id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.030 Rolnummer: A. 148746/IX-4086 Zaak: Arrest 135030 - - 20/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-09-30 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-04 09:00 Fiche Arrest nr 135.030 van 20 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.030 van 20 september 2004 in de zaak A. 148.746/IX-4086. In zake : Alain COUDIJZER, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : de Politiezone ANDERLECHT-VORST-SINT-GILLIS, die woonplaats kiest bij advocaat W. MULS, kantoor houdende te BRUSSEL, A. Dansaertstraat 92. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Alain COUDIJZER op 12 maart 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van 21 januari 2004 van het politiecollege van de politiezone Anderlecht- Vorst-Sint-Gillis waarbij hem de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 10 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 mei 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-4086-1/27 Gehoord de opmerkingen van advocaat T. EYSKENS, die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor verzoeker, en van advocaat K. LARDENOIT, die loco advocaat W. MULS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1. Verzoeker is inspecteur bij de lokale politie van de politiezone Anderlecht-Vorst-Sint-Gillis (hierna: de zone Zuid). Hij is daar ingedeeld bij de interventiedienst. 1.2. Met een nota van 31 mei 2002 deelt de dienst Intern Toezicht -de dienst waaraan het politiecollege de uitvoering van procedurehandelingen heeft opgedragen- aan de korpschef van de zone Zuid mee dat hij op 30 mei 2002 door de algemeen functioneel directeur (DGF) ingelicht werd van het feit dat verzoeker zou aangehouden geweest zijn en ter beschikking gesteld zijn van de onderzoeksrechter. Volgens dezelfde nota heeft de Dienst Intern Toezicht verzoeker op 31 mei 2002 ontvangen en van hem een "administratieve verklaring" afgenomen waarin hem "enkele gerichte vragen" werden gesteld. Uit de nota blijkt ook dat de Algemene Inspectie van de Federale en de Lokale politie van de procureur des Konings te Brussel vernomen heeft dat lastens verzoeker een strafdossier zou geopend zijn voor valsheid in geschriften. Tijdens zijn verhoor door de dienst Intern Toezicht verklaart verzoeker dat hij op 29 mei 2002 samen met zijn collega geconvoceerd werd bij de Algemene Inspectie van Politie met betrekking tot hun interventie naar aanleiding van een moord die plaats vond te Anderlecht op 31 december 2001, met betrekking waartoe hij omstreeks 16 uur op zijn privé-GSM een telefoontje kreeg van ene WAJDI met de vraag zo snel mogelijk te komen naar een door hem opgegeven adres, dat zij, van zodra zij een gekwetste op de grond hadden gevonden, via de lokale dispatching gevraagd hebben de officier van wacht CARLIER te verwittigen, dat hij WAJDI persoonlijk kent, dat zijn optreden in deze zaak niet beïnvloed is geweest door het feit dat hij één der partijen kent, met uitzondering van het feit dat hij WAJDI de toestemming heeft gegeven om zich op eigen houtje te verplaatsen naar het IX-4086-2/27 dichtstbijzijnde ziekenhuis voor verzorging, dat hij achteraf een rapport heeft opgesteld met betrekking tot zijn vaststellingen ter plaatse, dat deze bij het initieel proces-verbaal zijn gevoegd en dat hij geen verhoren heeft afgenomen. 1.3. In een aantal kranten van 3 juni 2002 verschijnt een artikel waarin verhaald wordt dat een politieman uit Anderlecht, met betrekking tot een moord op een Libanees op oudejaarsnacht, ervoor gezorgd heeft dat de moordenaar maanden- lang ongestraft kon blijven rondlopen vermits zij bevriend waren. 1.4. Op 5 juni 2002 beslist de korpschef verzoeker "in afwachting van een gerechtelijke uitspraak", af te delen in de dienst "Routage". 1.5. Met een brief van 11 juli 2002 deelt de procureur des Konings te Brussel aan de burgemeester van Anderlecht mee dat zijn ambt een dossier geopend heeft tegen verzoeker "uit hoofde van valsheid in geschrifte door een openbaar ambtenaar". Hij geeft in die brief een relaas van de gebeurtenissen van 31 december 2001 -het dossier 30.12.048583/01- en gaat vervolgens specifiek in op de handel- wijze van verzoeker, zulks in volgende bewoordingen : (...) "Gelet op het feit dat uit het onderzoek en uit de vaststellingen verricht tijdens de wedersamenstelling dd. 15 januari 2002 bleek dat door de lokale politie van Anderlecht verschillende nalatigheden waren gepleegd gaf onder- zoeksrechter Coumans op 12 februari 2002 opdracht aan de generale inspectie, na onderzoek van het dossier, de politieagent Coudijzer Alain te verhoren. Op 29 mei 2002 werd overgegaan tot het gevraagde verhoor. In het begin van het verhoor verklaarde Coudijzer Alain dat hij Habib Wajdi tegenkwam op de tweede verdieping en dat hij nadien op de derde verdieping een levensloos lichaam zag liggen tussen de deur van een appartement en dat hij later ook een vrouw zag. Wanneer hij wordt verzocht in detail zijn reactie op het gegeven weer te geven zegt hij dat hij Habib Wajdi tegenkwam tussen de tweede en de derde verdieping en dat hij bij zijn aankomst op de derde verdieping een manspersoon zag liggen in de ingang van een deur die toegang gaf tot een appartement, waarin zich een vrouw bevond. Aangezien de hulpdiensten het slachtoffer de eerste zorgen toedienden verliet hij samen met zijn collega het appartement dat zij betreden hadden, gevolgd door de voormelde vrouw. Deze laatste, die zich identificeerde als Abou-Hacem Rima zei dat haar echtgenoot gek was geworden en de deur had ingetrapt en dat er vervolgens een gevecht had plaats gehad tussen haar echtgenoot El Hakim Ahmad en Habib Wajdi. Verder werden er geen vragen gesteld. Nadat hij door de onderzoekers erop gewezen wordt dat hij nerveus wordt ondermeer wanneer zij vragen wat de verdachten ter plaatse verklaarden bekent hij dat hetgeen hij tevoren verklaarde niet de volledige waarheid was. Hij geeft toe dat op het ogenblik dat hij alleen was met Abou-Hacem Rima en Habib Wajdi, toen zijn collega Vandergoeten naar beneden was om de reanimatiewagen op te wachten hij zich met Habib Wajdi in een hoek van de IX-4086-3/27 overloop terugtrok en dat Habib hem meedeelde dat de verklaring van Abou- Hacem Rima niet met de werkelijkheid strookte. De waarheid was dat hij zich in het appartement bevond in het gezelschap van Abou-Hacem Rima, zijn minnares. Toen El Hakim toekwam en de deur intrapte kwam het tot een ernstig handgemeen. Aangezien hij bang was voor zijn leven nam hij een mes ter hand en bracht een messteek aan El Hakim. Volgens inspecteur Coudijzer bracht Abou-Hacem Rima toen hij deze laatste op 31 december 2002 naar het commissariaat voerde, en toen geweten was dat haar echtgenoot overleden was, hem na een telefoongesprek met Habib ervan op de hoogte dat zij de messteek toebracht. Uit een analyse van de door Coudijzer gevoerde telefoongesprekken dd. 31 december 2002 blijkt echter dat zijn GSM-nummer werd gebeld door het GSM-nummer van Habib Wajdi op 31 december 2001 om 17.44 uur en niet het GSM-nummer van Abou-Hacem Rima. Op 6 juni 2002 verklaarde Coudijzer aan de generale inspectie dat dit juist was en dat hij Habib Wajdi op de hoogte bracht van het overlijden van El Hakim Ahmad. Daarop vroeg Habib te mogen spreken met Abou-Hacem Rima hetgeen werd toegestaan. Het telefoongesprek greep plaats in de Libanese taal. Na het beëindigen van het gesprek nam Abou-Hacem Rima de dood van haar echtgenoot op zich. Inmiddels heeft inspecteur Coudijzer, die op 30 mei 2002 als getuige door onderzoeksrechter Coumans verhoord werd en zijn verklaring afgelegd op 29 mei 2002 voor de generale inspectie bevestigde, op 7 juni 2002 tijdens een verhoor afgenomen door Le Moine Jean-Michel en Dimitri Rauw, leden van de federale politie ingetrokken (zie p.v. 12265/02 van de federale politie). Uit wat voorafgaat blijkt dat de houding die inspecteur Coudijzer Alain aangenomen heeft in het dossier 30.12.048583/01 ontoelaatbaar is. Benevens het optekenen van een relaas van de feiten dat niet waarheids- getrouw blijkt te zijn, werden er door hem verschillende beroepsfouten gepleegd. Als nalatigheden kan men vermelden : - er werd toegestaan niettegenstaande de ernst van de zaak dat Habib Wajdi de plaats verliet in gezelschap van zijn neef om zich te laten verzorgen. - het met bloed besmeurde hemd van Habib Wajdi werd niet in beslag genomen. - toen Habib Wajdi contact opnam met inspecteur Coudijzer om hem mee te delen dat hij zich in het Edith Cavell ziekenhuis bevond werd hij op de hoogte gebracht door voornoemd inspecteur van het overlijden van El Hakim Ahmad. - er werd toegestaan dat Abou-Hacem Rima die op de plaats der feiten van haar vrijheid werd beroofd een telefonisch gesprek voerde in het libanees met Habib Wajdi in het politievoertuig en aldus met haar minnaar kon afspreken welke verklaring zou worden afgelegd met betrekking tot de omstandigheden waarin de feiten zich hadden voorgedaan en met betrekking tot het opnemen van de schuld. Uit wat voorafgaat blijkt dat de manier waarop in de beginfase het onderzoek werd geleid door inspecteur Coudijzer Alain onaanvaardbaar is. Aangezien hieromtrent een opsporingsonderzoek loopt tegen voornoemde meen ik, dat gelet op de ernst van de feiten, welke gepleegd werden in het kader van een dossier doodslag nr. 30.12.048583/01 dossier 02/001 van de heer onderzoeksrechter Coumans, inspecteur Coudijzer Alain, bij ordemaatregel voorlopig moet worden geschorst. Voor informatie vindt U hierbij de volgende stukken : - het aanvankelijk proces-verbaal nr. 30.12.048583/2001; - het navolgend proces-verbaal nr. 100477/02 dd. 29 mei 2002; IX-4086-4/27 - het proces-verbaal nr. 100478/02 dd. 28 mei 2002; - het navolgend proces-verbaal nr. 100441/02 dd. 29 mei 2002; - het navolgend proces-verbaal nr. 100480/02 dd. 30 mei 2002; - het proces-verbaal van verhoor van Coudijzer Alain als getuige (verklaring dd. 30 mei 2002); - het proces-verbaal 100479/02 dd. 29 en 30 mei 2002; - het proces-verbaal 10376/02 van de federale politie dd. 7 juni 2002; - het proces-verbaal nr. 100517/02 dd. 6 juni 2002; De heer onderzoeksrechter heeft de toelating verleend om U de hierboven vermelde processen-verbaal over te maken (zie zijn schrijven dd. 29 juni 2002 dat verwijst naar mijn schrijven dd. 12 juni 2002 waarvan hierbij eveneens kopie)." 1.6. Op 18 juli 2002 wordt verzoeker verzocht zich aan te bieden op de dienst Intern Toezicht, "rekening houdend met het feit dat U het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk onderzoek bij het Parket van de Heer Procureur des Konings te Brussel". Het verhoor, dat gebeurt in het kader van artikel 62 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de Tuchtwet), waarin de rechten van verdediging worden geregeld van de personeelsleden tegen wie in het kader van een strafrechtelijk onderzoek een voorlopige schorsing wordt overwogen, vindt plaats op 29 juli 2002. Verzoeker verklaart zich bewust te zijn van het feit dat hij verschillende fouten heeft begaan, maar in geen geval de medeplichtige te zijn geweest van iemand aanwezig op de plaats van het misdrijf. Hij vraagt begrip voor de situatie, rekening houdende met de moeilijke en ingewikkelde omstandigheden die hij slecht beheerd heeft. Wat betreft een eventuele schorsing, verklaart hij dat hij kan begrijpen dat hij ingevolge de incidenten met administratieve dienst bevolen is sedert begin juni 2002, dat hij er zich rekenschap van geeft dat er fouten begaan zijn, maar dat het tijdelijk ontnemen van het recht van te werken voor hem een ramp zou zijn. 1.7. Op 30 juli 2002 beslist het politiecollege verzoeker bij orde- maatregel voorlopig te schorsen voor de duur van vier maanden, gelet op het feit dat er tegen hem een opsporingsonderzoek loopt, op de ernst van de feiten aangehaald in de brief van de procureur des Konings en op het feit dat er ruchtbaarheid werd gegeven aan de bevolking via de pers en zijn directe collega’s op de hoogte zijn van het gebeuren. Die maatregel blijkt nadien, met ingang van 26 augustus 2002, vervangen te zijn door de toewijzing aan verzoeker van "een administratieve betrekking bij de dienst Routage van het commissariaat te Vorst". IX-4086-5/27 1.8. Met een brief van 4 december 2002 deelt de korpschef aan de procureur des Konings mee dat hij op 12 juli 2002 op de hoogte werd gebracht van het dossier BR.30.12.048583/01, en dat de vermelde feiten eveneens onderwerp uitmaken van een administratief dossier, ingesteld door de dienst Intern Toezicht. Hij stelt voor om, alvorens een intern onderzoek ten gronde in te stellen, het resultaat van het gerechtelijk onderzoek af te wachten en vraagt op de hoogte gehouden te worden van de stand van zaken in dit dossier. Dezelfde brief wordt nogmaals verstuurd op 10 april 2003. 1.9. Met een brief van 25 april 2003 deelt de procureur des Konings aan de burgemeester van de gemeente Anderlecht mee dat het dossier 30.12.048583/01 in het kader van hetwelk verzoeker valsheid in geschrifte pleegde afgesloten is, dat hij zich voorneemt de daders te vervolgen, maar dat in het kader van voornoemd dossier geen vervolgingen zullen ingesteld worden tegen verzoeker en de andere politiefunctionarissen die nalatig zijn geweest. Hij schrijft dat verzoeker "dus niet vervolgd (wordt) voor valsheid in geschrifte op strafrechtelijk gebied", maar dat "op disciplinair vlak vervolgingen moeten ingesteld worden". Hij vat vervolgens "de feiten die ten grondslag liggen aan de in te stellen procedure" samen. Die samenvatting stemt woordelijk overeen met de samenvatting van de feiten in de sub 1.5. geciteerde brief van 11 juli 2002. Tot staving van de disciplinaire procedure worden de negen P.V.'s gevoegd die reeds bij de brief van 11 juli 2002 waren gevoegd, aangevuld met een proces-verbaal van (verhoor van commissaris CARLIER, die wachtofficier was op 31 december 2001). In fine wordt meegedeeld dat de onderzoeksrechter en de Procureur-generaal hun toelating hebben verleend om deze stukken over te maken. 1.10. Op 28 mei 2003 beslist het politiecollege "op basis van de gerechtelijke stukken, met toestemming van Dhr. Onderzoeksrechter en Dhr. Procureur Generaal bij en van het Hof van Beroep te Brussel, overgemaakt door Mevrouw de Procureur des Konings DIEUDONNE aan Dhr. SIMONET J., een tuchtprocedure op te starten lastens de INP COUDIJZER. Een inleidend verslag met voorstel tot ontslag van ambtswege dient betekend te worden aan betrokkene in de wettelijk voorziene termijn. De Dienst Intern Toezicht van de politiezone wordt belast met de verdere administratieve uitvoering van de tuchtprocedure. De voorzitter-burgemeester wordt gemandateerd voor het tekenen van het voor te leggen inleidend verslag in naam van het politiecollege". IX-4086-6/27 1.11. Met een nota van 28 mei 2003, die verzoeker voor kennisname en ontvangst ondertekent op 12 september 2003, stelt de voorzitter van het politie- college verzoeker in kennis dat het politiecollege, in zijn hoedanigheid van hogere tuchtoverheid, in zijn zitting van 28 mei 2003 beslist heeft zich rechtstreeks met de feiten te belasten, en dat de gewone tuchtoverheid ontlast is van de feiten. 1.12. Eveneens op 12 september 2003, ondertekent verzoeker voor kennisname en ontvangst een nota van 4 september 2003 met als onderwerp "Tucht - Inleidend verslag" waarin verwezen wordt naar de brief van 25 april 2003 van de procureur des Konings en naar het feit dat er "een eindbeslissing genomen was om geen vervolging tegen verzoeker in te stellen". Onder punt 3 van dat verslag -"Datum van kennisneming van de feiten"- wordt vermeld: "Het betreft een gerechtelijke eindbeslissing. Ingevolge artikel 56, tweede lid van de (Tuchtwet), begint de termijn te lopen op 28-04-2003, datum waarop de Voorzitter van het Politiecollege kennis nam van het schrijven". Onder punt 4 -"Vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten"- wordt gesteld wat volgt : "Gelet op de feitelijke elementen vervat in het dossier, meent het Politie- college dat deze feiten de volgende tuchtvergrijpen uitmaken: (...) - U was de eerste politieambtenaar die geïnformeerd werd en ter plaats kwam. - U leidde het onderzoek in de beginfase. - U beheerde de zaak ter plaatse gedurende een lange periode alvorens beroep te doen op de wachtofficier (van 16.18 uur tot 17.17 uur). - U stond toe aan verdachte HABIB de plaats te verlaten voor verzorging. - U weerhield niet het met bloed besmeurde hemd van HABIB. De gedragslijn 'discretie' 'Het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek worden op bijzondere wijze beschermd. Behoudens de wettelijke uitzonderingen zijn het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek geheim'.(...) Het blijkt echter dat: - u tijdens een telefoongesprek met de verdachte HABIB, die u voorheen toestond de plaats te verlaten, hem op de hoogte bracht van het overlijden van EL HAKIM; - u tijdens hetzelfde telefoongesprek toestond aan de ter plaatse aange- houden ABOU-HACEM een gesprek te voeren in het libanees met HABIB, en dat zij aldus met haar minnaar kon afspreken welke verklaring met betrekking tot de omstandigheden waarin de feiten zich hadden voorgedaan en met betrekking tot het opnemen van de schuld. De gedragslijn 'neutraliteit' (...) Het dossier wijst uit dat HABIB in het bezit was van uw privé-GSM-nummer, nummer waarop hij u persoonlijk contacteerde om uw tussenkomst te sollicite- ren. U verklaarde dat de Heer HABIB een vriend van u is. Tijdens uw verhoor op 29-05-2002 bij de generale inspectie, verhoor dat bevestigd werd tijdens uw getuigenverhoor van 30-05-2003 voor de onder- IX-4086-7/27 zoeksrechter COUMANS, gaf u toe dat, op het ogenblik dat u alleen was met ABOU-HACEM en HABIB, u zich met deze laatste terugtrok in een hoek van de overloop en dat HABIB u mededeelde dat de verklaring van ABOU-HACEM niet met de werkelijkheid strookte. Op 07-06-2003, tijdens een verhoor afgenomen door de leden van de federale politie, trok u deze verklaring in. Tijdens uw verhoor van 29-05-2003 bij de generale inspectie, verklaarde u dat HABOU-HACEM, tijdens haar overbrenging naar het commissariaat na haar vrijheidsberoving, werd opgebeld door HABIB. Uit analyse van de door u gevoerde telefoongesprekken, bleek echter dat uw GSM-nummer gebeld werd door HABIB en niet dit van ABOU-HACEM." Onder punt 5 -"Voorstel tot zware tuchtstraf"- wordt gesteld wat volgt : "(...) Aangezien het Politiecollege in zijn zitting van 28-05-2003 meent dat de feiten vaststaan, dat ze u kunnen worden toegerekend en dat ze, krachtens de motivering uiteengezet in punt 4, een tuchtvergrijp uitmaken. Daarnaast stelt het Politiecollege vast dat, niettegenstaande u, na een korte periode van schorsing, op datum van 26-08-2002 overgeplaatst werd naar een interne dienst, het vertrouwen van de gerechtelijke overheid geschonden blijft. Mede door uw toedoen blijkt een onschuldige persoon van zijn vrijheid beroofd op 31-12-2001 en in voorhechtenis geplaatst, waardoor de persoon die uiteindelijk in verdenking werd gesteld, maar pas aangehouden werd op 16-01-2002. Er werd tevens ruchtbaarheid gegeven aan deze zaak in de pers, met titels die voor zichzelf spreken: 'Politieman zet bevriend moordenaar uit de wind', 'Un ami policier bien utile', 'Rebondissement: c’est le voisin et pas l’épouse qui a tué'. Het Politiecollege is de mening toegedaan dat uw plaats bij de politie onhoud- baar is geworden. Derhalve, in haar hoedanigheid van hogere tuchtoverheid, deelt het Politie- college u mee dat er een tuchtdossier ten uwe laste werd samengesteld en dat zij het voornemen heeft om u, voor de feiten vervat in punt 2, het ontslag van ambtswege op te leggen." 1.13. Op 3 oktober 2003 dient verzoeker een verweerschrift in en vraagt hij om mondeling te worden gehoord. Op 15 en 21 oktober 2003 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn raadslieden, door het politiecollege gehoord. Van dit verhoor wordt een proces- verbaal opgesteld door de "afgevaardigde van de tuchtoverheid". 1.14. Met een brief van 22 oktober 2003 deelt de voorzitter van het politiecollege aan de procureur des Konings mee dat het politiecollege beslist heeft zijn voornemen van 4 september 2003 om aan verzoeker het ontslag van ambtswege op te leggen te behouden. Aangezien de feiten betrekking hebben op de uitvoering IX-4086-8/27 van een opdracht van gerechtelijke politie, wordt, overeenkomstig artikel 24 van de Tuchtwet, zijn advies gevraagd. Met een brief van 30 oktober 2003 bezorgt de procureur des Konings zijn advies, dat luidt als volgt : "Zoals blijkt uit mijn schrijven dd. 11 juli 2002 gericht aan de heer burgemeester te Anderlecht en uit de lezing van het tuchtdossier, stukken waarin alle grieven tegen Coudijzer Alain, inspecteur, worden uiteengezet, heeft betrokkene op 31 december 2001, een dossier doodslag op een zeer stuntelige manier gevoerd. Dit brengt met zich mee dat men in de toekomst geen vertrouwen meer in hem kan stellen. Bovendien is zijn houding bij de lokale politie te Anderlecht onmogelijk geworden. Mijn ambt sluit zich derhalve aan bij het voornemen van het politiecollege om aan inspecteur Coudijzer Alain de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen." 1.15. Na kennisname van dat advies, beslist het politiecollege op 3 november 2003 definitief "het voorstel van ontslag van rechtswege te handhaven als zware tuchtmaatregel, zoals het voorgesteld werd door het Politiecollege tijdens de zitting van 28 mei 2003". Dat voorstel van zware tuchtstraf is omstandig gemotiveerd. Wat het tuchtstrafvoorstel betreft wordt het volgende vermeld : "Het Politiecollege blijft bij de vaststelling dat, niettegenstaande u, na een korte periode van schorsing, op datum van 26-08-2002 overgeplaatst werd naar een interne dienst, het vertrouwen van de gerechtelijke overheid geschonden blijft. Dit blijkt eens te meer uit het gegeven advies van Mevrouw de Procureur des Konings. Mede door uw toedoen blijkt een onschuldige persoon van zijn vrijheid beroofd op 31-12-2001 en in voorhechtenis geplaatst, waardoor de persoon die uiteindelijk in verdenking werd gesteld, pas aangehouden werd op 16-01-2002. Er werd tevens ruchtbaarheid gegeven aan deze zaak in de pers, met titels die voor zichzelf spreken: 'Politieman zet bevriend moordenaar uit de wind', 'Un ami policier bien utile', Rebondissement: c'est le voisin et pas l'epouse qui a tué". Uw directe collega's zijn eveneens op de hoogte van deze ernstige feiten. Het Politiecollege blijft de mening toegedaan dat uw plaats bij de politie onhoudbaar is geworden. Tijdens de hoorzitting bleek dat de ambulanciers van in het begin reeds op de hoogte waren dat het handelde om een situatie met 'een gekwetste met een mes thuis' en dat de reanimatie onmiddellijk werd gevraagd via het politiekanaal. Alle verdere handelingen, zoals bijvoorbeeld het toestaan tot het verlaten van de plaats aan de Heer WAJDI, gebeurden na deze vraag tot reanimatie, inclusief de achteraf verdwenen verklaring afgenomen door INP VANDERGOETEN. De toelichtingen verschaft door deze laatste tijdens de hoorzitting laten dan ook nergens blijken dat dit 'het pièce á décharge' zou zijn. De eventuele twijfel over 'coup' of 'coup de couteau', een bijna onzichtbare wonde, ...doen weinig ter zake. U vroeg onmiddellijk via het politiekanaal de IX-4086-9/27 reanimatiedienst. Dit is een standaardindicator voor een levensbedreigende situatie. Het Politiecollege vraagt zich dan ook steeds af om welke beweegredenen de zaak vanaf het begin niet 'au sérieux' genomen werd. Met voorgaande in het achterhoofd, houdt de in uw verweerschrift en tijdens de hoorzitting aangehaalde beweegreden van 'perceptiefout' dan ook weinig steek. Het Politiecollege kan zich moeilijk inbeelden dat een politie-inspecteur, met een tot 31-12-2001 perfect beoordeelde carrière en steeds behorend tot een interventiedienst, een dusdanige reeks beoordelingsfouten zou gemaakt hebben. Vermoedens van een partijdigheid blijven dan ook bestaan. Betreffende de -weliswaar achteraf ingetrokken- afgelegde verklaring bij de algemene inspectie, daags nadien bevestigd bij de Heer Onderzoeksrechter, liet u tijdens de hoorzitting uitschijnen dat deze nochtans zeer gedetailleerde bekentenissen er kwamen na een verhoor dat een twaalftal uren duurde, en waarbij 'morele druk' uitgeoefend werd. Uit nazicht in het dossier blijkt echter dat het doelbewuste verhoor aanvatte op 15.10 uur en afgesloten werd om 23.55 uur en dat dit verhoor onderbroken werd: - van 15.45 tot 15.50 uur (5 minuten) - van 16.45 tot 17.10 uur (25 minuten) - van 18.50 tot 19.00 uur (10 minuten) - van 20.15 tot 21.30 uur (1 uur en 15 minuten) (warme maaltijd) - van 23.10 tot 23.20 uur (10 minuten) Naast deze afgelegde ingetrokken verklaringen, blijft er nog het feit dat uw officier CP CARLIER laattijdig ingelicht werd. Zelfs nadat uw officier de zaak in handen heeft genomen, op het ogenblik dat het overlijden van de Heer EL HAKIM u wel degelijk bekend was en dus geen twijfel meer kon bestaan over de ernst van de zaak en een verkeerde perceptie zeker buiten kijf staat, bleef u om een onverklaarbare reden beroepsfouten opstapelen; uw eigen GSM diende als relais in een onderhoud tussen de Heer WAJDI en Mevrouw ABOU-HACEM, die op dat ogenblik van haar vrijheid beroofd was. U bracht persoonlijk de Heer WAJDI op de hoogte van het overlijden van EL HAKIM en liet bovendien toe dat WAJDI en ABOU HACEM een gesprek in het Libanees voerden, zaak die Mevrouw de Procureur des Konings omschreef als moment waarop de minnaars konden afspreken welke verklaring zou worden afgelegd met betrekking tot de omstandigheden waarin de feiten zich hadden voorgedaan en met betrekking tot het opnemen van de schuld. Dit zijn opnieuw ernstige indicatoren die kunnen wijzen in de richting van een 'cover-up' operatie. Bovendien blijkt nergens uit het dossier dat u uw officier CP CARLIER hebt ingelicht van het feit dat de Heer WAJDI een vriend van u is." 1.15.1. Op 5 november 2003 dient verzoeker tegen het voorstel van zware tuchtstraf een verzoek tot heroverweging in bij de tuchtraad. Op 16 december 2003 worden de afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid, de afgevaardigde van de Inspecteur-generaal en verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, door de tuchtraad gehoord. Proces-verbaal wordt opgemaakt. IX-4086-10/27 1.15.2. Op 15 januari 2004 geeft de tuchtraad zijn advies. 1.15.2.1. Onder het luik "I. DE PROCEDURE", wordt, wat betreft de uitoefening van de tuchtbevoegdheid vóór, respectievelijk na 28 mei 2003, gesteld wat volgt : "3.2. De uitoefening van tuchtbevoegdheid vóór 28 mei 2003: De tuchtraad is de mening toegedaan dat, indien nog kan aangenomen worden dat de tuchtoverheden pas in een later stadium door tussenkomst van het ambt van de procureur des Konings werden ingelicht van mogelijke onregel- matigheden bij de verbalisatie ingevolge verdoken afspraken tussen INP Coudijzer en de bij het gerechtelijk onderzoek betrokken personen, het niet redelijk voorkomt thans ook nog voor te houden dat de korpschef niet vóór 28 mei 2003 op de hoogte zou zijn geweest van het feit dat INP Coudijzer tijdens de dienstuitvoering op 31 december 2001 zijn ambtsplichten zou hebben verzuimd door in een gerechtelijke zaak met mogelijk crimineel karakter: - de wachtofficier niet tijdig te hebben ingelicht; - te hebben toegestaan dat de mogelijke dader van criminele feiten de plaats van het misdrijf verliet; - niet alle nuttige stukken in beslag te hebben genomen; Zo werd ter zitting van de tuchtraad opgemerkt dat ingevolge de normaal te verwachten opvolgingscontrole van de zaken binnen het korps (cfr. de verplichtingen van gezag en leiding uitgedrukt o.m. in de artikelen 42 en volgende WGP), kort na de feiten toch minstens geweten was dat INP Coudijzer te kort was gekomen aan diens ambtsplichten. Er kan niet ernstig voorgehouden worden dat dit onderdeel van de tenlaste- leggingen binnen een goed en normaal beleid niet onmiddellijk aan het licht kwam. Dit gegeven van de tuchtrechtelijke aanklacht wordt niet opgeleverd door het strafonderzoek dat achteraf werd gevoerd. Alleen de passiviteit van de (gewone) tuchtoverheid die op 31 december 2001 of minstens enkele dagen later kennis had of moest hebben van de wijze van optreden van INP Coudijzer ligt aan de basis van het uitblijven van tuchtvervolging voor deze feiten. Het valt trouwens op dat aan INP Coudijzer desbetreffend geen enkele formele opmerking werd gegeven en dat hij ter zake nooit werd geïnterpelleerd. Deze feitelijke vaststelling werd ter zitting van de tuchtraad trouwens bevestigd door de afgevaardigde van de hogere tuchtoverheid, hieraan zelfs toevoegend dat aan INP Coudijzer hiervoor destijds 'een bolwassing' werd gegeven. Vertrekkende van deze gegevens mag derhalve gesteld worden dat de gewone tuchtoverheid (korpschef) minstens in de loop van januari 2002 kennis had van voormelde tekortkomingen. Op geen enkel ogenblik werd uit hoofde van die concrete feiten een tuchtvordering opgestart. De hogere tuchtoverheid kan nadien voor deze specifieke feiten de tuchtvor- dering niet meer herbeginnen, en dit ongeacht de draagwijdte en de opportuni- teitsbeoordeling van de gewone tuchtoverheid. Wanneer de gewone tuchtoverheid die op de hoogte is van bepaalde feiten, geen procedure heeft aangespannen binnen het jaar na de kennisgeving van die feiten, kan de hogere tuchtoverheid eens die termijn verstreken, niets meer initiëren. De inertie van de ene kan niet meer worden goedgemaakt door een laattijdig initiatief van de andere (Gedr. St. Kamer, 1998-99, nr. 1965/1, 19). Ook de omstandigheid dat deze feiten (zoals later zou blijken) in feite samenhangen met andere tuchtvergrijpen die later aan het licht zullen komen laat niet toe deze feiten opnieuw te vervolgen. IX-4086-11/27 Integendeel kan de vraag worden gesteld waarom de gewone tuchtoverheid na kennisneming van de eerste signalen (zijnde de voormelde drie concrete tekortkomingen) het niet nuttig heeft geacht onmiddellijk een nader voorafgaand onderzoek in te stellen naar het optreden van INP Coudijzer, te meer omdat die feiten op zich reeds een tekortkoming konden uitmaken in de uitvoering van een gerechtelijke opdracht in een mogelijke criminele zaak en omdat in het aanvankelijk proces-verbaal reeds te lezen staat dat INP Coudijzer en de genaamde Habib elkaar reeds kenden! (stukken 280, 247). Besluit : De tuchtraad adviseert bij meerderheid van stemmen dat de tuchtvordering op grond van artikel 56, eerste lid Tuchtwet verjaard is voor volgende concrete tuchtinbreuken: - de wachtofficier niet tijdig te hebben ingelicht; - te hebben toegestaan dat de mogelijke dader van criminele feiten de plaats van het misdrijf verliet; - niet alle nuttige stukken in beslag te hebben genomen. 3.3. De uitoefening van de tuchtvordering (door de hogere tuchtoverheid) na 28 mei 2003: Na berichten over ander wangedrag van INP Coudijzer (nl. eventuele valsheid in geschriften door ambtenaar, zie brief procureur des Konings van 11 juli 2002, stuk 315 en bijlagen) besliste de hogere tuchtoverheid te wachten op de afloop van het strafonderzoek. Deze intentie kan inderdaad afgeleid worden uit de inhoud van de brieven aan de procureur des Konings van 4 december 2002 en 10 april 2003. Op 28 mei 2003 verneemt het politiecollege dat het dossier notnr. 25.97.4958/02 geopend ten laste van INP Coudijzer door het parket werd geseponeerd. Op die datum neemt de tuchtoverheid naar eigen zeggen kennis van de juiste draagwijdte van de feiten omschreven sub d, e en f (zie om- schrijving van de tenlastelegging). Ook al bestaat er in hoofde van de tuchtoverheid geen verplichting om het personeelslid in te lichten dat de overheid heeft beslist de wachten op de afloop van het strafrechtelijk onderzoek (en derhalve toepassing te maken van artikel 56, tweede lid Tuchtwet), dan nog komt het de tuchtraad voor dat het wenselijk is deze beslissing te formaliseren en het personeelslid hiervan in te lichten. Behoudens de schorsingsbeslissingen (juli en augustus 2002) wordt betrokkene tuchtrechtelijk niet gehoord en niet ingelicht tot 12 september 2003, terwijl de feiten dateren van 31 december 2001. Alvorens te beslissen het strafonderzoek af te wachten, doet de tuchtoverheid er goed aan betrokkene te verhoren om te vernemen of hij de feiten toegeeft. In geval van bekentenissen begint de termijn bepaald in artikel 56 Tuchtwet immers te lopen en moet niet gewacht worden op de afloop van het strafrechtelijk onderzoek." 1.15.2.2. In hetzelfde luik "De procedure" wordt de volgende commentaar geleverd betreffende "het tuchtdossier" (punt I. 6) : "Het voorstel van zware straf werd genomen door het politiecollege samengesteld uit Mevr. De Permentier en de heer Boelpaepe (stuk 22). De beide burgemeesters waren eveneens aanwezig ter gelegenheid van de verhoren op 15 en 22 oktober 2003 (stukken 39 en 46). Artikel 30 Tuchtwet werd nageleefd. De tuchtraad stelt zich vragen betreffende het voegen van de kopie van een verweerschrift op naam van Clark Carlier dat aan de tuchtoverheid door laatstgenoemde werd overgemaakt in een ander tuchtdossier. De tuchtraad meent dat de vertrouwelijkheid van dit stuk verbiedt dat de tuchtoverheid zich IX-4086-12/27 hiervan naar eigen goeddunken en zonder toelating van CP Carlier bedient buiten de procedure waarin dit document werd neergelegd. De overwegingen die daarin zijn neergeschreven behoren uitsluitend tot zijn verdediging. Alleen CP Carlier kan in de procedure die hem aanbelangt de openbaarheid vragen voor de tuchtraad. Ook al kan er een feitelijk verband bestaan tussen de laakbare feiten die aan verschillende personeelsleden tuchtrechtelijk ten laste worden gelegd, dan nog blijven de gevoerde procedures verschillend en afgescheiden van elkaar. De tuchtraad adviseert dit stuk niet langer in aanmerking te nemen bij de besluitvorming. De tuchtraad stelt zich tevens vragen bij het verloop van de hoorzittingen voor het politiecollege. In eerste instantie ontbreekt in het tuchtdossier een rechtsgeldig proces- verbaal van deze hoorzittingen (van 15 en 21 oktober 2003). De documenten (stukken 34 tot 46), dragende de vermelding 'Proces-verbaal van hoorzitting' kunnen niet worden beschouwd als zijnde de kopie van een proces-verbaal. Dit stuk werd enkel ondertekend door Christian Van Dam als 'afgevaardigde door de tuchtoverheid'. Overeenkomstig artikel 29 WGP worden de overgeschreven notulen van de vergadering van het politiecollege getekend door de voorzitter en de secretaris. Voornoemde Christian Van Dam heeft geen enkele bevoegdheid om een proces-verbaal op te stellen naar aanleiding van de samenkomst van het politiecollege. Uitsluitend op grond van deze handtekening kan niet worden geconcludeerd tot de rechtsgeldigheid van dit essentieel procedurestuk. Daarenboven vermeldt dit geschrift de aanwezigheid op deze zittingen van personen die niet behoren tot het college en die zelfs optreden als ondervragende partijen. De toelichting gegeven ter zitting van de tuchtraad dat deze personen daar aanwezig waren in hoedanigheid van 'deskundigen' vindt geen steun in de vermeldingen van dit geschrift. Op 28 mei 2003 werd de Dienst Intern Toezicht van de politiezone door het politiecollege belast met de verdere administratieve uitvoering van de tuchtpro- cedure (stuk 92). De aanwezigheid en het optreden van de leden van deze dienst ter gelegenheid van de hoorzittingen van 15 en 21 oktober 2003 overstijgt dit mandaat. De omstandigheid dat ook de korpschef (opnieuw) bij dezelfde gelegenheid bij herhaling actief gaat tussenkomen (ook in zaken waarin hij eerder niet was opgetreden - zie de tussenkomst vermeld op stuk 35) wijst op een vermenging tussen de bevoegdheidsactiviteiten van de lagere en de hogere tuchtoverheid. In dit verband kan ten overvloede toegevoegd worden dat de korpschef ook (totaal onterecht) het inleidend verslag en het strafvoorstel mede ondertekent. Deze laatste stukken kunnen helemaal niet beschouwd worden als briefwisseling uitgaande van het politiecollege. Opmerkelijk tenslotte is ook de verschijning (op de zitting van 21 oktober 2003, zie stuk 37) van de getuige CP Carlier samen met diens tuchtverdedigers De Baerdemaeker en Baes in een tuchtdossier lastens Coudijzer!! Besluit : De tuchtraad adviseert bij meerderheid van stemmen het in het dossier voorliggende document, opgesteld naar aanleiding van de hoorzittingen van 15 en 21 oktober 2003 met opschrift 'proces-verbaal van hoorzitting', niet te beschouwen als de rechtsgeldige weergave van deze proceshandeling en als gevolg daarvan niet in aanmerking te nemen voor de verdere afhandeling van het tuchtdossier. Het strafvoorstel wordt onderbouwd door de verwijzing naar de hoor- zittingen. Indien er geen rechtsgeldige processen-verbaal werden opgesteld zal de tuchtoverheid hieruit de nodige conclusies moeten trekken." IX-4086-13/27 1.15.2.3. In zijn advies ten gronde heromschrijft de Tuchtraad de aan verzoeker ten laste gelegde feiten als volgt : "'Belast met interventiepatrouille op 31 december 2001, is INP Coudijzer te kort gekomen aan zijn beroepsplichten door: a. niet met de bekwame spoed beroep te doen op de bijstand van de wacht- officier met dienst; b. toe te staan dat een mogelijke dader van criminele feiten de plaats van het misdrijf verliet voor verzorging; c. niet alle nuttige stukken in beslag te nemen welke de waarheid konden aan het licht brengen, onder meer een met bloed besmeurd hemd; d. aan een mogelijke dader mede te delen dat het slachtoffer was overleden; e. tijdens de overbrenging van een mogelijke verdachte naar het commis- sariaat in het politievoertuig toe te laten dat er in een voor INP Coudijzer onverstaanbare taal een telefoongesprek werd gevoerd tussen deze persoon en de andere mogelijke verdachte die hij eerder had toegelaten de plaats van het misdrijf te verlaten; f. zijn vaststellingen naar aanleiding van een tussenkomst in een gerechtelijke zaak niet waarheidsgetrouw te hebben weergegeven'. De Tuchtraad adviseert: - dat feit (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.