id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.927 Rolnummer: A. 109705/XIV-6364 Zaak: Arrest 134927 - - 14/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-09-29 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 08:56 Fiche Arrest nr 134.927 van 14 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.927 van 14 september 2004 in de zaak A. 109.705/XIV-6364 In zake : XXX, wonende te A., W.straat 16 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 28 mei 1961 en van XXX nationaliteit, op 30 augustus 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 3 augustus 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 22 mei 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 3 augustus 2001; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 27 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 30 juni 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-6364-1/11 Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. VAN OPSTAL die, loco Advocaat E. ROBBERECHTS verschijnt voor de verzoekende partij, van Adjunct-Adviseur D. VANHOULLE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST ; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- Verzoekster komt België binnen op 30 december 1999 en verklaart zich vluchteling op 6 januari
- 1.
- Op 22 mei 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 3 augustus 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 25 juni 2001 op de zetel van het Commissariaat- generaal, bijgestaan door een tolk, die de taal S. machtig is. Betrokkene beweert een S. uit R. in XXX te zijn. Betrokkene zou in maart 1999 kennis gemaakt hebben met de T., die in haar woning zou verbleven hebben. Het koppel zou van plan geweest zijn om te trouwen, doch betrokkenes vriend zou sinds 30 oktober 1999 verdwenen zijn. Op 15 november 1999 zouden militairen bij betrokkene thuis langsgekomen zijn om te informeren naar haar vermiste vriend. Betrokkene zou toen afwezig geweest zijn en de soldaten zouden daarom haar zuster verhoord hebben. De volgende dag zouden de soldaten teruggekomen zijn en zou betrokkene ondervraagd zijn over de activiteiten van haar vriend bij "L." (L.). Betrokkene zou hiervan niet op de hoogte geweest zijn en zou het leger geen informatie hebben kunnen geven. Op 18 november 1999 zouden dezelfde militairen, tijdens betrokkenes afwezigheid, nogmaals langsgekomen zijn en zouden na een tijd onverrichterzake afgedropen zijn. Op 28 november 1999 zouden de militairen voor een laatste maal gekomen zijn. Betrokkene zou door hen in een jeep meegenomen en met de dood bedreigd zijn. Door tussenkomst van een militair zou ze uiteindelijk vrijgelaten zijn. Op de terugweg zou betrokkene besloten hebben om S. te verlaten. Op 30 november 1999 vertrok betrokkene naar N., waar ze vijf dagen verbleef. Op 6 december 1999 verliet zij XXX. Via M. kwam zij op 25 december 1999 in België aan en deed hier op 6 januari 2000 haar asielaanvraag. In België trad betrokkene op 20 februari 2001 in het huwelijk met de M. (ov 4733643). Het huwelijk werd voltrokken in de ambassade van XXX te Brussel. Ter ondersteuning van haar asielaanvraag legde betrokkene de volgende documenten neer : haar geboorte-en huwelijksakte, diploma's en attesten van haar werkgever. Opgemerkt dient te worden dat betrokkene onvoldoende elementen heeft aangehaald om gewag te kunnen maken van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Volgens haar verklaringen was betrokkene immers niet politiek aktief (actief) en behoort zij tot de etnische meerderheid in XXX. Betrokkene is bovendien nooit formeel in beschuldiging gesteld, er is nooit een aanhoudingsmandaat tegen haar uitgevaardigd, noch hoefde zij zich voor een rechter/rechtbank te verantwoorden. Betrokkene XIV-6364-2/11 zou weliswaar een aantal malen ondervraagd zijn door het leger, maar werd telkens zonder verdere rechtsgevolgen vrijgelaten. Bij haar laatste ondervraging zou een militair zelfs voorkomen hebben dat zij zou geslagen zijn. Uit niets blijkt dat de militairen verdere stappen, die het niveau van een loutere ondervraging overstijgen, tegenover betrokkene zouden ondernemen. In deze context heeft betrokkene bovendien niet aannemelijk gemaakt, waarom zij zich niet elders in XXX zou kunnen vestigen, om op die manier aan haar problemen van lokale aard een einde te stellen. Voorts moet worden vastgesteld dat betrokkene zich in België tot de XXX autoriteiten (XXX ambassade in Brussel) heeft gewend, om in het huwelijk te treden. Dergelijke handelswijze doet afbreuk aan betrokkenes ingeroepen vrees voor vervolging, zoals voorzien in de Geneefse Conventie. Betrokkene beweerde bovendien nooit een paspoort in haar bezit te hebben gehad. Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt (vraag van C. aan de XXX ambassade in Brussel) blijkt echter, dat het voorleggen van een geldig XXX paspoort een basisvereiste is om een huwelijk voor de XXX ambassade aan te gaan. De geloofwaardigheid van betrokkenes vluchtrelaas komt hierdoor in het gedrang. Gelet op bovenstaande vaststellingen, bewijzen de door betrokkene neergelegde documenten weliswaar dat zij afkomstig is uit XXX, maar zijn niet van die aard om de appreciatie van de Commissaris-generaal inzake haar asielaanvraag in positieve zin om te buigen. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk en kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 22 mei
- (...)”.
- Over de gegrondheid van de zaak. 2.
- Overwegende dat verzoekster een eerste middel aanvoert dat als volgt luidt: “(...) Het eerste middel genomen uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en uit de schending van de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, en uit de afwezigheid van rechtens vereiste feitelijke grondslag. Krachtens de bepalingen van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, moeten alle administratieve rechtshandelingen met individuele strekking formeel worden gemotiveerd. Deze motiveringsplicht houdt in dat de feitelijke en juridische gronden waarop de beslissing is gesteund, veruitwendigd dienen te worden in de beslissing zelf. P. VAN ORSHOVEN, "De uitdrukkelijke motivering van administratieve rechtshandelingen", R. W. 1991-92, 490-
- De motivering, met name de juridische en feitelijke overwegingen die de beslissing gronden, dient afdoende te zijn (art. 3 van de wet van 29 juli 1991). Dit wil zeggen dat de feitelijke en juridische overwegingen pertinent moeten zijn en de beslissing dienen te verantwoorden. Een vage, duistere of niet ter zake dienende uitleg, onduidelijke of onnauwkeurige motieven zijn geen afdoende motivering. De beslissing dient duidelijk aan te geven waarom een beslissing werd genomen. De materiële motiveringsplicht houdt in dat de motivering van de administratieve beslissing deugdelijk moet zijn. Ze moet met name begrijpelijk zijn en aanvaardbaar met het oog op het recht, op de feiten en op het beleid. Dat een motivering rechtens aanvaardbaar moet zijn houdt onder andere in dat een juiste wettelijke grondslag aan de basis van de beslissing moet liggen en dat het wettelijk voorschrift dat de motivering schraagt, op juiste wijze wordt geïnterpreteerd. Daarenboven dienen de relevante feiten waarop de beslissing is gebaseerd, te bestaan en juist te zijn. De feiten dienen zorgvuldig vastgesteld te zijn en juist te worden gekwalificeerd. Het bestuur dient volledig op de hoogte te zijn van de feiten die de besluitvorming kunnen beïnvloeden. Zie A. VAN ME(E)NSEL, "De uitdrukkelijke motiveringplicht in W. VAN EECKHOUTTE (ed.), Publiekrecht, de doorwerking van het privaatrecht in het publiekrecht, Gent, Mys & Breesch, 1997, 206 e.v. XIV-6364-3/11 Doordat de Commissaris-Generaal in zijn beslissing overweegt dat verzoekster onvoldoende elementen zou hebben aangebracht dat er wat haar betreft ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. • Verzoekster zou immers niet politiek actief zijn geweest
(1); • Verzoekster behoort tot de etnische meerderheid in XXX
(2); • Verzoekster is nooit formeel in beschuldiging gesteld, er is nooit een aanhoudingsmandaat tegen haar uitgevaardigd, noch hoefde zij zich voor een rechter/rechtbank te verantwoorden
(3); • Verzoekster werd "weliswaar" ondervraagd, maar werd telkens weer vrijgelaten zondere verdere rechtsgevolgen
(4); Hierdoor maakte verzoekster het niet aannemelijk waarom zij zich niet elders in Sri Lanka zou kunnen vestigen, "om op die manier aan haar problemen van lokale aard een einde te stellen"
(5). Bovendien heeft verzoekster zich tot de XXX autoriteiten gewend om in het huwelijk te treden, waardoor afbreuk zou worden gedaan aan de door verzoekster ingeroepen vrees voor vervolging
(6). Tenslotte zou verzoekster ontkend hebben dat ze een paspoort bezit, terwijl haar huwelijk voltrokken op de XXX ambassade zou bewijzen dat ze wel degelijk over een paspoort beschikt, waardoor de geloofwaardigheid van het vluchtrelaas van verzoekster ongeloofwaardig overkomt
(7). Terwijl de beslissing van de Commissaris-Generaal over het beroep van verzoekster gemotiveerd moet zijn en dit zowel in rechte(
- n)als in feite(n), en dat deze motieven in de beslissing zelf moeten worden weergegeven en die weergegeven motieven concreet, correct, afdoende en draagkrachtig moeten zijn. In deze moet worden vastgesteld dat de motivering zoals verschaft door de Commissaris- generaal, geen deugdelijke motivering is, vermits ze op sommige punten incorrect is (a), maar bovenal in zijn geheel niet draagkrachtig is (b).
- a)De motivering is niet correct De Commissaris-generaal haalt onder meer ter motivering aan, de insinuatie als zou verzoekster in tegenspraak met haar eigen bewoordingen, wel over een paspoort beschikken. Indien zij geen paspoort zou gehad hebben, zou zij niet hebben kunnen huwen op de XXX ambassade te Brussel. Overeenkomstig XXX recht (sectie 2:1 van de XXX wet op de consulaire functies) kunnen partijen huwen op een XXX ambassade, wanneer (één) van beide partners kan bewijzen van XXX nationaliteit te zijn. Verzoekster voegt in bijlage stuk 4, een verklaring van de XXX ambassade te Brussel, waarin deze zulks bevestigt: “As per sub section 3:1 (
- a)of the consular Functions Act of XXX., if one of the parties can prove that he/she is of S. nationality, a marriage can be registered at the Embassy.” Verzoekster kon vóór haar huwelijk, haar geboortebewijzen voorleggen, waarmiddels verzoekster ten genoege van het XXX ambassadepersoneel kon bewijzen dat ze van XXX nationaliteit was.
- b)De motivering is niet draagkrachtig Verzoekster heeft al de onderdelen van de motivering van de Commissaris-generaal onderscheiden in maar liefst 7 stukken. Geen van deze 7 stukken is deugdelijk, laat staan dat het geheel van de motivering (als som van de 7 ondeugdelijke delen) deugdelijk en derhalve draagkrachtig zou zijn. 1. Verzoekster zou immers niet politiek actief zijn geweest De Commissaris-generaal gaat uit van een westers juridische opvatting van wat "politieke activiteiten" zijn. Verzoekster werd als S. in het S. deel van XXX verliefd op een T., die daarenboven door de militaire autoriteiten gezocht werd voor zijn activiteiten in het L. (L.). Toen haar verloofde spoorloos verdween, kwamen de militaire autoriteiten meermaals verzoekster en ha(a)r familieleden ondervragen, waaruit bleek dat ook nu verzoekster door de militaire autoriteiten verdacht werd van en bekend stond om haar banden met het L. hetgeen in XXX helaas een voldoende reden is voor de duizenden politieke verdwijningen: mensen die spoorloos verdwijnen en meer dan waarschijnlijk vermoord zijn door de militaire autoriteiten (zie de bijgevoegde verslagen van de Human Rights Watch). Verzoekster stond inderdaad niet op een verboden politieke lijst, maar in XXX werd verzoekster tegen haar wil aanzien als een persoon die hand- en spandiensten leverde aan het L., hetgeen niet anders dan een politieke strijdgroep genoemd kan worden. De Commissaris-generaal heeft zich dan ook terdege vergist. 2. Verzoekster behoort tot de etnische meerderheid in XXX. Verzoekster ziet niet goed in hoe dit argument in het nadeel van haar kan hebben gespeeld: de kernvraag diende te zijn of zij volgens de Commissaris-generaal kon vrezen voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. XIV-6364-4/11 Verzoekster heeft hiervoor haar relaas uiteengezet, dat erin bestaat dat zij als S. (i.e. behorend tot de etnische meerderheidsgroep) verliefd werd op een T. (i.e. een lid van de etnische minderheid) die gezocht werd voor zijn banden met het L. De militaire autoriteiten keren zich niet alleen tegen de T.-rebellen, maar ook tegen degenen die ze ervan verdenken met de T.-rebellen samen te spannen en die in hun ogen niet meer dan colloborateurs zijn, zelfs als deze behoren tot hun eigen groep, die de etnische meerderheid uitmaakt. Het feit dat verzoekster als S. vervolging kan en kon vrezen door andere S. is derhalve helemaal niet vreemd te noemen. 3. Verzoekster is nooit formeel in beschuldiging gesteld, er is nooit een aanhoudingsmandaat tegen haar uitgevaardigd, noch hoefde zij zich voor een rechter/rechtbank te verantwoorden EN 4. Verzoekster werd "weliswaar" ondervraagd, maar werd telkens weer vrijgelaten zonder(
- e)verdere rechtsgevolgen Eens te meer haalt de Commissaris-generaal redenen aan, die niet ter zake dienend zijn, en die blijk doen geven van een westers democratisch-juridisch inzicht in een problematiek van geweld, daar waar er geen plaats voor is. S. berucht voor zijn politieke verdwijningen, die niet meer dan politieke moorden zijn. Deze personen die verdwijnen (i.e. vermoord worden) omwille van hun al dan niet vermeende banden met het L., worden nooit in beschuldiging gesteld of voor een rechtbank gedagvaard, waar ze zichzelf kunnen verdedigen en de Rechtbank niet vooringenomen is. De militaire autoriteiten vermoeden dat een persoon een T.-rebel is, of dat die persoon steun verleent aan de L., waarna die persoon opgepakt wordt en verhoord. Vele van deze opgepakte personen keren zelfs nooit meer terug van deze eerste kennismaking. Verzoekster werd onder wapenbedreiging weggevoerd, en had inderdaad het geluk dat bij haar ondervraging een hoger officier opmerkte dat ze S. was, toen een ander militair wilde (beginnen) uithalen. Alleen dit feit maakte dat verzoekster die keer gespaard bleef. Verzoekster besloot vervolgens uit puur lijfsbehoud niet een tweede tochtje met bijhorende intimidatie en ondervraging af te wachten. De Commissaris-generaal miskent derhalve (eens te meer) de feitelijke toestand in XXX, en het concept van politieke verdwijningen in een streek waar de militaire autoriteiten de lakens uitdelen en er geen berechting door een onafhankelijke rechtbank aan te pas komt. Aan een ondervraging worden niet zozeer rechtsgevolgen gekoppeld, maar wel integendeel naar willekeur van de militaire autoriteiten, geweld. 5. Uit de vier voorgaande punten maakte verzoekster het niet aannemelijk waarom zij zich niet elders in XXX zou kunnen vestigen, "om op die manier aan haar problemen van lokale aard een einde te stellen". Wederom miskent de Commissaris-generaal de fijngevoeligheden van de situatie in S. en de persoonlijke situatie van verzoekster: verzoekster was als S. verliefd op en verloofd met een T. Na de(
- r)spoorloze verdwijning van deze laatste, werd verzoekster als S. door andere S. verdacht van banden met of steun aan het L. Verzoekster kon niet naar de andere kant van XXX, waar de T. de etnische meerde(r)h(e)id uitmaken: naar T.-gebied, omdat ze nog steeds S. is (en dit natuurlijk altijd zal blijven), met een eigen uiterlijk, taal, godsdienst en gewoontes(n). Bovendien had ze geen T.-man meer, die haar had kunnen doen aanvaarden door de T.-bevolking. Zo dit in het verleden al was, geldt dit eens te meer in de huidige stand van zaken, vermits verzoekster nu getrouwd is met de heer B., die gefolterd werd door de XXX autoriteiten wegens zijn vermeende banden met het L. Verzoekster en haar man kunnen niet terug naar XXX, omdat: - haar man nergens in XXX ooit nog veilig zal zijn; - hijzelf absoluut nooit naar S. gebied kan gaan (als T. en vermeend L.-lid); - verzoekster zelf niet naar T.-gebied kan (als S.). Derhalve kan dit argument van de Commissaris-generaal absoluut niet weerhouden worden, zeker niet gelet op de werking van art. 8 EVRM. 6. Verzoekster heeft zich tot de XXX autoriteiten gewend om in het huwelijk te treden, waardoor afbreuk zou worden gedaan aan de door verzoekster ingeroepen vrees voor vervolging. Verzoekster was en is bevreesd voor de militaire autoriteiten in XXX, die naar eigen willekeur voor een oplossing van de al jarenlang aanslepende burgeroorlog mogen zorgen. Verzoekster werd in België echter opnieuw verliefd, en wilde huwen met haar partner. Dit bleek niet te kunnen op een Belgisch stad- of gemeentehuis, omdat haar vriend geen papieren (o.a. een geboortecertificaat of paspoort) kon voorleggen. Ten einde raad wendde verzoekster zich tot de XXX ambassade. Omdat verzoekster in eigen land te vrezen had voor vervolging door de militaire autoriteiten, betekent dit niet dat verzoekster nu denkt dat alle XXX ambtenaren misdadige mensen zijn, die zich ook in België zullen (ver)haasten maatregelen te laten nemen tegen verzoekster. XIV-6364-5/11 Bovendien is de situatie zo dat verzoekster en haar vriend in België van een redelijke veiligheid genieten. Geenszins doet dit afbreuk aan de vrees die bestaat en bestond in hoofde van verzoekster, voor de militaire autoriteiten in XXX die los van de regering opereren! 7. Tenslotte zou verzoekster ontkend hebben dat ze een paspoort bezit, terwijl haar huwelijk voltrokken op de XXX ambassade zou bewijzen dat ze wel degelijk over een paspoort beschikt, waardoor de geloofwaardigheid van het vluchtrelaas van verzoekster ongeloofwaardig overkomt. Zoals boven werd aangegeven, is ook dit argument eens te meer fout. Geenszins vereist de XXX wet dat één van de trouwlustigen over een paspoort zou beschikken: een bewijs van nationaliteit (bestaande uit een legaal en geattesteerd geboortecertificaat) volstaat daarvoor. Geenszins kan de combinatie van de 7 boven aangehaalde onderdelen, in zijn totaliteit een draagkrachtige, met het oog op de feiten correcte en met het beleid overeenstemmende motivering opleveren, aangezien elk van de 7 onderdelen ofwel niet correct is, ofwel niet ter zake doende, waardoor ook de combinatie van deze 7 onderdelen niet anders dan als gebrekkig aangeduid kan worden. DERHALVE stelt verzoekster in deze vast dat de bestreden beslissing genomen werd met de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en het algemeen rechtsbeginsel dat zegt dat elke bestuurlijke beslissing materieel gemotiveerd moet zijn, doordat het minimaliseren van feiten geen afdoende motivering is om een verzoek tot verblijf uitgaande van een persoon die voldoet aan de voorwaarden van de Conventie van Genève, te weigeren. Bovendien behelst de motivering zoals boven geschetst, een niet draagkrachtige motivering, die daarenboven neerkomt op een schending van de materiële motiveringsplicht (algemeen rechtsbeginsel). Verzoekster kon immers niet weten waarom de Commissaris-generaal deze beslissing genomen heeft (hetgeen het doel moet zijn van de motivering), omdat de door hem aangehaalde redenen ofwel niet kloppen, ofwel niet terzake doen, en niet in rechte kunnen leiden tot de beslissing zoals die genomen werd. Artikel 1, A, 2 van de Conventie van Genève definieert de vluchteling als volgt: “De persoon die ( ... ) uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep, politieke overtuiging zich bevindt buiten het grondgebied van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die bescherming van dat land niet kan, of uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen, ... ". Verzoekster voldoet volledig aan de aangegeven gronden. Conclusie: de bestreden beslissing is niet afdoende gemotiveerd en schendt als dusdanig zowel de formele als de materiële motiveringplicht. Aangezien dit middel gelet op de omstandigheden eigen aan huidige zaak ontvankelijk en gegrond is en bijgevolg tot vernietiging van de bestreden beslissing dient te leiden, is het middel ernstig (gegrond) in al zijn onderdelen.”; Overwegende dat, wat de ingeroepen motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat de bestreden beslissing de feitelijke en juridische overwegingen bevat die aan de beslissing ten grondslag liggen; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motivering in casu is bereikt, dat het middel vanuit het oogpunt van de ingeroepen schending van de materiële motiveringsplicht wordt onderzocht; 2.1.1. Overwegende dat verzoekster in een eerste onderdeel van het eerste middel kritiek uitoefent op de stelling van de Commissaris-generaal dat haar relaas ongeloofwaardig is omdat zij enerzijds beweert niet in het bezit te zijn van een paspoort maar anderzijds toch in België in het huwelijk is kunnen treden voor de XXX Ambassade, waarbij het voorleggen van een geldig XXX paspoort een basisvereiste is; XIV-6364-6/11 Overwegende dat het stuk dat verzoekster voorlegt om haar kritiek te staven, met name een schriftelijke verklaring van de XXX Ambassade te Brussel van 20 juli 2001, die melding maakt van “registration of marriages” en van het feit dat verzoekster haar nationaliteit heeft bewezen, niet overtuigt, omdat in dit stuk niet wordt vermeld op welke wijze zij haar nationaliteit heeft bewezen; dat een verwijzing naar dit stuk geen afbreuk doet aan de vaststelling van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat uit de informatie waarover hij beschikt, blijkt dat het voorleggen van een geldig XXX paspoort een basisvereiste is om een huwelijk voor de XXX Ambassade aan te gaan; dat de Commissaris-generaal bijgevolg op goede gronden twijfelt aan de geloofwaardigheid van het gegeven dat verzoekster niet in het bezit is van een geldig XXX paspoort; dat wanneer een asielzoeker zich wendt tot zijn eigen autoriteit, hij zich kenbaar maakt en hierdoor niet doet blijken van een vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; 2.1.2. Overwegende dat verzoekster in een tweede onderdeel van het eerste middel aanvoert dat de overweging van de Commissaris-generaal dat zij niet politiek actief is, onjuist is, omdat zij beschouwd werd als een persoon die hand- en spandiensten leverde aan het L.; Overwegende dat de Commissaris-generaal op basis van de eigen verklaringen van verzoekster tot het besluit is gekomen dat zij niet politiek actief was; dat deze verklaring terug te vinden is in het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal, met name op p. 6; dat verzoekster verklaard heeft geen lid te zijn van een politieke partij, dat zij nooit aangehouden werd en dat zij XXX heeft verlaten omwille van haar T.-vriend; dat de Commissaris-generaal op goede gronden heeft beslist dat verzoekster niet politiek actief was; 2.1.3. Overwegende dat verzoekster in een derde onderdeel van het eerste middel uiteenzet dat zij “niet goed in(ziet)” hoe het argument dat zij tot de etnische meerderheid behoort in XXX, in haar nadeel kan hebben gespeeld in het kader van haar asielaanvraag; Overwegende dat verzoekster niet ontkent dat zij tot de etnische meerderheid behoort; dat het getuigt van zorgvuldigheid dat de Commissaris-generaal deze opmerking maakt in het licht van het onderzoek naar de ontvankelijkheid van verzoeksters asielaanvraag, waarin zij onder meer heeft gesproken over etnische spanningen in haar land van herkomst; 2.1.4. Overwegende dat verzoekster in een vierde onderdeel van het middel aanvoert dat het feit dat zij niet in beschuldiging werd gesteld, dat er geen aanhoudingsmandaat tegen haar werd uitgevaardigd, dat zij zich niet voor een rechtbank hoefde te verantwoorden en dat zij telkens werd vrijgelaten, “de feitelijke toestand in XXX miskent”; dat verzoekster met deze algemene en vage bewering niet aantoont dat de vaststellingen van de Commissaris-generaal in dit verband feitelijke grondslag missen; dat XIV-6364-7/11 zij verwijst naar een krantenartikel en naar rapporten van Amnesty International en Human Rights Watch zonder deze op haar persoonlijke situatie te betrekken; 2.1.5. Overwegende dat verzoekster in een vijfde onderdeel van het middel aanvoert dat de Commissaris-generaal de werkelijke situatie van verzoekster in XXX miskent door te stellen dat zij zich elders in XXX zou kunnen vestigen; dat zij in dit verband de schending inroept van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM), omdat haar huidige echtgenoot eveneens in S. wordt vervolgd; dat verzoekster met deze algemene en vage bewering niet aantoont dat de vaststellingen van de Commissaris-generaal onjuist of onredelijk zijn; dat wat de schending betreft van artikel 8 van het EVRM, verzoekster de omstandigheid dat haar huidige echtgenoot in XXX wordt vervolgd, niet bewijst, en dat zij dit element niet heeft meegedeeld aan het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat bijgevolg de Commissaris-generaal met dit gegeven geen rekening kon houden; 2.1.6. Overwegende dat verzoekster in een zesde onderdeel uiteenzet dat het niet opgaat dat de Commissaris-generaal meent dat haar huwelijk in de XXX Ambassade in België afbreuk doet aan verzoeksters vrees voor vervolging door de XXX overheid; dat een vervolging in XXX door de militaire autoriteiten, niet meebrengt dat “alle XXX ambtenaren misdadige mensen” zijn; dat verzoekster met deze uiteenzetting niet aantoont dat de vaststelling van de Commissaris-generaal feitelijke grondslag mist; Overwegende dat uit deze analyse blijkt dat de bestreden beslissing afdoende gemotiveerd is; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2. Overwegende dat verzoekster een tweede middel aanvoert dat als volgt luidt: “(...) schending van de vreemdelingenwet(wet) van 15 december 1980, meer bepaald het artikel 52 en de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel (algemeen rechtsbeginsel), doordat het Commissariaat-generaal niet zonder onderzoek ten gronde kon besluiten dat de aanvraag van verzoekster "bedrieglijk en kennelijk ongegrond" is. De Commissaris-generaal meende dat de aanvraag van verzoekster "bedrieglijk en kennelijk ongegrond" is, terwijl het niet in het kader van het onderzoek naar de ontvankelijkheid van het verzoek tot erkenning als vluchteling past, een dergelijk onderzoek naar de waarheid van de aangevoerde feiten te voeren: er moet enkel worden nagegaan of de aangehaalde feiten waarschijnlijk geacht kunnen worden. Een dergelijk diepgaand onderzoek dat toelaat te ontdekken welke delen van het verhaal van verzoekster waar zijn, en welke op beweerdelijke leugens zouden berusten, kan enkel worden gevoerd in de procedure ten gronde. Uit de voorbereidende werken van artikel 52 van de vreemdelingenwet van 15 december 1980 blijkt dat het onderzoek naar de ontvankelijkheid dié verzoeken dient te weg te filteren, die "manifestement abusives ou non fondé(s)" zijn (exposé et (des) motif(
- s)de la loi de 14 juillet 1987, document parlementaire, session 1986 et 1987, 689/1, p. 7). Zo dienen bijvoorbeeld de verzoeken die gesteund zijn op elementen totaal vreemd aan de voorwaarden van de Conventie van Genève, onontvankelijk te worden verklaard. Maar verzoekster heeft in casu een coherent verhaal naar voren gebracht, dat duidelijk maakt dat zij voldoet aan deze voorwaarden van de Conventie van Genève. "Aan de grondslag van een besluit dienen zorgvuldig vastgestelde feiten te liggen. "Om tot een rechtmatig besluit te komen dient het bestuur volledig op de hoogte te XIV-6364-8/11 "zijn van de feiten die de besluitvorming kunnen beïnvloeden. " (A. VAN ME(E)NSEL, "De uitdrukkelijke motiveringsplicht", in X, De doorwerking van het publiekrecht in het privaatrecht, Gent, Mys & Breesch, 1997, p.212, nr. 250). De Commissaris-generaal kon niet zonder meer besluiten dat de aanvraag van verzoekster "bedrieglijk en kennelijk ongegrond" is, zonder te zijn overgegaan tot een onderzoek ten gronde, dat erin bestaan zou hebben "de feiten die de besluitvorming kunnen beïnvloeden" op hun merites te hebben onderzocht. De feiten die verzoekster heeft aangebracht, zijn van een zodanige aard dat ze niet zonder meer, niet zonder een onderzoek ten gronde konden worden afgedaan als "bedrieglijk". Door desalniettemin er enige aandacht (aan) te hebben besteed, heeft de Commissaris- generaal zelf laten verstaan dat de door verzoek(st)er ingeroepen feiten waarschijnlijk zijn - hetgeen het enige is waartoe het ontvankelijkheidsonderzoek zou mogen dienen-, een onderzoek naar het waarheidsgehalte van beweringen en aangevoerde feiten volkomen kaderend binnen de voorwaarden van de Conventie van Genève, dient ten gronde gevoerd te worden. Minstens geeft de eigen uitgebreide, edoch zoals boven aangegeven gebrekkige motivering van de Commissaris-generaal aan, dat verzoekster draagkrachtige, ernstige elementen heeft aangebracht waardoor de Commissaris-generaal niet zonder meer die elementen middels een gebrekkige motivering van de hand kon doen zonder te zijn overgegaan tot een onderzoek ten gronde.”; Overwegende dat verzoekster in een tweede middel in essentie aanvoert dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in het kader van het onderzoek naar de ontvankelijkheid van de asielaanvraag niet kon besluiten tot de bedrieglijkheid en de kennelijke ongegrondheid van haar asielaanvraag, vermits een dergelijk onderzoek tot de gegrondheidsfase behoort; Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een eindbeslissing neemt over de ontvankelijkheid van de aanvraag tot erkenning als politiek vluchteling; dat hij in deze fase van de procedure enkel kan oordelen over de eventuele schending van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in casu tot de kennelijke ongegrondheid heeft besloten omdat verzoekster onvoldoende elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat er sprake is van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève, dat verzoekster volgens haar verklaringen immers nooit politiek actief was, dat zij tot de etnische meerderheid behoort, dat zij nooit formeel in beschuldiging is gesteld, dat er nooit een aanhoudingsmandaat tegen haar is uitgevaardigd, dat zij zich nooit voor een rechtbank hoefde te verantwoorden, dat zij weliswaar werd ondervraagd door het leger maar telkens weer werd vrijgelaten, dat zij niet aannemelijk maakt waarom zij zich niet elders in XXX zou kunnen vestigen; dat een andere onontvankelijkheidsgrond de “bedrieglijkheid” is; dat in dit verband, het bedrieglijk karakter van een asielaanvraag onder meer kan worden aangetoond door vast XIV-6364-9/11 te stellen dat de verklaringen van de asielzoeker zijn aangetast door tegenstrijdigheden, of omdat ze verward of onsamenhangend zijn of omdat de asielaanvraag gesteund is op valse verklaringen of op niet authentieke documenten; dat in voorliggend geval de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft vastgesteld dat de geloofwaardigheid van verzoeksters vluchtrelaas in het gedrang komt, mede gelet op wat vooraf gaat en omdat zij enerzijds beweert nooit een paspoort in haar bezit te hebben gehad en anderzijds in het huwelijk is getreden voor de XXX Ambassade in België, waarvoor een paspoort vereist is; Overwegende dat verzoekster derhalve onterecht meent dat haar asielaanvraag ongegrond werd verklaard in de ontvankelijkheidsfase en dat een onderzoek naar de waarachtigheid van haar verklaringen die zij heeft afgelegd tijdens de asielprocedure een onderzoek naar de gegrondheid van haar asielaanvraag zou zijn; dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in het kader van het dringend beroep de opdracht heeft na te gaan of een verder onderzoek van de erkenningsaanvraag noodzakelijk is en of de asielaanvrager voorlopig wordt toegelaten tot het verblijf in de hoedanigheid van kandidaat-vluchteling; dat de Commissaris-generaal, na de onontvankelijkheidsbeslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken onderzoekt of de asielaanvrager gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat uit de analyse van het eerste middel blijkt dat de bestreden beslissing steun vindt in haar motieven, die terzake dienend, pertinent en draagkrachtig zijn en dat tevens blijkt dat een gegronde vrees voor vervolging in hoofde van verzoekster ontbreekt; dat het tweede middel ongegrond is; XIV-6364-10/11 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien september tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-6364-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.927 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div