← België

Arrest 134981 - - 15/09/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.981 Rolnummer: A. 155554/XIV-20589 Zaak: Arrest 134981 - - 15/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-09-20 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 08:58 Fiche Arrest nr 134.981 van 15 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 134.981 van 15 september 2004 in de zaak A. 155.554/XIV-20.

  1. In zake : XXX, die woont te A. T.veld 6 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- - DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van XXX nationaliteit, op 13 september 2004 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 1 september 2004waarbij een aanvraag om machtiging tot verblijf, met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, onontvankelijk wordt verklaard; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 14 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 september 2004 om 11 uur; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. DE ROECK, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat C. DECORDIER, die loco advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; XIV-20.589-1/3 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, dat de verzoekende partij aanvoert dat zij al drie en een half jaar samenleeft met de genaamde G. voor wie zij “volledig instaat”, dat, zelfs indien zij tijdelijk België moet verlaten om een visum te gaan halen in XXX“(de wachttijd is minimum vijf maanden)”, dit een “zware morele klap is voor haar partner”en voor haarzelf en dat de verwijdering “een inmenging is in het privé-leven” en “gedisproportioneerd is met het na te streven doel”, Overwegende dat het nadeel in hoofde van de partner van de verzoekende partij niet in aanmerking kan worden genomen omdat het geen persoonlijk nadeel vormt in hoofde van de verzoekende partij; dat in hoofde van de verzoekende partij zelf geen sprake is van een ongeoorloofde inmenging in het privé-leven aangezien de verzoekende partij slechts tijdelijk van haar partner zal worden gescheiden en dit geenszins disproportioneel is; dat de verzoekende partij geen ander nadeel aanvoert; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede van de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  2. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. XIV-20.589-2/3 Artikel
  3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien september tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-20.589-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.134.981 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.