id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.946 Rolnummer: A. 131301/XIV-13284 Zaak: Arrest 134946 - - 15/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-09-29 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 08:56 Fiche Arrest nr 134.946 van 15 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.946 van 15 september 2004 in de zaak A.131.301/XIV-13.
(2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, XIV-13.284-5/9 ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de artikelen 52, § 1, 7/, en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft besloten tot de bedrieglijkheid van de asielaanvragen van verzoekers en een terugleiding naar hun land van herkomst aanbeveelt zonder een onderzoek in te stellen naar hun vrees voor vervolging bij een terugkeer naar de XXX; dat uit de door verzoekers in hun verzoekschrift geciteerde rapporten immers blijkt dat de mensenrechten in T. nog steeds massaal worden geschonden; dat zij ten slotte aanvoeren dat de weerhouden tegenstrijdigheden slechts details betreffen en geen afbreuk doen aan hun vrees voor vervolging; 3.
- Overwegende dat artikel 52, § 1, 7/, van de Vreemdelingenwet enkel van toepassing is op vreemdelingen die zich aan de grens vluchteling hebben verklaard; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekers zich aangeboden hebben bij de Dienst Vreemdeling- enzaken te Brussel zodat voornoemd artikel niet dienstig kan worden aangevoerd; 3.
- Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfswei- gering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “bedrieglijkheid” is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, tegenstrijdige verklaringen inhouden, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die niet echt zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld indien tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoekers, geput uit de gegevens van het administratief dossier; dat de Commissaris-generaal ten aanzien van de heer XXX heeft besloten tot de bedrieglijkheid van diens asielaanvraag omdat laatstgenoemde getracht heeft de Belgische autoriteiten te misleiden; dat de Commissaris-generaal dit afleidt uit het feit dat verzoeker verklaarde over geen internationaal paspoort meer te beschikken, terwijl uit informatie verkregen bij de Duitse immigratiedienst blijkt dat hij een visum aanvroeg bij de Duitse ambassade in M., hetgeen zonder geldig internationaal paspoort onmogelijk is; dat hij uit diezelfde informatie tevens afleidt dat verzoeker van december 2001 tot 28 februari 2002 werkzaam was als bankwerker bij een transportbedrijf in K., waardoor zijn verklaring dat hij zich vanaf juni 2001 een jaar in de bossen zou hebben verscholen, wordt XIV-13.284-6/9 ondermijnd; dat de Commissaris-generaal daaraan toevoegt dat verzoeker van voornoemd werk geen melding maakte op de Dienst Vreemdelingenzaken; dat hij het voorts merkwaardig vindt dat verzoekers schoonvader niet vermeldde, in tegenstelling tot verzoeker, dat hij tweemaal uitstel van legerdienst kon verkrijgen voor verzoeker; dat de Commissaris-generaal ten slotte aanhaalt dat er na een vergelijking van de verklaringen van verzoekers moeder en stiefvader tegenstrijdigheden werden vastgesteld; Overwegende dat de Commissaris-generaal ten aanzien van mevrouw XXX heeft besloten tot de bedrieglijkheid van haar asielaanvraag omdat zij bepaalde inlichtingen niet kon verschaffen over haar ondervraging door een rechercheur, omdat zij verklaarde niet meer over een internationaal paspoort te beschikken, terwijl uit informatie bleek dat zij een visumaanvraag deed bij de Duitse ambassade in M., hetgeen zonder geldig internationaal paspoort niet mogelijk is, omdat uit diezelfde informatie bleek dat haar echtgenoot XXX van december 2001 tot 28 februari 2002 werkzaam was als bankwerker bij een transportbedrijf in K., waardoor haar verklaring dat hij zich vanaf juni 2001 een jaar in de bossen zou hebben verscholen, wordt ondermijnd, en omdat zij geen antwoord kent op vragen in verband met haar schoonbroer en schoonmoeder; dat de Commissaris-generaal ten slotte aanhaalt dat er na een vergelijking van de verklaringen van verzoeksters schoonouders tegenstrijdigheden werden vastgesteld; dat hij uit voormelde elementen besluit dat de geloofwaardigheid van haar asielrelaas in het gedrang komt; Overwegende dat het hoofdmotief van de vlucht van verzoeker te wijten is aan het niet vervullen van zijn legerdienst; dat dit motief in casu vreemd is aan de Vluchtelingenconventie; 3.
- Overwegende dat de in de bestreden beslissingen aangehaalde motieven steun vinden in het administratief dossier, zodat de Commissaris-generaal op goede gronden kon besluiten dat de asielaanvragen van verzoekers bedrieglijk zijn; dat wat de wettigheid van de motieven met betrekking tot de verklaringen van de (schoon)ouders van verzoekers betreft, wordt verwezen naar het arrest nr. *** van 10 juni 2004 van de XIVde kamer van de Raad van State waaruit blijkt dat de Commissaris-generaal terecht tegenstrijdigheden in hun verklaringen heeft vastgesteld; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekers geen van de in de bestreden beslissingen weergegeven elementen met concrete argumenten weerleggen, doch zich beperken tot de loutere bewering dat de Commissaris-generaal geen onderzoek heeft gevoerd naar hun daadwerkelijke vrees voor vervolging in hun land van herkomst, zoals blijkt uit de door hen aangehaalde rapporten; dat niet blijkt dat de Commissaris-generaal bij het nemen van de bestreden beslissingen onzorgvuldig is tewerk gegaan of geen rekening heeft gehouden met de situatie in het land van herkomst van verzoekers; dat uit het administratief dossier blijkt dat de Commissaris-generaal bij het nemen van de bestreden beslissingen rekening heeft gehouden met de specifieke verklaringen van verzoekers en met alle terzake dienende elementen om tot de bedrieglijkheid van hun asielaanvragen te besluiten; dat met XIV-13.284-7/9 betrekking tot de door verzoekers aangehaalde rapporten wordt verwezen naar de vrij constante rechtspraak van de Raad van State waarin wordt gesteld dat het niet volstaat te verwijzen naar rapporten van algemene aard zonder deze te betrekken op hun persoonlijke toestand; Overwegende dat geen van de door verzoekers aangehaalde bepalingen werd geschonden, vermits uit een lezing van de diverse verhoorverslagen, de documenten neergelegd door verzoekers, en uit de bijgevoegde informatie vanwege de Duitse immigratie- dienst blijkt dat de Commissaris-generaal op goede gronden tot de bedrieglijkheid van de asielaanvragen van verzoekers besloot, gelet op de motieven van de bestreden beslissingen; dat het enig middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen middel hebben aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien september tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, XIV-13.284-8/9 R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-13.284-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.946 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div