id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.026 Rolnummer: A. 106530/XIV-5184 Zaak: Arrest 135026 - - 17/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-08 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 08:59 Fiche Arrest nr 135.026 van 17 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.026 van 17 september 2004 in de zaak A. 106.530/XIV-
- In zake : XXX, wonende te S., H.laan 62 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 15 juli 1968 en van XXX nationaliteit, op 26 juni 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 31 mei 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 24 april 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 1 juni 2001; Gelet op de beschikking van 27 augustus 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memorie van antwoord van de eerste verwerende partij en de memorie van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 3 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 2 juni 2004 om 10.00 uur; XIV-5184-1/7 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij, die verschijnt in persoon, van Advocaat C. DECORDIER, die loco Advocaat E.MATTERNE verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Adjunct-adviseur L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 7 april 2001 en verklaart zich vluchteling op 19 april
- 1.
- Op 24 april 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 31 mei 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Uit haar verklaringen afgelegd bij de Dienst Vreemdelingenzaken en in haar verzoekschrift tot dringend beroep, blijkt dat betrokkene, een XXX staatsburger, sinds 1985 zou samenleven met G. (O.V. 5012319), een XXX staatsburger, met wie zij drie kinderen zou hebben. Betrokkene zou problemen ondervonden hebben naar aanleiding van de politieke activiteiten van haar man die sinds 1994 lid zou zijn van de H.-partij (XXX volksbeweging) en de ondervoorzitter zou zijn van de H.-afdeling in hun wijk te E. (XXX). De leden van de H. zouden vervolgd zijn omwille van diverse moorden en misdaden. V., de hoofdverdachte, zou XXX zijn ontvlucht. Bij S. terugkeer in september 1998 zou betrokkene samen met haar man per toeval op hetzelfde vliegtuig gezeten hebben. Betrokkene denkt dat misschien daardoor zij later problemen zou ondervonden hebben met de KGB. Eind april, begin mei 2000 zou betrokkenes man zijn ondervraagd door het parket. Half augustus 2000 zou betrokkenes man door de KGB zijn opgepakt voor één dag en toen zijn mishandeld. Op 10 september 2000 zou betrokkenes man XXX zijn ontvlucht en startte hij op 25 september 2000 zijn asielprocedure in België. Op 13 januari 2001 zou betrokkene door drie agenten van de KGB zijn ondervraagd. Enkele dagen hierna zou betrokkene contact hebben verkregen met haar man die haar zou aangeraden hebben om XXX te verlaten. Op 3 april 2001 zou betrokkene samen met haar minderjarige dochter L. XXX verlaten hebben. Op 7 april 2001 zouden ze in België zijn aangekomen waar betrokkene op 19 april 2001 haar asielprocedure startte. Betrokkene legt ter ondersteuning van haar asielaanvraag de volgende documenten (voor): de geboorteaktes van haar drie kinderen, haar sportkaart, en foto's van haar kerkelijk huwelijk. De Commissaris-generaal acht het niet nodig betrokkene uit te nodigen om de motieven van haar asielaanvraag op het Commissariaat-generaal te komen uiteenzetten aangezien uit haar verklaringen afgelegd bij de Dienst Vreemdelingenzaken en in haar verzoekschrift tot dringend beroep, en na het verhoor voor het Commissariaat-generaal van haar partner G., XIV-5184-2/7 voldoende blijkt dat betrokkenes asielaanvraag onontvankelijk is. Uit betrokkenes hierboven vermelde verklaringen blijkt dat de motieven van haar asielaanvraag volledig gebaseerd zijn op de problemen zoals ze door haar partner in zijn asielverzoek werden aangehaald. In het kader van de asielaanvraag van haar partner werd door het Commissariaat-generaal een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf genomen, omdat er aan zijn verklaringen geen geloof kon worden gehecht. Derhalve kan er ook in hoofde van betrokkene geen vermoeden van vrees voor vervolging zoals voorzien in de Vluchtelingenconventie worden weerhouden. De door betrokkene neergelegde documenten wijzigen niets aan het geen hierboven werd uiteengezet aangezien de geboorteaktes van haar drie kinderen, haar sportkaart en foto's van haar kerkelijk huwelijk, louter betrekking hebben op persoonsgegevens die niet worden betwist. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 24 april
- De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...)”.
- Over de gegrondheid van de zaak. 2.
- Overwegende dat verzoekster een eerste middel aanvoert van “machtsoverschrijding afgeleid uit de schending van art. 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen” (Vreemdelingenwet); dat zij van mening is dat de Commissaris-generaal geen rekening heeft gehouden met haar grieven en er niet op heeft geantwoord, dat het interview op de Dienst Vreemdelingenzaken zeer oppervlakkig was en dat haar asielrelaas niet altijd correct werd vertaald en/of genoteerd; dat zij daaraan toevoegt dat zij niet werd uitgenodigd voor een ondervraging op het Commissariaat-generaal; 2.1.
- Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in zijn memorie van antwoord repliceert dat verzoekster op de Dienst Vreemdelingenzaken gedurende één uur en vijfenveertig minuten werd ondervraagd, wat niet beperkt te noemen is; dat hij stelt dat hij verzoekster niet meer heeft uitgenodigd voor een interview op het Commissariaat-generaal daar hij via het verhoor van verzoeksters echtgenoot, over voldoende informatie beschikte; 2.1.
- Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord geen nieuwe elementen aanbrengt; 2.1.
- Overwegende dat verzoekster een aantal algemene opmerkingen maakt over een gebrek aan motivering, de oppervlakkigheid van het interview op de Dienst XIV-5184-3/7 Vreemdelingenzaken en een onjuiste vertaling zonder in concreto te verduidelijken waarop zij haar argumenten steunt; dat zij niet uitlegt met welke “grieven” de Commissaris-generaal geen rekening heeft gehouden; dat zij evenmin aantoont dat het interview op de Dienst Vreemdelingenzaken “zeer oppervlakkig” was noch toelicht op welke punten de vertaling foutief is; dat zij met andere woorden niet aantoont waarom de Commissaris-generaal niet op basis van de gegevens waarover hij beschikte, zijn beslissing kon nemen; dat verzoekster de motivering van de bestreden beslissing niet weerlegt; dat zij niet bewijst dat haar asielaanvraag steunt op andere problemen dan die van haar echtgenoot noch aangeeft welke elementen zij tijdens het interview op het Commissariaat-generaal had willen toevoegen die de bestreden beslissing in positieve zin hadden kunnen ombuigen; dat integendeel uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster op de Dienst Vreemdelingenzaken werd ondervraagd gedurende één uur en vijfenveertig minuten en werd bijgestaan door een tolk die het XXX machtig is; dat uit het verhoorverslag blijkt dat zij de feiten waarop zij haar vervolging baseert heeft kunnen uiteenzetten, zodat er geen sprake is van een “zeer oppervlakkig” interview; dat zij tijdens het verhoor geen opmerkingen heeft geformuleerd over het vertaalwerk; dat zij integendeel door het plaatsen van haar handtekening bevestigde dat het verslag, dat haar werd voorgelezen in het XXX, overeenstemt met de inlichtingen die zij heeft gegeven; dat verzoeksters grief over een mogelijke onjuiste vertaling derhalve feitelijke grondslag mist; dat verzoekster aanvoert dat zij ten onrechte niet werd uitgenodigd voor een interview op het Commissariaat-generaal; dat de Commissaris-generaal evenwel niet verplicht is om een kandidaat-vluchteling te horen indien hij van oordeel is dat hij over voldoende relevante elementen beschikt om zijn beslissing op zorgvuldige wijze voor te bereiden en op afdoende wijze te motiveren; dat de Commissaris-generaal zijn beweegreden om verzoekster niet te horen uitdrukkelijk uiteenzet in de bestreden beslissing; dat in casu de Commissaris- generaal heeft geoordeeld dat een verhoor niet dienstig was voor het nemen van zijn beslissing omdat “uit haar (verzoeksters) verklaringen afgelegd bij de Dienst Vreemdelingenzaken en in haar verzoekschrift tot dringend beroep, en na het verhoor voor het Commissariaat-generaal van haar partner G., voldoende blijkt dat betrokkenes asielaanvraag onontvankelijk is. Uit betrokkenes hierboven vermelde verklaringen blijkt dat de motieven van haar asielaanvraag volledig gebaseerd zijn op de problemen zoals ze door haar partner in zijn asielverzoek werden aangehaald. (...)”; dat voornoemde motivering van de Commissaris- generaal steun vindt in het administratief dossier; dat de door verzoekster ingeroepen vervolgingsfeiten door de Commissaris-generaal gekend waren, zodat hij in redelijkheid kon oordelen dat geen verhoor nodig was; dat uit een vergelijking van het asielrelaas van verzoekster met dat van haar echtgenoot blijkt dat de Commissaris-generaal terecht oordeelde dat verzoekster zich baseerde op dezelfde vervolgingsfeiten als die van haar echtgenoot; dat de Commissaris-generaal in de zaak van laatstgenoemde een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf nam op grond van bedrieglijkheid; dat verzoeksters echtgenoot hiertegen op 26 juni 2001 een verzoekschrift tot nietigverklaring indiende bij de Raad van State; dat uit het arrest nr. 135.025, gewezen op 17 september 2004 door de XIVde kamer van de Raad van State, blijkt dat de beslissing van de Commissaris-generaal wettig is; dat de XIV-5184-4/7 Commissaris-generaal derhalve terecht kon besluiten dat de asielaanvraag van verzoekster, die steunt op dezelfde motieven, kennelijk ongegrond is; dat verzoekster geen elementen aanbrengt die aantonen dat voornoemde beslissing onjuist is; dat de door verzoekster ingeroepen wetsbepalingen niet werden geschonden; dat het eerste middel ongegrond is; 2.
- Overwegende dat verzoekster een tweede middel afleidt uit de “schending van het motiveringsvereiste” (artikel 62 van de Vreemdelingenwet, artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, artikel 149 van de Grondwet en artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele Vrijheden (E.V.R.M.)); dat zij in essentie aanvoert dat haar asielaanvraag niet individueel werd behandeld aangezien haar administratief beroep werd beantwoord op basis van het dossier van haar echtgenoot; dat zij met betrekking tot de asielaanvraag van haar echtgenoot stelt dat “een vergelijking tussen verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken en deze op het Commissariaat-generaal niet strookt met de artikelen 63 en 63/3 van de Vreemdelingenwet” en met “een deugdelijke motivering”; dat zij daaraan toevoegt dat “elk verzoek individueel dient behandeld te worden, zodat het niet behoort te vergelijken met andermans verklaringen, afgelegd hetzij voor de Dienst Vreemdelingenzaken, hetzij voor het Commissariaat-generaal.”; 2.2.
- Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in zijn memorie van antwoord op goede gronden repliceert dat de schending van artikel 6 van het EVRM niet dienstig kan worden aangevoerd voor de Raad van State; 2.2.
- Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord geen elementen toevoegt; 2.2.
- Overwegende dat niet kan worden ingezien waarom een vergelijking tussen het interview van een kandidaat-vluchteling en dat van zijn echtgeno(o)t(e) een individuele behandeling van de betrokken asielaanvragen uitsluit; dat een vergelijking impliceert dat beide objecten van de vergelijking (in casu het asielrelaas van verzoekster en dat van haar echtgenoot) worden onderzocht; dat reeds in het eerste middel werd overwogen dat de Commissaris-generaal terecht oordeelde dat de asielaanvraag van verzoekster gebaseerd was op het asielrelaas van haar echtgenoot; dat verzoekster verder niet uitlegt waarom de Commissaris-generaal het interview op de Dienst Vreemdelingenzaken en dat op het Commissariaat-generaal niet met elkaar zou mogen vergelijken; dat geen wetsbepaling de Commissaris-generaal verbiedt bij zijn beoordeling van de feiten rekening te houden met de verklaringen die een kandidaat-vluchteling heeft afgelegd op de Dienst Vreemdelingenzaken, de inhoud van die verklaringen te vergelijken met die welke op het Commissariaat-generaal werden afgelegd en daaruit de nodige gevolgtrekkingen af te leiden; dat verzoekster niet aantoont dat de Commissaris-generaal niet in redelijkheid tot de bestreden beslissing kon komen; dat het tweede middel ongegrond is; XIV-5184-5/7 2.
- Overwegende dat verzoekster in een derde middel machtsafwending aanvoert en de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meerbepaald het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel; dat zij verwijst naar de argumenten, aangehaald in het eerste middel; 2.3.
- Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen repliceert dat zowel verzoekster als haar echtgenoot door hem werden opgeroepen, maar dat enkel laatstgenoemde naar het interview kwam; dat hij aanvoert dat elk neergelegd stuk werd onderzocht; dat hij daaruit besluit dat noch het zorgvuldigheidsbeginsel, noch het redelijkheidsbeginsel werden geschonden; 2.3.
- Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord geen elementen toevoegt; 2.3.
- Overwegende dat verzoekster niet duidelijk maakt waarom zij machtsafwending inroept; dat zij evenmin aantoont dat het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel werden geschonden; dat zij verwijst naar haar uiteenzetting in het eerste middel; dat evenwel uit de bespreking van het eerste middel onder punt 2.1.
- van huidig arrest blijkt dat de Commissaris-generaal terecht de bestreden beslissing kon nemen; dat het derde middel ongegrond is; 2.
- Overwegende dat verzoekster in een vierde middel de schending aanvoert van het verbod op discriminatie, gewaarborgd door artikel 14 van het E.V.R.M., omdat een gedwongen terugkeer een rechtstreekse bedreiging inhoudt voor het leven en de vrijheid van verzoekster en de leden van haar gezin; 2.4.
- Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen repliceert dat verzoekster niet uiteenzet hoe artikel 14 van het E.V.R.M. zou zijn geschonden; 2.4.
- Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord geen elementen toevoegt; 2.4.
- Overwegende dat verzoekster zich beperkt tot een algemene uiteenzetting over de eventuele gevolgen van de bestreden beslissing voor haar en haar gezin doch niet verduidelijkt op welke wijze artikel 14 van het E.V.R.M. werd geschonden; dat uit de bespreking van de voorgaande middelen blijkt dat de Commissaris-generaal kon oordelen dat haar asielaanvraag kennelijk ongegrond is; dat zij derhalve geen vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 aantoont; dat het vierde middel ongegrond is, XIV-5184-6/7 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien september tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-5184-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.026 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.