id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.031 Rolnummer: A. 148451/IX-4083 Zaak: Arrest 135031 - - 20/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-04 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 09:00 Fiche Arrest nr 135.031 van 20 september 2004 - Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.031 van 20 september 2004 in de zaak A. 148.451/IX-
- In zake :
- Roland VERMEULEN,
- het Vrij Syndicaat voor Openbaar Ambt - Groep Spoor (VSOA), die woonplaats kiezen bij advocaten V. DE WOLF en Ph. SIMONART, kantoor houdende te BRUSSEL, Guldenvlieslaan 68/9 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Overheidsbedrijven, die woonplaats kiest bij advocaat F. LIBERT, kantoor houdende te BRUSSEL, Emile Demotlaan
- tussenkomende partij : de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (NMBS), die woonplaats kiest bij advocaten D. D'HOOGHE en F. VANDENDRIESSCHE, kantoor houdende te BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 47-51, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Roland VERMEULEN en het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt - Groep Spoor op 5 maart 2004 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de impliciete weigering om Roland VERMEULEN te benoemen als lid van het strategisch comité van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; IX-4083-1/12 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 13 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 juni 2004; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. PENNINCKX, die loco advocaten V. DE WOLF en Ph. SIMONART verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat G. MATTENS, die loco advocaat F. LIBERT verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat L. SCHELLEKENS, die loco advocaten D. D'HOOGHE en F. VANDENDRIESSCHE verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen met een verzoekschrift van 9 april 2004 vraagt om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Artikel l6lter van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, zoals ingevoegd bij de wet van 22 maart 2002 en gewijzigd door de wet van 24 december 2002 luidt als volgt : “§
- De raad van bestuur richt een (..) strategisch comité op. (...) §
- Het strategisch comité bestaat uit: IX-4083-2/12 1/ de tien leden van de raad van bestuur; 2/ vier leden van het directiecomité, bij wie de gedelegeerd bestuurder van de N.M.B.S. niet is inbegrepen; 3/ zes leden die de vakorganisaties vertegenwoordigen die zijn aangesloten bij een interprofessionele organisatie die zetelt in de Nationale Arbeidsraad. De zetels worden aan deze vakorganisaties toegewezen overeenkomstig hun respectieve vertegenwoordiging binnen de N.M.B.S. Elk van de drie vakorganisaties heeft ten minste één vertegenwoordiger. Indien een vakorganisatie meer dan één vertegenwoordiger heeft, wordt elke taalrol vertegenwoordigd. Deze leden worden benoemd door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de representatieve vakorganisaties. De vertegenwoordigers van de vakorganisaties worden benoemd voor een hernieuwbare termijn van zes jaar. Zij worden afgezet door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Het strategisch comité telt evenveel Franstaligen als Nederlandstaligen. §
- Onverminderd de bevoegdheden die worden toegekend aan de raad van bestuur en aan het directiecomité, is het strategisch comité bevoegd voor : 1/ de uitwerking, de onderhandeling en de opvolging van de uitvoering van het meerjarige investeringsplan van de N.M.B.S., in overleg met het oriënterings- comité; 2/ de onderhandeling en de opvolging van de uitvoering van het beheers- contract, in het kader bepaald door de artikelen 3 tot 5 van deze wet, in overleg met het oriënteringscomité; 3/ het uitbrengen van een voorafgaand advies aangaande de beslissingen van de raad van bestuur over alle maatregelen die de tewerkstelling op middellange en lange termijn kunnen beïnvloeden; 4/ het uitbrengen van een voorafgaand advies aangaande de beslissingen van de raad van bestuur inzake algemene bedrijfsstrategie, dochterondernemingen, processen van fusies en overnames, algemeen personeels- en investerings- beleid, het bedrijfsplan, de ontwikkeling van jaarlijkse financiën en budgetten en de verdediging van de concurrentiepositie. Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden beschikt het strategisch comité over de verslagen van het auditcomité betreffende het onderzoek van de rekeningen van de onderneming. Inzake de opvolging van de uitvoering van het meerjarige investeringsplan en de uitvoering van het beheerscontract overhandigt het strategisch comité een jaarlijks evaluatieverslag aan de minister die bevoegd is voor de spoorwegen. Het strategisch comité kan op zijn vergaderingen leden van het directie- comité uitnodigen, die met raadgevende stem zetelen. De voorafgaande adviezen van het strategisch comité in het kader van zijn bevoegdheden zijn bindend, onder voorbehoud van de hierna bepaalde procedure. Wanneer de raad van bestuur niet akkoord gaat, dient die een nieuw ontwerp van beslissing in bij het strategisch comité dat dan binnen een termijn van tien dagen een nieuw advies kan uitbrengen. Indien de raad van bestuur met dit advies evenmin kan instemmen, kan hij ervan afwijken mits hij zijn weigering motiveert. De Koning regelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wijze waarop de ontwerpen van beslissing die een voorafgaand advies vergen, worden ter kennis gebracht en meegedeeld aan het strategisch comité. IX-4083-3/12 §
- De leden van het strategisch comité vormen een college. Zij kunnen hun taken onder elkaar verdelen. Om geldig samengesteld te zijn, moet het strategisch comité ten minste tien benoemde leden tellen. Om geldig zitting te houden, moet het strategisch comité bovendien een quorum van ten minste tien leden hebben. Het strategisch comité wordt voorgezeten door de gedelegeerd bestuurder. Bij staking van stemmen in het strategisch comité is de stem van de voorzitter beslissend.” 1.
- Op 3 april 2002 schrijft de tweede verzoekende partij aan de minister van Mobiliteit, verwijzend naar het nieuwe artikel l6lter van de wet van 21 maart 1991, dat het heeft vernomen dat het recht heeft op één vertegenwoordiger in het strategisch comité en dat het Roland VERMEULEN voordraagt. Op 24 oktober 2002 verzoekt de tweede verzoekende partij de Minister van Mobiliteit met verwijzing naar artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dat de Raad van Bestuur van de NMBS het strategisch comité zou oprichten en dat de Koning een beslissing zou nemen over de al-dan-niet benoeming van Roland VERMEULEN als lid van dat strategisch comité. Zij stelt dat het niet te verantwoorden is dat er nog steeds geen beslissing hieromtrent werd genomen “gelet op de bijzondere samenstelling van het strategisch comité, haar bijzondere wijze van beraadslagen alsook de bijzondere regels voor het afwijken - in hoofde van de Raad van Bestuur - van het bindend advies uitgebracht door het strategisch comité. Op 20 december 2002 laat de tweede verzoekende partij aan de minister van Mobiliteit weten dat zij vernomen heeft dat het strategisch comité is samengekomen zonder een vertegenwoordiger van haar organisatie en dat zij dit als een “flagrante schending” aanziet van artikel l6lter van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige overheidsbedrijven. Op 2 april 2003 herinnert de tweede verzoekende partij de minister van Mobiliteit aan haar brief van 24 oktober
- IX-4083-4/12 Op 11 april 2003 antwoordt de minister van Mobiliteit op die brief van 2 april
- Zij verklaart dat zij wenst te wachten op de imminente uitspraak over het beroep dat door het ACOD bij het Arbitragehof werd ingediend tegen de bepalingen van artikel 161ter. Zij besluit dat in functie van de uitspraak van het Arbitragehof binnen de kortste termijn de noodzakelijke stappen zullen ondernomen worden voor de benoeming van de betrokken leden van het strategisch comité. 1.
- Op 7 oktober 2003 schrijft de tweede verzoekende partij opnieuw de bevoegde minister aan. Zij wijst er de minister op dat het Arbitragehof op 11 juni 2003 het beroep, dat door het ACOD was ingediend, heeft verworpen en dat er dus geen enkel beletsel meer is om een beslissing te nemen over de al-dan-niet benoeming van eerste verzoeker. Zij zet ook uiteen dat het strategisch comité is opgericht en functioneert, evenwel zonder leden van de vakorganisaties; dat het ACOD en het CCOD weliswaar weigeren om een vertegenwoordiger aan te duiden maar dat dit de bevoegde administratieve overheid noch de tweede verzoekende partij op enigerlei wijze mag gijzelen en dat dit als gevolg heeft dat het strategisch comité wel wettig kan functioneren zonder vertegenwoordiger van het ACOD en van het CCOD maar niet zonder een beslissing over de aanduiding van eerste verzoeker als vertegenwoordiger van de tweede verzoekende partij. Zij vermeldt ook uitdrukkelijk dat deze brief moet worden aanzien als een aanmaning op grond van artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Op 24 februari 2004 ten slotte deelt de tweede verzoekende partij aan de bevoegde minister mee, dat hoewel deze recent mondeling heeft meegedeeld dat het comité er komt maar dat een exacte datum niet kon worden vooropgesteld, het zo blijft dat 23 maanden na de afkondiging van de wet die het strategisch comité opricht, er geen enkele garantie kon worden bekomen dat zij haar wettelijke voorziene plaats in dit comité zal kunnen innemen en dat er dan ook een beroep zal IX-4083-5/12 worden ingediend bij de Raad van State en bij de burgerlijke rechtbank. Deze laatste vordering is inmiddels ook ingeleid;
- Over de ontvankelijkheid van de vordering. 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat de verzoekers zich beroepen op een subjectief recht om vertegenwoordigd te worden in het strategisch comité en dat wanneer het gaat om een subjectief recht, de Raad van State zich onbevoegd zou moeten verklaren; dat dergelijk argument ook wordt herhaald door de tussenkomende partij; 2.1.
- Overwegende dat verzoekers over die exceptie, anticiperend in hun inleidend verzoekschrift, hebben gesteld dat de vordering voor de burgerlijke rechtbank hoofdzakelijk het herstel in natura van het geleden nadeel en de erkenning van het subjectief recht van de tweede verzoekende partij om in het strategisch comité zitting te hebben viseert en niet het subjectief recht om eerste verzoeker tot vertegenwoordiger in dat comité te zien benoemen; dat gelet op artikel l6lter van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven het duidelijk is dat de tweede verzoekende partij over een subjectief recht beschikt om vertegenwoordigd te zijn in het strategisch comité; dat zij dit recht alleen maar concreet kan uitoefenen indien een door haar voorgesteld afgevaardigde effectief door de Koning wordt benoemd als lid van dat comité en dat daarbij de bevoegdheid van de Koning niet gebonden is; dat de Koning kan weigeren de voorgedragen persoon als vertegenwoordiger te benoemen en dat in dat geval de tweede verzoekende partij een andere kandidaat moet voordragen zodat de benoeming of weigering te benoemen dan ook een beslissing is die aan de censuur van de Raad van State kan worden onderworpen; dat de Koning moet beslissen aangezien de benoeming van een afgevaardigde noodzakelijk is opdat de tweede verzoekende partij haar recht om in het strategisch comité vertegenwoordigd te zijn zou kunnen uitoefenen; dat verzoekers ten slotte aanvoeren dat zij terecht beroep konden doen op de procedure van artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op IX-4083-6/12 de Raad van State en dat zij meer dan vier maand hebben laten verstrijken na de aanmaning alvorens het onderhavige beroep in te dienen zodat er een stilzwijgende afwijzing van de vraag tot benoeming is tot stand gekomen; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij ook nog opwerpt dat de verzoekers geen belang hebben bij de schorsing omdat deze niet zou kunnen leiden tot een benoeming omdat de reden waarom de zes vertegenwoordigers van de vakbonden nog niet zijn benoemd het gevolg is van het feit dat de vakbonden nog geen gezamenlijk voorstel daartoe hebben gedaan en dat de verwerende partij dat niet in hun plaats kan doen; dat ingevolge de door de wet vereiste taalpariteit in het strategisch comité er over de benoeming van de afgevaardigden van de vakbonden maar kan beslist worden wanneer alle vakbonden hun afgevaardigden hebben voorgesteld omdat pas dan kan worden bepaald van welke taalrol de afgevaardigden moeten zijn; dat de vakorganisaties moeten zorgen voor de taalkundige gelijke verdeling van hun 6 afgevaardigden; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij geen voordrachten kan doen in de plaats van de vakorganisaties en dat de twee andere vakorganisaties die zitting kunnen hebben in het strategisch comité geen vertegenwoordigers voordragen; dat evenwel artikel l6lter van de wet van 21 maart 1991 betreffende hervorming van sommige overheidsbedrijven, niet bepaalt dat de taalkundige pariteit binnen elk van de subgroepen moet worden gerealiseerd; dat zelfs, gesteld dat de samenstelling van de reeds benoemde leden de taalpariteit respecteert en dat daaruit volgt dat ook de vertegenwoordigers van de vakorganisaties gelijkelijk over de beide talen moeten worden verdeeld, er evenwel nog niet ingezien wordt waarom, wanneer, zoals in casu, de twee andere vakbonden geen kandidaten voordragen, de door de tweede verzoekende partij voorgedragen kandidaat niet zou kunnen benoemd worden; dat er vanuit de opgelegde taalpariteit geen reden voorhanden lijkt te zijn waarom de vertegenwoordiger van de tweede verzoekende partij niet zou kunnen benoemd worden zonder dat de vertegenwoordigers van de andere vakbonden gekend zijn; dat zijn benoeming immers alleen een weerslag zou kunnen hebben op de taalrol van de IX-4083-7/12 derde vertegenwoordiger van die vakorganisatie die drie vertegenwoordigers mag afvaardigen en dat zulks een gevolg is dat inherent is aan de wettelijke regeling die aan de andere vakorganisaties bekend is; dat die door de houding van die andere vakorganisaties ondergane beperking evenwel niet vermag een recht op effectieve vertegenwoordiging aan een andere vakbond te ontzeggen; dat dan ook op het eerste zicht een schorsing van de bestreden weigeringsbeslissing niet zonder praktisch gevolg zou moeten blijven voor de verzoekers; dat voorts indien de Koning een gebonden bevoegdheid heeft de benoeming niettemin een beslissing vereist die door de Raad van State op haar wettigheid kan worden getoetst en dat artikel 161ter, § 5, van de wet van 21 maart 1991 betreffende hervorming van sommige overheids- bedrijven, niet zo gelezen kan worden dat alle afgevaardigden van de vakorganisaties in één gezamenlijk besluit moeten worden benoemd; dat de exceptie faalt; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij daarbij bijgetreden door de tussenkomende partij ook nog opwerpt dat de schorsing bezwaarlijk kan worden verkregen van een stilzwijgend afwijzende beslissing op grond van artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; 2.2.
- Overwegende dat aangenomen wordt dat een dergelijke beslissing het voorwerp kan uitmaken van een vordering tot schorsing van de tenuitvoer- legging; dat immers een impliciete weigeringsbeslissing die het gevolg is van de toepassing van artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dezelfde gevolgen heeft als een expliciete weigering; dat de vordering tot schorsing het accessorium is van het beroep tot nietigverklaring; dat, bij ontstentenis van een uitdrukkelijke andersluidende wetsbepaling, de tenuitvoerlegging van een handeling waartegen een beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld, vatbaar is voor schorsing; dat wanneer een verzoeker, in geval van schorsing van de tenuitvoer- legging van de bestreden handeling, een nieuwe aanvraag zou indienen, die aanvraag niet meer afgewezen kan worden op grond van overwegingen die strijdig zijn met de overwegingen die ten grondslag liggen aan het dictum van het schorsingsarrest; dat de verwerende partij ten slotte, wanneer een schorsingsarrest is gewezen, moet IX-4083-8/12 beslissen of ze al dan niet de voortzetting vraagt van de procedure; dat het niet uitgesloten is dat ze op dat moment haar standpunt herziet en evenmin dat ze geen voortzetting van de procedure vraagt; dat ook die exceptie faalt;
- Over de gegrondheid van de vordering tot schorsing. Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1.
- Overwegende dat, wat betreft de eerste voorwaarde, verzoekers in een eerste middel de schending aanvoeren van de artikelen 33 en 105 van de Grondwet, van artikel 161ter, § 5, van de wet van 21 maart 1991 betreffende hervorming van sommige overheidsbedrijven, van het algemene principe van motivering van bestuurshandelingen, de afwezigheid of de onwettelijkheid, de onjuistheid en de ontoelaatbaarheid van de motieven, van machtsafwending en van machtsoverschrijding; dat zij uiteenzetten dat de bestreden beslissing niet steunt op een geldig motief en dat artikel l6lter van de genoemde wet van 21 maart 1991 niet toelaat de kandidatuur van eerste verzoeker die door zijn syndicale organisatie werd voorgesteld te weigeren; dat indien er een motief is dit ofwel maar een illegaal motief kan zijn, zoals de wens om de andere representatieve organisaties te begunstigen door de aanwezigheid van de tweede verzoekende partij te verhinderen, ofwel de wil om het strategisch comité op een onregelmatige manier samen te stellen door de vertegenwoordigers van de syndicale organisaties niet toe te laten te zetelen; dat in de veronderstelling dat er toch een legaal motief zou bestaan om de eerste verzoeker niet te benoemen dat motief dan niet te begrijpen is rekening gehouden met de kwaliteiten, de kennis en de persoonlijkheid van eerste verzoeker; IX-4083-9/12 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij en de tussenkomende partij daarop antwoorden dat de Koning niet vermag over te gaan tot de benoeming van de eerste verzoeker bij gebreke van een geldig voorstel van de representatieve vakorganisaties, meer bepaald van een gezamenlijk voorstel van de drie organisaties; 3.1.
- Overwegende dat er wordt verwezen naar wat is gesteld onder 2.1.4.; dat hieruit blijkt dat de verwerende partij op het eerste gezicht het bepaalde van artikel 161ter, § 5, van de wet van 21 maart 1991 betreffende hervorming van sommige overheidsbedrijven miskent; dat het middel ernstig is; 3.2.
- Overwegende dat met betrekking tot de tweede voorwaarde verzoekers aanvoeren dat zij door de weigering om hen toe te laten vertegen- woordigd te zijn respectievelijk te vertegenwoordigen in het strategisch comité van de NMBS, de enige mogelijkheid verliezen om zoals artikel 161ter, § 6, hen toekent de verregaande veranderingen van de NMBS vanwege de regering te beïnvloeden; dat ook door zonder geldige reden te weigeren om eerste verzoeker te benoemen de tweede verzoekende partij “haar geloofwaardigheid tegenover haar partners en tegenover haar bondgenoten (verliest)”; dat het niet moeilijk is om zich “in te beelden wat de bondgenoten zouden durven denken over een syndicale organisatie die niet vertegenwoordigd is, al was het door de nationale voorzitter (van de afdeling Spoor)”; 3.2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het aangevoerde functionele nadeel niet ernstig is; dat zij hierbij verwijst naar het arrest van het Arbitragehof nr. 123/2002 van 3 juli 2002 waarin “een gevoelig analoog risico van moeilijk te herstellen ernstig nadeel“ is verworpen; 3.2.
- Overwegende dat de tussenkomende partij stelt dat het door verzoekers aangevoerde nadeel zich beperkt “tot vage en algemene beweringen” en dat “hoe dan ook (...) het aangevoerde nadeel niet het gevolg (is) van de bestreden ‘beslissing’, maar wel het gevolg van het niet voordragen van kandidaten door de IX-4083-10/12 andere representatieve vakbondsorganisaties”; dat de bestreden beslissing verzoekers ook niet op definitieve wijze belet vertegenwoordigd te worden in het strategisch comité van de NMBS; 3.2.
- Overwegende dat verzoekers slechts een functioneel belang hebben en derhalve ook alleen een functioneel nadeel kunnen aanvoeren; dat de bevoegdheid die aan het strategisch comité is toegekend niet onbelangrijk is; dat immers, luidens artikel 161ter, § 6, van de meergenoemde wet van 21 maart 1991 het bedoelde comité een verregaande adviserende bevoegdheid heeft die zelfs bindend is en die de raad van bestuur van de NMBS kan verplichten tot het indienen van nieuwe ontwerpen van beslissingen; dat de deelname aan dit comité de enige wijze blijkt te zijn waarop vakorganisaties op een structurele manier bij het beleid van de NMBS kunnen betrokken worden; dat, zoals verzoekers uiteenzetten, er belangrijke structurele hervormingen op til zijn en dat uit het onderzoek van het eerste als ernstig bevonden middel blijkt dat de verwerende partij ten onrechte, zij het ten voorlopigen titel, uit dat strategisch comité wordt geweerd; dat bijgevolg afdoende blijkt dat verzoekers ernstig en moeilijk te herstellen nadeel dreigen te ondergaan indien de bestreden beslissing niet wordt geschorst, BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de impliciete weigering om Roland VERMEULEN te benoemen als lid van het strategisch comité van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen. IX-4083-11/12 Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig september 2000 en vier, door : de H. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. L. HELLIN. IX-4083-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.031 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.356 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.