← België

Arrest 134863 - - 14/09/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.863 Rolnummer: A. 94562/IX-3420 Zaak: Arrest 134863 - - 14/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-04 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 08:53 Fiche Arrest nr 134.863 van 14 september 2004 - Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.863 van 14 september 2004 in de zaak A. 94.562/IX-

  1. In zake :
  2. Johny VAN HAMME,
  3. Bianca VEKEMANS, beiden in eigen naam en in hun hoedanigheid van wettige vertegen- woordigers van hun minderjarige kinderen : Mariska, Michael, Matthew, Matthias en Marinka VAN HAMME, die woonplaats kiezen bij advocaat J. DE WINTER, kantoor houdende te GENT, Koning Albertlaan 128 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Johny VAN HAMME en Bianca VEKEMANS, handelende in eigen naam en als wettige vertegenwoordigers van hun minderjarige kinderen : Mariska, Michael, Matthew, Matthias en Marinka VAN HAMME, op 14 augustus 2000 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “
  5. de beslissing van het Comité voor Bijzondere Jeugdzorg Gent-Eeklo d.d. 4 april 2000, ontvangen d.d. 7 april 2000, waarbij de inzage in het hulpverleningsdossier wordt geweigerd;
  6. de beslissing van de afdeling Kanselarij van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap van 8 juni 2000, aan de raadslieden van verzoekende partijen ter IX-3420-1/14 kennis gekomen op 16 juni 2000, waarbij het beroep, ingesteld op grond van artikel 14 Decreet 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur, tegen de beslissing van het Comité voor Bijzondere Jeugdzorg Gent-Eeklo d.d. 4 april 2000, ontvankelijk doch ongegrond werd verklaard”; Gelet op de beschikking van 9 november 2000 waarbij aan verzoekers het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de beschikking van 18 december 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 15 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 mei 2004; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. DE SUTTER, die loco advocaat J. DE WINTER verschijnt voor verzoekers, en van advocaat M. VERMEIRE, die loco advocaat P. DEVERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; IX-3420-2/14 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  7. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  8. De echtgenoten Johny VAN HAMME - Bianca VEKEMANS hebben vijf minderjarige kinderen tussen drie en elf jaar oud. Het gezin wordt reeds geruime tijd begeleid door het comité voor bijzondere jeugdzorg - hierna ook : CBJ - Gent-Eeklo. Begin december 1999 dient het CBJ een bemiddelingsverzoek in bij de bemiddelingscommissie bijzondere jeugdbijstand - hierna ook : BBJ - waarin wordt voorgesteld de vijf kinderen te plaatsen in een instelling. Tijdens de zitting van de BBJ van 14 december 1999 wordt een minnelijke regeling bereikt die onder meer het akkoord van de ouders omvat inzake ambulante thuisbegeleiding van de kinderen. Op 15 december 1999 dient het CBJ een nieuw bemiddelings- verzoek in. Het CBJ stelt de plaatsing van de jongste kinderen en het behoud van de dagcentrumbegeleiding van het oudste kind voor. Na een telefonische weigering op 16 december 1999, bevestigt het CBJ in een brief van 23 december 1999 aan de raadsman van verzoekers dat geen toestemming verleend wordt om het dossier in te zien. 1.
  9. In een brief van 27 december 1999 vraagt de raadsman van verzoekers opnieuw aan het CBJ om inzage te verkrijgen in het dossier van de kinderen “teneinde een zicht te krijgen op de motieven van het CBJ als verzoeker van de plaatsing”. Gesteld wordt dat “als er redenen zijn om te volharden in het plaatsingsvoorstel, dienen deze ten stelligste te blijken uit het dossier”. IX-3420-3/14 Met een brief van 5 januari 2000 antwoordt het CBJ dat het bij zijn standpunt blijft om een nieuw bemiddelingsverzoek houdende plaatsing van de kinderen in te dienen en dat de vraag om inzage van het dossier voor juridisch advies doorgestuurd wordt naar de afdeling Bijzondere Jeugdbijstand te Brussel. Bij aangetekende brief van 19 januari 2000 tekent de raadsman van de echtgenoten VAN HAMME-VEKEMANS beroep aan bij de leidend ambtenaar van de administratie Kanselarij en Voorlichting van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap tegen de beslissing van het CBJ te Gent van 5 januari 2000 waarbij inzage zou zijn geweigerd in het dossier waarop gesteund wordt om een plaatsings- maatregel voor te stellen. 1.
  10. Op 25 januari 2000 beslist de BBJ te Gent om “de zaak uit handen te geven gezien het Comité voor Bijzondere Jeugdzorg niet aanwezig was op de zitting om het bemiddelingsverzoek te bevestigen”. In een brief van 28 januari 2000 meldt de afdeling Kanselarij aan de raadsman van verzoekers dat het beroep tegen de weigering van inzage in het dossier voorbarig is aangezien advies ingewonnen werd bij de afdeling Bijzondere Jeugdbijstand te Brussel en dat het CBJ na ontvangst van dat advies een beslissing zal nemen die zal worden meegedeeld. In een brief van 4 april 2000 deelt het CBJ Gent aan de raadsman van verzoekers mee dat er volgens het advies van de afdeling Bijzondere Jeugd- bijstand, aan het verzoek “om inzage te krijgen in het ganse dossier van de kinderen Van Hamme” geen gevolg kan worden gegeven. Daarbij wordt verwezen naar artikel 8, § 3, 1/, van het decreet van de Vlaamse Raad van 18 mei 1999 en artikel 43 van de gecoördineerde decreten inzake bijzondere jeugdbijstand. Met een brief van 19 april 2000 bevestigt de afdeling Bijzondere Jeugdbijstand te Brussel aan de raadsman van verzoekers dat aan het CBJ Gent werd IX-3420-4/14 geadviseerd dat geen gevolg kan worden gegeven aan het verzoek tot inzage “in het dossier van de minderjarigen”. 1.
  11. Bij aangetekende brief van 18 mei 2000 stelt de raadsman van verzoekers beroep in tegen de beslissing van het CBJ te Gent van 19 april 2000 (bedoeld wordt 4 april 2000) bij de leidend ambtenaar van de administratie Kanselarij en Voorlichting van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. 1.
  12. Met een brief van 8 juni 2000 deelt de directeur-generaal van de administratie Kanselarij en Voorlichting aan de raadsman van verzoekers mee dat het ingestelde beroep tegen de weigering tot inzage in het hulpverleningsdossier ontvankelijk maar niet gegrond is. Wat de gegrondheid betreft, wordt het volgende gesteld : “Artikel 8, § 3, 1/ van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaar- heid van bestuur voorziet uitdrukkelijk de weigeringsgrond om openbaarmaking af te wijzen wanneer deze afbreuk doet aan een bij decreet of wet vastgestelde geheimhoudingsverplichting. Welnu, artikel 43 van de gecoördineerde decreten van 4 april 1990 inzake bijzondere jeugdbijstand stipuleert dat elke persoon die, in welke hoedanigheid ook, zijn medewerking verleent aan de toepassing van de gecoördineerde decreten instaat voor de geheimhouding van de feiten die hem in de uitoefening van zijn opdracht worden toevertrouwd en die hiermee verband houden. De niet-naleving van dit beroepsgeheim wordt trouwens strafrechtelijk gesanctioneerd (artikel 458 Strafwetboek). Deze geheimhoudingsplicht wordt zeer ruim geïnterpreteerd : alleen al het feit van het optreden van jeugdbeschermingsorganen valt onder het beroepsgeheim, de motieven die eraan ten grondslag liggen, de inhoud van sociale verslagen, feiten en inlichtingen die medegedeeld worden en die van aard zijn de integriteit, de eer, het aanzien of de reputatie van de minderjarige of zijn familie te schaden of die, volgens algemeen aanvaarde criteria en normen, niet openbaar mogen worden gemaakt. De afdeling Bijzondere Jeugdbijstand heeft dan ook, verwijzend naar het bovenvermelde, terecht beslist om het hulpverleningsdossier van het Comité voor Bijzondere Jeugdzorg te Gent i.v.m. de kinderen van de familie Van Hamme-Vekemans niet openbaar te maken”. Dat is de bestreden beslissing. IX-3420-5/14 1.
  13. Met een aangetekende brief van 14 augustus 2000 stellen de echtgenoten VAN HAMME-VEKEMANS in eigen naam en in hun hoedanigheid van wettige vertegenwoordigers van hun vijf minderjarige kinderen het onderhavige beroep in tot nietigverklaring van de bovenvermelde beslissing van het CBJ Gent van 4 april 2000 waarbij inzage in het hulpverleningsdossier wordt geweigerd en van de bovenvermelde beslissing van de afdeling Kanselarij van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap van 8 juni 2000 waarbij hun beroep tegen de beslissing van het CBJ Gent van 4 april 2000 ongegrond wordt verklaard.
  14. Over de ontvankelijkheid. 2.1.
  15. Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat verzoekers tijdens de “voorprocedure” niet zijn opgetreden als vertegenwoordigers van hun minderjarige kinderen zodat het annulatieberoep niet ontvankelijk is in de mate dat zij nu voor de Raad van State wel in de hoedanigheid van wettige vertegen- woordigers van hun kinderen optreden; dat zij in haar laatste memorie preciseert dat uit geen enkel geschrift tijdens die voorprocedure blijkt dat verzoekers ook zijn opgetreden als de vertegenwoordigers van hun minderjarige kinderen : ze worden in de brieven van hun raadsman onveranderlijk aangeduid als “de cliënten” of bij hun naam genoemd, zonder meer; dat volgens de verwerende partij de vaststelling dat verzoekers in de voorprocedure enkel in eigen naam optraden, overigens kadert in de “procedure” voor de BBJ, zoals deze geregeld is onder meer in artikel 16 van de op 4 april 1990 gecoördineerde decreten inzake bijzondere jeugdbijstand, waar de minderjarige enerzijds en de personen die het ouderlijk gezag over de minderjarige uitoefenen of hem onder hun bewaring hebben anderzijds als afzonderlijke partijen aangemerkt worden; dat dit alles volgens de verwerende partij betekent dat het annulatieberoep onontvankelijk is in de mate dat verzoekers nu in de bijkomende hoedanigheid van wettige vertegenwoordigers van hun kinderen optreden en ook dat zij niet ontvankelijk, alleen in eigen naam optredende, bepaalde middelen kunnen aanvoeren; IX-3420-6/14 2.1.
  16. Overwegende dat de kinderen VAN HAMME-VEKEMANS jonger zijn dan twaalf jaar; dat zij als niet-ontvoogde minderjarigen in eigen naam geen ontvankelijk annulatieberoep kunnen instellen; dat het beroep dan ook ingesteld dient te worden door hun wettige vertegenwoordigers, in dezen de beide ouders die het gezag over de persoon van de minderjarigen gezamenlijk uitoefenen; dat de vraag of ouders tijdens de voorprocedure al dan niet namens hun kinderen inzage gevraagd hebben van het dossier, niet de hoedanigheid om beroep in te stellen bij de Raad van State betreft maar de vraag of zij een door de wet vereist voorafgaand beroep ingesteld hebben en, zoals de verwerende partij terecht opmerkt, de kwestie of zij bepaalde middelen kunnen aanvoeren; dat overigens de echtgenoten VAN HAMME- VEKEMANS het onderhavige beroep ook in hun eigen naam instellen; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; 2.2.
  17. Overwegende dat de verwerende partij als tweede ontvankelijk- heidsexceptie opwerpt dat, indien wordt aangenomen dat het georganiseerd administratief beroep, ingesteld op 18 mei 2000, ook gericht was tegen de beslissing van het CBJ Gent-Eeklo van 4 april 2000, de beslissing van de bevoegde directeur-generaal van 8 juni 2000 dan in de plaats is gekomen van de beroepen beslissing, zodat deze laatste beslissing - die van 4 april 2000 - dan niet ontvankelijk het voorwerp kan uitmaken van een annulatieberoep bij de Raad van State, zodat het huidig annulatieberoep onontvankelijk is voorzover het gericht is tegen de eerste hier bestreden beslissing; dat indien integendeel aangenomen wordt dat het beroep van 18 mei 2000 alleen gericht is tegen een beslissing van 19 april 2000, in dat geval uitgaande van de afdeling Bijzondere Jeugdbijstand van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, dan het huidig annulatieberoep minstens onontvankelijk is voorzover het gericht is tegen het besluit van 4 april 2000, bij gebrek aan voorafgaan- delijk uitputten van het georganiseerd administratief beroep waarvan sprake in artikel 14 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur; dat volgens de verwerende partij dan echter het hele annulatieberoep onontvankelijk is, vermits bij beslissing van 8 juni 2000 het beroep van 18 mei 2000 ten onrechte ontvankelijk werd verklaard, nu het niet gericht was tegen een beslissing van het CBJ Gent-Eeklo, aangezien deze instantie de administratieve overheid is die over de IX-3420-7/14 bestuursdocumenten beschikte, in de zin van artikel 11, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur en die over de aanvraag, bij toepassing van artikel 11, § 3, van hetzelfde decreet, te beslissen had bij wege van haar bevoegd leidinggevend personeelslid, en het georganiseerd administratief beroep van 18 mei 2000 onontvankelijk was, zodat het huidig annulatieberoep dat ipso facto ook is; 2.2.
  18. Overwegende dat de raadsman van verzoekers met een brief van 18 mei 2000 beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van het CBJ Gent waarbij geweigerd werd inzage te verlenen in het hulpverleningsdossier van hun gezin; dat in fine van het beroepschrift vermeld wordt dat beroep wordt ingesteld tegen de beslissing van het CBJ Gent van 19 april 2000; dat de brief van 19 april 2000 uitgaat van de afdeling Bijzondere Jeugdbijstand te Brussel en enkel de bevestiging bevat dat aan het CBJ Gent geadviseerd werd dat geen gevolg gegeven kan worden aan het verzoek tot inzage van het dossier; dat het dan ook duidelijk om een verschrijving ging en dat in werkelijkheid gedoeld werd op de beslissing van 4 april 2000 waarbij het CBJ Gent inzage in het dossier geweigerd had; Overwegende dat de voormelde beslissing van 4 april 2000, ten gevolge van het instellen van het beroep, vervangen is door de beslissing van 8 juni 2000; dat de exceptie wel gegrond is in de mate dat wordt aangevoerd dat het beroep niet ontvankelijk gericht is tegen de beslissing van 4 april 2000; 2.3.
  19. Overwegende dat in een derde exceptie opgeworpen wordt dat verzoekers het vereiste wettig belang missen, met name inzake de documenten die hun kinderen betreffen “vermits het hier evident, minstens voor het overgrote deel, gaat om documenten van persoonlijke aard”; 2.3.
  20. Overwegende dat bezwaarlijk kan worden betwist dat ouders van minderjarige kinderen een op zijn minst moreel belang hebben om inzage te krijgen van het dossier waarop het CBJ steunt om voor te stellen die kinderen te plaatsen, en aldus kennis te krijgen van de redenen waarop dat voorstel gesteund is; dat IX-3420-8/14 weliswaar artikel 7, § 1, derde lid, van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur bepaalt dat de aanvrager geen belang moet aantonen, “behalve als hij om de openbaarmaking van documenten van persoonlijke aard verzoekt”; dat die bepaling de ontvankelijkheid betreft van een verzoek tot inzage of afschrift van een document doch niet meebrengt dat iemand die geen inzage krijgt omdat hij niet het vereiste belang zou hebben aangetoond voor documenten van persoonlijke aard, die weigeringsbeslissing niet ontvankelijk zou kunnen bestrijden met een annulatieberoep; dat de exceptie moet worden afgewezen;
  21. Over de gegrondheid van het beroep. 3.1.
  22. Overwegende dat de verzoekers in een eerste middel de schending aanvoeren van artikel 32 van de Grondwet, van de artikelen 7 en 8 van het decreet van de Vlaamse Raad van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur en van artikel 40 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1998 betreffende de organisatie en de werking van de comités voor bijzondere jeugdzorg; dat zij stellen dat volgens artikel 32 van de Grondwet de openbaarheid van bestuurs- documenten de regel is en de uitzonderingen relatief, wat impliceert dat het belang van de geheimhouding steeds in concreto moet worden afgewogen tegen de openbaarheid, zodat artikel 8, § 3, 1/, van het decreet van de Vlaamse Raad van 18 mei 1999, wijl het een absolute uitzonderingsgrond bevat ten aanzien van aangelegenheden waarin een geheimhoudingsverplichting bestaat, strijdig lijkt te zijn met artikel 32 van de Grondwet; dat zij dan ook vragen om dienaangaande een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen; dat verzoekers voorts betogen dat het beroepsgeheim een geheimhoudingsplicht ten opzichte van derden is, met andere woorden zij de mededeling van geheimen aan om het even welke derde verbiedt, maar niet aan de “geheimgerechtigde” zelf; dat zij erop wijzen dat de ouders inzage gevraagd hebben in het hulpverleningsdossier dat door het CBJ Gent wordt bijgehouden in verband met de kinderen en het gezin, zodat zij als rechtstreeks betrokkenen en als wettige vertegenwoordigers van hun minderjarige kinderen het recht hebben om geïnformeerd te worden over de inhoud van dat hulpverlenings- dossier; dat verzoekers zich ook beroepen op artikel 40, § 3, van het besluit van de IX-3420-9/14 Vlaamse Regering van 8 december 1998 waarin bepaald is dat zij het recht hebben kennis te nemen van de gegevens die hen persoonlijk betreffen, stellende dat het door het CBJ ingeroepen beroepsgeheim niet opweegt tegen het recht op informatie zoals bepaald in de artikelen 13 en 17 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het Kind (IVRK) en dat de vrijheid van meningsvorming in artikel 12.2 van het IVRK toegespitst wordt op de hoorplicht en informatieplicht in het kader van gerechtelijke en bestuurlijke procedures; dat verzoekers ten slotte betogen dat artikel 43 van het decreet van de Vlaamse Raad van 27 juni 1985 inzake bijzondere jeugdbijstand blijkbaar zo geïnterpreteerd wordt dat er geen onderscheid gemaakt moet worden tussen twee objectief verschillende categorieën van personen, namelijk enerzijds derden, anderzijds betrokken personen die ofwel zelf het voorwerp vormen van de documenten van persoonlijke aard, ofwel als ouder hun minderjarige kinderen vertegenwoordigen en dat zulks eveneens noopt tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof; 3.1.
  23. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de schending van artikel 40 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1998 niet ontvankelijk is aangevoerd omdat niet wordt uiteengezet waarin die schending precies zou bestaan; dat volgens haar overigens dit onderdeel van het middel niet tot vernietiging zou kunnen leiden omdat de ouders inzage gevraagd hebben in het gehele dossier, terwijl artikel 40 inzagerecht verleent aan de personen van wie de gegevens zijn opgeslagen in het hulpverleningsdossier en aan de minderjarigen ouder dan twaalf jaar, van de gegevens die hen persoonlijk betreffen; dat zij voorts stelt dat de Raad van State niet bevoegd is om artikel 43 van het decreet van de Vlaamse Raad van 27 juni 1985 aan de Grondwet te toetsen en dat een wetsartikel nooit ondergeschikt kan zijn aan een algemeen rechtsbeginsel; dat zij verklaart zich niet te kunnen verzetten tegen het stellen van prejudiciële vragen, doch daarbij laat opmerken dat artikel 8, § 3, 1/, van het decreet van de Vlaamse Raad van 18 mei 1999, inzonderheid door het gebruik van de woorden “afbreuk doen”, geen algemene en absolute uitzondering stelt op het grondwettelijk recht van openbaarheid van bestuur; IX-3420-10/14 3.1.
  24. Overwegende dat verzoekers in hun memorie van wederantwoord repliceren dat de bestreden beslissing van de beroepsinstantie geen antwoord bevatte op hun argument volgens hetwelk het CBJ Gent zich niet nuttig kon beroepen op artikel 40, § 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1998, hetwelk uitdrukkelijk het recht toekent kennis te nemen van de gegevens die hen persoonlijk betreffen aan de personen van wie gegevens zijn opgeslagen in het dossier, alsook aan de minderjarige zelf vanaf de leeftijd van twaalf jaar; dat zij stellen dat naast de directe schending van artikel 40 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1998, de bestreden beslissing ook steunt op een niet-grondwets- conforme lezing van artikel 43 van het decreet van de Vlaamse Raad van 27 juni 1985; dat zij uit dat alles afleiden dat de Raad van State, onder toepassing van artikel 159 van de Grondwet, wel kan vaststellen dat de weigering om inzage te verlenen strijdig is met artikel 32 van de Grondwet zonder daarover een prejudiciële vraag te moeten stellen aan het Arbitragehof; 3.2.
  25. Overwegende dat volgens artikel 32 van de Grondwet eenieder het recht heeft elk bestuursdocument te raadplegen en er een afschrift van te krijgen, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald door de wet, het decreet of de ordonnantie; dat overeenkomstig de gewone interpretatieregels, de uitzon- deringen op de algemene regel van het inzagerecht beperkend moeten worden uitgelegd en een weigering in beginsel concreet moet worden verantwoord; 3.2.
  26. Overwegende dat hoofdstuk II van het decreet van de Vlaamse Raad van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur, de passieve openbaarheid regelt die onder meer geldt voor de administratieve overheden van het Vlaams Gewest en van de Vlaamse Gemeenschap; dat volgens zijn artikel 7, § 1, de administratieve overheid verplicht is aan ieder natuurlijk persoon of rechtspersoon die erom verzoekt, de gewenste bestuursdocumenten openbaar te maken door er inzage in te verlenen, er uitleg over te verschaffen, er een afschrift van te over- handigen of er een exemplaar van uit te lenen; dat artikel 8 uitzonderingen op die verplichting instelt; dat aldus luidens artikel 8, § 3, 1/, van voornoemd decreet, de administratieve overheden een verzoek tot openbaarmaking afwijzen “als de IX-3420-11/14 openbaarmaking afbreuk doet aan een bij decreet of wet vastgestelde geheim- houdingsverplichting”; dat derhalve, wanneer de betrokken administratieve overheid van oordeel is dat de openbaarmaking van het gevraagde document afbreuk doet aan een bij decreet of wet vastgestelde geheimhoudingsverplichting, zij de openbaarheid moet weigeren; dat om in overeenstemming te zijn met de regel van artikel 32 van de Grondwet zij echter steeds, geval per geval, zal moeten nagaan of deze of gene dossiers en documenten waarvan de inzage wordt gevraagd, vallen onder en bij de wet of het decreet vastgestelde geheimhoudingsverplichting ten opzichte van de persoon die om inzage ervan vraagt; 3.2.
  27. Overwegende dat in dezen de administratieve overheid zich beroept op de geheimhoudingsverplichting bepaald in artikel 43 van het decreet van de Vlaamse Raad van 27 juni 1985 inzake bijzondere jeugdbijstand, gecoördineerd bij besluit van de Vlaamse Regering van 4 april 1990, hetwelk luidt als volgt : “Elke persoon die, in welke hoedanigheid ook, zijn medewerking verleent aan de toepassing van deze gecoördineerde decreten staat daartoe in voor de geheimhouding van de feiten die hem in de uitoefening van zijn opdracht worden toevertrouwd en die hiermede verband houden.”; 3.2.
  28. Overwegende dat een grondwetsconforme lezing van de voor- noemde decreetsbepalingen niet zo ver kan gaan dat de geheimhoudingsplicht waartoe bepaalde ambtenaren gehouden zijn zich uitstrekt, zowel tot alle stukken van een dossier dat met hun medewerking tot stand komt, als ten opzichte van alle derden en belanghebbende personen, inbegrepen diegenen wier situatie in de stukken van dat dossier direct betrokken is; dat enerzijds immers voornoemd artikel 43 van het decreet van de Vlaamse Raad van 27 juni 1985 de geheimhoudingsplicht oplegt aan personen en niet aan een hele administratie en anderzijds het beroepsgeheim in beginsel niet kan worden ingeroepen tegen degene wiens belangen het beoogt te beschermen; dat artikel 40, § 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1998 betreffende de organisatie en de werking van de comités voor bijzondere jeugdzorg overigens bepaalt dat het hulpverleningsdossier van de jongere vertrouwelijk is maar dat “de personen van wie gegevens zijn opgeslagen in het IX-3420-12/14 dossier, alsook de minderjarige zelf vanaf de leeftijd van twaalf jaar” het recht hebben “kennis te nemen van de gegevens die hen persoonlijk betreffen”; dat te dezen het in de eerste plaats gaat om het belang van de minderjarige; dat daarnaast echter ook de ouders er persoonlijk belang bij hebben te vernemen op grond waarvan een maatregel overwogen wordt; 3.2.
  29. Overwegende dat derhalve moet worden besloten dat de verwerende partij, gesteld voor de vraag om het dossier van de betrokken minder- jarigen in te zien, toepassing had kunnen maken van artikel 9 van het decreet van de Vlaamse Raad van 18 mei 1999 blijkens welk, wanneer een bestuursdocument, ingevolge de bepalingen van artikel 8, §§1 tot 5, maar voor een deel aan de openbaarheid moet of mag worden onttrokken, de inzage, de uitleg of de mededeling in afschrift ervan tot het overige beperkt wordt; dat zij er zich echter toe bepaald heeft zonder meer de inzage van het hele dossier te weigeren; 3.2.
  30. Overwegende, wat de opwerping betreft dat verzoekers nooit duidelijk gemaakt hebben in welke hoedanigheid zij optraden en dat zij ook hun verzoek tot inzage niet beperkt hebben tot de gegevens die hen persoonlijk betreffen, dat hiervoor tot het besluit gekomen is dat zij hoe dan ook in hun eigen naam konden optreden; dat verzoekers zelf niet konden uitmaken welke dossierstukken hen persoonlijk betroffen en dat overigens niets de verwerende partij belette om de verzoekers te vragen in welke hoedanigheid zij optraden noch om een selectie uit te voeren van de dossierstukken waarvan volgens haar al dan niet inzage kon worden verleend; dat het middel dienvolgens gegrond is; 3.2.
  31. Overwegende dat aangezien hierboven tot de conclusie is gekomen dat artikel 8, § 3, 1/, van het decreet van de Vlaamse Raad van 18 mei 1999 en artikel 43 van het decreet van de Vlaamse Raad van 27 juni 1985 geïnterpreteerd kunnen worden in de zin dat ze niet strijdig zijn met artikel 32 van de Grondwet, er geen reden is om daaromtrent een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof, IX-3420-13/14 BESLUIT: Artikel
  32. Vernietigd wordt de beslissing van 8 juni 2000 van de directeur- generaal van de administratie Kanselarij en Voorlichting van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, waarbij het beroep, ingesteld op grond van artikel 14 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur, tegen de beslissing van het comité voor bijzondere jeugdzorg Gent-Eeklo van 4 april 2000, ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard. Artikel
  33. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
  34. De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de Vlaamse Gemeenschap. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien september 2000 en vier , door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-3420-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.863 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.