id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.028 Rolnummer: A. 150682/IX-4487 Zaak: Arrest 135028 - - 20/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-09-28 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-04 08:59 Fiche Arrest nr 135.028 van 20 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.028 van 20 september 2004 in de zaak A. 150.682/IX-4487. In zake : Ilona VAN HAANDEL, die woonplaats kiest bij advocaat K. CRAUWELS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 210 A tegen : De stad ANTWERPEN. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ilona VAN HAANDEL op 14 april 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van 24 februari 2004 van de burgemeester van de stad Antwerpen waarbij zij gestraft wordt met de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege vanaf 18 juli 2001; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 25 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 juni 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. CRAUWELS, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat P. VAN DER STRATEN, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-4487-1/26 Gehoord het andersluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de auditeur-generaal; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1. Verzoekster treedt op 29 juni 1992 als onderofficier toe tot de rijkswacht. Vanaf 3 juli 1995 maakt zij deel uit van de rijkswachtbrigade Antwerpen. Bij het opstarten van de politiezone Antwerpen op 1 januari 2002 muteert zij naar de lokale politie Antwerpen. 1.2. Met een fax van 15 juni 2001, uitgaande van de federale politie - GDA Turnhout, wordt de algemene directie van de federale politie in kennis gesteld van een schietincident tussen twee ex-rijkswachters die thans deel uitmaken van de zonale politie Antwerpen, met name verzoekster en J. VAN DEN BROECK. 1.3.1. Met een brief van 19 juni 2001 deelt de personeelsdirecteur federale politie Antwerpen aan de procureur des Konings te Turnhout mee dat hij vernomen heeft dat lastens verzoekster een gerechtelijk onderzoek lopende is. Teneinde de materialiteit van de feiten in een administratief dossier vast te leggen, vraagt hij de toelating om aan het dossier kopieën van de processen-verbaal ten laste van verzoekster te mogen voegen. Op 6 juli 2001 antwoordt de procureur des Konings dat de onderzoeksrechter het thans "niet opportuun" acht over te gaan tot het verlenen van de toelating om afschriften van de processen-verbaal aan het administratief dossier van verzoekster te voegen, aangezien hij - gelet op het verloop van het onderzoek waarbij het slachtoffer tot op heden nog niet kon worden verhoord - wenst te wachten tot dit verhoor alsmede de hieraan gekoppelde wedersamenstelling zijn gebeurd. Hij besluit dat de onderzoeksrechter hem onmiddellijk zal inlichten van zodra deze onderzoeksdaden verricht zijn. IX-4487-2/26 1.3.2. Eveneens op 19 juni 2001 geeft de directeur-generaal van de Algemene Directie van de Bestuurlijke Politie opdracht om, met toepassing van artikel 38 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeels- leden van de politiediensten (hierna : de tuchtwet), een voorafgaand administratief onderzoek in te stellen. 1.4.1. Op 18 juli 2001 beslist de minister van Binnenlandse Zaken verzoekster een voorlopige schorsing op te leggen voor een periode van vier maanden met ingang op 18 juli 2001, met een inhouding van de wedde van 25 %. Tegen die beslissing dient verzoekster een verweerschrift in, waarin zij onder meer aanvoert dat de vermelding -zowel in het voorstel tot voorlopige schorsing als in de beslissing van de minister- dat zij haar partner heeft bedreigd door het pistool op hem te richten onjuist is. Zij verwijst daarvoor naar "objectieve elementen van het strafdossier, zoals daar zijn het voorlopig verslag van wetsdokter JACOBS en wapendeskundige DE KINDER (die bevestigen) dat er niet rechtlijnig werd gevuurd" en die in de pers werden bevestigd door de parketwoordvoerder, in eerste instantie naar aanleiding van de wedersamenstelling van 22 juni 2001 en in tweede instantie na de verschijning voor de Raadkamer op 13 juli 2001. Op 19 oktober 2001 beslist de minister van Binnenlandse Zaken om de voorlopige schorsing van vier maanden met ingang op 18 juli 2001 met inhouding van 25 % van de wedde te handhaven. Wat betreft de door verzoekster in haar verweerschrift aangevoerde argumenten, wordt gesteld dat de voorlopige schorsing kan worden opgelegd aan elk personeelslid tegen wie een gerechtelijk onderzoek loopt, met andere woorden, dat er geen onderzoek ten gronde van de feiten wordt gevoerd. 1.4.2. Met een nota van 26 oktober 2001 wordt aan verzoekster een voorstel tot verlenging van haar voorlopige schorsing tot vier maanden na de gerechtelijke eindbeslissing (eveneens met inhouding van wedde van 25 %) overhandigd. Tegen dat voorstel dient verzoekster een verweerschrift in, waarin zij opnieuw, met verwijzing naar de elementen van het strafdossier en naar de mededelingen aan de pers door de parketwoordvoerder, aanvoert dat zij, in tegenstelling tot hetgeen in het voorstel tot verlenging wordt gesteld, haar partner niet heeft bedreigd door het pistool op hem te richten. In zijn advies van 7 november 2001stelt de directeur-generaal van de Algemene Directie Bestuurlijke Politie dat IX-4487-3/26 verzoekster in haar verweerschrift "van oordeel (
- is)dat uit het tot dusver gevoerde gerechtelijk onderzoek blijkt dat de ernst van de feiten niet meer zo groot is als aanvankelijk kon worden aangenomen", maar dat zij terzake "geen harde bewijzen" aanvoert, dat de overheid tot op heden nog geen inzage heeft gekregen van het gerechtelijk dossier en dat zij dan ook niet in staat is zich over de door verzoekster naar voor gebrachte argumentatie uit te spreken, aangezien de procureur des Konings op 6 juli 2001 meedeelde dat de onderzoeksrechter het nog niet opportuun achtte over te gaan tot het verlenen van de toelating om afschriften van de processen- verbaal aan het administratief dossier toe te voegen, en dat hij niet zou nalaten de overheid verder op de hoogte te houden van de zaak. Op 27 november 2001 besluit de minister de voorlopige schorsing van verzoekster met inhouding van wedde van 25 % te verlengen tot uiterlijk vier maanden na het einde van de strafvordering. 1.5. Op 16 november 2001 wordt het resultaat van het administratief vooronderzoek aan de directeur-generaal van de Algemene Directie Bestuurlijke Politie meegedeeld. Bij die nota zijn onder meer als bijlagen gevoegd de sub 1.3.1. vermelde brief van 6 juli 2001 van de procureur des Konings te Turnhout, het verhoor van het slachtoffer, het verhoor van verzoekster en het verhoor van een aantal collega's. De feiten worden in de nota weergegeven als volgt : "Inspecteur Ilona VAN HAANDEL komt thuis na een etentje met enkele collega's van de brigade Antwerpen. Inspecteur Johan VAN DEN BROECK, waarmee Ilona samenwoont, blijft thuis en ligt reeds in bed bij haar thuiskomst. Zij begeeft zich naar de slaapkamer en interpelleert Johan over de spanningen in de relatie en zijn eventuele keuze van woonplaats, problemen welke in het afgelopen jaar hun relatie hadden vertroebeld en steeds moeilijker bespreekbaar waren. Hun relatie, en in het bijzonder de communicatie tussen hun beiden verloopt daardoor al langere tijd moeilijk. Deze feiten en de emotionele gevoeligheden er rond hebben hun hoogtepunt bereikt. Ilona grijpt in een ultieme poging om aandacht te krijgen naar het pistool van Johan VAN DEN BROECK in een aangrenzende kamer. Daar Johan niet naar haar luistert, wapent zij het pistool. Door dit mechanisch geluid wil zij enkel bij Johan een psychisch effect bereiken om hem alert te maken en aandacht te krijgen. Bij haar binnenkomen in de slaapkamer zou Johan onmiddellijk op haar arm hebben geslagen, waarmee zij het wapen vasthield. Hierdoor is er een schot afgegaan, welke Johan treft in het achterhoofd. Ilona VAN HAANDEL belt dan zelf dadelijk de dienst 100 voor hulp". IX-4487-4/26 De onderzoeker concludeert dat het een passioneel gezinsdrama betreft dat zijn ontknoping heeft gekend na een lange reeks van gebeurtenissen, dat relationele en emotionele aspecten uiteindelijk hebben geleid tot de crisis, dat de gemoedswisselingen van het slachtoffer kunnen beschouwd worden als "een vorm van intrafamiliaal geweld", dat de natuurlijke zelfbeheersing van verzoekster geleid heeft tot een "opstapeling van emoties die uitmonden in één grote explosie", waarna beiden overblijven als dader én als slachtoffer. 1.6. Op 23 november 2001 deelt de directeur-generaal aan verzoekster mee dat hij op 15 juni 2001 in kennis werd gesteld van het feit dat zij het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk onderzoek dat op heden nog niet werd beslecht door de rechtbank, dat op 16 juli 2001 een vooronderzoek werd bevolen waarvan het resultaat hem inmiddels bereikte, en dat hij, na inzage van de elementen waarover hij heden beschikt, beslist het resultaat van het gerechtelijk dossier af te wachten alvorens een nieuw initiatief ter zake te nemen. Aan de directeur CSD Antwerpen vraagt hij de contacten met de procureur-generaal te onderhouden "teneinde een kopie van het uiteindelijk resultaat van het gerechtelijk dossier te verkrijgen van zodra het gekend is". 1.7. Op 11 januari 2002 zendt de Federale Politie, rekening houdend met de mutatie van verzoekster, het dossier naar de burgemeester van Antwerpen. Er wordt medegedeeld : "(...) In het dossier werd in het raam van een eventuele tuchtprocedure een voorafgaand onderzoek uitgevoerd. Het resultaat van dit onderzoek is niet van aard om voldoende zicht te krijgen op de feiten en de omstandigheden waarin ze gebeurden. Derhalve werd beslist de gerechtelijke eindbeslissing af te wachten alvorens een nieuw initiatief te nemen in dit dossier. Tot op heden verkregen wij geen verdere informatie omtrent de feiten en de omstandigheden waarin ze gebeurden. Gezien de stand van het gerechtelijk dossier, werden geen nieuwe initiatieven meer genomen. (...)." 1.8. Op 1 maart 2002 vraagt de korpschef van de lokale politie Antwerpen aan de procureur des Konings op de hoogte te worden gebracht "van zodra er een gerechtelijke beslissing is genomen". IX-4487-5/26 1.9.1. Met een brief van 4 maart 2002 deelt de burgemeester aan verzoekster mee dat van het parket kon vernomen worden dat de procureur "zijn eindvordering heeft opgesteld en dat het dossier eerstdaags naar de Raadkamer zal verwezen worden". Er wordt haar medegedeeld dat de burgemeester overweegt om haar lopende voorlopige schorsing te verlengen en daartoe worden de feiten en de antecedenten nogmaals bondig samengevat. Verzoekster dient een verweerschrift in, waarin zij opnieuw aanvoert dat in de uiteenzetting van de feiten ten onrechte gesteld wordt "en bedreigt haar partner door het pistool op hem te richten". 1.9.2. Op 16 maart 2002 beslist de burgemeester om verzoekster "verder voorlopig te schorsen bij wijze van ordemaatregel met inhouding van wedde gelijk aan vijfentwintig percent van de brutowedde". In die beslissing wordt onder meer overwogen wat volgt : de voor- lopige schorsing is een ordemaatregel die wordt genomen in afwachting van een resultaat in het strafrechtelijk onderzoek; pas na het resultaat van dit onderzoek zal duidelijkheid ontstaan over de feiten; de vaststelling van de feiten zal gebeuren door de strafrechter die uiteindelijk een uitspraak zal doen; wanneer deze uitspraak kracht van gewijsde heeft bekomen, zal dit ook bindend zijn voor de tuchtrechter; de feiten waarvoor het gerechtelijk onderzoek werd gestart zijn ernstig genoeg : verzoekster ging met een gewapend dienstwapen naar het slachtoffer dat toen lag te slapen en dat is "een ontoelaatbaar gegeven"; of dergelijke handeling werd gesteld om de aandacht te trekken of om te bedreigen is voor het treffen van de ordemaatregel niet relevant; het misbruiken van een dienstwapen in de privé-sfeer is een onverantwoorde en onaanvaardbare attitude en geeft blijk van een gemis aan voorzichtigheid of voorzorg en aan zelfbeheersing; uiteindelijk zal de strafrechter uitspraak doen over de grond van de zaak; ondertussen is, uit veiligheidsoverwegingen naar de collega's en de burgers toe en gelet op het onverantwoord gedrag van verzoekster, een verlenging van de voorlopige schorsing noodzakelijk; wegens de ernst van de feiten wordt ook de wedde-inhouding gehandhaafd. 1.9.3. Op 9 juli 2002 beslist de burgemeester "de voorlopige schorsing met inhouding van wedde gelijk aan 25 % van de bruto maandwedde te verlengen tot uiterlijk vier maanden nadat een gerechtelijke eindbeslissing genomen (is)". IX-4487-6/26 1.10. In antwoord op sub 1.8 vermelde vraag deelt de procureur des Konings te Turnhout op 13 september 2002 aan de korpschef mee dat het gerechte- lijk onderzoek ten laste van verzoekster werd afgesloten, dat de raadkamer op 10 september 2002 een beschikking verleende waarbij verzoekster "bij aanneming van verzachtende omstandigheden werd verwezen naar de correctionele rechtbank", dat het dossier nog niet werd vastgesteld voor behandeling en dat hij niet zal nalaten hem op de hoogte te houden van het verdere verloop van de zaak. Op 3 oktober 2002 wordt medegedeeld dat de zaak werd vastgesteld op de zitting van de correctionele rechtbank van 15 januari 2003 en dat hij niet zal nalaten te gepasten tijde een afschrift van het uitgesproken vonnis te doen geworden van zodra dit kracht van gewijsde heeft bekomen. 1.11. Met een brief van 17 juli 2003 bezorgt de procureur des Konings aan de Dienst Interne Zaken van de lokale politie Antwerpen een kopie van een vonnis van 18 juni 2003 van de correctionele rechtbank van Turnhout. Blijkens dat vonnis : - werd verzoekster beklaagd van op 15 juni 2001 met voorbedachten rade opzettelijke verwondingen of slagen te hebben toegebracht aan VAN DEN BROECK (tenlastelegging A) en door gebaren of zinnebeelden VAN DEN BROECK te hebben bedreigd met een aanslag op personen of op eigendommen (tenlastelegging B); - vorderde zowel het openbaar ministerie als verzoekster de herkwalificatie van tenlastelegging A naar het toebrengen van onopzettelijke slagen en verwondingen; - herkwalificeerde de correctionele rechtbank de tenlastelegging A tot "door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg, maar zonder het oogmerk om de persoon van de heer VAN DEN BROECK aan te randen, onopzettelijke letsels aan hem te hebben toegebracht", op grond van de vaststelling dat de verklaringen van verzoekster ondersteund worden door onder meer de resultaten van het ballistisch onderzoek van de wapendeskundige en de bevindingen en vaststellingen van de wetsgenees- heer; - werd aan verzoekster wegens de feiten A (geherkwalificeerd) en B een werkstraf met een duurtijd van 100 uren opgelegd. 1.12. Op 22 augustus 2003 stelt de korpschef van verzoekster een inleidend verslag op lastens verzoekster. Dat verslag verwijst naar het vonnis van IX-4487-7/26 18 juni 2003, vat de feiten samen zoals die door de strafrechter voor bewezen zijn aangenomen en vervolgt : "(...) De vernoemde feiten betreffen handelingen of gedragingen zoals bedoeld in artikel 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten dat luidt als volgt : 'Elke handeling of gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt of die van aard is de waardigheid van het ambt in het gedrang te brengen, is een tuchtvergrijp en kan aanleiding geven tot het opleggen van tuchtstraffen'. Gezien de vernoemde feiten, ben ik als vervangende korpschef van mening, dat een zware tuchtstraf zich opdringt omdat Ilona VAN HAANDEL een inbreuk pleegde op artikel 132 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus dat het volgende stelt : 'Het personeelslid vermijdt elke gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die het vervullen van de ambtsplichten in de weg kan staan of met de waardigheid van het ambt strijdig is ...' Als inspecteur van politie dient Ilona VAN HAANDEL te weten dat het hanteren van een wapen louter en alleen om aandacht te kunnen verkrijgen, een duidelijk onvoorzichtig handelen is. Het betreft een ernstig feit waarbij rekening dient gehouden te worden, dat betrokkene zich bewust diende te zijn van het feit dat het hanteren van wapens ten allen tijde risicovol kan zijn en het gebruik hiervan dient vermeden te worden wanneer zulks niet strikt wettelijk nood- zakelijk is. Betrokkene moet weten, gezien haar professionele ervaring, dat het 'afdwingen van gesprekken' niet gebeurt op basis van vertoon van een wapen. Betrokkene is trouwens afdoende vertrouwd met de risico's verbonden aan het hanteren van een wapen. (...)". De burgemeester van Antwerpen neemt op 28 augustus 2003 dat verslag over. Hij voegt eraan toe dat hij, als tuchtrechter, voornemens is om verzoekster te bestraffen met het ontslag van ambtswege. 1.13. Met een brief van 4 september 2003 deelt de tuchtverdediger van verzoekster aan de burgemeester mee dat het tuchtdossier niet volledig is en dat hij er weet van heeft dat korte tijd na de feiten een voorafgaand onderzoek is uitgevoerd door de toenmalige rijkswacht. Hij vraagt dat dit voorafgaand onderzoek zou worden gevoegd in het dossier. Aan dat verzoek wordt gevolg gegeven. 1.14. Op 30 september 2003 dient verzoekster een verweerschrift in tegen het inleidend tuchtverslag. Op 3 oktober 2003 wordt zij door de burgemeester gehoord in het kader van de tuchtprocedure. Op 20 oktober 2003 besluit de burgemeester een voorstel te formuleren om verzoekster te straffen met ontslag van IX-4487-8/26 ambtswege. Met een brief van 23 oktober 2003 dient de tuchtverdediger van verzoekster tegen dat voorstel een verzoek tot heroverweging in bij de tuchtraad. Op 13 januari 2004 verleent de tuchtraad een tussenadvies en worden de debatten in voortzetting geplaatst. Het tussenadvies bevat volgende overwegingen : "(...) Uit die stukken blijkt dat op 16 juli 2001 door de heer P. WARNY - DGA een vooronderzoeker was aangesteld (stukken 85 en 86), die op zijn beurt op 16 november 2001 de resultaten van dit onderzoek terug overmaakte aan zijn opdrachtgever (stukken 26 tot 81). Normaliter mag verwacht worden dat de tuchtoverheid na afloop van het voorafgaand onderzoek een standpunt inneemt met betrekking tot het verder verloop. Immers bepaalt artikel 56 Tuchtwet dat in beginsel de tuchtvordering moet ingesteld worden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten. Afwijkend van deze regel bepaalt artikel 56, tweede lid Tuchtwet dat in het geval voor dezelfde feiten een opsporingsonderzoek loopt of een strafvervolging is ingesteld, die termijn pas begint te lopen de dag dat de tuchtoverheid in kennis wordt gesteld van de afloop van de procedure. Dit laatste wetsartikel houdt voor de tuchtoverheid echter geen verplichting in om te wachten op de afloop van het strafrechtelijk dossier. Wanneer de tuchtoverheid op grond van een intern onderzoek of op grond van bekentenissen van de betrokkene reeds over voldoende gegevens beschikt, dan zal zij zonder dralen de tuchtprocedure aanvatten (Gedr. St. Kamer, 1998-99, nr. 1965/1,19). Zelfs indien wordt aangenomen dat de tuchtoverheid niet de verplichting heeft om aan het betrokken personeelslid mede te delen dat, naar haar oordeel, de tuchtvordering geschorst is door de strafvordering (R.v.St., NAEGELS, nr. 111.509, 15 oktober 2002), dan komt het de tuchtraad voor dat de betrokken tuchtoverheid zich minstens dusdanig gedraagt. Concreet betekent dit bijvoor- beeld dat de overheid op grond van de zorgvuldigheidsverplichting onder meer regelmatig navraag doet omtrent het verloop van die procedure. Op grond van de voorliggende stukken van het tuchtdossier kan op het eerste zicht niet vastgesteld worden welk standpunt de tuchtoverheid heeft ingenomen in functie van de resultaten van het vooronderzoek. In de eerste plaats kan de vraag worden gesteld welk standpunt werd ingenomen door de toenmalige bevoegde tuchtoverheid van de federale politie. Nergens blijkt daarvan enig spoor te ontwaren. Uit geen enkel stuk blijkt dat de heer WARNY (DG DGA) desbetreffend een beslissing heeft genomen. De brief van de procureur des Konings te Turnhout van 6 juli 2001 gericht aan personeelsdirecteur TODTS (stuk 68) - binnen het kader van het vooronderzoek ! - brengt op dat gebied geen enkele verduidelij- king. Ten eerste wordt in deze brief geen standpunt ingenomen en ten tweede moet de schorsingsbeslissing uitgaan van de tuchtoverheid en niet van het parket. Het tuchtdossier bevat evenmin aanwijzingen met betrekking tot het standpunt dat hierop volgend werd ingenomen door de burgemeester van Antwerpen na de overgang van INP VAN HAANDEL naar de lokale politie. Opvallend is zelfs dat de hogere tuchtoverheid in het inleidend verslag nergens melding maakt van het bestaan en van de resultaten van dit voorafgaand onderzoek. Toch wijst de spoed waarmede werd voldaan aan het verzoek van IX-4487-9/26 de tuchtverdediger (zie hoger) er op dat de hogere tuchtoverheid (burgemeester Antwerpen) in bezit was van deze stukken. Op grond van hetgeen voorafgaat zou eventueel kunnen aangenomen worden dat de hogere tuchtoverheid (burgemeester Antwerpen) minstens vanaf 1 januari 2002 kennis had van het bestaan en van het verloop van deze zaak. De vermelding in het inleidend verslag 'dat hij heden in kennis wordt gesteld van de feiten ...' lijkt bij een eerste benadering een loutere stijlformule te zijn. De mondelinge toelichting vanwege CP BERGÉ ter zitting van de tuchtraad dat CP PEENEN, directeur van de Dienst Intern Toezicht, zou hebben beslist het resultaat van het gerechtelijk onderzoek af te wachten, zou kunnen in vraag worden gesteld. Kan op grond van het besluit van de burgemeester d.d. 11 maart 2003 (stuk 18) aan de dienst Interne Zaken als dusdanig tuchtbeslissings- bevoegdheid worden toegekend ? Ook legt de hogere tuchtoverheid (burgemeester) tot op heden geen enkel bewijs voor waaruit blijkt dat deze sinds 1 januari 2002 informeerde naar de stand van het gerechtelijk onderzoek. Ter zitting van de tuchtraad stelde de verdediging dat zij het was die na de uitspraak van de rechtbank contact opnam met de overheid, waarop de korpschef op 23 juni 2003 een brief richtte aan het parket te Hasselt (stuk 1). Op grond van wat voorafgaat stelt de tuchtraad vast dat het noodzakelijk is partijen te horen betreffende de toepassing van artikel 56 Tuchtwet en partijen uit te nodigen alle mogelijke nuttige stukken te voegen tot ondersteuning van hun standpunt". Op 29 januari 2004 verleent de tuchtraad een eindadvies. Wat de verjaring betreft is hij van oordeel dat de tuchtoverheid redenen had om het inleiden van de tuchtzaak uit te stellen tot na de afloop van het gerechtelijk onderzoek, aangezien "de correcte aantoning van de feiten en het goed beheer van de tucht- vordering werden geput uit de gegevens van het strafonderzoek". Ten gronde oordeelt hij dat het onopzettelijk toebrengen van letsel bewezen is en dat verzoekster schuld heeft aan de feiten. Hij stelt verder dat deze feiten een tuchtvergrijp uitmaken, aangezien een politieambtenaar volstrekt integer moet zijn en verzoekster zich niet gedragen heeft zoals het een personeelslid van de politie past, waardoor de goede naam van de dienst in opspraak gekomen is. Het advies besluit, wat de straftoemeting betreft, aan verzoekster de tuchtstraf van terugzetting in weddeschaal op te leggen, op grond van volgende motivering : "De tuchtraad stelt vast dat de tuchtoverheid besliste een voorstel te formuleren waarbij het ontslag van ambtswege zou worden opgelegd. Die bestraffing impliceert dat de tuchtoverheid oordeelt dat elke verdere samen- werking met de betrokkene onmogelijk is geworden omwille van het ten laste gelegde feit. Gezien de tuchtoverheid er uitdrukkelijk voor geopteerd heeft om enkel te steunen op het uitgesproken vonnis moet dit vonnis in al zijn componenten in rekening worden gebracht. Dit betekent dat niet alleen de feitenvinding dient te steunen op die rechterlijke uitspraak, maar voornamelijk dat ook de beoordeling en de veroordeling door de rechter in beginsel moeten gerespecteerd worden. In casu wordt vastgesteld dat de rechter op basis van de feitelijke omstandig- heden en rekening houdend met de persoon van de betrokkene in haar IX-4487-10/26 hoedanigheid van politieagent, een milde bestraffing heeft uitgesproken. Op het eerste gezicht lijkt die strafrechtelijke sanctionering in tegenstrijd te zijn met het oordeel van de tuchtoverheid. Dit verhindert niet dat de tuchtrechtelijke beoordeling kan afwijken van de strafrechtelijke uitspraak, maar vereist uiteraard wel dat hiertoe de nodige argumentatie wordt gegeven, quod non. In tegendeel blijkt uit het tuchtstraf- besluit dat de tuchtoverheid zich zonder verdere bemerkingen of aanvullende beoordelingen aansluit bij het vonnis. Waarom wordt geoordeeld dat betrokkene niet in dienst kan worden gehouden wordt niet expliciet verduidelijkt. Zo merkt de tuchtraad op dat de beslissing van de hogere tuchtoverheid d.d. 20 oktober 2003 onvoldoende gemotiveerd is om deze tuchtsanctie op afdoende wijze te ondersteunen. Normaliter zou mogen verwacht worden dat in dit voorstel op deugdelijke wijze de motieven zouden weerlegd worden die door de verdediging in de loop van de procedure werden aangevoerd tegen de voorgestelde bestraffing. Zo moet opgemerkt worden dat deze '(tegen)argumentering' bijzonder vaag en zeer algemeen geformuleerd is. Op geen enkele wijze kan worden uitgemaakt welk gevolg wordt gegeven aan de argumenten van betrokkene. Een loutere verwijzing naar de professionele ervaring van de betrokkene is in casu niet afdoende gezien de strafrechter bij de beoordeling die resulteerde in de milde bestraffing ook reeds die ervaring in aanmerking heeft genomen. Bovendien weerlegt die ervaring niet zonder meer de argumenten van de betrokkene opgesomd in het voorstel van tuchtsanctie van 20 oktober 2003. Ten gronde is de tuchtraad van oordeel dat de gepleegde feiten zoals deze zich in concreto hebben voorgedaan op zich niet rechtvaardigen dat betrokken personeelslid uit het ambt moet worden verwijderd. Belangrijk hierbij is dat de rechter definitief heeft vastgesteld dat de slagen en verwondingen ONOPZETTELIJK werden toegebracht, hetgeen het laakbaar karakter van dit gegeven, in acht nemend de omstandigheden waarin de feiten zich afspeelden, in belangrijke mate relativeert. Vanaf dan kan alleen nog rekening worden gehouden met de onvoorzichtigheid, de onoplettendheid of het gebrek aan voorzorg van betrokkene. Opmerkelijk hierbij is ook dat de grondrechter enkel een werkstraf heeft opgelegd met een duurtijd van 100 uren. Dit betekent dat de voorhechtenis van INP VAN HAANDEL (te weten haar opsluiting in de gevangenis die in het begin van de procedure ter sprake is gekomen) gewoonweg niet langer in aanmerking mag worden genomen als verzwarend gegeven. Wanneer daarbij wordt rekening gehouden met de concrete omstandigheden waarin deze onopzettelijke slagen werden toegebracht (louter relationele problemen zonder enig verband met de dienstrelatie van INP VAN HAANDEL) dan lijkt dit feit op zich niet van aard om in de toekomst elke professionele samenwerking te verhinderen. De vraag blijft dan of de samenloop van de onopzettelijke slagen met de bedreigingen of de bedreigingen op zich alleen het ontslag kunnen recht- vaardigen. Het onverantwoord gebruiken van een wapen is volgens de tuchtraad een ernstige tekortkoming aan de beroepsplichten, maar verantwoordt in deze zaak evenmin de voorgestelde tuchtstraf omdat op grond van de gegevens van het dossier : - niet blijkt of zou kunnen blijken dat INP VAN HAANDEL de bedoeling had een aanslag te plegen op de persoon die zij bedreigde; - niet vaststaat dat de ingesteldheid van INP VAN HAANDEL van aard is het noodzakelijke professionele vertrouwen in haar persoon op te zeggen. Integendeel moet worden geconcludeerd dat INP VAN HAANDEL nog steeds beschikt over de vereiste kwaliteiten om verder haar status van politie- ambtenaar te handhaven : zo kan worden verwezen naar de goede staat van IX-4487-11/26 dienen van INP VAN HAANDEL, de positieve evaluaties van betrokkene uit het verleden en de menige verklaringen die aantonen dat de verdere aanwezigheid in het korps geen definitieve verstoring met zich mee zal brengen. De feiten van de tenlastelegging doen geen afbreuk aan haar professionele kwaliteiten. Eerder dan de feiten in te schatten enkel op grond van de strafrechtelijke kwalificaties (op basis van de gegevens van het vonnis) moet de tuchtstraf worden bepaald in functie van een inconcreto-beoordeling. In de afweging moeten ook de feitelijke elementen van het gebeuren worden betrokken. Zo kan de tuchtoverheid ook rekening houden met de private sfeer waarin de feiten zich hebben afgespeeld, alsmede met het normale verwachtingspatroon dat dergelijke conflictsituaties een eenmalig karakter vertonen, hetgeen daarenboven bevestiging vindt in het dossier. Indien moet vastgesteld worden dat INP VAN HAANDEL de vertrouwens- relatie tussen enerzijds haarzelf en anderzijds, het politiekorps en de gerechte- lijke overheden heeft verstoord, moet hieraan toegevoegd worden dat zij, a posteriori beschouwd, deze relatie niet definitief heeft verbroken. Ten bewijze hiervan de strafrechtelijke heromschrijving van de feiten in een onopzettelijk misdrijf (wat betreft de slagen en verwondingen). Ten titel van bijzonder strenge waarschuwing zou het aangewezen zijn een sanctie uit te spreken die zich situeert onmiddellijk lager dan de voorgestelde verwijderingsmaatregel van ontslag van ambtswege, namelijk de terugzetting in weddeschaal". 1.14. Met een nota van 9 februari 2004 deelt de burgemeester aan verzoekster de redenen mee waarom hij beoogt af te wijken van het advies van de tuchtraad en waarom hij het voorstel van het ambtshalve ontslag behoudt : "Overwegende dat : - het feit van gebrek aan zelfbeheersing niet mag gerelativeerd worden om reden dat de gebeurtenis zich afspeelde in de private sfeer; - het gebrek aan zelfbeheersing zich ook kan manifesteren tijdens de diensttijd. - in huidig maatschappelijk gebeuren de kans op het terrein groot is, dat een politiefunctionaris wordt geconfronteerd met een conflictsituatie; - men ervan moet kunnen uitgaan, dat de politiefunctionaris op dergelijke momenten moet beschikken over voldoende fysisch en psychisch incasse- ringsvermogen, om zijn taak naar behoren te kunnen uitvoeren; - in dergelijke situaties de taak van de politieambtenaar erin bestaat de burger te beschermen zoals voorzien in artikel 123 van de wet op de geïntegreerde politie; - Ilona VAN HAANDEL blijk heeft gegeven kennelijk niet te beschikken over voldoende psychisch incasseringsvermogen waardoor ze haar zelfbeheersing verloor; - Ilona VAN HAANDEL in dergelijke conflictsituatie blind blijft voor de gevolgen die verbonden kunnen zijn aan wapengebruik; - Ilona VAN HAANDEL een vuurwapen ter hand nam om een gesprek met haar partner af te dwingen; - het wapengebruik totaal in wanverhouding stond met het nagestreefde doel; - iemand die dergelijke impulsieve reacties vertoont, eerder een gevaar betekent voor zijn omgeving; - het juist de taak is van de politie om de veiligheid van de burger te garanderen; IX-4487-12/26 - de justitieassistente melding maakt dat de kans op recidive zeer miniem is, zodat hiermee de kans op herhaling niet wordt uitgesloten; - het niet verantwoord zou zijn om Ilona VAN HAANDEL terug in het bezit te stellen van een vuurwapen omdat het ongeoorloofd gebruik hiervan niet denkbeeldig is; - het niet verantwoord zou zijn, om Ilona VAN HAANDEL in een omgeving te laten werken alwaar vuurwapens beschikbaar zijn; - Ilona VAN HAANDEL er niet voor terugschrikt om misbruik te maken van een vuurwapen van iemand anders zoals in casu; - iedereen die werkzaam is in een politiekorps, op een vrij eenvoudige manier een vuurwapen van een collega ter hand kan nemen; - het een gevaarssituatie zou betekenen, wanneer Ilona VAN HAANDEL opnieuw zou tewerk gesteld worden in een omgeving alwaar vuurwapens binnen handbereik zijn; - het de taak is van de tuchtoverheid alles in het werk te stellen, om de veiligheid van de burgers na te streven; - het de taak is van de tuchtoverheid om gevaarlijke situaties uit te sluiten die de veiligheid van de burger in het gedrag zou kunnen brengen"; Op 23 februari 2004 dient verzoekster daartegen een verweer- schrift in. 1.15. Op 24 februari 2004 treft de minister het thans bestreden besluit. 2. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1. Overwegende dat verzoekster in het eerste middel de schending aanvoert “van de artikelen 18 en 38 van de (tuchtwet) -machtsoverschrijding - nietigheid c.q. onontvankelijkheid van de tuchtvordering - verjaring van de tuchtvordering”; dat de verwerende partij zich in haar nota met opmerkingen beklaagt over de onduidelijkheid van het middel maar dat zij er toch in geslaagd is een antwoord te formuleren op de verschillende onderdelen die het middel bevat; 3.1.1. Overwegende dat verzoekster in een eerste punt wijst op “de foutieve evocatie van het dossier door de aanvankelijke hogere tuchtoverheid van verzoekster”; dat zij betoogt dat hoofdcommissaris WARNY van de Algemene Directie van Bestuurlijke Politie van de federale politie, als hogere tuchtoverheid op 15 juni 2001 verwittigd is van het gerechtelijk onderzoek dat tegen haar ingesteld IX-4487-13/26 werd, maar dat nergens de redenen worden vermeld waarom hij het dossier naar zich toe getrokken heeft, hetgeen in strijd is met de dwingende bepalingen van artikel 18 van de tuchtwet; dat zij te dien aanzien betoogt dat hoofdcommissaris WARNY, bij het doorzenden op 11 januari 2002 van het dossier aan de burgemeester van de stad Antwerpen nadat verzoekster naar de lokale politie van Antwerpen was overgegaan, wel medegedeeld heeft dat hij de zaak geëvoceerd had omdat er geen gewone tuchtoverheid voor verzoekster bestond, maar dat dit flagrant onjuist is, aangezien verzoekster vanuit de rijkswachtbrigade Antwerpen gedetacheerd was bij de stedelijke politie van Antwerpen zodat ofwel de commandant van die brigade ofwel de korpschef van de politie te Antwerpen bevoegd waren om als lagere tuchtoverheid op te treden; 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen verwijst naar artikel 38 van de tuchtwet en betoogt dat directeur- generaal WARNY “operationeel verantwoordelijke was tijdens de hervormingen”, dat hij in ieder geval de hogere tuchtoverheid van verzoekster was en dat de wijze waarop hij kennis kreeg van de feiten irrelevant is aangezien hij reeds op 18 juni 2001 voorstelde verzoekster te schorsen, dat hij overigens met een fax van 16 juli 2001 ingelicht is door het diensthoofd personeel en dat het op dat ogenblik onduidelijk was wie de lagere tuchtoverheid en wie het “diensthoofd” van verzoekster was; dat zij ook nog stelt dat de omstandigheid dat het voorafgaand tuchtonderzoek gevoerd is door de brigadecommandant van verzoekster, niet betekent dat zulks gebeurde in diens hoedanigheid van lagere tuchtoverheid; 3.1.3. Overwegende dat verzoekster niet betwist dat, op het ogenblik dat de feiten bekend raakten, directeur-generaal WARNY van de Algemene Directie Bestuurlijke Politie van de federale politie voor haar de hogere tuchtoverheid was als bedoeld in artikel 20, 2/,
- a)van de tuchtwet; dat overeenkomstig artikel 38 van de tuchtwet die hogere tuchtoverheid de eigen bevoegdheid heeft om met betrekking tot feiten waarvan hij kennis krijgt een vooronderzoek te bevelen en een inleidend verslag op te stellen; dat te dezen directeur-generaal WARNY van die bevoegdheid gebruik gemaakt heeft, door op 16 juli 2001 een administratief vooronderzoek te bevelen voor de feiten die hem op 15 juni 2001 door de GDA Turnhout ter kennis waren gebracht en waaromtrent het diensthoofd personeel van de coördinatie- en steundienst van de federale politie van het arrondissement Antwerpen op 16 juli 2001 om nadere instructies had gevraagd en door op 19 juli 2001 de procedure op te starten voor de voorlopige schorsing van verzoekster; dat uit het dossier wel niet IX-4487-14/26 blijkt dat directeur-generaal WARNY overeenkomstig artikel 38, eerste lid, van de tuchtwet, de gewone tuchtoverheid expliciet verwittigd heeft van het feit dat hijzelf zich rechtstreeks met de aangelegenheid belastte, maar dat die kennisgeving kan geacht worden onrechtstreeks gebeurd te zijn doordat de hogere tuchtoverheid de brigadecommandant VAN WYNSBERGE, brigadecommandant van verzoekster en haar diensthoofd in de zin van artikel 19, 2/,
- a)van de tuchtwet, belast heeft met het uitvoeren van het voorafgaand onderzoek met het bevel zijn verslag aan hem voor te leggen; Overwegende dat uit de stukken van het dossier blijkt dat directeur-generaal WARNY geen toepassing gemaakt heeft van het evocatierecht dat hij overeenkomstig artikel 18 van de tuchtwet bezit, maar dat hij integendeel gebruik gemaakt heeft van de bevoegdheid die artikel 38 van de tuchtwet hem rechtstreeks heeft toegekend, los van de bevoegdheid van de gewone tuchtoverheid; dat niet blijkt dat hij die bevoegdheid niet op de juiste manier zou uitgeoefend hebben; 3.2.1. Overwegende dat verzoekster in een tweede punt erop wijst dat, in de mate dat haar hogere tuchtoverheid bij de federale politie om de in het eerste punt uiteengezette redenen onbevoegd was om haar tuchtdossier te beheren, die onbevoegdheid afstraalt op de hogere tuchtoverheid bij de lokale politie, aan wie het dossier na de overgang van verzoekster naar de lokale politie te Antwerpen overgemaakt is, met het gevolg dat de gehele procedure die deze hogere tuchtover- heid van de lokale politie gevoerd heeft, op haar beurt “nietig is”; 3.2.2. Overwegende dat bij de bespreking van het eerste punt van het middel besloten is dat het dossier van verzoekster door de federale politie behandeld is overeenkomstig artikel 38 van de tuchtwet en dat, vanuit het oogpunt van bevoegdheid, er in het optreden van directeur-generaal WARNY, geen onregelmatig- heden vastgesteld worden; dat verzoekster dan ook ten onrechte aanvoert dat de burgemeester van Antwerpen, die na de mutatie van verzoekster als de hogere tuchtoverheid van de lokale politie bevoegd was geworden om de tuchtvordering voort te zetten, een onregelmatig dossier heeft ontvangen waarop hij heeft voortgebouwd en dat om die reden “nietig” zou zijn; 3.3.1. Overwegende dat verzoekster in een -subsidiair geformuleerd- derde punt betoogt dat de burgemeester van de stad Antwerpen het dossier van verzoekster heeft overgemaakt aan de korpschef, dit is de lagere tuchtoverheid, die IX-4487-15/26 dan het dossier verder beheerd heeft en op 22 augustus 2003 een inleidend verslag aan de burgemeester voorgelegd heeft, terwijl die lagere tuchtoverheid, wegens het adiëren van de hogere tuchtoverheid, ter zake geen bevoegdheid meer had en de burgemeester zich dan ook voor het instellen van de tuchtvordering niet mocht baseren op de handelingen gesteld door de korpschef, met name het door hem opgestelde inleidend verslag; 3.3.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen te dien aanzien uiteenzet dat de omstandigheid dat de korpschef een inleidend verslag opgemaakt heeft, de tuchtprocedure niet nietig maakt aangezien de burgemeester vervolgens zelf als hogere tuchtoverheid een inleidend verslag aan verzoekster heeft laten betekenen; 3.3.3. Overwegende dat de omstandigheid dat de tuchtprocedure gevoerd wordt door de hogere tuchtoverheid, die aldus de eindverantwoordelijkheid draagt voor alle verrichtingen -in dit geval de burgemeester van Antwerpen- niet uitsluit dat die hogere tuchtoverheid de korpschef betrekt bij de opvolging van het dossier; dat in dit geval de burgemeester op 28 augustus 2003 een inleidend verslag heeft opgesteld waarin een voorstel van tuchtstraf opgenomen is; dat dit inleidend verslag niet onregelmatig is omdat het grotendeels de overname is van een verslag van de korpschef; 3.4. Overwegende dat verzoekster in een vierde punt “de verjaring van de tuchtvordering” aanvoert, maar dat zij te dien aanzien zelf verwijst naar haar tweede middel; 3.5. Overwegende dat het eerste middel niet ernstig is; 4.1. Overwegende dat verzoekster in het tweede middel de schending aanvoert van artikel 56 van de tuchtwet, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de redelijke termijn; dat zij ter zake doet gelden wat volgt: overeenkomstig artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet vervalt de tuchtvordering wanneer het inleidend verslag niet binnen de zes maanden na de kennisneming van de feiten aan het betrokken personeelslid betekend is; het tweede lid van artikel 56 nuanceert dat beginsel maar uit de parlementaire voorbereiding van die bepaling blijkt dat zij het beginsel van de zorgvuldigheidsverplichting bij de feitenvinding centraal stelt, zodat er alleen gebruik van gemaakt kan worden wanneer het gaat om feiten die de betrokkene ontkent of IX-4487-16/26 waarvan de juiste toedracht nog niet achterhaald is kunnen worden; in dit geval is er een “omstandig intern vooronderzoek” gebeurd -dat de verklaringen van verzoekster en van VAN DEN BROECK bevat- dat de tuchtoverheid toeliet om met kennis van zaken te oordelen of er een tuchtvordering ingesteld diende te worden en noch het strafonderzoek, noch het vonnis van de correctionele rechtbank kon dit vooronder- zoek verduidelijken aangezien verzoekster de feiten nooit heeft betwist en zij ook nooit tegengesproken zijn door het slachtoffer; overigens heeft de tuchtoverheid bij het treffen van het bestreden besluit geen rekening gehouden met de verzachtende omstandigheden die in het vonnis van de correctionele rechtbank naar voren werden geschoven, maar heeft zij enkel acht geslagen op het misbruik van het dienstwapen, hetgeen reeds van meet af aan overduidelijk was; zeker nu het dossier na haar mutatie naar de lokale politie van Antwerpen op 1 januari 2002 aan een andere tuchtoverheid was overgemaakt, moest zij er niet van uitgaan dat de tuchtoverheid zou wachten op het einde van de gerechtelijke procedure; in ieder geval had de tuchtoverheid de verplichting om de gerechtelijke overheid “regelmatig (
- te)bevragen” naar stukken die het inleiden van de tuchtvordering mogelijk konden maken, in dit geval heeft de procureur des Konings op 19 juni 2001 aan de federale politie medegedeeld dat er voor inzage en kopie van het strafdossier -alleen- moest gewacht worden op het verhoor van het slachtoffer en de wedersamenstelling, maar het bestuur heeft in de daarop volgende tijdspanne geen enkel initiatief genomen om inzage van het dossier te krijgen totdat het op 20 december 2001 aan verzoekster medegedeeld heeft dat het resultaat van het gerechtelijk onderzoek afgewacht zou worden; ook de burgemeester van Antwerpen heeft op 1 maart 2002 een brief aan de procureur des Konings gericht, deze heeft daar op 13 september 2003 en 3 oktober 2003 op geantwoord en daaruit blijkt dat het onderzoek op 10 september 2002 afgesloten was zodat de tuchtoverheid op dat ogenblik inzage had kunnen krijgen van het dossier; het inleidend verslag is slechts op 1 september 2003 aan verzoekster betekend, maar toen was de strafvordering reeds verjaard; minstens is de redelijke termijn overschreden, aangezien er bijna drie jaar verstreken zijn tussen de feiten en het opleggen van de tuchtstraf, terwijl artikel 56 van de tuchtwet het bestuur niet verplicht om met de tuchtvordering te wachten, terwijl zij reeds tijdens het administratief vooronderzoek -afgesloten in november 2001- de feiten had toegegeven en terwijl de zaak toch relatief eenvoudig was en verzoekster steeds loyaal met de ondervragingen heeft meegewerkt maar de verwerende partij na de kennisneming van de feiten op 11 januari 2002 geen enkel initiatief genomen heeft; IX-4487-17/26 4.2. Overwegende dat de verwerende partij daar in haar nota met opmerkingen op antwoordt wat volgt: verzoekster was ervan op de hoogte dat het bestuur een voorafgaand onderzoek had ingesteld maar zij heeft nooit kritiek geuit op het feit dat gewacht werd op het resultaat van de gerechtelijke procedure; evenmin heeft zij zich verzet tegen de opeenvolgende verlenging van haar preventieve schorsing, hoewel daaruit duidelijk bleek dat het einde van de strafprocedure afgewacht zou worden; zij had ook het bestuur kunnen inlichten over het verloop van de strafzaak; het bestuur treft geen enkel verwijt, want het had van de procureur des Konings te Turnhout de bevestiging gekregen dat hij een rechterlijke uitspraak zou mededelen; 4.3.1. Overwegende dat uit de stukken van het dossier blijkt dat de directeur-generaal van de Algemene Directie van de Bestuurlijke Politie, de hogere tuchtoverheid van verzoekster, met een faxbericht van 15 juni 2001 kennis gekregen heeft van het schietincident waarbij verzoekster betrokken was, dat de hogere tuchtoverheid op 16 juli 2001 een voorafgaand onderzoek bevolen heeft, dat zij de resultaten van dat onderzoek op 16 november 2001 ontvangen heeft en dat zij op basis van dit voorafgaand onderzoek besloten heeft om “het resultaat van het gerechtelijk dossier af te wachten alvorens een nieuw initiatief ter zake te nemen”, dat het gehele dossier op 11 januari 2002 door de federale politie aan de burgemeester van Antwerpen -de nieuwe hogere tuchtoverheid na de mutatie van verzoekster- is overgemaakt en dat de burgemeester, na kennisneming van het in kracht van gewijsde gegane vonnis van 18 juni 2003 van de correctionele rechtbank te Turnhout, op 1 september 2003 een inleidend verslag aan verzoekster betekend heeft; 4.3.2. Overwegende dat artikel 56 van de tuchtwet luidt als volgt : "De betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Bij ontstentenis en onder voorbehoud van het tweede lid, kan geen tucht- vordering meer worden ingesteld. In het geval dat een opsporingsonderzoek loopt of de strafvervolging is ingesteld voor dezelfde feiten, begint die termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is. In alle gevallen zullen de tuchtvergrijpen die tot een lichte tuchtstraf kunnen leiden, na vijf jaar verjaren. De in het derde lid bedoelde verjaringstermijn gaat in de dag van de voltooiing voor de ogenblikkelijke vergrijpen, (...).” IX-4487-18/26 4.3.3. Overwegende dat het tweede lid van artikel 56 duidelijk gesteld is en als zodanig geen interpretatie behoeft; dat die bepaling het ingaan van de vervaltermijn voor het instellen van de tuchtvordering in de daar genoemde gevallen uitstelt tot op het ogenblik van de kennisneming van een eindbeslissing van de gerechtelijke overheid; dat de verwerende partij zich in dergelijk geval bevond; dat het tweede middel niet ernstig is; 5.1. Overwegende dat verzoekster in het derde middel aanvoert dat het bestreden besluit niet voldoet aan de formele en de materiële motiveringsverplichting die op het bestuur rust, dat het de artikelen 37 en 38sexies van de tuchtwet miskent en dat het met machtsafwending tot stand gekomen is; dat haar betoog erop neerkomt dat haar ontslag steunt op de vaststelling dat zij “een gevaar voor zichzelf en de burgers” zou betekenen, terwijl die conclusie van de tuchtoverheid strijdt met het advies van de tuchtraad en tegengesproken wordt door het vonnis van de correctionele rechtbank te Turnhout, door het advies van de gerechtspsychiaters en de justitieassistente verleend in het kader van de strafprocedure en met de verklaring- en die in het kader van het strafrechtelijk onderzoek werden afgelegd; dat zij verduidelijkt dat het motief dat zij ten onrechte een vuurwapen ter hand nam “verklaart waarom een tuchtstraf kan worden opgelegd” maar niet waarom geen rekening gehouden wordt met de verzachtende omstandigheden die de strafrechter in aanmerking genomen heeft, dat de verwijzing naar de ernst van de feiten en naar de omstandigheid dat “ongeoorloofd gebruik (van een wapen) niet denkbeeldig is” ook niet verantwoordt waarom afgeweken wordt van het advies van de tuchtraad, aangezien die raad zelf reeds had aangestipt dat de feiten zeer ernstig waren, hij ook had gesteld dat rekening gehouden moest worden met alle componenten van het vonnis, inzonderheid het feit dat daarin vastgesteld is dat de slagen onopzettelijk toegebracht zijn en hij ook heeft aangegeven dat verzoekster nog steeds beschikte over de vereiste kwaliteiten om de status van politieambtenaar te handhaven; dat zij besluit dat het niet volstaat het advies van de tuchtraad tegen te spreken om het ook te weerleggen, terwijl het bestreden besluit ook niet uiteenzet waarom de straf met terugwerkende kracht opgelegd moest worden; dat zij voort wijst op de dubbelzinnige houding van de verwerende partij doordat zij op de zitting van de tuchtraad heeft toegegeven dat naar haar oordeel verzoekster niet meer kon functioneren binnen het korps van de lokale politie te Antwerpen wat impliceert dat de burgemeester van oordeel is dat zij nog wel zou kunnen functioneren als politieambtenaar binnen een ander korps; dat volgens haar die dubbelzinnigheid ook blijkt uit de verklaring van het bestuur voor de tuchtraad dat aan het geval van IX-4487-19/26 verzoekster een voorbeeldfunctie is gegeven in een periode waarin het stadsbestuur in crisis verkeerde; 5.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen betoogt dat het bestreden besluit terdege uiteenzet waarom het advies van de tuchtraad niet wordt gevolgd, dat zij met name van oordeel is dat het niet volstaat dat de kans op recidive “uiterst gering (is)” maar dat daarover geen enkele twijfel mag bestaan en dat voor een politieagent uitermate hoge eisen moeten worden gesteld wanneer het gaat om de omgang met vuurwapens; dat zij daaraan toevoegt dat de verwijzing, op de zitting van de tuchtraad, naar de crisissituatie binnen het bestuur van de stad Antwerpen, niets meer is dan een gevoelsgeladen uiting van een ambtenaar die niet aan de burgemeester toegerekend kan worden en dat, gelet op artikel 65 van de tuchtwet, er veeleer een motivering zou moeten opgegeven worden wanneer de tuchtstraf niet terugwerkt; 5.3.1. Overwegende dat het middel gericht is tegen de motivering van het bestreden besluit op het vlak van de straftoemeting, in de eerste plaats waar het afwijkt van het advies van de tuchtraad waarin was voorgesteld verzoekster te straffen met een terugzetting in weddeschaal; 5.3.2.1. Overwegende dat het bestreden besluit expliciet de uiteenzetting overneemt die de burgemeester in zijn nota van 9 februari 2004 heeft gegeven ter weerlegging van het advies van de tuchtraad; dat het bestreden besluit daarmee, vanuit formeel oogpunt, terdege gemotiveerd is; 5.3.2.2. Overwegende, wat de materiële motivering betreft -de vraag of de burgemeester op grond van deugdelijke redenen afgeweken is van het advies van de tuchtraad-, dat uit het administratief dossier en inzonderheid uit het inleidend verslag, de reactie van verzoekster daarop en de repliek van de burgemeester, blijkt dat verzoekster uit de dienst verwijderd is voor haar gebrek aan zelfbeheersing, zoals die gebleken was uit de onvoorzichtigheid die zij begaan heeft doordat zij, om de aandacht van haar partner te krijgen, gebruik gemaakt heeft van een wapen, terwijl zij als politieambtenaar moest weten dat het hanteren van wapens buiten het strikt noodzakelijke vermeden moet worden en zij ook voldoende vertrouwd was met de risico’s verbonden aan het hanteren van een wapen; dat de burgemeester dergelijk gebrek aan zelfbeheersing en de daarmee verbonden impulsieve reacties onaanvaard- baar acht en dat hij op dat vlak geen enkel risico wil nemen; IX-4487-20/26 Overwegende dat de tuchtraad in zijn advies gesteld heeft dat het politiepersoneel integer moet zijn en dat verzoekster daden heeft gepleegd die ingaan tegen de behoorlijke levenswandel die van het politiepersoneel geëist mag worden; dat hij vervolgens wel van oordeel is dat de gepleegde feiten geen verwijdering uit het ambt rechtvaardigden, rekening houdend met de lichte straf die de rechter heeft opgelegd en met de omstandigheid dat de feiten te herleiden zijn tot een relatiepro- bleem; dat hij het onverantwoord gebruik van een wapen als ernstig beschouwt maar daar tegenover stelt dat verzoekster niet het inzicht had om te verwonden en het ook niet vast staat dat haar ingesteldheid het noodzakelijke professioneel vertrouwen van de overheid in het gedrang heeft gebracht, zodat zij niet uit de dienst verwijderd hoeft te worden; Overwegende dat de burgemeester als antwoord daarop het verwijt van gebrek aan zelfbeheersing nader uitgewerkt heeft; dat hij betoogt dat verzoekster bewezen heeft kennelijk niet te beschikken over het psychisch incasseringsvermogen dat een politiefunctionaris moet bezitten, dat de omstandigheid dat de gebeurtenis zich afspeelde binnen de private sfeer geen reden kan zijn om het verlies aan zelfbeheersing te relativeren, dat het gebruik van een wapen om een gesprek met haar partner af te dwingen “totaal in wanverhouding” stond met het nagestreefde doel, dat de impulsieve reacties wijzen op een gevaar voor de omgeving en dat het niet verantwoord is verzoekster in het bezit te stellen van een wapen omdat het ongeoorloofd gebruik ervan niet denkbeeldig is, terwijl het ook niet verantwoord is verzoekster te laten werken in een “omgeving alwaar vuurwapens beschikbaar zijn” en vrij gemakkelijk ter hand genomen kunnen worden; dat hij tenslotte ook nog aangeeft dat de lichte straf die verzoekster heeft gekregen niet automatisch impliceert dat zij haar taak binnen het politiekorps kan hernemen, dat het opleggen van een werkstraf belet heeft dat verzoekster een veroordeling op haar strafregister zou krijgen en dat op die wijze haar sociale reclassering gehypothekeerd is kunnen worden, maar dat de tuchtoverheid tot taak heeft de veiligheid van de burgers te verzekeren op een wijze die, naar redelijkheid, geen twijfel laat bestaan; 5.3.2.3. Overwegende dat de burgemeester daarmee duidelijk te kennen geeft dat, ondanks de lichte straf die haar is opgelegd en de specifieke omstandig- heden waarin de feiten gezien moeten worden en ondanks het feit dat de collega’s haar reïntegratie mogelijk achten, verzoekster blijk gegeven heeft van een gebrek aan zelfbeheersing die, binnen het raam van de opdrachten die zij moet vervullen, niet getolereerd kan worden van een politieambtenaar die in een milieu verkeert waar IX-4487-21/26 wapens voorhanden zijn; dat een dergelijk motief deugdelijk lijkt en op zich verantwoordt waarom de burgemeester op het vlak van de strafmaat het advies van de tuchtraad niet volgt en verzoekster uit de dienst verwijdert; 5.3.3. Overwegende dat verzoekster aan het bestreden besluit ook verwijt dat er geen reden wordt opgegeven voor de retroactiviteit waarmee de tuchtstraf wordt opgelegd; dat evenwel artikel 65 van de tuchtwet die retroactiviteit mogelijk maakt, dat te dezen verzoekster vanaf 18 juli 2001 preventief uit de dienst verwijderd is wegens de feiten waarvoor zij nu ontslagen wordt zodat de terugwerking het logisch uitvloeisel vormt van die preventieve schorsing; dat dergelijke terugwerking door iedereen kan begrepen worden zodat er geen bijzondere motivering aan diende gegeven te worden; dat de verwerende partij terecht stelt dat het eerder verwonder- lijk zou zijn indien in de gegeven omstandigheden de ontslagmaatregel niet zou terugwerken; 5.3.4. Overwegende dat verzoekster niet aanduidt op welke wijze het bestreden besluit een schending inhoudt van de artikelen 37 en 38sexies van de tuchtwet; 5.3.5. Overwegende, wat de aangevoerde machtsafwending betreft, dat uit de huidige stand van de zaak helemaal niet blijkt dat in de visie van de verwerende partij, het ontslag van verzoekster zou kaderen in het opzet om haar krachtdadig optreden te bewijzen en zich aldus positief te profileren in een periode waarin het stadsbestuur aan kritiek onderhevig is; dat in ieder geval noch het feit dat de bevoegde ambtenaar het voor de tuchtraad alleen maar uitgesloten achtte dat verzoekster nog voort voor het Antwerps politiekorps zou werken, noch het feit dat diezelfde ambtenaar tegenover de tuchtraad de veronderstelling heeft geuit dat de burgemeester de zaak van verzoekster “waarschijnlijk als voorbeeld neemt” onvoldoende bewijskrachtige gegevens vormen om het bestaan van machtsafwending in overweging te nemen; 5.4. Overwegende dat het derde middel niet ernstig is; 6.1. Overwegende dat verzoekster in het vierde middel de schending aanvoert van het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel en van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat zij betoogt dat bij het bepalen van de strafmaat rekening gehouden moet worden enerzijds met de ernst van de feiten en met de mate waarin IX-4487-22/26 deze ernstige feiten het algemeen belang aantasten en anderzijds met de verzachtende of verzwarende omstandigheden die betrekking hebben op de persoon van de gestrafte ambtenaar; dat zij aldus de evenredigheid van de opgelegde tuchtstraf afweegt op basis van vijf criteria :
(1)de ernst van de feiten en de beoordeling ervan door de strafrechter,
(2)de feitelijke omstandigheden en de gezondheidstoestand van de betrokkene op het ogenblik van de feiten,
(3)het tuchtrechtelijk verleden van de betrokkene,
(4)de aard van de functie en de weerslag op de dienst en
(5)de kans op recidive; dat zij ten aanzien van het eerste punt betoogt dat de strafrechter de feiten geherkwalificeerd heeft tot onopzettelijke slagen en dat hij een zeer milde straf opgelegd heeft met het oog op de sociale reclassering van verzoekster, terwijl het bestreden besluit zich volledig baseert op dat vonnis maar de inhoud ervan negeert; dat zij met betrekking tot het tweede criterium betoogt dat het besluit geen rekening houdt met de psychische toestand waarin verzoekster ten tijde van de feiten verkeerde zoals die in het verslag van het voorafgaand tuchtonderzoek uiteengezet is, te weten een passioneel gezinsdrama, met “intrafamiliaal geweld” van het slachtoffer en een opstapeling van emoties die op een bepaald ogenblik losgebarsten zijn; dat zij met betrekking tot het derde criterium betoogt dat er geen rekening gehouden is met de goede staat van dienen van verzoekster, die in januari 2001 zelfs geselecteerd is om als lid van de rijkswachtbrigade Antwerpen ingedeeld te worden bij de rechercheafdeling van de lokale politie; dat zij met betrekking tot het vierde criterium betoogt dat verzoekster het vertrouwen van collega’s en meerderen niet verloren heeft -zij hebben daarover verklaringen afgelegd-, dat er geen rekening gehouden is met haar functie -zij is inspecteur en heeft geen hiërarchische verant- woordelijkheid en dat de weerslag van de feiten op haar ambt sterk gerelativeerd moet worden -de feiten situeren zich in de private sfeer van verzoekster, niet in Antwerpen, zij dagtekenen van meer dan drie jaar geleden en kregen slechts een zeer beperkte aandacht van de media, de feiten hebben geen weerslag op haar beroepsbe- kwaamheid en zij is relatief onbekend binnen het uitgebreid politiekorps van Antwerpen; 6.
- Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt dat het bestuur discretionair de ernst van de feiten beoordeelt en dat de Raad van State ter zake slechts een marginale toetsingsbevoegdheid bezit; dat zij uiteenzet dat het bestuur rekening gehouden heeft met alle elementen die uit het dossier blijken en dat uiteindelijk niet de strengste straf opgelegd is, dat de inspecteur-generaal aan de tuchtraad geadviseerd heeft dat het voorstel van de burgemeester hem gerecht- vaardigd voorkwam maar dat de tuchtraad de argumenten van dat advies niet IX-4487-23/26 weerlegd heeft; dat zij besluit dat een politieambtenaar moet weten welke gevaarlijke situatie hij schept wanneer hij een wapen opspant, ook al is het om de aandacht te vragen en dat het “onvoorzichtig en ondoordacht hanteren van het vuurwapen op zich reeds een ernstige fout (uitmaakt) voor een politieambtenaar”, aangezien hij regelmatig in stresssituaties belandt en er derhalve twijfel bestaat over het handelen van verzoekster naar de toekomst toe; 6.3.
- Overwegende dat uit de bespreking van het derde middel volgt dat het gebrek aan zelfbeheersing, zoals de burgemeester dat heeft uiteengezet in het bestreden besluit, een deugdelijk motief kan vormen om een politieambtenaar uit de dienst te verwijderen; dat in het kader van dit middel uitgemaakt moet worden of, gelet op de concrete omstandigheden van de zaak, de zware tuchtstraf van het ambtshalve ontslag wel in redelijke verhouding staat tot de gepleegde feiten; dat de Raad van State op dat vlak slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid beschikt; 6.3.
- Overwegende dat de omstandigheid dat de strafrechter aan verzoekster een lichte straf opgelegd heeft, op zich niet belet dat de tuchtoverheid een zware tuchtstraf oplegt; dat dit ook geldt voor de goede staat van dienen waarvan de betrokkene in het verleden blijk heeft gegeven en voor de verwijzing naar het vertrouwen dat de collega’s hebben bevestigd; dat immers bij de vaststelling van de strafmaat, de tuchtoverheid een eigen appreciatie dient te maken van de gevolgen die de tuchtinbreuk heeft op de goede werking van de dienst en de bestraffing daaraan dient aan te passen; dat te dezen de burgemeester duidelijk heeft aangegeven waarom hij het niet toelaatbaar acht dat verzoekster nog functioneert in een milieu waarin wapens aanwezig zijn; dat, aangenomen dat de emotionele ontploffing van verzoekster te wijten was aan zeer specifieke omstandigheden, die stellingname wel zeer streng overkomt, maar zij toch niet kennelijk onredelijk lijkt in die zin dat het ondenkbaar is dat enige andere overheid in dezelfde omstandigheden dezelfde beslissing zou treffen; dat overigens de aangestelde van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie in zijn advies aan de tuchtraad het voorstel van de burgemeester om verzoekster te bestraffen met het ontslag van ambtswege, bijgevallen was; 6.3.
- Overwegende dat verzoekster de kennelijke onredelijkheid van de opgelegde tuchtstraf niet aantoont; dat zij voort geen specifieke gegevens overlegt IX-4487-24/26 die zouden aantonen dat de burgemeester in de loop van zijn besluitvorming onzorgvuldig gehandeld zou hebben; 6.
- Overwegende dat het middel niet ernstig is; 7.
- Overwegende dat verzoekster in het vijfde middel machts- afwending en bevoegdheidsoverschrijding aanvoert doordat een tuchtstraf tot doel heeft een ambtenaar te raken in zijn loopbaan wegens tuchtinbreuken die hij heeft begaan, maar dat in dit geval uit het verloop van de debatten voor de tuchtraad gebleken is dat de bestreden beslissing ingegeven is door de bekommernis van de burgemeester om in tijden van crisis zijn krachtdadig optreden te bewijzen en zich aldus voor de publieke opinie te profileren op een ogenblik dat de Antwerpse politietop in diskrediet is; 7.
- Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt dat de uitlatingen van de vertegenwoordiger van het bestuur voor de tuchtraad “persoonlijke opvattingen” weergeven die geen steun vinden in het dossier en die niet gesteund worden door de hogere tuchtoverheid; 7.
- Overwegende dat reeds bij de bespreking van het derde middel is aangegeven dat op geen enkele wijze uit het dossier blijkt dat de burgemeester met het treffen van de bestreden beslissing andere bedoelingen zou gehad hebben dan de goede werking van de dienst; dat het middel niet ernstig is, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. IX-4487-25/26 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig september 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-4487-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.028 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.017 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div