id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.862 Rolnummer: A. 86852/IX-2018 Zaak: Arrest 134862 - - 14/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-04 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-04 08:53 Fiche Arrest nr 134.862 van 14 september 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.862 van 14 september 2004 in de zaak A. 86.852/IX-
- In zake : Jos DE SCHAUWER, wonende te MECHELEN, Baron Empainlaan 115 tegen : het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW) van BOOM, dat woonplaats kiest bij advocaat I. OPDEBEEK, kantoor houdende te AARTSELAAR, Karel van de Woestijnelaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jos DE SCHAUWER op 20 september 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “
- De beslissing van het Vast Bureau van het OCMW Boom d.d. 21.04.1999 'om de ongunstige eindevaluatie te handhaven zodat de afdanking ingaat op 01.05.1999 mits de inachtneming van een opzeggingstermijn van 1 maand'. (...)
- De beslissing van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn van het OCMW Boom d.d. 10.03.1999 om 'ontslag te verlenen aan dhr. Jozef DE SCHAUWER (verzoeker), op proef benoemd als hoofd van de logistieke diensten, wanneer het Vast Bureau zetelend als beroepsorgaan bij personeelsevaluaties de ongunstige eindevaluatie handhaaft en met inachtname van een opzeggingstermijn van 1 maand die ingaat op de eerste van de maand volgend op de beslissing van het Vast Bureau in functie van beroepsorgaan'; en IX-2018-1/16
- De beslissing van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn van het OCMW Boom d.d. 05.05.1999 om de hiervoor vermelde 'beslissing van 10.03.1999 houdende het ontslag van het hoofd van de logistieke dienst, dhr. Jozef DE SCHAUWER (...), na ongunstige evaluatie te bekrachtigen' en 'het ontslag [te laten ingaan] op 1 mei 1999 mits de inachtneming van een opzeggingstermijn van 1 maand' "; Gelet op het arrest nr. 85.650 van 28 februari 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 21 april 2000 door verzoeker; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. THYS; Gelet op de beschikking van 9 juli 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 20 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 mei 2004; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. MARTENS, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat I. OPDEBEEK, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-2018-2/16 Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. THYS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoeker, die het diploma heeft behaald van industrieel ingenieur bouwkunde, is bij besluit van 11 maart 1998 van de raad voor maatschappelijk welzijn van Boom met ingang van 1 april 1998 op proef aangesteld als hoofd van de logistieke diensten van het centrum. Zijn proeftijd duurt één jaar en eindigt derhalve op 31 maart
- 1.
- Op 22 april 1998 beslist het vast bureau van de raad voor maatschappelijk welzijn verzoeker aan te stellen als leidend ambtenaar van een project betreffende de bouw van een rust- en verzorgingstehuis. Verzoeker wordt belast met “de leiding van en het toezicht op de uit te voeren werken, leveringen en dienstenprestaties noodzakelijk voor het verwezenlijken van de opdracht”. 1.
- Op 21 augustus 1998 ontvangt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (hierna : OCMW) van Boom vanwege het bedrijf dat de bouwwerken uitvoert, een brief waarin een opsomming wordt gegeven van “onredelijkheden, vanwege de leidend ambtenaar” die elke samenwerking onmogelijk maken en aanleiding hebben gegeven tot een feitelijke stillegging van de werf. 1.
- Op 31 augustus 1998 besluit het vast bureau, onder het agendapunt “functie-inhoud leidend ambtenaar” “de functie van leidend ambtenaar te herdefiniëren volgens het organigram met bijgaande toelichting, zoals gevoegd in bijlage”. IX-2018-3/16 1.
- Op 1 december 1998 besluit het vast bureau, onder het agendapunt “schadeclaim nv Dillen” : “Gelet op de schadeclaim van de nv Dillen, naar aanleiding van de schorsing van de werken in de loop van de maand augustus; Gehoord de toelichting van dhr. J. Dirix met betrekking tot de juridische gevolgen van deze schorsing en betreffende de grond van de schadeclaim; Gelet op het gesprek dat plaatsvond tussen het Vast Bureau en dhr. De Schauwer aangaande het functioneren van de betrokken ambtenaar; Gehoord de toelichting van dhr. De Schauwer betreffende de redenen voor het niet verlenen van toelating tot gebruik van de snelbouwsteen, die hebben geleid tot de schorsing van de werken; (...) Art.1.- Over te gaan tot de herdefiniëring van de funktieinhoud van de ingenieur. Voortaan zal hij de funktie van technisch adviseur voor het bestuur waarnemen. Art.2.- Aan deze herdefiniëring van de funktieinhoud van de ingenieur dient het verval van de geldelijke schadeclaim van de nv Dillen verbonden te zijn. Wanneer de firma Dillen zich niet akkoord verklaart met het verval van deze schadevordering zal ook deze herdefiniëring van de funktieinhoud van de ingenieur vervallen”. 1.
- Op 26 januari 1999 heeft er tussen de secretaris van het OCMW en verzoeker een functioneringsgesprek plaats. Uit het “formulier functioneringsgesprek”, dat door verzoeker “voor kennisneming” wordt ondertekend, blijkt dat de volgende “afspraken” worden gemaakt : “
- Communicatie verloopt met een aantal medewerkers eerder stroef. Ook met een aantal medewerkers van andere diensten zijn er soms communicatieproblemen. De interne communicatie is dus zeker voor verbetering vatbaar. Het hoofd van de logistieke diensten engageert zich om op dit vlak een gunstige evolutie te bewerkstelligen.
- De externe communicatie (vooral met de aannemer van het rusthuis) verloopt op een eerder vijandige manier. Dit leidt tot een zeer grimmige sfeer op de werf. De grond van het conflict ligt duidelijk bij de beide partijen. Een inspanning op het vlak van communicatie met externen is absoluut noodzakelijk.
- Het opvolgen van de begroting van de dienst, dient naar de toekomst een duidelijk aandachtspunt te worden. Een grotere efficiëntie en een doordacht prijsonderzoek kunnen hier zeker besparingen opleveren. Secretaris en ontvanger zullen hiertoe de nodige toelichting geven. IX-2018-4/16
- Er werd mooi werk geleverd op het vlak van het op punt stellen van de werkschema’s in de keuken. Alleen de manier waarop de verandering aan het personeel werd aangekondigd is in de toekomst voor verbetering vatbaar. Ook voor diensten als de wasserij en de werkliedenploeg dringt zich een soortgelijke oppuntstelling op.
- Het opvolgen en controleren van werken in uitvoering en van uitgevoerde werken verloopt naar wens voor de werken in eigen beheer, maar verloopt stroef voor een aantal uitbestede werken (o.a. conflict met Dillen). Controle gebeurde in conflictuele sfeer en niet in een constructieve sfeer. Grond van het conflict ligt wel bij de beide partijen.
- Samenwerking met de veiligheidschef loopt goed. De afwezigheden van de veiligheidschef moeten gedeeltelijk ook door het hoofd van de logistieke diensten opgevangen kunnen worden. Een grotere responsabilisering van de adjunct-veiligheidschef dringt zich op.
- Het geven van financieel advies bij bepaalde technische aankopen wordt zeker geapprecieerd. Het prijsbewust zijn bij aankopen is een essentieel element binnen deze funktie.
- Het verlenen van beleidsadvies omtrent technische aangelegenheden dient op reguliere basis te gebeuren, hetzij binnen de koepelvergadering, hetzij binnen andere organen voor zover het technische aangelegenheden betreft”. 1.
- Op 3 maart 1999 heeft er tussen de secretaris van het OCMW en verzoeker een evaluatiegesprek plaats. Uit het evaluatieformulier, dat op 10 maart 1999 door beiden “voor kennisneming” wordt ondertekend, blijkt dat verzoeker met betrekking tot vier beoordelingscriteria lager is gequoteerd dan wat minimaal vereist is. Voorts bekomt verzoeker met betrekking tot één criterium de quotering “voldoende” en met betrekking tot vier andere criteria de quotering “zeer goed”. De “kwalitatieve beschrijvende evaluatie” luidt als volgt : “- Doelstellingen opgenomen in de functiebeschrijving werden gedeeltelijk gerealiseerd. Er waren vooral problemen op het vlak van interne en externe communicatie; - nastreven van kwaliteit van uitvoering is zeer sterk aanwezig. Soms naar perfectionisme neigend; - manier van werken is zeer stipt en ook efficiënt; - dienstverlening naar de burger is goed, zonder van een echte cliënt- vriendelijkheid te kunnen spreken; - leiding geven vormt een fundamenteel probleem en is voor een deel van de logistieke medewerkers demotiverend; - medewerker is creatief en draagt regelmatig oplossingen aan; IX-2018-5/16 - medewerker staat open voor veranderingen zonder dit als één van zijn basisdoelstellingen te formuleren; - ondersteuning werd in het verleden geleverd maar enkel op verzoek van de secretaris. Eigen initiatief werd op dit vlak weinig genomen; - samenwerking met de rest van de logistieke ploeg was regelmatig gespannen. Spanningen waren er sporadisch ook met andere leidinggevenden”. De “motivatie” luidt als volgt : “De medewerker heeft op technisch gebied voor het bestuur een meerwaarde betekend tijdens het voorbije jaar. Het technisch advies was steeds toereikend en correct. Het fundamenteel probleem situeert zich evenwel op de volgende vlakken : - enerzijds het leiding geven, anderzijds de interne en externe communicatie. Deze communicatie gebeurt op een dusdanige manier dat zij vaak tot irritatie en frustratie aanleiding geeft. Het voorbije jaar zijn er dan ook regelmatig spanningen geweest met de aannemer van de ruwbouw van het rusthuis, met de geranten in de keuken, met de nieuwe catering-firma, met de onderhoudsfirma van de branders in wasserij en rusthuis, met de direktie van het ziekenhuis, maar vooral met de medewerkers van onze logistieke diensten en dit zowel bij de werklieden, als in de keuken en de wasserij”. De secretaris vermeldt volgend “actieplan” : “Een funktie in staf als ingenieur of als technisch medewerker of adviseur is voor het betrokken personeelslid [onleesbaar]. Zijn technisch inzicht en kennis zijn in ruime mate aanwezig. Een funktie als hoofd, waarin het leidinggevend aspekt nadrukkelijk aanwezig is, past niet bij het profiel van deze medewerker. Het is noch voor hemzelf, noch voor zijn ondergeschikten, een aangewezen funktie. Wij zouden daarom durven adviseren om niet tot een statutaire aanstelling over te gaan”. De secretaris besluit aldus tot een ongunstige eindbeoordeling. 1.
- Op 10 maart 1999 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn ontslag te verlenen aan verzoeker, wanneer het vast bureau zetelend als beroepsorgaan bij personeelsevaluaties de ongunstige eindevaluatie handhaaft en met inachtneming van een opzeggingstermijn van één maand die ingaat op de eerste van de maand volgend op de beslissing van het vast bureau in functie van beroepsorgaan. IX-2018-6/16 Deze beslissing maakt het tweede voorwerp uit van het onderhavige beroep tot nietigverklaring. 1.
- Overeenkomstig artikel 85 van het administratief statuut van het personeel van het OCMW van Boom brengt een adviescommissie, samengesteld uit de secretarissen van de OCMW’s van Rumst en Niel, op 19 april 1999 ten behoeve van het vast bureau een advies uit over de ongunstige evaluatie van verzoeker. De adviescommissie besluit dat de betwiste evaluatie gemotiveerd en gerechtvaardigd is. 1.
- Op 21 april 1999 wordt verzoeker door het vast bureau gehoord. Onder verwijzing naar de ongunstige evaluatie van 3 maart 1999, het verslag van de adviescommissie van 19 april 1999 en het verhoor van verzoeker, beslist het vast bureau “de ongunstige eindevaluatie te handhaven zodat de afdanking ingaat op 01/05/1999 mits de inachtneming van een opzeggingstermijn van 1 maand”. Deze beslissing maakt het eerste voorwerp uit van het onderhavige beroep tot nietigverklaring. 1.
- Op 5 mei 1999 beslist de raad voor maatschappelijk welzijn, onder verwijzing onder meer naar het besluit van 21 april 1999 van het vast bureau, zijn beslissing van 10 maart 1999 houdende het ontslag van verzoeker te bekrachtigen. Het ontslag gaat in op 1 mei 1999, met inachtneming van een opzeggingstermijn van één maand. Deze beslissing maakt het derde voorwerp uit van het onderhavige beroep tot nietigverklaring. 1.
- Met aangetekende brieven van 12 mei 1999 en 16 juni 1999 dient verzoeker bij de gouverneur van de provincie Antwerpen bezwaar in tegen IX-2018-7/16 respectievelijk de beslissing van 21 april 1999 van het vast bureau en de beslissing van 5 mei 1999 van de raad voor maatschappelijk welzijn. 1.
- Met een aangetekende brief van 19 juli 1999 en een brief van 6 augustus 1999 deelt de provinciegouverneur aan verzoeker mede dat hij geen reden ziet om in het kader van het algemeen administratief toezicht tegen de voormelde beslissingen op te treden. 1.
- Met aangetekende brieven van 17 en 27 augustus 1999 dient verzoeker bij de Vlaamse minister die de binnenlandse aangelegenheden onder zijn bevoegdheid heeft, bezwaar in tegen respectievelijk de beslissing van 21 april 1999 van het vast bureau en de beslissing van 5 mei 1999 van de raad voor maatschappelijk welzijn, alsook telkens tegen de weigering van de provinciegouverneur om tegen die beslissingen op te treden. 1.
- Met een brief van 6 september 1999 deelt de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport aan verzoeker mede dat de provinciegouverneur met zijn brief van 19 juli 1999 de mogelijkheden om in het kader van het administratief toezicht op te treden, heeft uitgeput en dat verzoeker zich nog slechts tot de Raad van State kan wenden. 2.1.
- Overwegende dat verzoeker tegen de eerste bestreden beslissing in een eerste middel de schending aanvoert van de bepalingen van het administratief statuut betreffende het voeren van functioneringsgesprekken en betreffende de evaluatie, doordat, ten eerste, het functioneringsgesprek met verzoeker niet tijdens de eerste helft van zijn proeftijd, maar pas op 26 januari 1999 plaats heeft gehad, zodat de evaluatie van verzoeker op 3 maart 1999 te snel op het functioneringsgesprek is gevolgd, doordat, ten tweede, verzoeker niet bij de aanvang van zijn proeftijd, maar pas op de datum van het functioneringsgesprek in het bezit is gesteld van een functiebeschrijving en hij bovendien niet officieel op de hoogte is gebracht van de wijzigingen die tot twee keer toe aan zijn functiebeschrijving zouden zijn aangebracht, en doordat, ten derde, ondeugdelijke motieven aan de grondslag IX-2018-8/16 hebben gelegen van de herdefiniëring van verzoekers functie; dat verzoeker wat het eerste onderdeel van dat eerste middel betreft verwijst naar de artikelen 39 en 73 van het administratief statuut van het personeel van het OCMW van Boom, naar luid waarvan met het op proef benoemde personeelslid een functioneringsgesprek wordt gevoerd tijdens de eerste helft van de proefperiode; dat hij het belang van het functioneringsgesprek afleidt uit de bepalingen van de artikelen 64 en 65 van het administratief statuut, welke eerstgenoemde bepaling onder meer stelt dat de evaluatie afweegt in welke mate de vooropgestelde doelstellingen zijn bereikt en het betrokken personeelslid beantwoordt aan de functiebeschrijving, terwijl luidens de laatstgenoemde bepaling het functioneringsgesprek een essentieel bestanddeel is van het personeelsbeleid, dat voor alle personeelsleden geldt, en het een gesprek betreft tussen chef en medewerker dat de begeleiding van de medewerker naar de optimale uitoefening van de functie beoogt; dat verzoeker betoogt dat pas op 26 januari 1999 met hem een functioneringsgesprek werd gevoerd, terwijl dit gesprek uiterlijk op “11.06.1999” -lees: 30.09.1998- plaats had moeten hebben en dat ingevolge deze onregelmatigheid de evaluatie van zijn functioneren te snel op het functioneringsgesprek is gevolgd; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de ratio legis van de artikelen 39 en 73 van het administratief statuut erin bestaat dat het personeelslid tijdens de proefperiode tijdig op de hoogte moet worden gebracht van eventuele opmerkingen en door het bestuur verwachte evoluties om tot een aanvaardbaar en optimaal functioneren te komen; dat volgens haar uit het besluit van 31 augustus 1998 van het vast bureau, hetwelk dateert van tijdens de eerste helft van de proefperiode, blijkt dat er voorafgaandelijk een gesprek plaats heeft gehad tussen verzoeker en de secretaris, die de enige beoordelaar van verzoeker is, dat het besluit van 1 december 1998 van het vast bureau dan weer verwijst naar een voorafgaand gesprek tussen verzoeker en de leden van het vast bureau en dat, alhoewel die gesprekken niet formeel kunnen worden opgevat als functioneringsgesprekken, ze inhoudelijk wel als zodanig kunnen worden beschouwd: het bestuur heeft immers gepoogd de taak en de opdrachten van verzoeker dermate aan te passen dat een aanvaardbaar functioneren mogelijk zou worden en de beslissingen van het vast IX-2018-9/16 bureau werden achteraf ook met verzoeker besproken; dat de verwerende partij erop wijst dat bovendien op 26 januari 1999, dat is binnen zes maanden na de eerste herdefiniëring van verzoekers functioneren, ook een formeel functioneringsgesprek plaats heeft gehad, waarbij ten aanzien van verzoeker duidelijke verwachtingen werden geformuleerd aangaande een verbetering van zijn functioneren op het vlak van interne en externe communicatie en leidinggeven; dat de verwerende partij hieruit besluit dat verzoeker tijdig op de hoogte is gebracht van het problematische karakter van zijn functioneren en dat hem een redelijke termijn werd gegund om dat te verhelpen; dat zij vervolgt dat, zelfs indien het houden van een formeel functioneringsgesprek tijdens de eerste helft van de proeftijd een substantieel vormvereiste zou zijn, dan nog de miskenning van dat vereiste in de onderhavige zaak niet tot de vernietiging van de bestreden beslissingen kan leiden, omdat de ratio legis van de artikelen 39 en 73 van het administratief statuut werd gerespecteerd, zodat verzoeker niet in zijn belangen werd geschaad; dat volgens de verwerende partij niet kan worden aangenomen dat de evaluatie van verzoekers functioneren te kort op het functioneringsgesprek is gevolgd : verzoeker was minstens sinds het gesprek van 31 augustus 1998 met de secretaris op de hoogte van de bezwaren tegen zijn wijze van functioneren, tussen de gesprekken met verzoeker op 31 augustus 1998, 1 december 1998 en 26 januari 1999 eensdeels en zijn evaluatie op 3 maart 1999 anderdeels was er voldoende tijd opdat verzoeker zijn gedrag en werkwijze had kunnen aanpassen; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker repliceert dat het gesprek dat voorafgaandelijk aan de beslissing van 31 augustus 1998 van het vast bureau met hem werd gevoerd, ook inhoudelijk niet als een functioneringsgesprek kan worden opgevat; dat volgens hem er geen sprake was van “een gesprek tussen de chef en de medewerker, dat de begeleiding beoogt van de medewerker naar een optimale uitoefening van de functie”, noch van “een lichte bijsturing van de functieomschrijving in onderling overleg tussen de evaluator en verzoeker”; dat het daarentegen ging om een gesprek waarbij, naar aanleiding van een zeer concreet voorval - te weten een brief van een misnoegde aannemer op wiens werkzaamheden verzoeker, als leidend ambtenaar toezicht diende te houden - werd aangekondigd dat IX-2018-10/16 verzoekers functie-inhoud eenzijdig zou worden aangepast; dat de verwerende partij volgens verzoeker in plaats van begeleidend op te treden louter sanctionerend heeft gehandeld; dat verzoeker dan ook staande houdt dat het enige functioneringsgesprek plaats heeft gehad op 26 januari 1999, dat wil zeggen tijdens de tweede helft van zijn proefperiode en dus laattijdig; dat hij betoogt dat de schending van dit substantieel vormvereiste hem wel degelijk in zijn belangen heeft geschaad, doordat hem te weinig tijd restte om zijn functioneren bij te sturen en dat overigens het functioneringsverslag aan verzoeker alleen voor kennisneming werd voorgelegd, terwijl een afschrift ervan hem slechts werd bezorgd ná het evaluatieverslag, wat het hem moeilijker heeft gemaakt om zijn gedrag -voorzover als nodig- in overeenstemming te brengen met de opmerkingen van zijn beoordelaar; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in de laatste memorie nog doet gelden dat het gesprek tussen verzoeker en de secretaris, tevens enig evaluator, en het gesprek tussen verzoeker en de leden van het vast bureau, weliswaar niet beantwoorden aan de formele kennisgevingsvereisten van een functioneringsgesprek zoals bedoeld in artikel 78 van het personeelsstatuut, maar zij inhoudelijk wel als zodanig kunnen worden beschouwd, aangezien een functioneringsgesprek in artikel 65 wordt omschreven als een gesprek tussen de chef en de medewerker, dat de begeleiding beoogt van de medewerker naar de optimale uitoefening van de functie, en in casu inderdaad door het bestuur pogingen werden ondernomen om de taak en de opdrachten van het betrokken personeelslid dermate aan te passen dat een aanvaardbaar functioneren mogelijk zou worden; dat de beslissingen van het vast bureau telkens ook achteraf werden besproken tussen de secretaris en verzoeker en hem ter inzage werden gegeven; dat tevens binnen zes maanden na de eerste heromschrijving van de functie-inhoud een formeel functioneringsgesprek werd gevoerd (nl. op 26 januari 1999), waarbij duidelijk verwachtingen werden genoteerd over een verbetering in het functioneren rond interne en externe communicatie enerzijds en leidinggeven anderzijds; dat de verwerende partij daaruit concludeert dat het personeelslid tijdig (nl. binnen de termijn van de eerste zes maanden van de proefperiode) op de hoogte werd gebracht van de problemen en hem een redelijke termijn werd gegund om hierin verbetering te brengen en dat, indien het houden van IX-2018-11/16 een formeel functioneringsgesprek binnen de termijn van zes maanden als een substantieel vormvereiste zou kunnen worden beschouwd, het dus geenszins bewezen is dat de betrokkene geschaad zou zijn door het feit dat geen formeel functioneringsgesprek heeft plaatsgevonden, en dat een schending van een substantieel vormvereiste alleen tot de vernietiging van de bestreden beslissing moet leiden wanneer de betrokkene door de schending werd geschaad in zijn belangen; dat volgens de verwerende partij ook niet kan worden aangenomen dat het evaluatiegesprek veel te snel volgde op het functioneringsgesprek, aangezien verzoeker reeds minstens sinds het gesprek van 31 augustus 1998 op de hoogte was van de opmerkingen, zodat tussen de gesprekken met verzoeker op 31 augustus 1998 en 1 december 1998 en de evaluatie op 3 maart 1999 dan ook een voldoende ruime tijdspanne lag, waarin aan verzoeker de mogelijkheid werd gegeven zijn gedrag en werkwijze aan te passen en ook tussen het officiële functioneringsgesprek van 26 januari 1999 en de beoordeling van 3 maart 1999 nog zes weken lagen, zodat verzoeker over een voldoende ruime periode beschikte om zijn gedrag aan te passen; 2.2.
- Overwegende dat luidens artikel 39, eerste lid, van het administratief statuut van het personeel van het OCMW van Boom, met het op proef benoemde personeelslid tijdens de eerste helft van de proefperiode een functioneringsgesprek wordt gevoerd en dat één maand vóór het einde van de proeftijd het personeelslid wordt geëvalueerd; dat dit voorschrift herhaald wordt in artikel 73 van het administratief statuut; dat volgens artikel 65 van het administratief statuut het functioneringsgesprek een essentieel bestanddeel is van het personeelsbeleid en het geldt voor alle personeelsleden; dat het functioneringsgesprek wordt omschreven als een gesprek tussen chef en medewerker dat de begeleiding van de medewerker naar de optimale uitoefening van de functie beoogt; 2.2.
- Overwegende dat uit die bepalingen moet worden afgeleid dat het functioneringsgesprek tijdens de proeftijd dient om het op proef benoemde personeelslid in de mogelijkheid te stellen zijn functioneren aan te passen aan de opmerkingen die door zijn chef dienaangaande worden gemaakt, zodat dat personeelslid op het einde van zijn proeftijd een gunstige evaluatie kan krijgen; dat IX-2018-12/16 om die aanpassing nog tot een reële mogelijkheid te maken, vereist is dat het functioneringsgesprek tijdig plaatsvindt, te dezen tijdens de eerste helft van de proefperiode; 2.2.
- Overwegende dat in de onderhavige zaak niet blijkt dat er tijdens de eerste helft van de proefperiode van verzoeker een functioneringsgesprek plaats heeft gehad zoals bedoeld in artikel 65 van het administratief statuut; dat, immers, pas op 26 januari 1999, dit is amper zes weken vóór de evaluatie van verzoekers proeftijd, een functioneringsgesprek plaats heeft gehad waarin het gehele functioneren van verzoeker als hoofd van de logistieke diensten werd geanalyseerd en geapprecieerd; dat de resterende termijn van zes weken kennelijk ontoereikend was om verzoeker in staat te stellen zijn functioneren aan te passen aan de gemaakte “afspraken”; dat verzoekers belangen dan ook geschaad zijn; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij ten onrechte laat gelden dat verzoeker tijdig op de hoogte was van de opmerkingen van het bestuur betreffende zijn functioneren, waarbij zij argumenteert dat uit de besluiten van 31 augustus 1998 en 1 december 1998 van het vast bureau, waarvan het eerste dateert van de eerste helft van verzoekers proefperiode, blijkt dat er telkens een gesprek met verzoeker over zijn wijze van functioneren werd gevoerd; dat die gesprekken inhoudelijk echter niet als functioneringsgesprekken in de zin van het statuut kunnen worden aangemerkt; dat immers nergens uit blijkt dat die gesprekken het gehele functioneren van verzoeker als hoofd van de logistieke diensten als voorwerp zouden hebben gehad; dat uit de besluiten van 31 augustus 1998 en 1 december 1998 van het vast bureau slechts kan worden afgeleid dat met verzoeker een gesprek werd gevoerd naar aanleiding van de moeilijkheden die waren gerezen met de aannemer van de bouwwerken van een rust- en verzorgingstehuis waarvoor verzoeker als leidend ambtenaar was aangewezen; dat de wijze waarop verzoeker als leidend ambtenaar van die werken is opgetreden echter slechts een deelaspect betreft van het gehele functioneren van verzoeker als hoofd van de logistieke diensten; dat tijdens het functioneringsgesprek van 26 januari 1999 dan nog andere IX-2018-13/16 aspecten ter sprake zijn gekomen die mede tot verzoekers ongunstige evaluatie hebben geleid, inzonderheid de gebrekkige interne communicatie ten aanzien van de medewerkers van de eigen diensten; dat overigens verzoekers chef in het formulier “functioneringsgesprek” van 26 januari 1999 vermeldt dat de grond van het conflict met de aannemer “duidelijk bij de beide partijen [ligt]”; dat voorts uit het dossier van de zaak niet blijkt dat ter gelegenheid van de gesprekken die voorafgaandelijk aan de besluiten van 31 augustus 1998 en 1 december 1998 van het vast bureau met verzoeker werden gevoerd en waarvan het tweede géén gesprek was tussen verzoeker en zijn chef, maar tussen verzoeker en het vast bureau, met verzoeker zelf concrete afspraken werden gemaakt over diens verder functioneren, laat staan dat die afspraken werden geformaliseerd en na ondertekening door verzoeker in diens evaluatiedossier werden opgenomen, zoals voorgeschreven door artikel 77, tweede lid, 8/, en artikel 78 van het administratief statuut; 2.2.
- Overwegende dat het eerste onderdeel van het eerste middel dat verzoeker aanvoert met betrekking tot de eerste bestreden beslissing derhalve gegrond is; dat het leidt tot de nietigverklaring van die beslissing, waarbij verzoekers ongunstige evaluatie wordt gehandhaafd; dat de afdanking van verzoeker door de tweede en de derde bestreden beslissing, uitsluitend gesteund is op deze ongunstige evaluatie; dat ook die beslissingen dienvolgens zijn gevitiëerd, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd worden :
- de beslissing genomen op 21 april 1999 door het vast bureau van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Boom om de ongunstige eindevaluatie van Jos DE SCHAUWER te handhaven zodat de afdanking ingaat op 1 mei 1999 met inachtneming van een opzeggingstermijn van één maand; IX-2018-14/16
- de beslissing genomen op 10 maart 1999 door de raad voor maatschappelijk welzijn van Boom om ontslag te verlenen aan Jos DE SCHAUWER, op proef benoemd als hoofd van de logistieke diensten, wanneer het vast bureau zetelend als beroepsorgaan bij personeelsevaluaties de ongunstige eindevaluatie handhaaft en met inachtneming van een opzeggingstermijn van één maand die ingaat op de eerste van de maand volgend op de beslissing van het vast bureau in functie van beroepsorgaan;
- de beslissing genomen op 5 mei 1999 door de raad voor maatschappelijk welzijn van Boom om de hiervoor sub 2 vermelde beslissing van 10 maart 1999 na ongunstige evaluatie te bekrachtigen en het ontslag te laten ingaan op 1 mei 1999 met inachtneming van een opzeggingstermijn van één maand. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Boom. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien september 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, IX-2018-15/16 S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-2018-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.862 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.85.650 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.