← België

Arrest 134946 - - 15/09/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.946 Rolnummer: A. 131301/XIV-13284 Zaak: Arrest 134946 - - 15/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-09-29 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 08:56 Fiche Arrest nr 134.946 van 15 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.946 van 15 september 2004 in de zaak A.131.301/XIV-13.

  1. In zake : 1) XXX, 2) XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 2 augustus 1980, en XXX, geboren op 19 april 1982, beiden van XXX nationaliteit, op 19 december 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 22 november 2002 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 31 juli 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partijen aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 10 januari 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-13.284-1/9 Gelet op de beschikking van 30 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 5 mei 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat F. LANDUYT, die loco Advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Adjunct-adviseur M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. De verzoekende partijen komen België binnen op 28 mei 2002 en verklaren zich vluchteling op 29 mei
  4. 1.
  5. Op 31 juli 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 22 november 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal inzake verzoeker, die de eerste bestreden beslissing uitmaakt, is gemotiveerd als volgt: “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina's. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een XXX staatsburger van T. afkomst, verklaart uw land van herkomst te hebben verlaten omdat u vreesde naar T. te worden gestuurd als u in het XXX leger zou worden ingelijfd. U werd geboren in K. in de republiek D. maar verhuisde vijf jaar later met uw ouders naar K. in de provincie T.. In mei 2002 bracht uw schoonvader u naar J., vanwaar u met de trein doorreisde naar M.. U kwam op 25 mei 2002 in M. aan en reisde nog dezelfde dag samen met uw vrouw, XXX (o.v. 5.227.852) door naar België. Uw problemen begonnen toen u op 7 oktober 1998 werd opgeroepen op het militair commissariaat aangaande uw legerdienst. U ontving achtereenvolgens drie oproepingsbrieven XIV-13.284-2/9 om zich te melden bij het militair commissariaat, maar u bent hier nooit op ingegaan. U meldde zich slechts één keer op het militair commissariaat. Dit was in november 1999 om uw militair voertuig te laten uitschrijven. Uw stiefvader, A. S. (o.v. ***), hield zich met de oproepingsbrieven bezig. Hij ging naar het militair bestuur en betaalde opdat u uitstel zou krijgen. Dit lukte hem twee keer. De derde keer slaagde hij echter niet in zijn opzet. Via de media vernam u dat T. voor hun legerdienst naar T. werden gestuurd. U vreesde dat met u hetzelfde zou gebeuren. Uw stiefvader kreeg van zijn kant problemen na zijn huwelijk met uw moeder, A. M. (o.v. ***). Uw stiefvader werd als nieuwe inwijkeling met een inschrijving in G. door de autoriteiten getreiterd. In december '98 werd het huis van uw ouders in brand gestoken. Op 5 februari 1995 werd uw stiefvader bij het binnenkomen in de stad tegengehou- den voor een controle en een maand lang vastgehouden. Uw moeder diende tevergeefs klacht in. Uw stiefvader werd op 31 december 1998 door twee politie-medewerkers aangevallen en belandde in het ziekenhuis. Op uw stiefvaders verjaardag werd zijn auto in brand gestoken. Op 10 mei 2001 werd u voor de derde keer op het militair commissariaat opgeroepen. U ging er niet heen en uw stiefvader kon deze keer geen uitstel regelen. Op 29 mei 2001 werd u hieromtrent opgeroepen bij het openbaar ministerie. U ging hier niet op in. Op 5 juni 2001 kwamen twee politie-agenten en een militair bij u thuis. Uw stiefvader had hen zien aankomen en maande u aan via het achterraam te vluchten. U vluchtte naar de buren. Uw schoonvader bracht u vervolgens naar zijn kennis die in het bos woonde. U verbleef ongeveer een jaar bij deze kennis. Na uw vlucht in de bossen kende uw stiefvader hieromtrent problemen. Hij werd hierdoor gedwongen zelf ook te vertrekken. Er moet eerst en vooral worden opgemerkt dat uit uw verklaringen blijkt dat u getracht heeft de Belgische autoriteiten te misleiden. U verklaart uw land van herkomst te zijn ontvlucht uit vrees uw legerdienst in T. te zullen moeten vervullen. U verklaart verder dat uw internationaal paspoort u werd afgenomen tijdens een huiszoeking. U vernam van uw schoonvader in januari 2002 dat u niet meer over een internationaal paspoort beschikte. U heeft later niet meer geprobeerd aan een nieuw internationaal paspoort te geraken, aangezien T. geen nieuwe paspoorten krijgen. Uit informatie verkregen bij de Duitse immigratiedienst (welke bij het administratief dossier is gevoegd) blijkt nochtans dat u een visum aanvroeg bij de Duitse ambassade in M. die (dat) op 22 april 2002 werd geregistreerd, hetgeen zonder internationaal paspoort onmogelijk is. Uit dezelfde informatie blijkt bovendien dat u van 1 december 2001 tot 28 februari 2002 als bankwerker werkzaam was in een transportbedrijf in K., waardoor uw verklaring als zou u zich vanaf 5 juni 2001 zo een jaar in de bossen hebben verscholen, ernstig wordt ondermijnd. Op de Dienst Vreemdelingenzaken maakte u geen melding van dit werk en verklaarde u enkel in de eigen familiewinkel gewerkt te hebben. Verder is het ook eigenaardig dat uw stiefvader, in tegenstelling tot u, noch op het Commissariaat-generaal, noch op de Dienst Vreemdelingenzaken er melding van maakt(e) dat hij erin slaagde twee keer uitstel voor u te krijgen toen u werd opgeroepen voor uw militaire dienst. Daarenboven werden na vergelijking van de achtereenvolgende verklaringen van uw stiefvader en uw moeder verscheidene tegenstrijdigheden vastgesteld, welke uitvoerig werden uiteengezet in hun respectieve(lijke) bevestigende beslissingen van weigering van verblijf. Al deze elementen tasten de geloofwaardigheid van uw asielrelaas aan. Om bovengenoemde redenen kan in uw hoofde geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging zoals vervat in de Vluchtelingenconventie van 28 juli 1951 worden vastgesteld. De door u in het kader van uw asielaanvraag voorgelegde documenten (binnenlands paspoort, geboorteakte, huwelijksakte, drie oproepingsbrieven van het militair commissariaat, oproepingsbrief van het openbaar ministerie) wijzigen bovenstaande vaststellingen niet. (...).”. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal inzake verzoekster, die de tweede bestreden beslissing uitmaakt, is gemotiveerd als volgt: “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina's. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: XIV-13.284-3/9 U, een XXX staatsburger van T. afkomst, werd geboren in C. in D. en verhuisde na het beëindigen van uw middelbare studie naar K. in de provincie T.. De problemen die u ertoe aanzetten het land te ontvluchten begonnen toen uw man, XXX (o.v. ***) werd opgeroepen bij het militair commissariaat. Wegens zijn weigering hierop in te gaan werd een strafzaak jegens hem geopend. Daarop besloot u op 25 mei 2002 vanuit M. samen het land te verlaten. Op 10 mei 2001 kwam een oproepingsbrief van het militair commissariaat die voor uw man bestemd was. Uw schoonvader, A. S. (o.v. ***), probeerde de zaak voor uw man te regelen bij het militair bestuur, zoals hem voorheen al gelukt was. Deze keer slaagde hij echter niet in zijn opzet. Uw man weigerde op de oproepingsbrief van het leger in te gaan omdat hij als T. vreesde naar T. te worden gestuurd. U had zelf al gehoord van iemand die naar T. was gestuurd en daarop verdwenen was. Op 29 mei 2001 ontving uw man een oproepingsbrief van het openbaar ministerie, waarop hij echter niet reageerde. Op 5 juni 2001 vond er in de woning van uw schoonouders, bij wie u sinds uw huwelijk was ingetrokken, een huiszoeking plaats, waarbij u evenwel niet aanwezig was. Uw man slaagde erin weg te vluchten. Dankzij de hulp van uw vader kon uw man bij een vriend van uw vader terecht in een bos. U bezocht uw man in deze periode twee of drie keer. Uw schoonbroer B. werd later door de politie meegenomen. Uw schoonmoeder, A. M. (o.v. ***), richtte zich tevergeefs tot de politie. U vernam van uw schoonmoeder dat er op 6 maart 2002 drugs werden gestopt in de zak van uw schoonbroer. Uw schoonmoeder slaagde erin haar zoon vrij te krijgen. Uw schoonmoeder verliet K. op 17 april
  7. Ze had een oproepingsbrief gekregen van het militair commissari- aat waarin stond dat haar aangenomen zoon B. zich op 22 april 2002 bij het militair commissariaat moest melden. U ontving een oproepingsbrief van het openbaar ministerie van K. om u daar op 22 april 2002 aan te melden. U ging hierop in en werd er ondervraagd over uw man en schoonvader. Uw internationaal paspoort werd er afgenomen en ingehouden. Nadat uw man gevlucht was, kreeg uw schoonvader ook oproepingsbrieven van het openbaar ministerie. Uw schoonvader werd er met opsluiting bedreigd en kreeg een uitreisverbod. U vernam in maart 2002 van uw schoonmoeder dat uw schoonvader in België verbleef. Op 10 mei 2002 reisde u met uw vader per vliegtuig naar M. en vandaar reisde u op 25 mei 2002 samen met uw man door naar België. Uit uw verklaringen blijkt dat u uw problemen baseert op de problemen die uw man kende in verband met zijn weigering in te gaan op de oproepingen die hij ontving van het militair bestuur. U vreesde dat uw man in het XXX leger zou worden opgenomen en als T. naar T. zou worden gestuurd. Er moet echter worden opgemerkt dat de geloofwaardigheid van uw verklaringen om onderstaande redenen ernstig wordt aangetast. U verklaart op het Commissariaat-generaal dat u zich op 22 april 2002 aanmeldde bij het openbaar ministerie van de stad K. en er ondervraagd werd door een rechercheur. U herinnert zich echter niet waar het openbaar ministerie in K. gelegen is. U kunt immers niet de straat opnoemen noch de wijk opgeven waar zich het gebouw van het openbaar ministerie bevindt (CGVS, p. 2 en 13). U kent evenmin de naam van de persoon door wie u daar werd ondervraagd (CGVS, p. 6). U verklaart dat u de persoon die u ondervroeg per vergissing uw internationaal paspoort voorlegde en dat deze persoon dit paspoort van u inhield. Uit informatie verkregen bij de Duitse immigratie- dienst (welke bij het administratief dossier is gevoegd) blijkt echter dat nota bene op 22 april 2002 een visumaanvraag van u werd geregistreerd bij de Duitse ambassade in M., hetgeen zonder geldig internationaal paspoort onmogelijk is. Uit bovenstaande informatie blijkt bovendien dat uw man van 1 december 2001 tot 28 februari 2002 tewerkgesteld was bij een transportbedrijf in K., waardoor uw verklaring als zou hij zich sinds 5 juni 2001 in de bossen hebben verscholen ernstig ondermijnd wordt. U weet voorts niet precies wanneer uw schoonbroer B. door de politie werd meegenomen (CGVS, p. 11). U kunt evenmin zeggen wanneer uw schoonmoeder zich tot een instantie richtte om klacht in te dienen tegen het onrecht dat haar werd aangedaan (CGVS, p. 11). Daarenboven werden na vergelijking van de achtereenvolgende verklaringen van uw schoonouders verscheidene tegenstrijdigheden vastgesteld, welke uitvoerig werden uiteengezet in hun respectievelijke bevestigende beslissingen van weigering van verblijf. Al deze elementen ondermijnen de geloofwaardigheid van uw verklaringen. Om bovengenoemde redenen kan in uw hoofde geen vermoeden van een gegronde vrees in de zin van de Vluchtelingenconventie van 28 juli 1951 worden vastgesteld. De door u in het kader van uw asielaanvraag voorgelegde documenten kunnen bovenstaande vaststellingen niet wijzigen. Uw binnenlands paspoort en huwelijksakte betreffen immers persoonsgegevens, die echter niet ter discussie staan. Er kan bovendien getwijfeld worden aan de authenticiteit van de door u voorgelegde oproepingsbrief om op 22 april 2002 op het openbaar ministerie in K. te verschijnen. Afgezien van bovenstaande opmerking in verband met uw visumaanvraag daterend van diezelfde dag, ontbreekt op deze oproepingsbrief de handtekening van de procureur. Er staat bovendien niet op vermeld in welke hoedanigheid u zich moest aanmelden. (...).”. XIV-13.284-4/9
  8. Over de ontvankelijkheid. 2.
  9. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota een exceptie van onontvankelijkheid opwerpt wegens gebrek aan rechtmatig en geoorloofd belang in hoofde van de verzoekende partijen omdat zij “verzwegen hebben dat ze een visumaanvraag in Duitsland gedaan hebben, vooraleer naar België te komen” en omdat ze op het Commissariaat-generaal ontkenden een internationaal paspoort te hebben (gehad), terwijl men geen visumaanvraag kan doen zonder een internationaal paspoort te bezitten; dat de verwerende partij opwerpt dat verzoekers geen belang meer hebben bij de vordering op grond van het beginsel “fraus omnia corrumpit”; Overwegende dat deze exceptie in wezen een onderzoek van het middel vereist, omdat zij de grond van de zaak betreft; dat bijgevolg wordt verwezen naar de bespreking van het middel onder punt 3 van huidig arrest ; 2.
  10. Overwegende dat de verwerende partij ter zitting een exceptie van onontvankelijkheid opwerpt wegens het ontbreken van het rechtens vereiste actueel belang, omdat de verzoekende partijen een tweede en een derde asielaanvraag hebben ingediend, terwijl tegen de eerste asielaanvraag nog een procedure hangende is voor de Raad van State; Overwegende dat een dergelijke exceptie maar in één geval gegrond is, met name wanneer één van de volgende asielaanvragen ontvankelijk wordt verklaard en de eerste onontvankelijk werd verklaard; dat de verzoekende partijen hun belang niet verliezen door het indienen van een nieuwe asielaanvraag, vermits in de regel de tweede asielaanvraag en de volgende asielaanvragen die worden ingediend, in het verlengde liggen van en/of een aanvulling, precisering, nadere uitwerking zijn van de vorige asielaanvragen, zodat in het belang van de rechtszekerheid en van de asielzoekers, zij het antwoord moeten kennen op de ingeleide procedures voor de Raad van State betreffende de verschillende asielaanvragen; dat er anders over oordelen neerkomt op een “ketting” van asielaanvragen waartegen telkens een procedure voor de Raad van State wordt ingeleid die nooit wordt behandeld, omdat volgens een bepaalde rechtspraak het belang verloren gaat bij de vorige procedures wanneer opeenvolgende asielaanvragen worden ingediend, waarbij de asielzoekers van een dergelijke praktijk misbruik kunnen maken, vermits de Raad van State in theorie zich nooit zal uitspreken en de procedures aldus eindeloos worden verlengd; dat dit niet strookt met de bedoeling van de wetgever en dat bijgevolg de exceptie van de verwerende partij wordt verworpen;
  11. Over de grond van de zaak. 3.
  12. Overwegende dat verzoekers in een enig middel de schending inroepen van artikel 1, A

(2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, XIV-13.284-5/9 ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de artikelen 52, § 1, 7/, en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft besloten tot de bedrieglijkheid van de asielaanvragen van verzoekers en een terugleiding naar hun land van herkomst aanbeveelt zonder een onderzoek in te stellen naar hun vrees voor vervolging bij een terugkeer naar de XXX; dat uit de door verzoekers in hun verzoekschrift geciteerde rapporten immers blijkt dat de mensenrechten in T. nog steeds massaal worden geschonden; dat zij ten slotte aanvoeren dat de weerhouden tegenstrijdigheden slechts details betreffen en geen afbreuk doen aan hun vrees voor vervolging; 3.
  1. Overwegende dat artikel 52, § 1, 7/, van de Vreemdelingenwet enkel van toepassing is op vreemdelingen die zich aan de grens vluchteling hebben verklaard; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekers zich aangeboden hebben bij de Dienst Vreemdeling- enzaken te Brussel zodat voornoemd artikel niet dienstig kan worden aangevoerd; 3.
  2. Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfswei- gering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “bedrieglijkheid” is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, tegenstrijdige verklaringen inhouden, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die niet echt zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld indien tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoekers, geput uit de gegevens van het administratief dossier; dat de Commissaris-generaal ten aanzien van de heer XXX heeft besloten tot de bedrieglijkheid van diens asielaanvraag omdat laatstgenoemde getracht heeft de Belgische autoriteiten te misleiden; dat de Commissaris-generaal dit afleidt uit het feit dat verzoeker verklaarde over geen internationaal paspoort meer te beschikken, terwijl uit informatie verkregen bij de Duitse immigratiedienst blijkt dat hij een visum aanvroeg bij de Duitse ambassade in M., hetgeen zonder geldig internationaal paspoort onmogelijk is; dat hij uit diezelfde informatie tevens afleidt dat verzoeker van december 2001 tot 28 februari 2002 werkzaam was als bankwerker bij een transportbedrijf in K., waardoor zijn verklaring dat hij zich vanaf juni 2001 een jaar in de bossen zou hebben verscholen, wordt XIV-13.284-6/9 ondermijnd; dat de Commissaris-generaal daaraan toevoegt dat verzoeker van voornoemd werk geen melding maakte op de Dienst Vreemdelingenzaken; dat hij het voorts merkwaardig vindt dat verzoekers schoonvader niet vermeldde, in tegenstelling tot verzoeker, dat hij tweemaal uitstel van legerdienst kon verkrijgen voor verzoeker; dat de Commissaris-generaal ten slotte aanhaalt dat er na een vergelijking van de verklaringen van verzoekers moeder en stiefvader tegenstrijdigheden werden vastgesteld; Overwegende dat de Commissaris-generaal ten aanzien van mevrouw XXX heeft besloten tot de bedrieglijkheid van haar asielaanvraag omdat zij bepaalde inlichtingen niet kon verschaffen over haar ondervraging door een rechercheur, omdat zij verklaarde niet meer over een internationaal paspoort te beschikken, terwijl uit informatie bleek dat zij een visumaanvraag deed bij de Duitse ambassade in M., hetgeen zonder geldig internationaal paspoort niet mogelijk is, omdat uit diezelfde informatie bleek dat haar echtgenoot XXX van december 2001 tot 28 februari 2002 werkzaam was als bankwerker bij een transportbedrijf in K., waardoor haar verklaring dat hij zich vanaf juni 2001 een jaar in de bossen zou hebben verscholen, wordt ondermijnd, en omdat zij geen antwoord kent op vragen in verband met haar schoonbroer en schoonmoeder; dat de Commissaris-generaal ten slotte aanhaalt dat er na een vergelijking van de verklaringen van verzoeksters schoonouders tegenstrijdigheden werden vastgesteld; dat hij uit voormelde elementen besluit dat de geloofwaardigheid van haar asielrelaas in het gedrang komt; Overwegende dat het hoofdmotief van de vlucht van verzoeker te wijten is aan het niet vervullen van zijn legerdienst; dat dit motief in casu vreemd is aan de Vluchtelingenconventie; 3.
  3. Overwegende dat de in de bestreden beslissingen aangehaalde motieven steun vinden in het administratief dossier, zodat de Commissaris-generaal op goede gronden kon besluiten dat de asielaanvragen van verzoekers bedrieglijk zijn; dat wat de wettigheid van de motieven met betrekking tot de verklaringen van de (schoon)ouders van verzoekers betreft, wordt verwezen naar het arrest nr. *** van 10 juni 2004 van de XIVde kamer van de Raad van State waaruit blijkt dat de Commissaris-generaal terecht tegenstrijdigheden in hun verklaringen heeft vastgesteld; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekers geen van de in de bestreden beslissingen weergegeven elementen met concrete argumenten weerleggen, doch zich beperken tot de loutere bewering dat de Commissaris-generaal geen onderzoek heeft gevoerd naar hun daadwerkelijke vrees voor vervolging in hun land van herkomst, zoals blijkt uit de door hen aangehaalde rapporten; dat niet blijkt dat de Commissaris-generaal bij het nemen van de bestreden beslissingen onzorgvuldig is tewerk gegaan of geen rekening heeft gehouden met de situatie in het land van herkomst van verzoekers; dat uit het administratief dossier blijkt dat de Commissaris-generaal bij het nemen van de bestreden beslissingen rekening heeft gehouden met de specifieke verklaringen van verzoekers en met alle terzake dienende elementen om tot de bedrieglijkheid van hun asielaanvragen te besluiten; dat met XIV-13.284-7/9 betrekking tot de door verzoekers aangehaalde rapporten wordt verwezen naar de vrij constante rechtspraak van de Raad van State waarin wordt gesteld dat het niet volstaat te verwijzen naar rapporten van algemene aard zonder deze te betrekken op hun persoonlijke toestand; Overwegende dat geen van de door verzoekers aangehaalde bepalingen werd geschonden, vermits uit een lezing van de diverse verhoorverslagen, de documenten neergelegd door verzoekers, en uit de bijgevoegde informatie vanwege de Duitse immigratie- dienst blijkt dat de Commissaris-generaal op goede gronden tot de bedrieglijkheid van de asielaanvragen van verzoekers besloot, gelet op de motieven van de bestreden beslissingen; dat het enig middel ongegrond is;
  4. Overwegende dat de verzoekende partijen geen middel hebben aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  5. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  6. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien september tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, XIV-13.284-8/9 R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-13.284-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.946 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.