← België

Arrest 135030 - - 20/09/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.030 Rolnummer: A. 148746/IX-4086 Zaak: Arrest 135030 - - 20/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-09-30 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-04 09:00 Fiche Arrest nr 135.030 van 20 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.030 van 20 september 2004 in de zaak A. 148.746/IX-4086. In zake : Alain COUDIJZER, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : de Politiezone ANDERLECHT-VORST-SINT-GILLIS, die woonplaats kiest bij advocaat W. MULS, kantoor houdende te BRUSSEL, A. Dansaertstraat 92. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Alain COUDIJZER op 12 maart 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van 21 januari 2004 van het politiecollege van de politiezone Anderlecht- Vorst-Sint-Gillis waarbij hem de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 10 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 mei 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-4086-1/27 Gehoord de opmerkingen van advocaat T. EYSKENS, die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor verzoeker, en van advocaat K. LARDENOIT, die loco advocaat W. MULS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1. Verzoeker is inspecteur bij de lokale politie van de politiezone Anderlecht-Vorst-Sint-Gillis (hierna: de zone Zuid). Hij is daar ingedeeld bij de interventiedienst. 1.2. Met een nota van 31 mei 2002 deelt de dienst Intern Toezicht -de dienst waaraan het politiecollege de uitvoering van procedurehandelingen heeft opgedragen- aan de korpschef van de zone Zuid mee dat hij op 30 mei 2002 door de algemeen functioneel directeur (DGF) ingelicht werd van het feit dat verzoeker zou aangehouden geweest zijn en ter beschikking gesteld zijn van de onderzoeksrechter. Volgens dezelfde nota heeft de Dienst Intern Toezicht verzoeker op 31 mei 2002 ontvangen en van hem een "administratieve verklaring" afgenomen waarin hem "enkele gerichte vragen" werden gesteld. Uit de nota blijkt ook dat de Algemene Inspectie van de Federale en de Lokale politie van de procureur des Konings te Brussel vernomen heeft dat lastens verzoeker een strafdossier zou geopend zijn voor valsheid in geschriften. Tijdens zijn verhoor door de dienst Intern Toezicht verklaart verzoeker dat hij op 29 mei 2002 samen met zijn collega geconvoceerd werd bij de Algemene Inspectie van Politie met betrekking tot hun interventie naar aanleiding van een moord die plaats vond te Anderlecht op 31 december 2001, met betrekking waartoe hij omstreeks 16 uur op zijn privé-GSM een telefoontje kreeg van ene WAJDI met de vraag zo snel mogelijk te komen naar een door hem opgegeven adres, dat zij, van zodra zij een gekwetste op de grond hadden gevonden, via de lokale dispatching gevraagd hebben de officier van wacht CARLIER te verwittigen, dat hij WAJDI persoonlijk kent, dat zijn optreden in deze zaak niet beïnvloed is geweest door het feit dat hij één der partijen kent, met uitzondering van het feit dat hij WAJDI de toestemming heeft gegeven om zich op eigen houtje te verplaatsen naar het IX-4086-2/27 dichtstbijzijnde ziekenhuis voor verzorging, dat hij achteraf een rapport heeft opgesteld met betrekking tot zijn vaststellingen ter plaatse, dat deze bij het initieel proces-verbaal zijn gevoegd en dat hij geen verhoren heeft afgenomen. 1.3. In een aantal kranten van 3 juni 2002 verschijnt een artikel waarin verhaald wordt dat een politieman uit Anderlecht, met betrekking tot een moord op een Libanees op oudejaarsnacht, ervoor gezorgd heeft dat de moordenaar maanden- lang ongestraft kon blijven rondlopen vermits zij bevriend waren. 1.4. Op 5 juni 2002 beslist de korpschef verzoeker "in afwachting van een gerechtelijke uitspraak", af te delen in de dienst "Routage". 1.5. Met een brief van 11 juli 2002 deelt de procureur des Konings te Brussel aan de burgemeester van Anderlecht mee dat zijn ambt een dossier geopend heeft tegen verzoeker "uit hoofde van valsheid in geschrifte door een openbaar ambtenaar". Hij geeft in die brief een relaas van de gebeurtenissen van 31 december 2001 -het dossier 30.12.048583/01- en gaat vervolgens specifiek in op de handel- wijze van verzoeker, zulks in volgende bewoordingen : (...) "Gelet op het feit dat uit het onderzoek en uit de vaststellingen verricht tijdens de wedersamenstelling dd. 15 januari 2002 bleek dat door de lokale politie van Anderlecht verschillende nalatigheden waren gepleegd gaf onder- zoeksrechter Coumans op 12 februari 2002 opdracht aan de generale inspectie, na onderzoek van het dossier, de politieagent Coudijzer Alain te verhoren. Op 29 mei 2002 werd overgegaan tot het gevraagde verhoor. In het begin van het verhoor verklaarde Coudijzer Alain dat hij Habib Wajdi tegenkwam op de tweede verdieping en dat hij nadien op de derde verdieping een levensloos lichaam zag liggen tussen de deur van een appartement en dat hij later ook een vrouw zag. Wanneer hij wordt verzocht in detail zijn reactie op het gegeven weer te geven zegt hij dat hij Habib Wajdi tegenkwam tussen de tweede en de derde verdieping en dat hij bij zijn aankomst op de derde verdieping een manspersoon zag liggen in de ingang van een deur die toegang gaf tot een appartement, waarin zich een vrouw bevond. Aangezien de hulpdiensten het slachtoffer de eerste zorgen toedienden verliet hij samen met zijn collega het appartement dat zij betreden hadden, gevolgd door de voormelde vrouw. Deze laatste, die zich identificeerde als Abou-Hacem Rima zei dat haar echtgenoot gek was geworden en de deur had ingetrapt en dat er vervolgens een gevecht had plaats gehad tussen haar echtgenoot El Hakim Ahmad en Habib Wajdi. Verder werden er geen vragen gesteld. Nadat hij door de onderzoekers erop gewezen wordt dat hij nerveus wordt ondermeer wanneer zij vragen wat de verdachten ter plaatse verklaarden bekent hij dat hetgeen hij tevoren verklaarde niet de volledige waarheid was. Hij geeft toe dat op het ogenblik dat hij alleen was met Abou-Hacem Rima en Habib Wajdi, toen zijn collega Vandergoeten naar beneden was om de reanimatiewagen op te wachten hij zich met Habib Wajdi in een hoek van de IX-4086-3/27 overloop terugtrok en dat Habib hem meedeelde dat de verklaring van Abou- Hacem Rima niet met de werkelijkheid strookte. De waarheid was dat hij zich in het appartement bevond in het gezelschap van Abou-Hacem Rima, zijn minnares. Toen El Hakim toekwam en de deur intrapte kwam het tot een ernstig handgemeen. Aangezien hij bang was voor zijn leven nam hij een mes ter hand en bracht een messteek aan El Hakim. Volgens inspecteur Coudijzer bracht Abou-Hacem Rima toen hij deze laatste op 31 december 2002 naar het commissariaat voerde, en toen geweten was dat haar echtgenoot overleden was, hem na een telefoongesprek met Habib ervan op de hoogte dat zij de messteek toebracht. Uit een analyse van de door Coudijzer gevoerde telefoongesprekken dd. 31 december 2002 blijkt echter dat zijn GSM-nummer werd gebeld door het GSM-nummer van Habib Wajdi op 31 december 2001 om 17.44 uur en niet het GSM-nummer van Abou-Hacem Rima. Op 6 juni 2002 verklaarde Coudijzer aan de generale inspectie dat dit juist was en dat hij Habib Wajdi op de hoogte bracht van het overlijden van El Hakim Ahmad. Daarop vroeg Habib te mogen spreken met Abou-Hacem Rima hetgeen werd toegestaan. Het telefoongesprek greep plaats in de Libanese taal. Na het beëindigen van het gesprek nam Abou-Hacem Rima de dood van haar echtgenoot op zich. Inmiddels heeft inspecteur Coudijzer, die op 30 mei 2002 als getuige door onderzoeksrechter Coumans verhoord werd en zijn verklaring afgelegd op 29 mei 2002 voor de generale inspectie bevestigde, op 7 juni 2002 tijdens een verhoor afgenomen door Le Moine Jean-Michel en Dimitri Rauw, leden van de federale politie ingetrokken (zie p.v. 12265/02 van de federale politie). Uit wat voorafgaat blijkt dat de houding die inspecteur Coudijzer Alain aangenomen heeft in het dossier 30.12.048583/01 ontoelaatbaar is. Benevens het optekenen van een relaas van de feiten dat niet waarheids- getrouw blijkt te zijn, werden er door hem verschillende beroepsfouten gepleegd. Als nalatigheden kan men vermelden : - er werd toegestaan niettegenstaande de ernst van de zaak dat Habib Wajdi de plaats verliet in gezelschap van zijn neef om zich te laten verzorgen. - het met bloed besmeurde hemd van Habib Wajdi werd niet in beslag genomen. - toen Habib Wajdi contact opnam met inspecteur Coudijzer om hem mee te delen dat hij zich in het Edith Cavell ziekenhuis bevond werd hij op de hoogte gebracht door voornoemd inspecteur van het overlijden van El Hakim Ahmad. - er werd toegestaan dat Abou-Hacem Rima die op de plaats der feiten van haar vrijheid werd beroofd een telefonisch gesprek voerde in het libanees met Habib Wajdi in het politievoertuig en aldus met haar minnaar kon afspreken welke verklaring zou worden afgelegd met betrekking tot de omstandigheden waarin de feiten zich hadden voorgedaan en met betrekking tot het opnemen van de schuld. Uit wat voorafgaat blijkt dat de manier waarop in de beginfase het onderzoek werd geleid door inspecteur Coudijzer Alain onaanvaardbaar is. Aangezien hieromtrent een opsporingsonderzoek loopt tegen voornoemde meen ik, dat gelet op de ernst van de feiten, welke gepleegd werden in het kader van een dossier doodslag nr. 30.12.048583/01 dossier 02/001 van de heer onderzoeksrechter Coumans, inspecteur Coudijzer Alain, bij ordemaatregel voorlopig moet worden geschorst. Voor informatie vindt U hierbij de volgende stukken : - het aanvankelijk proces-verbaal nr. 30.12.048583/2001; - het navolgend proces-verbaal nr. 100477/02 dd. 29 mei 2002; IX-4086-4/27 - het proces-verbaal nr. 100478/02 dd. 28 mei 2002; - het navolgend proces-verbaal nr. 100441/02 dd. 29 mei 2002; - het navolgend proces-verbaal nr. 100480/02 dd. 30 mei 2002; - het proces-verbaal van verhoor van Coudijzer Alain als getuige (verklaring dd. 30 mei 2002); - het proces-verbaal 100479/02 dd. 29 en 30 mei 2002; - het proces-verbaal 10376/02 van de federale politie dd. 7 juni 2002; - het proces-verbaal nr. 100517/02 dd. 6 juni 2002; De heer onderzoeksrechter heeft de toelating verleend om U de hierboven vermelde processen-verbaal over te maken (zie zijn schrijven dd. 29 juni 2002 dat verwijst naar mijn schrijven dd. 12 juni 2002 waarvan hierbij eveneens kopie)." 1.6. Op 18 juli 2002 wordt verzoeker verzocht zich aan te bieden op de dienst Intern Toezicht, "rekening houdend met het feit dat U het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk onderzoek bij het Parket van de Heer Procureur des Konings te Brussel". Het verhoor, dat gebeurt in het kader van artikel 62 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de Tuchtwet), waarin de rechten van verdediging worden geregeld van de personeelsleden tegen wie in het kader van een strafrechtelijk onderzoek een voorlopige schorsing wordt overwogen, vindt plaats op 29 juli 2002. Verzoeker verklaart zich bewust te zijn van het feit dat hij verschillende fouten heeft begaan, maar in geen geval de medeplichtige te zijn geweest van iemand aanwezig op de plaats van het misdrijf. Hij vraagt begrip voor de situatie, rekening houdende met de moeilijke en ingewikkelde omstandigheden die hij slecht beheerd heeft. Wat betreft een eventuele schorsing, verklaart hij dat hij kan begrijpen dat hij ingevolge de incidenten met administratieve dienst bevolen is sedert begin juni 2002, dat hij er zich rekenschap van geeft dat er fouten begaan zijn, maar dat het tijdelijk ontnemen van het recht van te werken voor hem een ramp zou zijn. 1.7. Op 30 juli 2002 beslist het politiecollege verzoeker bij orde- maatregel voorlopig te schorsen voor de duur van vier maanden, gelet op het feit dat er tegen hem een opsporingsonderzoek loopt, op de ernst van de feiten aangehaald in de brief van de procureur des Konings en op het feit dat er ruchtbaarheid werd gegeven aan de bevolking via de pers en zijn directe collega’s op de hoogte zijn van het gebeuren. Die maatregel blijkt nadien, met ingang van 26 augustus 2002, vervangen te zijn door de toewijzing aan verzoeker van "een administratieve betrekking bij de dienst Routage van het commissariaat te Vorst". IX-4086-5/27 1.8. Met een brief van 4 december 2002 deelt de korpschef aan de procureur des Konings mee dat hij op 12 juli 2002 op de hoogte werd gebracht van het dossier BR.30.12.048583/01, en dat de vermelde feiten eveneens onderwerp uitmaken van een administratief dossier, ingesteld door de dienst Intern Toezicht. Hij stelt voor om, alvorens een intern onderzoek ten gronde in te stellen, het resultaat van het gerechtelijk onderzoek af te wachten en vraagt op de hoogte gehouden te worden van de stand van zaken in dit dossier. Dezelfde brief wordt nogmaals verstuurd op 10 april 2003. 1.9. Met een brief van 25 april 2003 deelt de procureur des Konings aan de burgemeester van de gemeente Anderlecht mee dat het dossier 30.12.048583/01 in het kader van hetwelk verzoeker valsheid in geschrifte pleegde afgesloten is, dat hij zich voorneemt de daders te vervolgen, maar dat in het kader van voornoemd dossier geen vervolgingen zullen ingesteld worden tegen verzoeker en de andere politiefunctionarissen die nalatig zijn geweest. Hij schrijft dat verzoeker "dus niet vervolgd (wordt) voor valsheid in geschrifte op strafrechtelijk gebied", maar dat "op disciplinair vlak vervolgingen moeten ingesteld worden". Hij vat vervolgens "de feiten die ten grondslag liggen aan de in te stellen procedure" samen. Die samenvatting stemt woordelijk overeen met de samenvatting van de feiten in de sub 1.5. geciteerde brief van 11 juli 2002. Tot staving van de disciplinaire procedure worden de negen P.V.'s gevoegd die reeds bij de brief van 11 juli 2002 waren gevoegd, aangevuld met een proces-verbaal van (verhoor van commissaris CARLIER, die wachtofficier was op 31 december 2001). In fine wordt meegedeeld dat de onderzoeksrechter en de Procureur-generaal hun toelating hebben verleend om deze stukken over te maken. 1.10. Op 28 mei 2003 beslist het politiecollege "op basis van de gerechtelijke stukken, met toestemming van Dhr. Onderzoeksrechter en Dhr. Procureur Generaal bij en van het Hof van Beroep te Brussel, overgemaakt door Mevrouw de Procureur des Konings DIEUDONNE aan Dhr. SIMONET J., een tuchtprocedure op te starten lastens de INP COUDIJZER. Een inleidend verslag met voorstel tot ontslag van ambtswege dient betekend te worden aan betrokkene in de wettelijk voorziene termijn. De Dienst Intern Toezicht van de politiezone wordt belast met de verdere administratieve uitvoering van de tuchtprocedure. De voorzitter-burgemeester wordt gemandateerd voor het tekenen van het voor te leggen inleidend verslag in naam van het politiecollege". IX-4086-6/27 1.11. Met een nota van 28 mei 2003, die verzoeker voor kennisname en ontvangst ondertekent op 12 september 2003, stelt de voorzitter van het politie- college verzoeker in kennis dat het politiecollege, in zijn hoedanigheid van hogere tuchtoverheid, in zijn zitting van 28 mei 2003 beslist heeft zich rechtstreeks met de feiten te belasten, en dat de gewone tuchtoverheid ontlast is van de feiten. 1.12. Eveneens op 12 september 2003, ondertekent verzoeker voor kennisname en ontvangst een nota van 4 september 2003 met als onderwerp "Tucht - Inleidend verslag" waarin verwezen wordt naar de brief van 25 april 2003 van de procureur des Konings en naar het feit dat er "een eindbeslissing genomen was om geen vervolging tegen verzoeker in te stellen". Onder punt 3 van dat verslag -"Datum van kennisneming van de feiten"- wordt vermeld: "Het betreft een gerechtelijke eindbeslissing. Ingevolge artikel 56, tweede lid van de (Tuchtwet), begint de termijn te lopen op 28-04-2003, datum waarop de Voorzitter van het Politiecollege kennis nam van het schrijven". Onder punt 4 -"Vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten"- wordt gesteld wat volgt : "Gelet op de feitelijke elementen vervat in het dossier, meent het Politie- college dat deze feiten de volgende tuchtvergrijpen uitmaken: (...) - U was de eerste politieambtenaar die geïnformeerd werd en ter plaats kwam. - U leidde het onderzoek in de beginfase. - U beheerde de zaak ter plaatse gedurende een lange periode alvorens beroep te doen op de wachtofficier (van 16.18 uur tot 17.17 uur). - U stond toe aan verdachte HABIB de plaats te verlaten voor verzorging. - U weerhield niet het met bloed besmeurde hemd van HABIB. De gedragslijn 'discretie' 'Het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek worden op bijzondere wijze beschermd. Behoudens de wettelijke uitzonderingen zijn het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek geheim'.(...) Het blijkt echter dat: - u tijdens een telefoongesprek met de verdachte HABIB, die u voorheen toestond de plaats te verlaten, hem op de hoogte bracht van het overlijden van EL HAKIM; - u tijdens hetzelfde telefoongesprek toestond aan de ter plaatse aange- houden ABOU-HACEM een gesprek te voeren in het libanees met HABIB, en dat zij aldus met haar minnaar kon afspreken welke verklaring met betrekking tot de omstandigheden waarin de feiten zich hadden voorgedaan en met betrekking tot het opnemen van de schuld. De gedragslijn 'neutraliteit' (...) Het dossier wijst uit dat HABIB in het bezit was van uw privé-GSM-nummer, nummer waarop hij u persoonlijk contacteerde om uw tussenkomst te sollicite- ren. U verklaarde dat de Heer HABIB een vriend van u is. Tijdens uw verhoor op 29-05-2002 bij de generale inspectie, verhoor dat bevestigd werd tijdens uw getuigenverhoor van 30-05-2003 voor de onder- IX-4086-7/27 zoeksrechter COUMANS, gaf u toe dat, op het ogenblik dat u alleen was met ABOU-HACEM en HABIB, u zich met deze laatste terugtrok in een hoek van de overloop en dat HABIB u mededeelde dat de verklaring van ABOU-HACEM niet met de werkelijkheid strookte. Op 07-06-2003, tijdens een verhoor afgenomen door de leden van de federale politie, trok u deze verklaring in. Tijdens uw verhoor van 29-05-2003 bij de generale inspectie, verklaarde u dat HABOU-HACEM, tijdens haar overbrenging naar het commissariaat na haar vrijheidsberoving, werd opgebeld door HABIB. Uit analyse van de door u gevoerde telefoongesprekken, bleek echter dat uw GSM-nummer gebeld werd door HABIB en niet dit van ABOU-HACEM." Onder punt 5 -"Voorstel tot zware tuchtstraf"- wordt gesteld wat volgt : "(...) Aangezien het Politiecollege in zijn zitting van 28-05-2003 meent dat de feiten vaststaan, dat ze u kunnen worden toegerekend en dat ze, krachtens de motivering uiteengezet in punt 4, een tuchtvergrijp uitmaken. Daarnaast stelt het Politiecollege vast dat, niettegenstaande u, na een korte periode van schorsing, op datum van 26-08-2002 overgeplaatst werd naar een interne dienst, het vertrouwen van de gerechtelijke overheid geschonden blijft. Mede door uw toedoen blijkt een onschuldige persoon van zijn vrijheid beroofd op 31-12-2001 en in voorhechtenis geplaatst, waardoor de persoon die uiteindelijk in verdenking werd gesteld, maar pas aangehouden werd op 16-01-2002. Er werd tevens ruchtbaarheid gegeven aan deze zaak in de pers, met titels die voor zichzelf spreken: 'Politieman zet bevriend moordenaar uit de wind', 'Un ami policier bien utile', 'Rebondissement: c’est le voisin et pas l’épouse qui a tué'. Het Politiecollege is de mening toegedaan dat uw plaats bij de politie onhoud- baar is geworden. Derhalve, in haar hoedanigheid van hogere tuchtoverheid, deelt het Politie- college u mee dat er een tuchtdossier ten uwe laste werd samengesteld en dat zij het voornemen heeft om u, voor de feiten vervat in punt 2, het ontslag van ambtswege op te leggen." 1.13. Op 3 oktober 2003 dient verzoeker een verweerschrift in en vraagt hij om mondeling te worden gehoord. Op 15 en 21 oktober 2003 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn raadslieden, door het politiecollege gehoord. Van dit verhoor wordt een proces- verbaal opgesteld door de "afgevaardigde van de tuchtoverheid". 1.14. Met een brief van 22 oktober 2003 deelt de voorzitter van het politiecollege aan de procureur des Konings mee dat het politiecollege beslist heeft zijn voornemen van 4 september 2003 om aan verzoeker het ontslag van ambtswege op te leggen te behouden. Aangezien de feiten betrekking hebben op de uitvoering IX-4086-8/27 van een opdracht van gerechtelijke politie, wordt, overeenkomstig artikel 24 van de Tuchtwet, zijn advies gevraagd. Met een brief van 30 oktober 2003 bezorgt de procureur des Konings zijn advies, dat luidt als volgt : "Zoals blijkt uit mijn schrijven dd. 11 juli 2002 gericht aan de heer burgemeester te Anderlecht en uit de lezing van het tuchtdossier, stukken waarin alle grieven tegen Coudijzer Alain, inspecteur, worden uiteengezet, heeft betrokkene op 31 december 2001, een dossier doodslag op een zeer stuntelige manier gevoerd. Dit brengt met zich mee dat men in de toekomst geen vertrouwen meer in hem kan stellen. Bovendien is zijn houding bij de lokale politie te Anderlecht onmogelijk geworden. Mijn ambt sluit zich derhalve aan bij het voornemen van het politiecollege om aan inspecteur Coudijzer Alain de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen." 1.15. Na kennisname van dat advies, beslist het politiecollege op 3 november 2003 definitief "het voorstel van ontslag van rechtswege te handhaven als zware tuchtmaatregel, zoals het voorgesteld werd door het Politiecollege tijdens de zitting van 28 mei 2003". Dat voorstel van zware tuchtstraf is omstandig gemotiveerd. Wat het tuchtstrafvoorstel betreft wordt het volgende vermeld : "Het Politiecollege blijft bij de vaststelling dat, niettegenstaande u, na een korte periode van schorsing, op datum van 26-08-2002 overgeplaatst werd naar een interne dienst, het vertrouwen van de gerechtelijke overheid geschonden blijft. Dit blijkt eens te meer uit het gegeven advies van Mevrouw de Procureur des Konings. Mede door uw toedoen blijkt een onschuldige persoon van zijn vrijheid beroofd op 31-12-2001 en in voorhechtenis geplaatst, waardoor de persoon die uiteindelijk in verdenking werd gesteld, pas aangehouden werd op 16-01-2002. Er werd tevens ruchtbaarheid gegeven aan deze zaak in de pers, met titels die voor zichzelf spreken: 'Politieman zet bevriend moordenaar uit de wind', 'Un ami policier bien utile', Rebondissement: c'est le voisin et pas l'epouse qui a tué". Uw directe collega's zijn eveneens op de hoogte van deze ernstige feiten. Het Politiecollege blijft de mening toegedaan dat uw plaats bij de politie onhoudbaar is geworden. Tijdens de hoorzitting bleek dat de ambulanciers van in het begin reeds op de hoogte waren dat het handelde om een situatie met 'een gekwetste met een mes thuis' en dat de reanimatie onmiddellijk werd gevraagd via het politiekanaal. Alle verdere handelingen, zoals bijvoorbeeld het toestaan tot het verlaten van de plaats aan de Heer WAJDI, gebeurden na deze vraag tot reanimatie, inclusief de achteraf verdwenen verklaring afgenomen door INP VANDERGOETEN. De toelichtingen verschaft door deze laatste tijdens de hoorzitting laten dan ook nergens blijken dat dit 'het pièce á décharge' zou zijn. De eventuele twijfel over 'coup' of 'coup de couteau', een bijna onzichtbare wonde, ...doen weinig ter zake. U vroeg onmiddellijk via het politiekanaal de IX-4086-9/27 reanimatiedienst. Dit is een standaardindicator voor een levensbedreigende situatie. Het Politiecollege vraagt zich dan ook steeds af om welke beweegredenen de zaak vanaf het begin niet 'au sérieux' genomen werd. Met voorgaande in het achterhoofd, houdt de in uw verweerschrift en tijdens de hoorzitting aangehaalde beweegreden van 'perceptiefout' dan ook weinig steek. Het Politiecollege kan zich moeilijk inbeelden dat een politie-inspecteur, met een tot 31-12-2001 perfect beoordeelde carrière en steeds behorend tot een interventiedienst, een dusdanige reeks beoordelingsfouten zou gemaakt hebben. Vermoedens van een partijdigheid blijven dan ook bestaan. Betreffende de -weliswaar achteraf ingetrokken- afgelegde verklaring bij de algemene inspectie, daags nadien bevestigd bij de Heer Onderzoeksrechter, liet u tijdens de hoorzitting uitschijnen dat deze nochtans zeer gedetailleerde bekentenissen er kwamen na een verhoor dat een twaalftal uren duurde, en waarbij 'morele druk' uitgeoefend werd. Uit nazicht in het dossier blijkt echter dat het doelbewuste verhoor aanvatte op 15.10 uur en afgesloten werd om 23.55 uur en dat dit verhoor onderbroken werd: - van 15.45 tot 15.50 uur (5 minuten) - van 16.45 tot 17.10 uur (25 minuten) - van 18.50 tot 19.00 uur (10 minuten) - van 20.15 tot 21.30 uur (1 uur en 15 minuten) (warme maaltijd) - van 23.10 tot 23.20 uur (10 minuten) Naast deze afgelegde ingetrokken verklaringen, blijft er nog het feit dat uw officier CP CARLIER laattijdig ingelicht werd. Zelfs nadat uw officier de zaak in handen heeft genomen, op het ogenblik dat het overlijden van de Heer EL HAKIM u wel degelijk bekend was en dus geen twijfel meer kon bestaan over de ernst van de zaak en een verkeerde perceptie zeker buiten kijf staat, bleef u om een onverklaarbare reden beroepsfouten opstapelen; uw eigen GSM diende als relais in een onderhoud tussen de Heer WAJDI en Mevrouw ABOU-HACEM, die op dat ogenblik van haar vrijheid beroofd was. U bracht persoonlijk de Heer WAJDI op de hoogte van het overlijden van EL HAKIM en liet bovendien toe dat WAJDI en ABOU HACEM een gesprek in het Libanees voerden, zaak die Mevrouw de Procureur des Konings omschreef als moment waarop de minnaars konden afspreken welke verklaring zou worden afgelegd met betrekking tot de omstandigheden waarin de feiten zich hadden voorgedaan en met betrekking tot het opnemen van de schuld. Dit zijn opnieuw ernstige indicatoren die kunnen wijzen in de richting van een 'cover-up' operatie. Bovendien blijkt nergens uit het dossier dat u uw officier CP CARLIER hebt ingelicht van het feit dat de Heer WAJDI een vriend van u is." 1.15.1. Op 5 november 2003 dient verzoeker tegen het voorstel van zware tuchtstraf een verzoek tot heroverweging in bij de tuchtraad. Op 16 december 2003 worden de afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid, de afgevaardigde van de Inspecteur-generaal en verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, door de tuchtraad gehoord. Proces-verbaal wordt opgemaakt. IX-4086-10/27 1.15.2. Op 15 januari 2004 geeft de tuchtraad zijn advies. 1.15.2.1. Onder het luik "I. DE PROCEDURE", wordt, wat betreft de uitoefening van de tuchtbevoegdheid vóór, respectievelijk na 28 mei 2003, gesteld wat volgt : "3.2. De uitoefening van tuchtbevoegdheid vóór 28 mei 2003: De tuchtraad is de mening toegedaan dat, indien nog kan aangenomen worden dat de tuchtoverheden pas in een later stadium door tussenkomst van het ambt van de procureur des Konings werden ingelicht van mogelijke onregel- matigheden bij de verbalisatie ingevolge verdoken afspraken tussen INP Coudijzer en de bij het gerechtelijk onderzoek betrokken personen, het niet redelijk voorkomt thans ook nog voor te houden dat de korpschef niet vóór 28 mei 2003 op de hoogte zou zijn geweest van het feit dat INP Coudijzer tijdens de dienstuitvoering op 31 december 2001 zijn ambtsplichten zou hebben verzuimd door in een gerechtelijke zaak met mogelijk crimineel karakter: - de wachtofficier niet tijdig te hebben ingelicht; - te hebben toegestaan dat de mogelijke dader van criminele feiten de plaats van het misdrijf verliet; - niet alle nuttige stukken in beslag te hebben genomen; Zo werd ter zitting van de tuchtraad opgemerkt dat ingevolge de normaal te verwachten opvolgingscontrole van de zaken binnen het korps (cfr. de verplichtingen van gezag en leiding uitgedrukt o.m. in de artikelen 42 en volgende WGP), kort na de feiten toch minstens geweten was dat INP Coudijzer te kort was gekomen aan diens ambtsplichten. Er kan niet ernstig voorgehouden worden dat dit onderdeel van de tenlaste- leggingen binnen een goed en normaal beleid niet onmiddellijk aan het licht kwam. Dit gegeven van de tuchtrechtelijke aanklacht wordt niet opgeleverd door het strafonderzoek dat achteraf werd gevoerd. Alleen de passiviteit van de (gewone) tuchtoverheid die op 31 december 2001 of minstens enkele dagen later kennis had of moest hebben van de wijze van optreden van INP Coudijzer ligt aan de basis van het uitblijven van tuchtvervolging voor deze feiten. Het valt trouwens op dat aan INP Coudijzer desbetreffend geen enkele formele opmerking werd gegeven en dat hij ter zake nooit werd geïnterpelleerd. Deze feitelijke vaststelling werd ter zitting van de tuchtraad trouwens bevestigd door de afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid, hieraan zelfs toevoegend dat aan INP Coudijzer hiervoor destijds 'een bolwassing' werd gegeven. Vertrekkende van deze gegevens mag derhalve gesteld worden dat de gewone tuchtoverheid (korpschef) minstens in de loop van januari 2002 kennis had van voormelde tekortkomingen. Op geen enkel ogenblik werd uit hoofde van die concrete feiten een tuchtvordering opgestart. De hogere tuchtoverheid kan nadien voor deze specifieke feiten de tuchtvor- dering niet meer herbeginnen, en dit ongeacht de draagwijdte en de opportuni- teitsbeoordeling van de gewone tuchtoverheid. Wanneer de gewone tuchtoverheid die op de hoogte is van bepaalde feiten, geen procedure heeft aangespannen binnen het jaar na de kennisgeving van die feiten, kan de hogere tuchtoverheid eens die termijn verstreken, niets meer initiëren. De inertie van de ene kan niet meer worden goedgemaakt door een laattijdig initiatief van de andere (Gedr. St. Kamer, 1998-99, nr. 1965/1, 19). Ook de omstandigheid dat deze feiten (zoals later zou blijken) in feite samenhangen met andere tuchtvergrijpen die later aan het licht zullen komen laat niet toe deze feiten opnieuw te vervolgen. IX-4086-11/27 Integendeel kan de vraag worden gesteld waarom de gewone tuchtoverheid na kennisneming van de eerste signalen (zijnde de voormelde drie concrete tekortkomingen) het niet nuttig heeft geacht onmiddellijk een nader voorafgaand onderzoek in te stellen naar het optreden van INP Coudijzer, te meer omdat die feiten op zich reeds een tekortkoming konden uitmaken in de uitvoering van een gerechtelijke opdracht in een mogelijke criminele zaak en omdat in het aanvankelijk proces-verbaal reeds te lezen staat dat INP Coudijzer en de genaamde Habib elkaar reeds kenden! (stukken 280, 247). Besluit : De tuchtraad adviseert bij meerderheid van stemmen dat de tuchtvordering op grond van artikel 56, eerste lid Tuchtwet verjaard is voor volgende concrete tuchtinbreuken: - de wachtofficier niet tijdig te hebben ingelicht; - te hebben toegestaan dat de mogelijke dader van criminele feiten de plaats van het misdrijf verliet; - niet alle nuttige stukken in beslag te hebben genomen. 3.3. De uitoefening van de tuchtvordering (door de hogere tuchtoverheid) na 28 mei 2003: Na berichten over ander wangedrag van INP Coudijzer (nl. eventuele valsheid in geschriften door ambtenaar, zie brief procureur des Konings van 11 juli 2002, stuk 315 en bijlagen) besliste de hogere tuchtoverheid te wachten op de afloop van het strafonderzoek. Deze intentie kan inderdaad afgeleid worden uit de inhoud van de brieven aan de procureur des Konings van 4 december 2002 en 10 april 2003. Op 28 mei 2003 verneemt het politiecollege dat het dossier notnr. 25.97.4958/02 geopend ten laste van INP Coudijzer door het parket werd geseponeerd. Op die datum neemt de tuchtoverheid naar eigen zeggen kennis van de juiste draagwijdte van de feiten omschreven sub d, e en f (zie om- schrijving van de tenlastelegging). Ook al bestaat er in hoofde van de tuchtoverheid geen verplichting om het personeelslid in te lichten dat de overheid heeft beslist de wachten op de afloop van het strafrechtelijk onderzoek (en derhalve toepassing te maken van artikel 56, tweede lid Tuchtwet), dan nog komt het de tuchtraad voor dat het wenselijk is deze beslissing te formaliseren en het personeelslid hiervan in te lichten. Behoudens de schorsingsbeslissingen (juli en augustus 2002) wordt betrokkene tuchtrechtelijk niet gehoord en niet ingelicht tot 12 september 2003, terwijl de feiten dateren van 31 december 2001. Alvorens te beslissen het strafonderzoek af te wachten, doet de tuchtoverheid er goed aan betrokkene te verhoren om te vernemen of hij de feiten toegeeft. In geval van bekentenissen begint de termijn bepaald in artikel 56 Tuchtwet immers te lopen en moet niet gewacht worden op de afloop van het strafrechtelijk onderzoek." 1.15.2.2. In hetzelfde luik "De procedure" wordt de volgende commentaar geleverd betreffende "het tuchtdossier" (punt I. 6) : "Het voorstel van zware straf werd genomen door het politiecollege samengesteld uit Mevr. De Permentier en de heer Boelpaepe (stuk 22). De beide burgemeesters waren eveneens aanwezig ter gelegenheid van de verhoren op 15 en 22 oktober 2003 (stukken 39 en 46). Artikel 30 Tuchtwet werd nageleefd. De tuchtraad stelt zich vragen betreffende het voegen van de kopie van een verweerschrift op naam van Clark Carlier dat aan de tuchtoverheid door laatstgenoemde werd overgemaakt in een ander tuchtdossier. De tuchtraad meent dat de vertrouwelijkheid van dit stuk verbiedt dat de tuchtoverheid zich IX-4086-12/27 hiervan naar eigen goeddunken en zonder toelating van CP Carlier bedient buiten de procedure waarin dit document werd neergelegd. De overwegingen die daarin zijn neergeschreven behoren uitsluitend tot zijn verdediging. Alleen CP Carlier kan in de procedure die hem aanbelangt de openbaarheid vragen voor de tuchtraad. Ook al kan er een feitelijk verband bestaan tussen de laakbare feiten die aan verschillende personeelsleden tuchtrechtelijk ten laste worden gelegd, dan nog blijven de gevoerde procedures verschillend en afgescheiden van elkaar. De tuchtraad adviseert dit stuk niet langer in aanmerking te nemen bij de besluitvorming. De tuchtraad stelt zich tevens vragen bij het verloop van de hoorzittingen voor het politiecollege. In eerste instantie ontbreekt in het tuchtdossier een rechtsgeldig proces- verbaal van deze hoorzittingen (van 15 en 21 oktober 2003). De documenten (stukken 34 tot 46), dragende de vermelding 'Proces-verbaal van hoorzitting' kunnen niet worden beschouwd als zijnde de kopie van een proces-verbaal. Dit stuk werd enkel ondertekend door Christian Van Dam als 'afgevaardigde door de tuchtoverheid'. Overeenkomstig artikel 29 WGP worden de overgeschreven notulen van de vergadering van het politiecollege getekend door de voorzitter en de secretaris. Voornoemde Christian Van Dam heeft geen enkele bevoegdheid om een proces-verbaal op te stellen naar aanleiding van de samenkomst van het politiecollege. Uitsluitend op grond van deze handtekening kan niet worden geconcludeerd tot de rechtsgeldigheid van dit essentieel procedurestuk. Daarenboven vermeldt dit geschrift de aanwezigheid op deze zittingen van personen die niet behoren tot het college en die zelfs optreden als ondervragende partijen. De toelichting gegeven ter zitting van de tuchtraad dat deze personen daar aanwezig waren in hoedanigheid van 'deskundigen' vindt geen steun in de vermeldingen van dit geschrift. Op 28 mei 2003 werd de Dienst Intern Toezicht van de politiezone door het politiecollege belast met de verdere administratieve uitvoering van de tuchtpro- cedure (stuk 92). De aanwezigheid en het optreden van de leden van deze dienst ter gelegenheid van de hoorzittingen van 15 en 21 oktober 2003 overstijgt dit mandaat. De omstandigheid dat ook de korpschef (opnieuw) bij dezelfde gelegenheid bij herhaling actief gaat tussenkomen (ook in zaken waarin hij eerder niet was opgetreden - zie de tussenkomst vermeld op stuk 35) wijst op een vermenging tussen de bevoegdheidsactiviteiten van de lagere en de hogere tuchtoverheid. In dit verband kan ten overvloede toegevoegd worden dat de korpschef ook (totaal onterecht) het inleidend verslag en het strafvoorstel mede ondertekent. Deze laatste stukken kunnen helemaal niet beschouwd worden als briefwisseling uitgaande van het politiecollege. Opmerkelijk tenslotte is ook de verschijning (op de zitting van 21 oktober 2003, zie stuk 37) van de getuige CP Carlier samen met diens tuchtverdedigers De Baerdemaeker en Baes in een tuchtdossier lastens Coudijzer!! Besluit : De tuchtraad adviseert bij meerderheid van stemmen het in het dossier voorliggende document, opgesteld naar aanleiding van de hoorzittingen van 15 en 21 oktober 2003 met opschrift 'proces-verbaal van hoorzitting', niet te beschouwen als de rechtsgeldige weergave van deze proceshandeling en als gevolg daarvan niet in aanmerking te nemen voor de verdere afhandeling van het tuchtdossier. Het strafvoorstel wordt onderbouwd door de verwijzing naar de hoor- zittingen. Indien er geen rechtsgeldige processen-verbaal werden opgesteld zal de tuchtoverheid hieruit de nodige conclusies moeten trekken." IX-4086-13/27 1.15.2.3. In zijn advies ten gronde heromschrijft de Tuchtraad de aan verzoeker ten laste gelegde feiten als volgt : "'Belast met interventiepatrouille op 31 december 2001, is INP Coudijzer te kort gekomen aan zijn beroepsplichten door: a. niet met de bekwame spoed beroep te doen op de bijstand van de wacht- officier met dienst; b. toe te staan dat een mogelijke dader van criminele feiten de plaats van het misdrijf verliet voor verzorging; c. niet alle nuttige stukken in beslag te nemen welke de waarheid konden aan het licht brengen, onder meer een met bloed besmeurd hemd; d. aan een mogelijke dader mede te delen dat het slachtoffer was overleden; e. tijdens de overbrenging van een mogelijke verdachte naar het commis- sariaat in het politievoertuig toe te laten dat er in een voor INP Coudijzer onverstaanbare taal een telefoongesprek werd gevoerd tussen deze persoon en de andere mogelijke verdachte die hij eerder had toegelaten de plaats van het misdrijf te verlaten; f. zijn vaststellingen naar aanleiding van een tussenkomst in een gerechtelijke zaak niet waarheidsgetrouw te hebben weergegeven'. De Tuchtraad adviseert: - dat feit (

  1. a)niet bewezen is; - dat de feiten (b), (c), (d), (
  2. e)en (
  3. f)bewezen zijn; - dat de feiten (b), (c), (d), (
  4. e)en (
  5. f)aan verzoeker worden toegerekend; - dat de feiten (b), (c), (d), (
  6. e)en (
  7. f)tuchtinbreuken uitmaken in de zin van artikel 3 Tuchtwet." Onder het luik "D. EINDBESLUIT - BETEUGELING" wordt gesteld wat volgt : "Vooraf: Om de motieven hierboven vernoemd adviseert de tuchtraad, beslissend bij meerderheid van stemmen, de tuchtvordering met betrekking tot de feiten vermeld onder de tenlasteleggingen a, b en c te beschouwen als zijnde verjaard overeenkomstig artikel 56, eerste lid Tuchtwet. Ondergeschikt hieraan adviseert de tuchtraad, beslissend bij meerderheid van stemmen, de feiten van de tenlastelegging a niet afdoende bewezen te beschou- wen. In het licht van wat voorafgaat adviseert de tuchtraad, beslissend bij meerderheid van stemmen, uit hoofde van de niet verjaarde en bewezen verklaarde feiten omschreven onder de tenlasteleggingen d, e en f als tuchtstraf het ontslag van ambtswege op te leggen om reden dat: Deze feiten getuigen van een verwerpelijke miskenning van de elementaire opdrachten die inherent zijn aan de status van politieambtenaar; Deze tuchtinbreuken een bijzonder zwaarwichtig karakter vertonen omdat ze niet alleen schade hebben toegebracht aan de uitoefening van de strafvordering met betrekking tot het misdrijf dat moest worden vastgesteld, maar ook aan het vertrouwen dat de politiediensten naar de bevolking toe moeten uitstralen, hetgeen onder meer wordt aangetoond door de persberichten die in dit verband zijn veschenen; INP Coudijzer door het plegen van deze inbreuken heeft aangetoond geen eerbied op te brengen voor de regels inzake integriteit, onpartijdigheid en IX-4086-14/27 discretie die eigen zijn aan het ambt van politieambtenaar; INP Coudijzer heeft aldus in grove mate het vertrouwen geschonden dat door de overheid ambts- halve in zijn persoon werd gesteld. Door in dergelijke uitzonderlijk ernstige mate misbruik te maken van zijn ambt kan in de persoon van INP Coudijzer niet het vereiste vertrouwen meer worden gesteld bij de uitvoering van zijn opdrachten; politiële en gerechtelijke overheden moeten kunnen beschikken over een onvoorwaardelijk vertrouwen in ambtenaren die optreden in naam van het openbaar gezag. Deze feiten elke verdere samenwerking in de weg staand; indien INP Coudijzer in afwachting van de afloop van de tuchtrechtelijke aanklacht in dienst werd gehouden in een afdeling waarin hij niet in aanmerking kwam met gerechtelijk werk, dan was dat duidelijk het gevolg van een tijdelijke en voorlopige oplossing, waaruit de betrokkene niet kan afleiden dat er een vertrouwensband was blijven bestaan." Het advies wordt met een brief van 16 januari 2004 aan de hogere tuchtoverheid bezorgd. 1.16. Op 22 januari 2004 tekent verzoeker voor kennisneming en ontvangst een nota van 21 januari 2004 waarin het thans bestreden besluit is opgenomen. Onder punt 2 -"Uiteenzetting van de feiten, omstandigheden en gevolgen"- van de nota wordt gesteld dat het politiecollege akkoord gaat met de formulering van de Tuchtraad inzake de ten laste gelegde feiten. Onder punt 3 -"Advies van de tuchtraad"- wordt onder meer gesteld wat volgt : "De Tuchtraad heeft op datum van 15-01-2004 voorgesteld als tuchtstraf 'het ontslag van ambtswege' op te leggen. Het Politiecollege, in zijn zitting van 21-01-2004, schaart zich achter dit advies. Vervolgens gaat het Politiecollege over tot de analyse en bespreking van dit advies, waaruit de hierondervermelde verduidelijkingen ontspruiten: Het Politiecollege uit eerst en vooral bedenkingen bij de verjaring van inbreuken hiervoor omschreven als a, b en c, gezien uw lagere tuchtoverheid hiervan niet op de hoogte gebracht werd, noch door de desbetreffende wachtofficier, noch door de kwaliteitsbewaker van de opgestelde PV’s, noch door een derde persoon. De hogere tuchtoverheid kon aldus, in tweede instantie, haar functie niet naar behoren uitoefenen. Personen die nalaten van de tuchtoverheid te informeren, stellen zich op hun beurt bloot aan tuchtvervolging, hetgeen trouwens gebeurd is in huidig geval. Gezien de complexiteit van het dossier, vond de tuchtoverheid het niet opportuun om de zaak op te splitsen. Zij opteerde de zaak in zijn eenheid te behandelen, analoog het artikel 7 van de Tuchtwet in referentie 1.1. 'Volgens de Nederlandstalige Kamers van de Raad van State mag men de tuchtoverheid niet te kwade duiden dat zij wacht tot het gerechtelijk onderzoek is beëindigd, daar men bij voorbaat niet kan uitsluiten dat uit dat onderzoek IX-4086-15/27 gegevens kunnen worden geput die ook voor de tuchtoverheid dienstig kunnen zijn en aldus het risico wordt vermeden dat voorbarig een straf wordt opgelegd voor feiten waarvan later door een gerechtelijke uitspraak zou kunnen worden vastgesteld dat zij niet bewezen zijn of zich anders hebben voorgedaan'. (...)." Onder punt 4 -"Beslissing"- wordt gesteld wat volgt : "(...) Gelet op het advies van de tuchtraad gegeven op 15-01-2004, wat betreft de grond van de feiten, het advies naar de tuchtstraf toe en de onhoudbaarheid van uw positie in de politie; In haar hoedanigheid van hogere tuchtoverheid en het advies van de tucht- raad bedoeld in punt 3 bijtredend: Legt het Politiecollege u, in haar zitting van 21-01-2004, voor de feiten vervat in punt 2, de zware tuchtstraf op van ontslag van ambtswege." 2. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoör- dineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoer- legging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1. Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 56 van de tuchtwet van 13 mei 1999, van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het algemeen beginsel van de materiële motiveringsverplichting doordat, eerste onderdeel, het bestreden besluit steunt op zes tenlasteleggingen waarvan de bevoegde tuchtoverheid meer dan een jaar vóór de betekening van het inleidend tuchtverslag kennis had, terwijl de tuchtoverheid ertoe verplicht is het inleidend verslag aan de betrokken ambtenaar te betekenen binnen de zes maanden na de kennisneming van feiten, die voldoende nauwkeurig en terdege bewezen zijn overeenkomstig uitgevoerde onderzoeksdaden die in het bestreden besluit worden aangegeven, en doordat, tweede onderdeel, de hogere tuchtoverheid meer dan een jaar na de kennisneming van de tuchtfeiten - termijn waarbinnen geen enkele onderzoeksdaad gesteld is- vaststelt dat de tuchtprocedure in het verleden geschorst is geworden omdat "volgens een onge- motiveerd standpunt van de lagere tuchtoverheid resp. een politieambtenaar het resultaat van het lopende opsporingsonderzoek moest worden afgewacht", terwijl de bevoegde tuchtoverheid binnen de zes maanden na de kennisneming van tuchtfeiten IX-4086-16/27 moet vaststellen dat het voor de nauwkeurige en deugdelijke vaststelling van de tuchtfeiten noodzakelijk is te wachten op het resultaat van het opsporingsonderzoek en terwijl de verjaringstermijn enkel kan worden geschorst door een tijdig opstarten van de tuchtprocedure door de bevoegde overheid; Overwegende dat verzoeker het middel als volgt toelicht : "nadat de politiezone op 30 mei 2002 een administratief onderzoek heeft gestart, heeft de procureur op 11 juli 2002 zowel aan de hogere als aan de lagere tuchtoverheid alle relevante P.V.’s meegedeeld; de hogere tuchtoverheid heeft de tuchtfeiten aan een onderzoek onderworpen teneinde tot de voorlopige schorsing te besluiten; van zodra de tuchtoverheid beschikt over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens loopt de verjaringstermijn van de tuchtvordering; voor geen enkele tenlastelegging is er na de injunctie door de procureur in de zomer van 2002 bijkomend onderzoek gevoerd, en is er ook niets meer aan het licht gekomen tot op het ogenblik dat de tuchtprocedure in september 2003 wordt opgestart; er valt dan ook niet in te zien waarom de tuchtoverheid meer dan een jaar gewacht heeft om de tenlasteleggingen tuchtrechtelijk te onderzoeken; de argumentatie dat geen enkel tuchtfeit verjaard is vermits het resultaat van het lopende opsporingsonderzoek mocht afgewacht worden mist feitelijke grondslag en strijdt met de wil van de wetgever; de feitelijke draagwijdte van de tenlasteleggingen (b), (c), (
  8. d)en (
  9. e)heeft verzoeker niet betwist; de feitelijke draagwijdte van de tenlasteleggingen (
  10. a)en (
  11. f)heeft verzoeker wél betwist, maar zijn argumenten waren bekend vóór de start van de procedure tot voorlopige schorsing, en een intern onderzoek had het al dan niet bestaan van deze feiten kunnen uitwijzen; de hogere tuchtoverheid verklaart niet - en zeker niet op een bewijskrachtige wijze - waarom zij nadien heeft geoor- deeld de afloop van het strafonderzoek af te wachten; bovendien kan niet begrepen worden op welke wijze het opsporingsonderzoek het lot van het tuchtonderzoek zou kunnen beïnvloeden; de brieven van 4 december 2002 en van 10 april 2003 zijn kennelijk typevoorbeelden van het 'lijdzaam afwachten' dat de wetgever wil beteugelen; het is onbegrijpelijk waarom de procedure niet werd gestart, op het ogenblik dat de tuchtoverheid over de stukken én over een eigen dossier beschikte; aangezien de tuchtoverheid geheel ten onrechte uitgaat van een vermeend automatisme dat de tuchtsanctie hangende het strafonderzoek zou zijn geschorst en de hogere tuchtoverheid volstrekt passief gebleven dient aangenomen te worden dat alle tuchtfeiten verjaard zijn;" 3.2. Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt wat volgt : "de redenering van de Tuchtraad dat de feiten (a), (
  12. b)en (
  13. c)verjaard waren wordt in het bestreden besluit niet gevolgd, vermits er in casu geen sprake was van een 'goed en normaal beleid'; verder wordt in het bestreden besluit terecht verwezen naar artikel 7, eerste lid, van de Tuchtwet, luidens hetwelk, wanneer aan een personeelslid meer dan één tuchtvergrijp wordt toegerekend, tegen dat personeelslid slechts één tuchtprocedure kan worden aangespannen die slechts aanleiding kan geven tot één tuchtstraf; verzoeker werd in het kader van het gerechtelijk onderzoek omtrent de feiten van 31 december 2001 verhoord op 29 en 30 mei 2002 en op 6 en 7 juni 2002; de p.v.’s van deze verhoren werden door de procureur des Konings meegedeeld met een brief van 11 juli 2002, IX-4086-17/27 waarin hij bevestigde dat er een strafrechtelijk onderzoek liep lastens verzoeker, maar dat hij in elk geval op dat ogenblik reeds bij ordemaatregel voorlopig geschorst diende te worden; geconfronteerd met het lopende strafonderzoek, besloot de hogere tuchtoverheid te wachten met het opstarten van de definitieve tuchtprocedure; verzoeker kan nu onmogelijk beweren dat de tuchtoverheid niet met bekwame spoed de procedure heeft willen opstarten, vermits op 4 december 2002 en op 10 april 2003 aan de procureur werd gevraagd naar de stand van het onderzoek en de tekst van artikel 56, tweede lid van de Tuchtwet duidelijk is; het wachten op het bericht van de gerechtelijke overheden in verband met de afloop van het strafrechtelijk onderzoek is niet kennelijk onredelijk, zeker niet nu met gepaste aandacht tot tweemaal toe werd geïnformeerd naar de stand van het onderzoek; eens de procureur des Konings meedeelde dat het onderzoek lastens verzoeker wegens valsheid in geschrifte geseponeerd werd, werd er met gepaste spoed werk gemaakt van de tuchtprocedure; verder is het precies in het belang van de betrokkene dat op de uitkomst van het gerechtelijk onderzoek wordt gewacht, nu dit onderzoek andere gegevens aan het licht zou kunnen brengen die de tuchtoverheid dienstig kunnen zijn en aldus het risico vermeden wordt dat voorbarig een straf zou opgelegd worden voor feiten waarvan later door een gerechtelijke uitspraak zou worden vastgesteld dat zij niet bewezen zijn of zich anders hebben voorgedaan; daarenboven verliest verzoeker uit het oog dat er eerst aan dezelfde gerechtelijke overheden toestemming gevraagd dient te worden om gebruik te mogen maken van gerechtelijke stukken in een tuchtprocedure; in casu werd die toelating gegeven door de procureur-generaal op 4 april 2003 en door de onderzoeksrechter op 20 maart 2003; in die omstandigheden kunnen de feiten dan ook onmogelijk als verjaard beschouwd worden;" 3.3.1. Overwegende dat artikel 56 van de tuchtwet luidt als volgt : "De betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisgeving of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Bij ontstentenis en onder voorbehoud van het tweede lid, kan geen tuchtvordering meer worden ingesteld. In het geval dat een opsporingsonderzoek loopt of de strafvervolging is ingesteld voor dezelfde feiten, begint die termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is. In alle gevallen zullen de tuchtvergrijpen die tot een lichte tuchtstraf kunnen leiden, na vijf jaar verjaren. De in het derde lid bedoelde verjaringstermijn gaat in de dag van de voltooiing voor de ogenblikkelijke vergrijpen, (...)." 3.3.2. Overwegende dat het tweede lid van artikel 56 duidelijk gesteld is en als zodanig geen interpretatie behoeft; dat die bepaling het ingaan van de verval- termijn voor het instellen van de tuchtvordering in de daar genoemde gevallen uitstelt tot op het ogenblik van de kennisneming van een eindbeslissing van de gerechtelijke overheid; dat de verwerende partij zich in dergelijk door de wet geregeld geval bevond; dat de wet de toepassing van die regeling niet afhankelijk stelt van een voorafgaande verwittiging door het bestuur; dat te dezen niet betwist wordt dat het IX-4086-18/27 inleidend verslag aan verzoeker betekend is binnen de zes maand nadat het bestuur -op 25 april 2003- door de procureur des Konings in kennis is gesteld van de beslissing tot seponering van het tegen verzoeker ingestelde strafonderzoek; dat het eerste middel niet ernstig is; 4.1. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel de schending aanvoert "van artikel 17, § 1, 6/
  14. b)1/ van de bestuurstaalwet, artikel 33 van de grondwet, artikel 17 van de tuchtwet, artikel 3 van de formele motiveringswet, van het recht van verdediging, het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële motiverings- verplichting" doordat, eerste onderdeel, de hogere tuchtoverheid over zijn zaak, waarin het tuchtdossier en de procedurestukken in hoofdzaak eentalig Nederlands zijn, beraadslaagd heeft met twee Nederlandsonkundige leden terwijl hij zijn rechten van verdediging slechts effectief kan uitoefenen voor zover alle leden van het tucht- orgaan zijn uiteenzetting begrijpen wat betekent dat er een vertaling van alle stukken had moeten gebeuren en doordat, tweede onderdeel, de tuchtprocedure gevoerd is door onbevoegde politieambtenaren en door de lagere tuchtoverheid -hetgeen blijkt uit de ondertekening van een aantal procedurestukken, uit het verhoor dat de tuchtoverheid heeft afgenomen en uit het feit dat er niet geheim over de bestreden beslissing gestemd is-, terwijl het aan de bevoegde tuchtoverheid toekomt om haar bevoegdheden uit te oefenen en haar beslissing te staven, terwijl de zorgvuldige uitoefening van de toegewezen bevoegdheid "een waarborg vormt voor het vereiste dat in volle onafhankelijkheid en dus bij geheime stemming met kennis van zaken over de tuchtsanctie beslist wordt" en terwijl een delegatie van bevoegdheid uitdrukkelijk en specifiek moet zijn en geen betrekking kan hebben op essentiële bevoegdheidsaspecten; Overwegende dat verzoeker het eerste onderdeel van het middel als volgt toelicht: verzoeker heeft het recht om zich in het Nederlands uit te drukken en door het bestuur begrepen te worden, wat met zich brengt dat de leden van het bevoegde bestuursorgaan in de mogelijkheid moeten zijn om daadwerkelijk van alle dossierstukken kennis te nemen; in dit geval is het dossier volledig in het Nederlands opgesteld en "slechts fragmentair in het Frans" en er valt dan ook niet in te zien op welke wijze "de twee Nederlandsonkundige leden van de hogere tuchtoverheid met kennis van zaken (hebben) kunnen oordelen over de verschillende fasen van de tuchtprocedure", zoals bij het formuleren van het strafvoorstel en het beoordelen van het advies van de tuchtraad; in die omstandigheden is het politiecollege niet zorgvuldig tot zijn beslissing gekomen; IX-4086-19/27 Overwegende dat verzoeker het tweede onderdeel van het middel als volgt toelicht: de tuchtraad heeft in zijn advies opgemerkt dat de lagere tucht- overheid en enkele "onbevoegde politieambtenaren voortdurend het voortouw hebben genomen" en dat staaft het vermoeden dat de hogere tuchtoverheid niet met kennis van zaken een beslissing heeft genomen; aldus zijn een aantal stukken -de beslissing tot onttrekking van de zaak aan de lagere tuchtoverheid, het inleidende verslag, de oproeping voor het getuigenverhoor van 7 oktober 2003, de kennisgeving van het verweerschrift van commissaris CARLIER, het definitief voorstel van tuchtsanctie en uiteindelijk ook het bestreden besluit - waar eindigt het - niet door de hogere tuchtoverheid ondertekend, waren op de hoorzittingen van de hogere tuchtoverheid, gehouden op 15 en 21 oktober 2003 enkele onbevoegde politie- ambtenaren aanwezig en werd de bestreden beslissing ook niet bij geheime stemming genomen; stellen, zoals de verwerende partij bij de kennisgeving van het bestreden besluit heeft gedaan, dat het gebruikelijk is dat het politiecollege zijn voorzitter mandateert om documenten in naam van het college te ondertekenen, dat de korpschef een voorbereidende functie vervult en dat de aanwijzing van politieambte- naar VAN DAM om proces-verbaal op te stellen zijn reden vindt in de franstalige origine van de secretaris van het politiecollege en in de deskundigheid van de betrokkene en dat een proces-verbaal niet gelijkgesteld mag worden met notulen, overtuigt geenszins, want een beslissing tot ontlasting, een inleidend verslag, een voorstel van tuchtsanctie en de bestreden beslissing zijn geen briefwisseling in de zin van artikel 29, vijfde lid van de wet van 7 december 1998 en een wettelijk voor- geschreven beslissingsbevoegdheid kan in beginsel niet gedelegeerd worden, de politieambtenaren COX en VAN DAM waren niet gedelegeerd om "formele tucht- handelingen" -zoals het ondertekenen van stukken- te treffen en om geldige processen-verbaal -het proces-verbaal van verhoor is overigens niet ter goedkeuring aan de betrokkene of aan het bevoegde bestuursorgaan voorgelegd- op te stellen; de bevoegde tuchtoverheid moet geheim stemmen over een tuchtstraf omdat alleen dan "de vrijheid van beoordeling van de leden van het tuchtorgaan kan worden gegarandeerd"; 4.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen op het eerste onderdeel van het middel antwoordt wat volgt: verzoeker toont niet aan dat de burgemeesters die deel uitmaken van het politiecollege Nederlandsonkundig zijn, "alle dossierstukken uit het tuchtdossier zijn tweetalig" maar de procedurestukken zijn, zoals de bestuurstaalwet voorschrijft, in het Nederlands gesteld en op de hoorzittingen is altijd een tolk aanwezig geweest, niet IX-4086-20/27 ten behoeve van de leden van het politiecollege maar om de aanwezige anderstaligen toe te laten de debatten te volgen; Overwegende dat de verwerende partij ten aanzien van het tweede onderdeel van het middel stelt dat het bestreden besluit uiteenzet waarom derden op de hoorzitting aanwezig waren -inspecteur VAN DAM was door het politiecollege aangewezen om het proces-verbaal op te maken, het politiecollege "heeft de gewoonte zich te laten bijstaan door personeelsleden met bijzondere professionele vaardigheden in de diverse specialismen", zodat "leden van de dienst Intern Toezicht vaak als deskundige uitgenodigd worden (...) tijdens het behandelen van tuchtzaken- en die motivering is afdoende; dat zij daar aan toevoegt dat het tuchtonderzoek door het politiecollege gevoerd is, maar dat dit college zich "op de hoorzitting heeft laten bijstaan door deskundigen van de dienst Intern Toezicht" en dat verzoeker daar geen opmerkingen over gemaakt heeft; dat zij met betrekking tot de ondertekening van de verschillende documenten betoogt dat een onderscheid gemaakt moet worden tussen de briefwisseling en de procedurestukken, welke altijd ondertekend zijn door de voorzitter van het politiecollege of door alle leden, dat de ondertekening van de briefwisseling door een lid van de dienst Intern Toezicht steunt op de uitdrukkelijke machtiging die het politiecollege op 28 mei 2003 heeft verleend toen hij die dienst belastte met de administratieve afwerking van de procedure; 4.3.1. Overwegende, wat het eerste onderdeel van het middel betreft, dat verzoeker niet aantoont dat twee leden van het politiecollege die in zijn tuchtzaak beslissingen hebben genomen de vereiste talenkennis ontberen om met kennis van zaken een beslissing te nemen; dat het eerste onderdeel van het middel niet ernstig is; 4.3.2. Overwegende dat de Raad van State het tweede onderdeel van het middel, dat zeer onduidelijk geformuleerd is, begrijpt als de miskenning van een aantal procedureregels die de besluitvorming inzake de tuchtvordering beheersen en die in zijn geval het bewijs bevatten dat de bestreden beslissing onzorgvuldig tot stand gekomen is doordat de leden van het politiecollege zijn tuchtzaak niet echt in eigen hand hebben genomen maar de zaak veeleer overgelaten hebben aan de korpschef of andere politieambtenaren; dat volgens hem de procedureregels op drie niveaus geschonden zijn: de ondertekening van de procedurestukken, de aanwezig- heid van onbevoegden bij zijn verhoor door het politiecollege en de ontstentenis van geheime stemming over het tuchtstrafbesluit; IX-4086-21/27 4.3.2.1. Overwegende dat de tuchtvordering tegen verzoeker gevoerd is door het politiecollege; dat de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus (hierna: de WGP) bepaalt op welke wijze dat college, dat samengesteld is uit de burgemeesters van de gemeenten die tot de betrokken zone behoren, zijn beslissingen neemt; dat artikel 29 van de wet voorziet in de redactie van notulen die na de overschrijving ervan door de voorzitter en de secretaris worden ondertekend; dat daarmee voorgeschreven wordt op welke wijze het bestaan en de totstandkoming van de besluiten van het politiecollege worden bewezen; dat, daarnaast, dezelfde bepaling ook voorschrijft dat de briefwisseling uitgaande van het politiecollege door de voorzitter ondertekend wordt met medeondertekening door de korpschef of de persoon die daarvoor delegatie heeft gekregen; Overwegende dat verzoeker, om de onregelmatigheid van de besluitvorming aan te tonen, verwijst naar de kennisgeving van een aantal beslissing- en van het politiecollege die hem in de loop van de tuchtprocedure zijn gedaan; dat die kennisgevingen ondertekend zijn door de voorzitter van het politiecollege en door de korpschef en aldus voldoen aan artikel 29 van de WGP; dat het evenwel niet dergelijke kennisgeving is die het bestaan van de beslissingen en hun wijze van totstandkoming bewijst; dat met andere woorden de ondertekening van een aantal kennisgevingen door de korpschef geenszins betekent dat de korpschef ook deel heeft gehad in de beraadslaging; dat, waar verzoeker verwijst naar een oproeping voor de hoorzitting van het politiecollege, dergelijke mededeling een administratieve akte is met een louter voorbereidend karakter, die kan gebeuren door de persoon die binnen de administratie het betrokken dossier voor de praktische afwikkeling onder zich houdt; 4.3.2.2. Overwegende dat verzoeker vervolgens verwijst naar de aanwezigheid van een aantal onbevoegden op de hoorzittingen van 15 en 21 oktober 2003 van het politiecollege; dat de aanwezigheid van de korpschef voorzien is door artikel 29, tweede lid WGP; dat voorts niet betwist wordt dat drie personen van de politiezone Zuid (commissaris COX, die de functie "IGP2" bekleedt en de hoofdin- specteurs VAN DAM en VAN BELLINGEN, beiden "onderzoeker" van de Dienst Intern Toezicht), op de hoorzitting aanwezig waren en daar actief aan de onder- vraging deelgenomen hebben; dat verzoeker daar te gelegener tijd evenwel geen bemerking tegen heeft geformuleerd; dat het de tuchtraad is die in zijn advies de procedurele onregelmatigheid betreffende de "vermenging van bevoegdheids- activiteiten van de lagere en de hogere tuchtoverheid" aan de orde heeft gesteld; IX-4086-22/27 Overwegende dat, naar blijkt uit punt I.6 van zijn advies, de tuchtraad op basis van zijn eigen nader onderzoek en afstand nemend van de gegevens vermeld in het "proces-verbaal van de hoorzitting" -zie punt I.6 van zijn advies- toch tot het besluit gekomen is dat aan verzoeker een aantal tuchtfeiten ten laste konden worden gelegd en dat hij daarvoor van ambtswege ontslagen kon worden; dat daaruit blijkt dat een onafhankelijke instantie evenzeer tot het besluit is gekomen dat een aantal tuchtfeiten bewezen waren en dat verzoeker daarvoor ontslagen kon worden; dat in die zin verzoeker niet meer relevant kan verwijzen naar de onregelmatigheid die het politiecollege begaan heeft bij het verhoor van verzoeker om daarmee een ongepaste beïnvloeding van de leden van het politiecollege -en de onregelmatigheid van het bestreden besluit- te bewijzen; 4.3.2.3. Overwegende, wat de verwijzing naar het geheim van de stemming betreft, dat verzoeker niet duidelijk maakt op welke wijze de enkele omstandigheid dat het politiecollege op 21 januari 2004 niet geheim gestemd heeft over het tuchtstrafbesluit, het bewijs bevat dat het college zich heeft laten beïnvloeden door de korpschef; dat overigens niet wordt ingezien op welke wijze de verwijzing naar de schending van het geheim van de stemming dienend kan zijn binnen het raam van het aangevoerde middel, dat erin bestaat dat het politiecollege verzoeker ontslagen heeft zonder dat de leden ervan afdoende kennis hadden van de zaak; 4.3.3. Overwegende dat ook het tweede onderdeel van het middel niet ernstig is; 5.1. Overwegende dat verzoeker in het derde middel de schending aanvoert van "artikel 10 en 11 van de Grondwet, het zorgvuldigheidsbeginsel, artikel 3 van de formele motiveringswet en de materiële motiveringsverplichting en van het evenredigheidsbeginsel" doordat, eerste onderdeel, het bestreden besluit ervan uitgaat dat verzoeker niet geschikt is voor zijn ambt, aangezien hij niet onmiddellijk de ernst van de situatie op de plaats van het misdrijf heeft ingeschat, terwijl de "functiegeschiktheid wordt beoordeeld bij de indienstneming en de evaluatie, zonder dat zij een tuchtstraf kan wettigen", doordat, tweede onderdeel, het bestreden besluit ervan uitgaat dat verzoeker te kwader trouw gehandeld heeft omdat "hij onmiddellijk de ernst van de situatie ter plaatse had moeten inschatten en omdat zijn ingetrokken verklaringen geloofwaardig zijn" terwijl het bestuur de verplichting heeft de feiten zorgvuldig vast te stellen om vervolgens op deugdelijke gronden uit te maken of er inderdaad van kwade trouw gesproken kan worden en geen tuchtstraf uit te spreken wanneer daarover twijfel blijft bestaan en doordat, derde onderdeel, de IX-4086-23/27 procureur des Konings en de Algemene Inspectie van de politie een advies hebben verleend dat de grondslag niet kan vormen voor een zware tuchtstraf, terwijl de ernstige gevolgen die een ontslag van ambtswege heeft dergelijke beslissing aan "een verzwaarde motiveringsplicht" onderwerpt, in die zin dat aangegeven dient te worden waarom "wordt afgeweken van een bepaald advies resp. de overweging die aan een oudere beslissing ten grondslag (ligt)"; Overwegende dat verzoeker het eerste en het tweede onderdeel van het middel als volgt toelicht: tuchtsancties kunnen niet opgelegd worden voor onkunde maar enkel voor deontologische inbreuken; enkel de tenlastelegging f), zoals die vermeld is in het advies van de tuchtraad, kan dergelijke deontologische inbreuk vormen maar de twee argumenten die daarvoor worden aangevoerd -verzoeker wist onmiddellijk dat het om een zeer ernstige situatie -doodslag- ging en de intrekking van zijn bekentenis vermindert de geloofwaardigheid ervan niet- zijn niet deugdelijk aangezien het eerste argument betrekking heeft op de beroepsbekwaamheid en het zijn kwade trouw niet bewijst en aangezien het tweede argument uitgaat van de niet vanzelfsprekende veronderstelling dat een persoon die in verdenking wordt gesteld van een moord dat ook "zonder meer bekent aan een politieambtenaar" terwijl ook alle processen-verbaal elkaar tegenspreken; de verwerende partij heeft de argumenten voor haar stelling selectief verzameld; bovendien zet de verwerende partij niet uiteen waarom de intrekking van zijn bekentenissen, die ook door gegevens van het dossier gestaafd worden, niet even deugdelijke redenen zou hebben als de bekentenis zelf; er wordt overigens niet ingezien hoe verzoeker met het proces-verbaal van 31 december 2001 het gerechtelijk onderzoek zou hebben willen dwarsbomen en hij aldus een schriftvervalsing zou hebben begaan, aangezien daar een intellectueel aspect mee verbonden is; aangezien de verwerende partij geen zekerheid kon hebben over de kwade trouw van verzoeker, moest twijfel in zijn voordeel spelen; Overwegende dat verzoeker het derde onderdeel van het middel als volgt toelicht: het advies van 30 oktober 2003 van de procureur des Konings is geen gunstig advies; stellen dat verzoeker "op een stuntelige manier" het dossier heeft beheerd kan niet de grondslag vormen voor een ontslagmaatregel; de procureur des Konings had dus oog voor "de verzachtende omstandigheid dat de feiten (...) betrekking hebben op een algemeen falen van het politioneel ingrijpen (op de dag van het misdrijf)"; bovendien weet hij niet wat de onderzoeksrechter hem ooit ten laste gelegd heeft en is hij nooit "veroordeeld of beklaagd" zodat de procureur des Konings in zijn advies van 25 april 2003 ten onrechte het heeft over "het 'gepleegd' misdrijf van valsheid in geschriften"; het advies van de Algemene Inspectie oordeelt IX-4086-24/27 dat verzoeker veeleer het slachtoffer is geweest van misbruik door zijn vriend dan dat er sprake kan zijn van partijdigheid, vanuit dat oogpunt is de opgelegde tuchtstraf niet in verhouding tot de feiten, maar ook dat advies is door de tuchtoverheid terzijde gelaten; bovendien heeft de verwerende partij verzoeker op 26 augustus 2003 opnieuw in dienst genomen aangezien het zijn aanwezigheid in het korps niet langer onverenigbaar achtte met het dienstbelang; 5.2. Overwegende dat de verwerende partij het middel als volgt beant- woordt: reeds in het inleidend verslag is vermeld dat het bestuur verwijst naar het geschonden vertrouwen van de gerechtelijke overheden, naar de ruchtbaarheid die de zaak heeft gekregen in de pers en bij zijn collega’s; ook het advies van 30 oktober 2003 van de procureur des Konings en het voorstel van tuchtstraf verwijst naar het geschonden vertrouwen van de gerechtelijke overheid en de ruchtbaarheid die aan de zaak gegeven is en het eindadvies van de tuchtraad heeft het over de "schending van de beroepsplichten en niet over louter onkunde", over de schade die toegebracht is aan goed verloop van een gerechtelijk onderzoek en over de "verloochening van de meest elementaire principes van integriteit en discretie"; er is geen reden om de verklaring, die verzoeker nadien introk, niet als correct te beschouwen en daaruit blijkt zijn grote sympathie voor de persoon die de doodslag heeft gepleegd; de procureur des Konings heeft wel degelijk geadviseerd om verzoeker te ontslaan; 5.3. Overwegende dat verzoeker in één beweging de schending aanvoert van verschillende rechtsregels, maar dat hij er niet toe komt klaar en duidelijk uiteen te zetten op welke wijze elk van die rechtsregels binnen de verschillende onderdelen van het middel wordt miskend; dat om die reden de Raad van State zich in de huidige stand van de procedure beperkt tot het onderzoek van de drie onderdelen van het middel als hierna samengevat; 5.3.1. Overwegende dat verzoeker in het eerste onderdeel van het middel uiteenzet dat hij niet gestraft kan worden voor een negatieve beoordeling van zijn beroepsbekwaamheid; dat evenwel uit het bestreden besluit overduidelijk blijkt dat verzoeker disciplinair gestraft is voor een aantal tekortkomingen in de uitoefening van zijn ambt, niet omdat hij de nodige beroepsbekwaamheid zou missen, maar omdat de gepleegde feiten hem als schuldige gedragingen worden aangerekend; dat ook de stukken van het administratief dossier, waarnaar de verwerende partij verwijst, onmiskenbaar tot dezelfde conclusie leiden; dat het eerste onderdeel van het middel niet ernstig is; IX-4086-25/27 5.3.2. Overwegende dat verzoeker in het tweede onderdeel in wezen aanvoert dat het niet zeker is dat hij te kwader trouw gehandeld heeft en dat twijfel in zijn voordeel moest spelen; dat evenwel voor het instellen van een tuchtsanctie niet vereist is dat kwade trouw bewezen wordt, maar enkel dat de betrokkene schuld heeft aan de feiten die de grondslag vormen voor de tenlastelegging, zoals het bestuur die bewezen vindt, hetgeen naar redelijkheid beoordeeld wordt; dat te dezen, rekening houdend met de gegevens van het dossier, de verwerende partij niet onredelijk gehandeld heeft wanneer zij tot het besluit gekomen is dat verzoeker zich op 31 december 2001 misdragen heeft op de wijze die de tuchtraad heeft vastgesteld; dat het tweede onderdeel van het middel niet ernstig is; 5.3.3. Overwegende dat het advies van 30 oktober 2003 van de procureur des Konings te Brussel aan de verwerende partij klaar en duidelijk vermeldt dat verzoeker "een dossier doodslag op een zeer stuntelige manier gevoerd (heeft), (dat zulks) met zich meebrengt dat men in de toekomst geen vertrouwen meer in hem kan stellen (en dat) zijn houding bij de lokale politie te Anderlecht onmogelijk geworden (is)" en dat de procureur des Konings zich "derhalve aansluit bij het voornemen van het politiecollege om aan (verzoeker) de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen"; dat dit advies aan duidelijkheid niets te wensen overlaat, zo over de verantwoordelijkheid van verzoeker als over de strafmaat; dat verzoeker daarnaast ook verwijst naar het advies van de afgevaardigde van de Inspecteur-Generaal van de lokale en de federale politie waarin deze, blijkens het proces-verbaal van de zitting van de tuchtraad, besloot dat "een minder zware straf dan het ontslag van ambtswege kan worden opgelegd", maar dat de motieven die de tuchtraad tot zijn beslissing hebben gebracht duidelijk maken waarom dat advies niet gevolgd werd -de uiteenzetting in hoofdstuk II.D - Eindbesluit/Beteugeling is duidelijk: de door verzoeker gepleegde feiten staan elke verdere samenwerking in de weg- zodat de verwerende partij, door dat advies van de tuchtraad bij te vallen, ook terdege geantwoord heeft op het advies van de inspecteur-generaal; dat ook het derde onderdeel van het middel niet ernstig is; 6. Overwegende dat geen van de door verzoeker aangevoerde middelen ernstig zijn; dat de vordering tot schorsing om die reden wordt verworpen, IX-4086-26/27 BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig september 2000 en vier, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4086-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.030 Gerelateerde publicatie(
  15. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.781 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.