id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.025 Rolnummer: A. 106506/XIV-5172 Zaak: Arrest 135025 - - 17/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-08 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 08:59 Fiche Arrest nr 135.025 van 17 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.025 van 17 september 2004 in de zaak A. 106.506/XIV-
- In zake : XXX, wonende te 1062 SINT-GILLES, tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 5 augustus 1962 en van Armeense nationaliteit, op 26 juni 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 31 mei 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 19 maart 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 1 juni 2001; Gelet op de beschikking van 27 augustus 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memorie van antwoord van de eerste verwerende partij en de memorie van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 3 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 2 juni 2004 om 10.00 uur; XIV-5172-1/7 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij die verschijnt in persoon, van Adjunct-adviseur L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat C. DECORDIER, die loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 22 september 2000 en verklaart zich vluchteling op 25 september
- 1.
- Op 19 maart 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 31 mei 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 17 mei 2001 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Armeense taal machtig is, en in aanwezigheid van zijn advocaat, Mr. Delvoie. Volgens de verklaringen van betrokkene, van Armeense origine, zou hij in 1985 te Erevan (Armenië) gehuwd zijn met XXX, een Armeens staatsburger van Armeense origine, met wie hij drie kinderen zou hebben. Betrokkene zou vanaf 1986 vaak in Litouwen verbleven hebben en zou er in 1992 een Litouws paspoort bekomen hebben waardoor hij staatsburger van dit land zou zijn geworden. In 1993 zou betrokkene definitief teruggekeerd zijn naar Armenië omwille van het groeiende nationalisme in Litouwen en omdat hij er werd afgeperst door de maffia. In 1994 zou betrokkene lid geworden zijn van de HHSh (of ANM : Armenian National Movement); de toen machtigste politieke partij van Armenië. In 1998 zou betrokkene ondervoorzitter van de HHSh-afdeling in het Kentron-district te Erevan zijn geworden. Toen Kotcharian in mei 1998 de nieuwe president van Armenië zou zijn geworden, zou de HHSh veel van haar macht verloren hebben. In Armenië zou er m.b.t. Vano Siradeghian, de voorzitter van HHSh, een gerechtelijk onderzoek (moordaanslagen) lopen. Siradeghian zou, nadat hij het land zou zijn ontvlucht, in september 1997 per vliegtuig uit Bulgarije zijn teruggekeerd naar Armenië. Betrokkene en zijn vrouw zouden toen ook op dit vliegtuig gezeten hebben. In maart/april 2000 zou Siradeghian opnieuw Armenië zijn ontvlucht. Eind april, begin mei 2000 zou betrokkene door het parket zijn geconvoceerd en er zijn ondervraagd over Siradeghian. Half augustus 2000 zou betrokkene met geweld zijn meegenomen naar het KGB-gebouw te Erevan, Betrokkene zou er zijn ondervraagd i.v.m. de verblijfplaats van Siradeghian. Betrokkene zou zijn geslagen. De volgende dag zou betrokkene met de hulp van zijn schoonbroer het KGB-gebouw kunnen verlaten hebben. Op 10 september 2000 zou betrokkene XIV-5172-2/7 Armenië verlaten hebben. Op 22 september 2000 zou betrokkene in België zijn aangekomen waar hij op 25 september 2000 zijn asielprocedure startte. Betrokkenes vrouw zou in januari 2001 zijn ondervraagd door de KGB. Op 7 april 2001 zou betrokkenes vrouw en hun minderjarige dochter XXX in België zijn aangekomen waar zijn vrouw op 19 april 2001 haar asielprocedure startte. Betrokkenes twee andere minderjarige kinderen zouden te Erevan bij zijn moeder gebleven zijn. Betrokkene is in het bezit van de volgende documenten : zijn Litouws paspoort, zijn lidkaart van de HHSh, een brief dat betrokkene lid is van de HHSh in het Kentron-district en zijn rijbewijs. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat betrokkene verklaarde (CGVS p. 4) dat, toen hij in 1993 vanuit Litouwen terugkeerde naar Armenië, hij er het Armeense staatsburgerschap verkreeg (betrokkene had zich, toen hij naar Litouwen reisde en er een paspoort bekwam, niet in Armenië uitgeschreven zodat zijn permanente propiska nog steeds in Erevan was). Betrokkene verklaarde uitdrukkelijk (CGVS p.1) dat hij een Armeens staatsburger is, en stelde (CGVS p.3) niet te weten of hij nu nog steeds over het Litouwse staatsburgerschap beschikt. Aldus dient in het kader van de toetsing van betrokkenes asielmotieven aan de Vluchtelingenconventie, zijn problemen te worden beoordeeld ten overstaan van Armenië. De geloofwaardigheid van betrokkenes relaas wordt ondermijnd nadat werd vastgesteld dat zijn verklaringen op het Commissariaat-generaal tegenstrijdigheden vertonen met zijn eerdere verklaringen afgelegd bij de Dienst Vreemdelingenzaken en met informatie beschikbaar op het Commissariaat-generaal. Met betrekking tot de gebeurtenissen nadat Siradeghian voor de eerste keer Armenië was ontvlucht omwille van zijn problemen met het gerecht, verklaarde betrokkene voor het Commissariaat-generaal (p.12) dat hij samen met zijn vrouw in september 1997 op het vliegtuig zat toen Siradeghian vanuit Bulgarije terugkeerde naar Armenië. Betrokkenes vrouw stelde bij de Dienst Vreemdelingenzaken (pt.42) dat dit in september 1998 gebeurde. Zowel betrokkene (CGVS p. 12), als zijn vrouw (DVZ pt.42) veronderstellen dat misschien n.a.v. hun gezamelijke vliegtuigreis met Siradeghian, de KGB meende dat ze Siradeghian kenden. Uit informatie beschikbaar op het Commissariaat-generaal blijkt echter dat Siradeghian pas in februari 1999 voor de eerste keer Armenië is ontvlucht en dat hij hierna in mei 1999 terugkeerde (bron : IWPR, 5 april 2000). Ook verklaarde betrokkene (CGVS p.13) dat Siradeghian bij zijn terugkomst in Armenië na zijn eerste vlucht niet werd opgepakt door de politie, terwijl uit bovenvermelde bron het tegendeel blijkt. Deze vaststellingen ondermijnen op zwaarwichtige wijze de geloofwaardigheid van betrokkenes verklaringen. Met betrekking tot Siradeghian's tweede vlucht uit Armenië verklaarde betrokkene voor het Commissariaat-generaal (p.13) dat dit in maart-april 2000 gebeurde, terwijl hij eerder bij de Dienst Vreemdelingenzaken (pt.42) stelde dat Siradeghian in 1999 voor de tweede keer Armenië ontvluchtte. Met betrekking tot zijn ondervraging door het parket in april-mei 2000 stelde betrokkene bij de Dienst Vreemdelingenzaken (pt.42) dat hij toen een document moest tekenen waarin hij verklaarde de stad niet te zullen verlaten. Voor het Commissariaat-generaal (p.12) maakte betrokkene echter geen melding van dit feit, en verklaarde dat hij enkel het verhoorrapport en een document ter afgifte van zijn paspoort diende te ondertekenen. Met betrekking tot zijn ondervraging half augustus 2000 in het KGB-gebouw verklaarde betrokkene voor het Commissariaat-generaal (p.14-15) dat, nadat hij door drie mannen was ondervraagd en in elkaar was geslagen, hij twee uur hierna opnieuw door twee mannen (die hij herkende van de eerste keer) in dezelfde kamer werd mishandeld, waarna hij ’s avonds naar de kelderverdieping werd gebracht en daar nog eens door één persoon werd geslagen. Bij de Dienst Vreemdelingenzaken (pt.42) stelde betrokkene dat hij eerst door 3 à 5 personen gedurende twee uren werd mishandeld, maakte hij vervolgens geen melding van de voor het Commissariaat-generaal beschreven tweede mishandeling (door twee personen die hij herkende van de eerste keer), maar stelde hij naar een klein kamertje te zijn gebracht waar hij tot zes uur wachtte en er toen opnieuw te zijn geslagen door één persoon. Verder stelde betrokkene bij de Dienst Vreemdelingenzaken (pt.42) dat hij tot de volgende dag 20u00 in dat kamertje bleef, terwijl hij voor het Commissariaat-generaal (p.15) verklaarde dat hij de volgende ochtend bij een inspecteur in een andere kamer werd gebracht. Verder dient te worden opgemerkt dat betrokkene slechts een zeer beperkte kennis had met betrekking tot de HHSh, de politieke partij waarvan hij volgens zijn verklaringen (CGVS p.6; en zie lidkaart en brief van HHSh) in 1994 lid is (van) geworden en in 1998 ondervoorzitter te Kentron is (van) geworden. Zo verklaarde betrokkene (CGVS p.8) dat na de eerste vlucht van Siradeghian (die toen voorzitter van de HHSh was) naar het buitenland, Andranik Sarkisian in 1998 tot nieuwe voorzitter van de HHSh werd verkozen (maar dat Andranik Hovhanisian de meeste taken op zich nam). Uit informatie beschikbaar op het Commissariaat-generaal blijkt echter dat Siradeghian, tijdens zijn verblijf in het buitenland na zijn eerste vlucht uit Armenië, herverkozen werd tot voorzitter van de HHSh (bron : Fiona Dunne, “RFERL 3/10/99-Splits in former Armenian ruling party?”). Verder verklaarde betrokkene (CGVS p.10) dat er momenteel drie leden van de HHSh (Zurabian, Sarkisian, Harutunian) parlementsleden zijn. Uit informatie beschikbaar op het Commissariaat-generaal blijkt echter dat er thans maar één lid van de HHSh (Siradeghian !) zetelt in het Armeense parlement (bron : SWB, SU/3551 F/3, 3 juni 1999). Deze vaststellingen komen de geloofwaardigheid van zijn verklaringen niet ten goede. XIV-5172-3/7 Het overige door betrokkene neergelegde document, namelijk zijn rijbewijs wijzigt niets aan hetgeen hierboven werd uiteengezet aangezien het louter persoonsgegevens bevat die niet worden betwist. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 19 maart
- De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...)”.
- Over de gegrondheid van de zaak. 2.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel aanvoert dat de bestreden beslissing gebrekkig werd gemotiveerd; 2.1.
- Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in zijn memorie van antwoord de argumenten die verzoeker aanhaalt om de schending van de motiveringsplicht aan te tonen, tracht te weerleggen; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord geen nieuwe argumenten aanhaalt; 2.1.
- Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op grond van zijn in artikel 52 van de Vreemdelingenwet vervatte appreciatiebevoegdheid tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten; dat de bestreden beslissing is gebaseerd op de volgende pertinente en draagkrachtige motieven, die steun vinden in het administratief dossier en die samengevat als volgt luiden: - de geloofwaardigheid van verzoekers relaas wordt ondermijnd doordat zijn verklaringen op het Commissariaat-generaal tegenstrijdigheden vertonen met zijn eerdere verklaringen afgelegd bij de Dienst Vreemdelingenzaken en met informatie beschikbaar op het Commissariaat-generaal; - verzoeker heeft een zeer beperkte kennis met betrekking tot de HHSh, de politieke partij waarvan hij volgens zijn verklaringen in 1994 lid is geworden en in 1998 ondervoorzitter te Kentron. De vaststellingen van de Commissaris-generaal ter zake komen de geloofwaardigheid van verzoekers verklaringen niet ten goede; - het door verzoeker neergelegde document, namelijk zijn rijbewijs, wijzigt niets aan wat hierboven werd uiteengezet aangezien het louter persoonsgegevens bevat die niet worden betwist; XIV-5172-4/7 2.1.
- Overwegende dat verzoeker het motief van de Commissaris- generaal met betrekking tot verzoekers beperkte kennis van zijn partij, aanvecht; dat hij aanvoert dat de Commissaris-generaal zich vergist wanneer die op basis van de informatie waarover hij beschikt, stelt dat Siradeghian herverkozen werd tot nieuwe voorzitter van de HHSh en niet Sarkisian zoals verzoeker beweerde; dat verzoeker aanvoert dat Siradeghian werd verkozen tot volksvertegenwoordiger, maar niet tot voorzitter; dat hij met betrekking tot zijn verklaringen over het aantal leden van zijn partij dat in het parlement zetelt, beweert dat zijn verklaringen op het Commissariaat-generaal correct zijn en kunnen nagetrokken worden, maar dat hij niet over de capaciteiten en de technische uitrusting van het Commissariaat-generaal beschikt en zich dient te baseren op feiten die hij zelf meemaakte; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker op het Commissariaat-generaal heeft verklaard dat Sarkisian in 1998 is verkozen (verhoorverslag CGVS, p. 8: “Siradeghian voorzitter/president tot wanneer? (...) is gevlucht, dan een andere verkozen. Wanneer? Sarkisian Andranik in ’98 verkozen); dat uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt (RFERL 3/10/99-Splits in Former Armenian Ruling Party), blijkt dat Siradeghian na zijn vlucht werd herverkozen tot voorzitter van de HHSh (“board chairman”) op 8 maart
(1999); dat de Commissaris- generaal bijgevolg dit motief kon weerhouden; dat verzoekers toelichting dat Siradeghian werd verkozen als volksvertegenwoordiger geen afbreuk doet aan de bovenvermelde bevindingen; dat uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt (SU/3551 F/3, 3 juni 1999) overigens blijkt dat Siradeghian zowel voorzitter was van de partij als parlementslid; dat verzoeker niet aantoont dat de informatie waarover het Commissariaat- generaal beschikt onjuist is; dat verzoeker wat het aantal leden van de HHSh betreft die zetelen in het parlement, aanvoert dat zijn verklaringen op het Commissariaat-generaal correct waren; dat verzoeker dit evenwel niet aantoont; dat de Commissaris-generaal terecht uit de vergelijking van verzoekers verklaringen met informatie waarover hij beschikt, kon afleiden dat verzoekers verklaringen onjuist waren; dat verzoekers argument met betrekking tot een gebrek aan “capaciteit en technische uitrusting” niet overtuigt aangezien de betrokken gegevens niet van aard zijn dat ze niet te controleren zijn; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker de tegenstrijdigheid tussen zijn verklaringen en die van zijn vrouw in verband met de datum van de vliegtuigreis toeschrijft aan een vergissing, die niet ernstig kan worden genomen; dat hij de tegenstrijdigheid in verband met de data waarop Siradeghian Armenië ontvluchtte en er nadien terugkeerde, eveneens betwist; dat hij volhoudt dat de terugkeer van Siradeghian in 1998 plaatsvond en dat hij dat op de één of andere manier zal trachten te bewijzen; XIV-5172-5/7 Overwegende dat het motief in verband met de vliegtuigreis steun vindt in het administratief dossier en door de Commissaris-generaal terecht werd weerhouden; dat, wat het tweede motief betreft, uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt (IWPR, 5 april 2000), blijkt dat Siradeghian in februari 1999 voor de eerste maal Armenië is ontvlucht en in mei 1999 terugkeerde; dat verzoeker geen elementen aanbrengt die dit gegeven weerleggen; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker aanvoert dat Siradeghian na zijn aankomst op de luchthaven niet onmiddellijk werd opgepakt maar later; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker ontkennend antwoordde toen hem werd gevraagd of Siradeghian werd opgepakt bij zijn aankomst te Yerevan (verhoorverslag CGVS, p. 13); dat uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt evenwel het tegendeel blijkt (“He was promptly arrested”: IWPR, 5 april 2000); dat verzoeker niet aantoont dat de beoordeling van de Commissaris- generaal onjuist is; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker de tegenstrijdigheden in verband met de datum van Siradeghians tweede vlucht en met zijn ondervraging door het parket wijt aan een verkeerde vertaling of een foute notitie op de bevoegde asielinstanties; Overwegende dat de eventuele vertaalproblemen waarvan verzoeker gewag maakt, geen steun vinden in het administratief dossier; dat uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat hij geen opmerkingen heeft geformuleerd over eventuele vertaalproblemen, dit terwijl hij daartoe wel de mogelijkheid had, vermits zijn verklaringen hem op het einde van het interview werden voorgelezen; dat verzoeker, door zijn handtekening, bevestigde dat het verhoorverslag overeenstemt met de verklaringen die hij heeft afgelegd; dat hij evenmin op het Commissariaat-generaal melding heeft gemaakt van eventuele vertaalproblemen; dat derhalve de door verzoeker tijdens de betreffende verhoren afgelegde verklaringen door de Commissaris-generaal in aanmerking konden worden genomen bij het nemen van de bestreden beslissing; Overwegende dat verzoeker de door de Commissaris-generaal weerhouden motieven niet weerlegt; dat uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing steunt op pertinente en afdoende motieven die draagkrachtig zijn; dat de Commissaris-generaal derhalve in redelijkheid kon vaststellen dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk is; dat het eerste middel ongegrond is; 2.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van het verbod op discriminatie, zoals gewaarborgd door artikel 14 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele Vrijheden XIV-5172-6/7 (E.V.R.M.), omdat een gedwongen terugkeer een rechtstreekse bedreiging inhoudt voor het leven en de vrijheid van verzoeker en de leden van zijn gezin; Overwegende dat verzoeker zich beperkt tot een algemene uiteenzetting maar hiermee niet aantoont dat artikel 14 van het E.V.R.M. is geschonden; dat uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat de Commissaris-generaal kon oordelen dat verzoekers asielaanvraag bedrieglijk is; dat verzoeker derhalve geen vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 aantoont; dat het tweede middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien september tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-5172-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.025 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div