 november 1999, dat verzoekster zich niet verzet heeft tegen het uitstel van die zitting, dat zij zelf in de tussenperiode nog stukken naar de commissie heeft opgestuurd en dat zij geenszins aannemelijk maakt dat de MCBGR zich bij het treffen van het bestreden besluit zou gesteund hebben op gegevens die door het verstrijken van de tijd achterhaald waren; dat het middel niet gegrond is; IX-2286-14/24 5.
- Overwegende dat verzoekster in het vierde middel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat zij in het kader van dit middel vooreerst betoogt dat in het bestreden besluit niet wordt aangetoond dat de “borderline persoonlijkheidsstoor- nis” een ziektebeeld is dat valt onder het keuringscriterium 513 van het koninklijk besluit van 5 november 1971, dat de ziekte waaraan zij lijdt van die aard is dat zij beantwoordt aan het cijfer 5 van factor E van tabel 1 van het koninklijk besluit van 28 augustus 1981, zijnde de enige quotering die de ongeschiktheid voor de dienst tot gevolg heeft en dat zij zou lijden aan “manifeste geestesstoornissen” zoals vermeld onder de nummers 511, 512 en 513 van het koninklijk besluit van 5 november 1971; dat zij vervolgens stelt dat de bestreden beslissing zonder nadere motivering afwijkt van vroegere adviezen van de militaire geneesheren en dat er slechts één negatief verslag bestaat -dat van dokter LAMMENS van 9 juni 1998-, maar dat die geneesheer haar nooit onderzocht heeft en hij zijn advies steunt op een verslag van dokter GABRIELS, hetwelk evenwel nooit in haar dossier neergelegd is en waarmee derhalve geen rekening gehouden mag worden; 5.
- Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt wat volgt : - de borderline persoonlijkheid is een psychopathie in de zin van keuringscriterium 513, aangezien in de algemene onderrichtingen die bij de keuringscriteria zijn gevoegd, wordt uiteengezet dat de lijsten die bij de keuringscriteria gevoegd zijn “slechts als voorbeeld dienen” en aangezien het criterium 513 verwijst naar criterium 301 tot 305 van de internationale classificatie van de ziekten, waarin vermeld is dat het “borderline type” een vorm van “personality disorder”, hetgeen een psychopathie is; - verzoekster brengt in feite opportuniteitskritiek uit op de beslissing van de MCBGR, maar er kan niet aan getwijfeld worden dat zij aan een zware borderline persoonlijkheidsstoornis lijdt die met het criterium E5 gekwalificeerd kon worden; - de MCBGR is niet bevoegd om het medisch profiel van een militair te wijzigen, maar zij kan de definities gebruikt in het koninklijk besluit van 28 augustus 1981 wel hanteren om aan te duiden in welke mate verzoekster aangetast is door de IX-2286-15/24 ziekte; in dit geval heeft zij geoordeeld dat verzoekster tot de categorie E5 behoorde en die beoordeling kan niet ernstig betwist worden, aangezien verzoekster reeds het voorwerp heeft uitgemaakt van een gedwongen opname in het kader van de wet op de bescherming van de persoon van de geesteszieke en zij in die hoedanigheid valt onder het keuringscriterium 514; - de MCBGR motiveert in het bestreden besluit waarom verzoekster definitief ongeschikt is -wegens haar borderline persoonlijkheid- en waarom een tijdelijke ongeschiktverklaring geen oplossing biedt : de lange duur van de therapie, de noodzaak van een quasi permanente medische omkadering en de ondoelmatigheid van een tewerkstelling in de krijgsmacht; - de adviezen van 13 maart 1996 en van 24 april 1996, waarnaar verzoekster verwijst, zijn uitgebracht in het kader van een procedure waarbij verzoekster uiteindelijk geschikt voor de dienst werd bevonden -de beslissing van de MCGR van 11 juni 1996-; het advies van dokter SCHENKELS besloot weliswaar eerst tot de geschiktheid van verzoekster, maar nadien heeft deze geneesheer zijn opstelling veranderd, zoals blijkt uit het advies van dokter KETELERS; - het dossier bevat geen stuk waarin een geneesheer verklaart dat verzoekster niet aangetast is door borderline persoonlijkheidsstoornis of dat zij op relatief korte termijn kan genezen; bovendien leest verzoekster het advies van dokter LAM- MENS verkeerd waar zij denkt dat dit advies steunt op een verslag van geneesheer GABRIELS, aangezien dokter LAMMENS zich gesteund heeft “op het dossier, de anamnese en het onderzoek”; 5.
- Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord nog uiteenzet dat dokter LAMMENS haar nooit gezien heeft en dat de verwerende partij voorbijgaat aan de gunstige verslagen waarin haar werkhervatting gunstig geadviseerd werd; dat zij in haar laatste memorie daar nog aan toevoegt dat de leden van de MCBGR haar niet zelf onderzocht hebben, dat zij zich dus gesteund hebben op de stukken die hen werden voorgelegd en waarin het verslag van dokter LAMMENS, noch het verslag naar hetwelk deze arts verwijst, opgenomen was; IX-2286-16/24 5.4.
- Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen aan het bestuur de verplichting oplegt om in zijn individuele besluiten de precieze redenen te vermelden waarom, in het licht van de toepasselijke wettelijke en verordenende bepalingen, een bepaalde beslissing wordt genomen; dat het bestreden besluit verwijst naar het keuringscriteri- um 513 van het koninklijk besluit van 5 november 1971 en dat er vervolgens wordt uiteengezet waarom, mede op grond van de criteria die gehanteerd worden voor de vaststelling van het medisch geschiktheidsprofiel, tot de definitieve ongeschiktheid wordt beslist; Overwegende dat, blijkens het koninklijk besluit van 5 november 1971 tot vaststelling van de keuringscriteria inzake medische geschiktheid voor de militaire dienst van de dienstplichtigen evenals voor de dienst van de andere militairen en van het personeel van de rijkswacht, het keuringscriterium 513 van de tabel van ziekten en lichaamsgebreken die aanleiding geven tot ongeschiktheid voor de dienst -deel van het hoofdstuk “Geestesafwijkingen”- de benaming “de psychopathieën” draagt, dat het criterium overeenstemt met de criteria 301 tot 305 van de “internatio- nale classificatie van de ziekten” en dat er een niet limitatieve lijst van aandoeningen wordt opgesomd die als een psychopathie beschouwd dient te worden; Overwegende dat het koninklijk besluit van 28 augustus 1981 betreffende het medisch geschiktheidsprofiel en het medisch onderzoek van de kandidaten voor toelating tot de actieve kaders en van de dienstplichtigen, een aantal evaluatiemogelijkheden bevat die toelaat de betrokkene voor de verschillende factoren die bij het geschiktheidsonderzoek aan bod komen in te delen in een waardeschaal van 1 tot 5; dat aldus voor de factor E -te weten “alle niet intellectuele aspecten van de persoonlijkheid, inzonderheid de emotieve stabiliteit, het psychisch evenwicht, de karakterneigingen en de diepe motivering”- de waardeschaal 5 correspondeert met de volgende evaluatie : "Tekens en/of symptomen van decompensatie hebben zich duidelijk voorgedaan in het verleden. IX-2286-17/24 Belangrijke risico's tot decompensatie bestaan zelfs in de situaties van dagelijkse realiteit. De kwetsbaarheid is extreem en de decompensatie is slechts op de limiet vermeden. Het onderzoek laat toe een inadaptie te voorzien voor elke militaire functie. De quotatie vijf geeft aanleiding tot de ongeschiktheid. Zij wordt dus gegeven aan individuen met manifeste geestesstoornissen zoals vermeld onder de nummers 511, 512 en 513 alsook diegenen waarop de algemene opmerking van nummer 514 van toepassing is. Deze nummers verwijzen naar de criteria van de tabel in bijlage aan het koninklijk besluit van 5 november 1971"; 5.4.
- Overwegende dat verzoekster van oordeel is dat niet blijkt dat de borderline persoonlijkheidsstoornis ondergebracht kan worden in het keurings- criterium 513 dat over “de psychopathieën” gaat; dat evenwel uit de “algemeen- heden”, vermeld in de bijlage bij het koninklijk besluit van 5 november 1971, blijkt dat de lijsten die in de aanvullende verklaringen voorkomen slechts de meest voorkomende of karakteristieke aandoeningen bevatten; dat het besluit voor dat criterium 513 overigens ook verwijst naar de rubrieken 301 tot 305 van de “Internationale classificatie van de ziekten” en dat verzoekster de desbetreffende uiteenzetting van de verwerende partij in haar memorie van antwoord -dat het “borderline type” een “personality disorder” is dat op zijn beurt een psychopathie is- niet tegenspreekt of betwist; dat derhalve uit de omstandigheid dat de borderline persoonlijkheidsstoornis niet expliciet vermeld is bij het keuringscriterium 513, niet afgeleid mag worden dat die aandoening niet onder deze rubriek gerangschikt mag worden; Overwegende dat verzoekster voorts van oordeel is dat in het bestreden besluit niet wordt uiteengezet waarom zij het geschiktheidsprofiel E 5 als bedoeld in het koninklijk besluit van 28 augustus 1981 betreffende het medisch geschiktheidsprofiel van de kandidaten voor toelating tot de actieve kaders aangemeten krijgt; dat evenwel de bestreden beslissing uitdrukkelijk verwijst naar “belangrijke risico’s tot decompensatie”, die zich in het recent verleden hebben voorgedaan en naar de psychiatrische behandeling die “volgens experten nog langere tijd nodig blijft” wat neerkomt op een “quasi permanente medische omkadering”, IX-2286-18/24 terwijl het koninklijk besluit van 28 augustus 1981 de quotatie 5 -die aanleiding geeft tot ongeschiktheid- voorziet wanneer het onderzoek toelaat “een inadaptatie te voorzien voor elke militaire functie”; Overwegende dat verzoekster ten onrechte aanvoert dat de bestreden beslissing uitsluitend gebaseerd zou zijn op een ongunstig verslag van dokter LAMMENS en dat die arts haar nooit onderzocht zou hebben; dat immers uit het administratief dossier blijkt dat het attest dat dokter LAMMENS op 27 juli 1998 heeft opgesteld en dat de aanzet is geweest voor het onderzoek van verzoekster door de MCGR, uitdrukkelijk vermeldt dat hij verzoekster “heden” onderzocht heeft; dat verzoekster dat attest “voor gezien” ondertekend heeft; Overwegende dat uit het dossier ook blijkt dat in geen enkel medisch verslag ontkend wordt dat verzoekster aan een ernstige vorm van borderline persoonlijkheidsstoornis lijdt en dat zij daarvoor in behandeling was, maar dat de betreffende specialisten alleen een welwillend oog gehad hebben voor de vragen van de behandelende geneesheren van verzoekster om de verbeteringen die zij vaststel- den, niet te hypothekeren door haar uit het leger te verwijderen; dat aldus, zo bepaalde verslagen inderdaad om therapeutische redenen aanstuurden op een werkhervatting, zulks de MCBGR niet moest verhinderen ook het dienstbelang bij haar beslissing te betrekken en verzoekster bijgevolg “om reden van behoorlijk bestuur” definitief ongeschikt te verklaren; 5.4.
- Overwegende dat het bestreden besluit op afdoende wijze uiteenzet waarom verzoekster in het kader van de geldende reglementering definitief ongeschikt wordt verklaard; dat het middel niet gegrond is; 6.
- Overwegende dat verzoekster in het vijfde middel aanvoert dat het bestreden besluit niet in rechte gemotiveerd is, doordat het stelt dat zij ongeschikt is voor de dienst “in toepassing van artikel 117 § 2 van de wet van 14 februari 1961", terwijl die bepaling enkel vaststelt wie bevoegd is om een beslissing te nemen over de lichamelijke ongeschiktheid die een recht opent op een pensioen ten laste van de IX-2286-19/24 Schatkist; dat zij betoogt dat de ongeschiktverklaring door de MCBGR voor haar het recht op een pensioen opent maar dat zulks gebeurt in toepassing van de wet van 12 juli 1973 en de samengeordende wetten op de militaire pensioenen; 6.
- Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat het bestreden besluit verwijst naar het koninklijk besluit van 5 oktober 1959 en naar de keuringscriteriatabel gevoegd bij het koninklijk besluit van 5 november 1971, terwijl uit de formulering van het vierde middel blijkt dat verzoekster de motivering in rechte van het bestreden besluit goed kent; dat zij daar aan toevoegt dat uit de formulering van het middel zelf blijkt dat verzoekster wist welke statutaire bepalingen vermeld hadden moeten worden en dat verzoekster bijgevolg geen belang heeft bij het middel; 6.
- Overwegende dat artikel 117, § 2, van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel bepaalt dat de ongeschiktheid die rechten op een voortijdig pensioen ten laste van de Staat opent, voor wat de militairen betreft, slechts mag vastgesteld worden door de militaire commissies voor geschiktheid en reform; dat die bepaling dus wel degelijk een rechtsgrond vormt voor het bestreden besluit; dat verzoekster wel terecht opmerkt dat die wetsbepaling niet de grondslag vormt om haar definitief ongeschikt te verklaren; dat evenwel te dien aanzien vastgesteld wordt dat verzoekster, blijkens de uiteenzetting van haar middel, een degelijke kennis heeft van de reglementering die voor het bestuur de mogelijkheid opent om een lichamelijk ongeschikt personeelslid buiten de dienst te plaatsen met recht op pensioen, zodat de omstandigheid dat het bestreden besluit niet expliciet naar die reglementering verwijst, haar niet benadeeld kan hebben; dat het middel niet gegrond is; 7.
- Overwegende dat verzoekster in het zesde middel de schending aanvoert van haar rechten van verdediging doordat het dossier heel wat stukken bevat die voor haar gunstig zijn en zij bijgevolg niet inziet hoe de verwerende partij op basis van de wijziging van haar geneeskundig profiel en het verslag van één geneesheer onbevooroordeeld tot de bestreden beslissing is kunnen komen zonder de door haar naar voren geschoven gegevens terzijde te laten; IX-2286-20/24 7.
- Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat het recht van verdediging, behoudens andersluidende bepaling enkel geldt in straf- en tuchtzaken en dat, in ieder geval, verzoekster in elk stadium van de besluitvorming de gelegenheid gehad heeft om haar standpunt op nuttige wijze naar voren te brengen; 7.
- Overwegende dat de verwerende partij terecht opmerkt dat het recht van verdediging als zodanig enkel van toepassing is in straf- en tuchtzaken, wat hier niet het geval is; dat de omstandigheid dat de MCBGR niet expliciet geantwoord heeft op de argumentatie die verzoekster en haar geneesheren aan het bestuur hebben overgemaakt, niet betekent dat de commissie van beroep met die gegevens geen rekening gehouden heeft; dat het middel niet gegrond is; 8.
- Overwegende dat verzoekster in het zevende middel de schending aanvoert van “de fair-playnorm”, doordat zij nooit in de gelegenheid gesteld is na te gaan of de geneesheren die in de MCBGR zetelden wel minstens vijftien jaar gediplomeerd zijn, zoals voorgeschreven door artikel 5 van het koninklijk besluit van 5 oktober 1959; dat zij vraagt dat de Raad van State ter zake een onderzoeks- maatregel zou bevelen en dat zij voorts betoogt dat zij er recht op heeft beoordeeld te worden door een onpartijdige instantie, in welk verband zij dan haar argumentatie, ontwikkeld bij het eerste middel herneemt; 8.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord, met verwijzing naar stukken uit het administratief dossier dat zij voorlegt, bevestigt dat “alle zetelende artsen 15 jaar gediplomeerd zijn” en dat zij “voor het overige” naar haar uiteenzetting betreffende het eerste middel verwijst; bevestigt dat alle artsen die deel uitmaakten van de commissie van beroep die verzoeker onderzocht heeft vijftien jaar gediplomeerd waren; 8.
- Overwegende dat verzoekster noch in haar memorie van weder- antwoord noch in haar laatste memorie de bewijsvoering van de verwerende partij betwist heeft; dat er derhalve geen reden is om ter zake een bijkomend onderzoek in IX-2286-21/24 te stellen; dat verzoekster na de neerlegging van het administratief dossier haar kritiek op de samenstelling van de commissie van beroep niet heeft geconcretiseerd; dat de Raad van State dan ook enkel kan vaststellen dat verzoekster de bewijzen overgelegd door de verwerende partij niet ontkracht; Overwegende dat de kritiek van verzoekster ten aanzien van de beweerde partijdigheid van de leden van de commissie van beroep reeds is weerlegd bij de bespreking van het eerste middel; Overwegende dat het middel in zijn geheel niet gegrond is; 9.
- Overwegende dat verzoekster in het achtste middel, ter onder- steuning van het vierde en het zesde middel, de schending aanvoert van de beginselen van behoorlijk bestuur, van het evenredigheids- en van het redelijkheidsbeginsel; dat zij betoogt dat de MCBGR “met miskenning van de principes van de rechten van verdediging zonder grondig onderzoek en motivering onmiddellijk beslist heeft tot de ultieme maatregel te weten de definitieve ongeschiktheid” waardoor “de beslissing op onredelijke wijze tot stand werd gebracht en niet evenredig is met de belangen van zowel de dienst als van betrokkene”; dat zij toelicht dat het statutair mogelijk was dat de commissie van beroep haar tijdelijk ongeschikt verklaarde, hetgeen een tijdelijke oppensioenstelling mogelijk had gemaakt; 9.
- Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt dat het redelijkheidsbeginsel, waarvan het evenredigheidsbeginsel een concrete toepassing is, slechts ter sprake komt wanneer vast staat dat het bestreden besluit op rechtens relevante motieven berust -wat het geval is, gelet op de weerlegging van het vierde en het vijfde middel- maar er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen die motieven en de uiteindelijk genomen beslissing, hetgeen hier niet het geval is; 9.
- Overwegende dat verzoekster in haar laatste memorie uiteenzet dat diverse militaire geneesheren hadden vastgesteld dat een werkhervatting tot de IX-2286-22/24 mogelijkheden behoorde en dat, indien de commissie haar het profiel E 4 had toegekend, zij niet ongeschikt voor de dienst verklaard moest worden; 9.3.
- Overwegende dat verzoekster dit middel koppelt aan het vierde en het zesde middel; dat uit de vaststelling dat het bestreden besluit wel degelijk gemotiveerd is -vierde middel- en dat er geen sprake kan zijn van de miskenning van de rechten van verdediging van verzoekster -zesde middel- dan ook volgt dat het bestuur niet onredelijk gehandeld heeft; 9.3.
- Overwegende dat de schending van het evenredigheidsbeginsel slechts dienstig kan worden ingeroepen wanneer het bestuur bij het nemen van een beslissing -zoals in tuchtzaken-, discretionair een keuze moet maken onder verschillende mogelijkheden om een bepaalde feitelijke situatie te beantwoorden; dat in gevallen als het onderhavige de commissie van beroep die keuzemogelijkheid niet heeft, aangezien zij enkel kan nagaan of de voorwaarden vervuld zijn om tot hetzij een tijdelijke hetzij een definitieve werkonbekwaamheid te besluiten; 9.3.
- Overwegende dat het middel in zijn geheel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien september 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : IX-2286-23/24 de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2286-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.859 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div