← België

Arrest 135081 - - 20/09/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.081 Rolnummer: Zaak: Arrest 135081 - - 20/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-05 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-04 09:06 Fiche Arrest nr 135.081 van 20 september 2004 - Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.081 van 20 september 2004 in de zaken A. 149.978/IX-4468 149.979/IX-

  1. In zake :
  2. Jacky VERHOYE,
  3. het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van WINGENE, die woonplaats kiezen bij advocaat A. LUST, kantoor houdende te SINT-ANDRIES-BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan 14,
  4. de gemeente WINGENE, die woonplaats kiest bij advocaat F. VANDEN BERGHE, kantoor houdende te KORTRIJK, President Kennedypark 4a tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, die woonplaats kiest bij advocaat T. DE SUTTER, kantoor houdende te GENT, Koning Albertlaan
  5. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien een eerste verzoekschrift dat Jacky VERHOYE, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Wingene en de gemeente Wingene op 25 maart 2004 hebben ingediend om de schorsing van de tenuit- voerlegging te vorderen van : “a. het besluit van de Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen dd. 25 februari 2004 dat de erkenning van het rusthuis ‘RVT Sint- Amand’, Hoogweg 16 te 8750 Wingene, beheerd door het OCMW Wingene, Marktplein 5 te 8750 Wingene, verlengt onder nummer CE 181 met ingang van 1 maart 2004 tot en met 28 februari 2006 voor maximaal 54 woongelegenheden en waarbij een aantal afwijkingen op de vastgestelde erkenningsnormen worden verleend; b. [...] het besluit van de Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen dd. 25 februari 2004 dat aan het OCMW-Wingene een verlenging toekent van de erkenning als rust- en verzorgingstehuis onder het IX-4468-1/23 erkenningsnummer VZB 348 voor 25 RVT-bedden in het rusthuis Sint-Amand, gelegen Hoogweg, 16, te 8750 Wingene.”; Gezien een tweede verzoekschrift dat de voornoemden Jacky VERHOYE, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Wingene en de gemeente Wingene op 25 maart 2004 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van : “I. het besluit van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden dd. 23 februari 2004 waarbij de heer Bruno Vanmarcke, afdelingshoofd bij de provinciale afdeling West-Vlaanderen van de administratie Binnenlandse Aangelegenheid van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, wordt aangesteld als bijzondere commissaris met als opdracht om zich, op de persoonlijke kosten van de raadsleden van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van Wingene ter plaatse te begeven en in plaats [...] van de O.C.M.W.-Raad bij hoogdringendheid (artikel 30, tweede lid, van de organieke wet van 8 juli 1976), de nader daarin omschreven beslissingen te nemen; II. het daarmede samenhangend besluit van de heer Bruno Vanmarcke, aangesteld bijzonder commissaris, handelend in de plaats van de Raad van het O.C.M.W. van Wingene dd. 24 februari 2004, houdende uitvoering van de door de minister op 23 februari 2004 gegeven opdracht, zoals nader omschreven in de artikelen 1 t.e.m. 9 van het beschikkend gedeelte van dat besluit.”; Gezien de gelijktijdig ingediende verzoekschriften, waarbij dezelfde verzoekende partijen de nietigverklaring vorderen van dezelfde beslissingen; Gezien de nota’s van de verwerende partij; Gezien de verslagen opgemaakt door auditeur B. THYS; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gelet op de beschikkingen van 2 juni 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 juni 2004; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. LUST, die verschijnt voor de eerste en de tweede verzoekende partij, van advocaat F. VANDEN BERGHE, die verschijnt voor de derde verzoekende partij, en van advocaat T. DE SUTTER, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-4468-2/23 Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. THYS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op de bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste adviezen van de auditeur-generaal;
  6. Overwegende dat de gegevens van de zaken kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  7. Op het grondgebied van de gemeente Wingene zijn er drie rust- en verzorgingstehuizen: eensdeels Maria ter Ruste te Zwevezele en Sint-Anna te Wingene, die elk door een vereniging zonder winstoogmerk worden beheerd, en anderdeels Sint-Amand, dat onder het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn -hierna: OCMW- van Wingene ressorteert. 1.
  8. Het rusthuis Sint-Amand heeft aanvankelijk een erkenning voor maximaal 55 rustoordbedden. In 1989 wordt voor 12 van die rustoordbedden voor het eerst een erkenning als RVT-bedden verkregen. 1.
  9. Op 28 november 1997 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn van Wingene het rusthuis Sint-Amand met ingang van 1 januari 1998 over te dragen aan de VZW Rust- en Verzorgingstehuis Sint-Anna. Tussen het OCMW van Wingene en de VZW Rust- en Verzorgingstehuis Sint-Anna worden verscheidene overeenkomsten gesloten, onder meer met betrekking tot het ter beschikking stellen van grond en gebouwen en de overheveling van personeel, teneinde deze overdracht tot stand te brengen. 1.
  10. Op 8 januari 1998 besluit de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn dat de erkenning die het rusthuis Sint-Amand heeft gekregen voor maximaal 55 woongelegenheden, ook na de overdracht aan de VZW Rust- en Verzorgingstehuis Sint-Anna behouden blijft. 1.
  11. Bij arrest nr. 75.542 van 31 juli 1998 beveelt de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging van de besluiten van 28 november 1997 van de IX-4468-3/23 raad voor maatschappelijk welzijn aangaande de overdracht van het rusthuis Sint-Amand. Het middel waarin de toenmalige verzoekers de schending aanvoeren van de artikelen 61 en 118 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn -hierna : de OCMW-wet-, doordat “de constructie waarbij het OCMW zich ontdoet van haar rusthuis geen juridische grond vindt in de organieke wet wanneer ze geen gebruik maakt van de door artikel 118 en volgende van de wet geboden mogelijkheid om een vereniging tot stand te brengen en wanneer de afgesloten overeenkomsten er ook niet toe strekken om een derde te betrekken bij de uitoefening van een eigen, wettelijke taak zonder uiteindelijke beperking van de beslissingsbevoegdheid in de zin van artikel 61 van de wet”, wordt ernstig bevonden. 1.
  12. In het arrest nr. 82.234 van 13 september 1999 over het beroep tot nietigverklaring komt de Raad van State tot de bevinding dat de toenmalige verzoekers, die lid zijn van de raad voor maatschappelijk welzijn, geen functioneel belang hebben bij het annulatiemiddel dat in het arrest over de vordering tot schorsing ernstig werd bevonden. Dienvolgens besluit de Raad van State het door de auditeur- generaal aangewezen lid van het auditoraat ermede te belasten het onderzoek van de zaak voort te zetten. 1.
  13. Bij arrest nr. 89.802 van 26 september 2000 vernietigt de Raad van State uiteindelijk toch de besluiten van 28 november 1997 van de raad voor maatschappelijk welzijn aangaande de overdracht van het rusthuis Sint-Amand, op grond van het middel waarin de toenmalige verzoekers de schending aanvoerden van de artikelen 30 en 36 van de OCMW-wet, doordat zij voorafgaandelijk geen kennis hadden kunnen nemen van alle relevante stukken van het dossier. 1.
  14. Op 15 maart 2001 besluit de Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen de erkenning van de 55 woongelegenheden van het rusthuis Sint-Amand, welke nog steeds de VZW Rust- en Verzorgingstehuis Sint-Anna toebehoort en op 1 september 1999 was verstreken, te verlengen tot 1 maart
  15. IX-4468-4/23 1.
  16. Op 27 juni 2001 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn opnieuw goedkeuring te verlenen aan een “overeenkomst tot overdracht rusthuiserkenning” en het rusthuis Sint-Amand aan het openbaar domein te onttrekken. De goedgekeurde overeenkomst bevestigt in essentie de in 1997 tussen het OCMW van Wingene en de VZW Rust- en Verzorgingstehuis Sint-Anna overeengekomen overdracht, met ingang van 1 januari 1998, van het rusthuis Sint-Amand. 1.
  17. Op 13 april 2002 vernietigt de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands Beleid het voormelde raadsbesluit van 27 juni
  18. 1.
  19. Op 25 juni 2002 wordt de erkenning van maximaal 55 woongelegenheden van het rusthuis Sint-Amand verlengd tot 1 maart
  20. Op 31 juli 2002 krijgen 25 van de 55 erkende rustoordbedden bovendien een erkenning als RVT-bedden. 1.
  21. Bij arrest nr. 113.428 van 9 december 2002 verwerpt de Raad van State de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging die door het OCMW van Wingene was ingediend tegen het onder punt 1.
  22. hiervoor bedoelde ministeriële vernietigingsbesluit. 1.
  23. Onder verwijzing naar de arresten nrs. 75.542, 89.802 en 113.428 van 31 juli 1998, 26 september 2000 en 9 december 2002 van de Raad van State en op grond van de overweging, onder meer, dat de ingevolge deze arresten ontstane onwettige toestand op burgerrechtelijk vlak moet worden verholpen, verleent de raad voor maatschappelijk welzijn van Wingene op 26 augustus 2003 goedkeuring aan een overeenkomst met de VZW Rust- en Verzorgingstehuis Sint-Anna, luidens welke de in 1997 gesloten overeenkomsten met betrekking tot de overdracht van het rusthuis Sint-Amand op 1 oktober 2003 worden ontbonden. 1.
  24. Eveneens op 26 augustus 2003 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn, gezien het verstrijken van de erkenning van de 55 rustoordbedden van het rusthuis Sint-Amand op 1 maart 2004, om vóór 1 september 2003 bij de bevoegde minister een aanvraag in te dienen tot verlenging van de erkenning voor 25 RVT-bedden. IX-4468-5/23 1.
  25. Met een brief van 20 november 2003 deelt de afdeling Welzijnszorg van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap aan het OCMW van Wingene mede dat zijn aanvraag niet ontvankelijk is, omdat krachtens artikel 10 van de op 18 december 1991 gecoördineerde decreten inzake voorzieningen voor bejaarden, elke wijziging van de opnamecapaciteit van een rusthuis onderworpen is aan de regels voor het verkrijgen van een voorafgaande vergunning, zodat een aanvraag vanwege het OCMW van Wingene tot verlenging van de erkenning enkel betrekking kan hebben op de reeds erkende capaciteit van 55 woongelegenheden. 1.
  26. Eveneens op 20 november 2003 vernietigt de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken het onder punt 1.
  27. hiervoor vermelde raadsbesluit van 26 augustus
  28. De minister overweegt dat artikel 10 van de op 18 december 1991 gecoördineerde decreten inzake voorzieningen voor bejaarden bepaalt dat elke wijziging van de opnamecapaciteit van een rusthuis onderworpen is aan de regels voor het verkrijgen van een voorafgaande vergunning; dat niet blijkt dat het OCMW zulk een voorafgaande vergunning heeft verkregen; dat het raadsbesluit van 26 augustus 2003 dienvolgens voorbarig is, niet beantwoordt aan de zorgvuldigheidsplicht en ook de rechtszekerheid niet dient, nu “ernstige vertraging kan opgelopen worden voor een definitieve regeling dat het OCMW dient uit te werken naar aanleiding van diverse arresten van de Raad van State waarbij zij telkenmale in het ongelijk werd gesteld”; dat het raadsbesluit van 26 augustus 2003 bovendien strijdig is met de zorgvuldigheids- en motiveringsplicht, alsook met het voorschrift van artikel 60, § 6, van de OCMW-wet, doordat de aanvraag slechts betrekking heeft op 25 bedden, terwijl het OCMW zelf vermeldt dat het aantal bewoners nog 40 bedraagt, zodat niet blijkt dat “het gevraagde aantal overeenstemt met de bestaande behoefte”. De verzoekende partijen stellen tegen dit vernietigingsbesluit geen beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State. 1.
  29. Op 11 december 2003 besluit de directeur-generaal van de administratie Gezin en Maatschappelijk Welzijn van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap dat de erkenning van 55 woongelegenheden van het rusthuis Sint-Amand, na de overname van het beheer van dat rusthuis door het OCMW van Wingene op datum van 1 oktober 2003, behouden blijft tot 1 maart
  30. IX-4468-6/23 1.
  31. Op 17 december 2003 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn bij de bevoegde minister een aanvraag voor een voorafgaande vergunning tot het inrichten van een rusthuis met 24 bedden in te dienen, evenals een aanvraag van een voorlopige erkenning als rusthuis met 24 bedden. De raad voor maatschappelijk welzijn overweegt dat luidens artikel 7 van het besluit van 10 juli 1985 van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de rechtspleging voor erkenning en sluiting van serviceflatgebouwen, woningcomplexen met dienstverlening en rusthuizen, de aanvraag tot verlenging van de erkenning uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de lopende erkenning moet worden ingediend, zodat thans de termijn om een verlenging van de erkenning -voor dezelfde of voor een verminderde capaciteit- aan te vragen, verstreken is en dat de bestaande vergunning derhalve op 29 februari 2004 van rechtswege zal vervallen; dat het “absurd” zou zijn een nieuwe vergunning en erkenning aan te vragen voor 55 bedden, vermits de door de Vlaamse Regering vastgestelde programmatienormen dit niet toelaten en bovendien de oorspronkelijk vergunde en erkende capaciteit van 55 bedden “volstrekt overtollig” is geworden, nu het aantal bewoners van het rusthuis sedert 1 oktober 2003 is verminderd tot 20; dat de gemeente volgens de programmatienormen van de Vlaamse Regering wel een tekort heeft aan 17 serviceflats en dat de aanvraag van een voorlopige erkenning voor 24 rusthuisbedden een eventuele latere omzetting van die erkenning in serviceflats gemakkelijker kan maken. 1.
  32. Met een aangetekende brief van 15 januari 2004 schrijft de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken aan de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van Wingene : “Aan de hand van de ontvangen lijst met OCMW-besluiten van 17 december 2003 stel ik vast dat een beslissing genomen werd omtrent het bekomen van een voorlopige erkenning en voorafgaande vergunning RVT Sint-Amand m.b.t. 24 rusthuisbedden. Ik meen hieruit te kunnen afleiden dat uw bestuur blijkbaar geen gevolg wenst te geven aan het ministerieel besluit dd. 20 november 2003 houdende vernietiging van het besluit van de raad van het OCMW van Wingene van 26 augustus 2003 waarbij de aanvraag tot verlenging van de erkenning CE181 met ingang van 1 maart 2004 voor 25 RVT-bedden wordt goedgekeurd. Met de genomen beslissing wordt in de praktijk trouwens zelfs nog 1 bed minder gevraagd dan hetgeen voorzien werd met uw besluit van 26 augustus 2003 dat door mij vernietigd werd. Uiteraard gaf ik de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen de opdracht alle beslissingen van 17 december 2003 op te vragen teneinde ze te onderwerpen aan het toezicht. IX-4468-7/23 Los van dit toezichtgegeven stel ik evenwel vast dat uw bestuur met de genomen beslissingen blijkbaar de bedoeling heeft het door de Raad van State gevelde arrest en mijn herhaalde beslissingen met betrekking tot de continuïteit van het rustoord definitief naast zich neer te kunnen leggen. Ik meen dat de belangen van het personeel en van de rusthuisbewoners niet gebaat zijn met deze door uw bestuur ingenomen houding en tolereer dit niet. Met huidig schrijven heb ik dan ook de bedoeling u, conform artikel 113 van de OCMW-wet, uitdrukkelijk te waarschuwen van mijn voornemen tot het zenden van één of meer commissarissen teneinde alle nodige maatregelen en beslissingen te doen nemen indien uzelf, binnen veertien dagen te rekenen vanaf heden, geen volledig gevolg hebt gegeven aan voormeld arrest van de Raad van State en aan mijn herhaalde vernietigingsbesluiten. Ik raad u dan ook aan de verlenging van uw bestaande erkenning overeenkomstig artikel 60 §6 van de organieke wet op de OCMW's aan te vragen”. 1.
  33. Met een brief van 26 januari 2004 zet het OCMW van Wingene aan de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken uiteen dat het aan de arresten van de Raad van State een passend gevolg heeft gegeven door met de VZW Rust- en Verzorgingstehuis Sint-Anna een minnelijke schikking overeen te komen, waarbij de overeenkomsten betreffende de overdracht van het rusthuis Sint-Amand werden ontbonden en het voornoemde rusthuis weer onder het beheer van het OCMW werd gebracht. Voorts geeft het nadere toelichting over het raadsbesluit van 17 december
  34. Het wijst in dat verband op de overschrijding van de door de Vlaamse Regering vastgestelde programmatienormen in de gemeente Wingene, op het verstrijken van de uiterste datum voor het indienen van een aanvraag tot verlenging van de bestaande erkenning en op de gewijzigde bezetting van het rusthuis Sint-Amand sedert de ontbinding van de overeenkomsten tot overdracht. 1.
  35. Op 5 februari 2004 besluit de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken het raadsbesluit van 17 december 2003 te vernietigen. De minister overweegt : “Overwegende dat onderhavig dossier reeds een lange voorgeschiedenis kent; dat onder meer de Raad van State in een arrest nr. 89.802 van 26 september 2000 een besluit van de OCMW-raad van Wingene, houdende de goedkeuring van een reeks wederkerige overeenkomsten met de VZW Sint-Anna die samengevat inhielden dat het OCMW-rusthuis werd overgedragen aan een privaatrechtelijke VZW, vernietigde; Overwegende dat verder de OCMW-raad op 27 juni 2001 de beslissing nam dat er geen noodzaak meer was om het desbetreffende rusthuis zelf nog langer te exploiteren; dat dit besluit door mijn ambt werd vernietigd bij beslissing van IX-4468-8/23 13 april 2002, met als gevolg dat de situatie herleefde zoals na het hierboven vermelde arrest van de Raad van State, dat derhalve had moeten uitgevoerd worden; Overwegende dat het OCMW van Wingene tegen dit besluit een verzoek tot schorsing indiende bij de Raad van State; dat bij arrest nr. 113.428 van 9 december 2002 dit verzoek verworpen werd; Overwegende dat vervolgens het OCMW van Wingene op 26 augustus 2003 besliste bij de bevoegde minister van Welzijn een aanvraag in te dienen houdende verlenging van de erkenning CE 181 met ingang van 1 maart 2004 voor 25 R.V.T.-bedden; dat dit besluit door mijn ambt bij beslissing van 20 november 2003 werd vernietigd; Overwegende dat immers moet worden uitgegaan van het feit dat, aangezien het rusthuis een erkenning bezat voor 55 bedden vóór het opstarten van de procedure tot overdracht waarvan hierboven sprake, na de diverse beslissingen van zowel Raad van State als van mijn ambt, de situatie opnieuw had moeten worden hersteld zoals ze bestond voor de procedure tot overdracht; Overwegende dat het bestuur uit de motiveringen van de hierboven vermelde besluiten duidelijk kon afleiden wat er van hen werd verwacht, met name dat het ook naar de toekomst toe moest blijven instaan voor de exploitatie van een rusthuis met 55 bedden; Overwegende dat niettegenstaande al het voorafgaande het OCMW van Wingene klaarblijkelijk volhardt in de boosheid; dat immers bij besluit van 17 december 2003, dat het voorwerp uitmaakt van onderhavig besluit, de OCWM-raad andermaal beslist bij de bevoegde minister van Welzijn een vooraf- gaande vergunning tot het inrichten van een rusthuis van 24 bedden alsmede een aanvraag tot het bekomen van een voorlopige erkenning van een rusthuis voor 24 bedden in te dienen; Overwegende dat het dus klaar en duidelijk is dat het bestuur de intentie heeft om het rusthuis de facto af te bouwen en zodoende blijft pogen zich aan de gevolgen van de Raad van State arresten en de ministeriële vernietigingsbesluiten te onttrekken; dat dit getuigt van een doorgedreven onwil in hoofde van het bestuur; Overwegende dat het nochtans volkomen onaanvaardbaar is dat een lokaal bestuur de vernietigingsbesluiten van de toezichthoudende overheid miskent; dat dit immers de normale werking van de rechtstaat in het gedrang brengt; dat een bestuur dat het niet eens is met de beslissingen van de toezichthoudende overheid enkel en alleen de ter zake georganiseerde rechtsmiddelen kan inzetten; dat het in alle gevallen onaanvaardbaar is dat het bestuur blijvend beslissingen neemt die regelrecht indruisen tegen de motieven van de hogere overheid; Overwegende dat het hele dossier en de motivering in de beslissing van 17 december 2003 voor het overige geen andere elementen bevat die ertoe zouden kunnen leiden dat de toezichthoudende overheid haar vaststaande en meermaals uiteengezette opinie zou dienen te herzien; dat aldus ook vaststaat dat artikel 60, § 6 van de OCMW-wet blijvend geschonden blijft; Overwegende dat, uit hetgeen voorafgaat, de enige conclusie kan zijn dat het besluit van de raad van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van Wingene van 17 december 2003 met betrekking tot het indienen van de aanvraag voor het verlenen van een voorlopige erkenning en voorafgaande vergunning R.V.T. Sint-Amand uit het rechtsverkeer dient verwijderd te worden;”. De verzoekende partijen dienen tegen dit vernietigingsbesluit geen beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State. IX-4468-9/23 1.
  36. Op 11 februari 2004 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn bij de bevoegde minister een aanvraag tot een voorafgaande vergunning en een voorlopige erkenning voor 14 rusthuisbedden in te dienen “teneinde na 1 maart 2004 het rusthuis geleidelijk verder te kunnen afbouwen en de bewoners te herplaatsen bij voorkeur in een rusthuis van hun gemeente van herkomst”. De raad voor maatschappelijk welzijn overweegt hierbij : “Overwegende dat een aanvraag tot verlenging ingevolge artikel 7 van het B.V.R. van 10 juli 1985 tot vaststelling van de rechtspleging voor erkenning van rusthuizen de aanvraag tot verlenging uiterlijk zes maanden voor de afloop ervan en mitsdien vóór 1 september 2003 moest ingediend zijn; Overwegende dat deze limietdatum is verstreken en dat de erkenning afloopt op 29 februari 2004 zodat enkel nog een nieuwe voorlopige erkenning kan bekomen worden mits vooraf een voorafgaande vergunning wordt bekomen; Overwegende dat blijkens artikel 10, tweede lid van het decreet van 10 december 1991 de aldaar bedoelde voorafgaandelijke vergunning, en mitsdien erkenning, niet kan verleend worden ‘wanneer het initiatief niet past in het kader van het programma dat door de regering is vastgesteld’; (...) Overwegende dat uit het arrest nr. 82.234 dd. 13 september 1999 gewezen door de voltallige Kamer blijkt dat de Raad van State ondubbelzinnig heeft beslist dat een OCMW geen rechtsplicht heeft tot het inrichten of continueren van een rusthuis, tenzij er daartoe een maatschappelijke noodzaak bestaat. Het arrest zegt dat bij de concrete appreciatie omtrent het al dan niet bestaan van zulke noodzaak, de Raad van het OCMW over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt; Overwegende de vaststelling dat er op 1 oktober in de gemeente drie rusthuizen aanwezig waren met een gezamenlijke beddencapaciteit van 215 bedden en het programmatiecijfer door de Vlaamse Regering werd vastgesteld op 154 rusthuisbedden; dat er volgens deze programmatiecijfers een tekort is van 17 serviceflats; Overwegende dat het totaal verouderde OCMW-rusthuis waarvan het ene deel dateert van 1874 en het andere van 1971 slechts over een erkenning voor 55 bedden beschikt tot 29 februari 2004; Overwegende dat het bewonersaantal stelselmatig verminderde en dat er heden nog 14 bewoners verblijven in het OCMW-rusthuis; dat hiervan 5 bewoners afkomstig zijn uit de eigen gemeente; dat er zich onder de 9 bewoners uit andere gemeenten 6 psychiatrische patiënten bevinden die niet tot de doelgroep van de rusthuiswerking behoren; Overwegende de overprogrammatie, de totaal verouderde inrichting, het zwaar deficitair beheer dat door de ontvanger geraamd wordt op 3.500,00 euro per rusthuisbed per jaar, en de daling van het aantal bewoners;”. 1.
  37. Op 16 februari 2004 besluit de directeur-generaal van de administratie Gezondheidszorg van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap dat de erkenning van 25 van de 55 bedden van het rusthuis Sint-Amand als RVT-bedden behouden blijft na de overname van het beheer ervan op 1 oktober 2003 door het OCMW van Wingene. IX-4468-10/23 1.
  38. Op 23 februari 2004 neemt de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken de volgende beslissing : “Artikel 1 - de heer Bruno VANMARCKE, afdelingshoofd bij de provinciale afdeling West-Vlaanderen van de administratie Binnenlandse Aangelegenheid van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, wordt aangesteld als bijzondere commissaris met als opdracht om zich, op de persoonlijke kosten van de raadsleden van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van Wingene die verzuimd hebben aan de waarschuwing gevolg te geven, ter plaatse te begeven en in de plaats te treden van de OCMW-raad teneinde, bij hoogdringendheid bij toepassing van artikel 30, tweede lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de hiema volgende beslissingen te treffen :
  39. alle besluiten die indruisen tegen de opdracht verwoord in het aangetekend schrijven van mijn ambt van 15 januari 2004 en die betrekking hebben op het indienen van een aanvraag tot verlenging van de bestaande erkenning voor 55 rusthuisbedden -en in eerste instantie het besluit van de OCMW-raad van Wingene van 11 februari 2004 houdende de aanvraag voor een voorafgaande vergunning en voorlopige erkenning voor 14 rusthuisbedden- intrekken;
  40. gelet op de vaststelling dat het rusthuis niet beschikt over een dagelijkse verantwoordelijke, onmiddellijk een personeelslid van het OCMW aanduiden als tijdelijke dagelijkse verantwoordelijke in afwachting van de definitieve aanstelling van een dagelijkse verantwoordelijke en bij de erkennende overheid een gemotiveerde afwijking op de geldende erkenningsnorm aanvragen, gezien de persoon die aangeduid wordt om de functie van tijdelijke dagelijkse verantwoordelijke op te nemen deze functie in cumulatie met een andere activiteit uitoefent. Tevens de opdracht geven aan de voorzitter en de OCMW- secretaris, hierin bijgestaan door de OCMW-administratie, om onmiddellijk de procedure op te starten tot aanstelling van een dagelijkse verantwoordelijke voor het rusthuis;
  41. vóór 1 maart 2004 bij de ter zake bevoegde administratie een aanvraag indienen tot het bekomen van de verlenging van de erkenning van het rusthuis voor 55 woongelegenheden conform artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 10 juli 1985 tot vaststelling van de rechtspleging voor erkenning en sluiting van serviceflatgebouwen, woningcomplexen met dienstverlening, en rusthuizen, gewijzigd bij besluiten van de Vlaamse regering van 17 april 1991, 18 december 1998, 28 januari 2000 en 7 juni 2002;
  42. vóór 1 maart 2004 bij de ter zake bevoegde administratie een gemotiveerde aanvraag indienen tot het bekomen van een tijdelijke afwijking op de erkenningsnormen waarop tijdens het inspectiebezoek van 9 februari 2004 tekorten werden vastgesteld, aangezien een rusthuis in toepassing van de vigerende wetgeving enkel kan worden erkend als het voldoet aan de geldende erkenningsnormen of als er voor de vastgestelde tekorten op de erkenningsnormen een afwijking, al dan niet tijdelijk, wordt bekomen;
  43. de opdracht geven aan de voorzitter en de OCMW-secretaris, hierin bijgestaan door de OCMW-administratie, om indien de verlenging van de erkenning als rusthuis bekomen wordt, de nodige acties te nemen tot het bekomen en behouden van alle wettelijk vereiste erkenningen en vergunningen;
  44. vóór 1 maart 2004 een aanvraag indienen tot verlenging van de erkenning voor 25 bedden RVT, conform de bepalingen van het Besluit van de Vlaamse regering d.d. 18.02.1997 tot vaststelling van de procedure voor de erkenning en de sluiting van rust- en verzorgingstehuizen, psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen en samenwerkingsverbanden van psychiatrische instellingen en diensten; IX-4468-11/23
  45. de opdracht geven aan de voorzitter en de OCMW-secretaris, hierin bijgestaan door de OCMW-administratie, om indien de verlenging van de erkenning als RVT bekomen wordt, de nodige acties te nemen tot het bekomen en behouden van al de wettelijk vereiste vergunningen en erkenningen, die dienstig zijn voor deze RVT-erkenning. Artikel 2 - de heer Bruno Vanmarcke kan zich voor het uitvoeren van zijn opdracht laten bijstaan door ambtenaren van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap”. Deze beslissing steunt op de volgende overwegingen : “Overwegende dat onderhavig dossier reeds een lange voorgeschiedenis kende; dat onder meer de Raad van State in een arrest nr. 89.802 van 26 september 2000 een besluit van de OCMW-raad van Wingene, houdende de goedkeuring van een reeks wederkerige overeenkomsten met de VZW Sint- Anna die samengevat inhielden dat het OCMW-rusthuis werd overgedragen aan een privaatrechtelijke VZW, vernietigde; Overwegende dat verder de OCMW-raad op 27 juni 2001 de beslissing nam dat er geen noodzaak meer was om het desbetreffende rusthuis zelf nog langer te exploiteren; dat dit besluit door mijn ambt werd vernietigd bij beslissing van 13 april 2002, met als gevolg dat de situatie herleefde zoals na het hierboven vermelde arrest van de Raad van State, dat derhalve had moeten uitgevoerd worden; Overwegende dat het OCMW van Wingene tegen dit besluit een verzoek tot schorsing indiende bij de Raad van State; dat bij arrest nr. 113.428 van 9 december 2002 dit verzoek verworpen werd; Overwegende dat vervolgens het OCMW van Wingene op 26 augustus 2003 besliste bij de bevoegde minister van Welzijn een aanvraag in te dienen houdende verlenging van de rusthuiserkenning van Sint-Amand (CE 181) met ingang van 1 maart 2004 voor 25 RVT-bedden; dat dit besluit door mijn ambt bij beslissing van 20 november 2003 werd vernietigd; Overwegende dat immers moet worden uitgegaan van het feit dat, aangezien het rusthuis een erkenning bezat voor 55 bedden vóór het opstarten van de procedure tot overdracht waarvan hierboven sprake, na de diverse beslissingen van zowel Raad van State als van mijn ambt, de situatie opnieuw had moeten worden hersteld zoals ze bestond voor de procedure tot overdracht; Overwegende dat bij besluit van de directeur-generaal van 25 juni 2002 de erkenning van het rusthuis, beheerd door de VZW 'Rust- en Verzorgingstehuis Sint-Anna - Wingene', Beernemstraat 14 te 8750 Wingene verlengd werd van 1 maart 2002 tot 1 maart 2004 voor maximaal 55 woongelegenheden; Overwegende dat bij besluit van de directeur-generaal van 31 juli 2002 aan de VZW ‘Rust- en Verzorgingstehuis Sint-Anna - Wingene’, Beernemstraat 14 te 8750 Wingene de verlenging van de erkenning als rust- en verzorgingstehuis verleend werd voor 25 bedden in het rusthuis ‘RVT Sint Anna’ Campus Hoogweg, gelegen Hoogweg 16 te 8750 Wingene, tot en met 29 februari 2004; Overwegende dat bij besluit van de directeur-generaal van 11 december 2003 de erkenning van het rusthuis voor maximaal 55 woongelegenheden behouden blijft na overname van het beheer ervan met ingang van 1 oktober 2003 door het OCMW van Wingene; Overwegende dat bij besluit van de directeur-generaal van 16 februari 2004 de erkenning als rust- en verzorgingstehuis voor 25 bedden behouden blijft na overname van het beheer ervan met ingang van 1 oktober 2003 door het OCMW van Wingene; IX-4468-12/23 Overwegende dat het bestuur uit de motiveringen van de hierboven vermelde besluiten duidelijk kon afleiden wat er van hen wordt verwacht, met name dat het ook naar de toekomst toe moet blijven instaan voor de exploitatie van een rusthuis met 55 bedden; Overwegende dat echter uit hetgeen voorafgaat overduidelijk blijkt dat het OCMW van Wingene klaarblijkelijk volhardt in de boosheid, en duidelijk de bedoeling heeft om na 1 maart 2004 geen rusthuis met 55 bedden meer uit te baten; dat immers bij besluit van 17 december 2003 de OCWM-raad andermaal besliste bij de bevoegde minister van Welzijn een voorafgaande vergunning tot het inrichten van een rusthuis van 24 bedden alsmede een aanvraag tot het bekomen van een voorlopige erkenning van een rusthuis voor 24 bedden in te dienen; Overwegende dat het dus klaar en duidelijk is dat het bestuur de intentie heeft om het rusthuis de facto af te bouwen en zodoende blijft pogen zich aan de gevolgen van de Raad van State arresten en de ministeriële vernietigingsbesluiten te onttrekken; dat dit getuigt van een doorgedreven onwil in hoofde van het bestuur; Overwegende dat deze intentie trouwens met zoveel woorden wordt aangetoond in het dispositief van het besluit van de OCMW-raad van 11 februari 2004 houdende de aanvraag tot een voorafgaande vergunning en voorlopige erkenning voor veertien rusthuisbedden letterlijk als motivering wordt aangehaald 'teneinde na 1 maart 2004 het rusthuis geleidelijk verder te kunnen afbouwen en de bewoners te herplaatsen bij voorkeur in een rusthuis van hun gemeente van herkomst'; Overwegende dat dit besluit, dat werd getroffen nadat mijn ambt bij brief van 15 januari 2004 duidelijk had gesuggereerd dat een aanvraag moest worden ingediend voor 55 rusthuisbedden teneinde de situatie van voor de overdracht aan de VZW te herstellen, derhalve niet alleen getuigt van onwil van het bestuur, zoals supra reeds werd aangehaald, maar van een volledige minachting van de toezichthoudende overheid; Overwegende dat het volkomen onaanvaardbaar is dat een lokaal bestuur de vernietigingsbesluiten van de toezichthoudende overheid miskent; dat dit immers de normale werking van de rechtstaat in het gedrang brengt; dat een bestuur dat het niet eens is met de beslissingen van de toezichthoudende overheid enkel en alleen de ter zake georganiseerde rechtsmiddelen kan inzetten; dat het in alle gevallen onaanvaardbaar is dat het bestuur blijvend beslissingen neemt die regelrecht indruisen tegen de motieven van de hogere overheid; Overwegende dat het hele dossier en de motivering in de beslissingen van 17 december 2003 en 11 februari 2004 voor het overige geen andere elementen bevatte die ertoe zouden kunnen leiden dat de toezichthoudende overheid haar vaststaande en meermaals uiteengezette opinie zou dienen te herzien; dat aldus ook vaststaat dat artikel 60, § 6 van de OCMW-wet blijvend geschonden blijft; Overwegende dat aan de brief van 15 januari 2004 van mijn ambt geen gevolg werd gegeven binnen de daarin vooropgestelde termijn; Overwegende dat het OCMW aldus verzuimd heeft gevolg te geven aan de officiële waarschuwing die haar werd gestuurd in uitvoering van artikel 113 van de OCMW-wet; Overwegende dat het dan ook gepast voorkomt de procedure van dwangtoezicht, ingezet bij aangetekend schrijven van 15 januari 2004 waarbij een officiële waarschuwing werd verstuurd conform artikel 113 van de OCMW- wet voorafgaandelijk aan het sturen van een bijzonder commissaris, verder te zetten; Overwegende dat het feit dat in casu bovendien de toepassing van artikel 30, tweede lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, zich opdringt; dat de door de bijzondere IX-4468-13/23 commissaris te nemen beslissingen bij hoogdringendheid moeten getroffen worden; Overwegende immers dat de lopende erkenning afloopt op 29 februari 2004; dat, teneinde de verdere uitbating van het rusthuis te verzekeren, ook vóór 1 maart 2004 een aanvraag moet worden ingediend tot het bekomen van een verlenging van de erkenning van het rusthuis voor 55 woongelegenheden alsmede tot de verlenging van de erkenning voor 25 RVT-bedden; Overwegende dat deze bijzondere commissaris de opdracht krijgt om, in de plaats van de OCMW-raad van Wingene, bij hoogdringendheid, alle nodige maatregelen en beslissingen te nemen zoals verwoord in het aangetekend schrijven van mijn ambt van 15 januari 2004, te weten: [ ... ] Overwegende dat tevens dient te worden opgemerkt dat het OCMW van Wingene naast een erkenning als rusthuis, eveneens een erkenning bezit als RVT; dat uiteraard ook deze situatie na 29 februari 2004 dient behouden te worden; Overwegende derhalve dat de opdracht van de bijzonder commissaris moet worden uitgebreid met het nemen van de hiernavolgende acties”. Die beslissing maakt het eerste voorwerp uit van de vordering tot schorsing in de zaak A.149.979/IX-
  46. 1.
  47. Op 24 februari 2004 begeeft de aangestelde bijzonder commissaris zich ter plaatse en neemt hij bij hoogdringendheid, in plaats van de raad voor maatschappelijk welzijn, de opgedragen beslissingen. Deze beslissingen maken het tweede voorwerp uit van de vordering tot schorsing in de zaak A.149.979/IX-
  48. 1.
  49. Met brieven van 24 februari 2004 dient de bijzonder commissaris bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap aanvragen in om een verlenging te krijgen van de erkenning van het rusthuis Sint-Amand voor maximaal 55 woongelegenheden en 25 RVT-bedden. 1.
  50. Met besluiten van 25 februari 2004 verleent de Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen aan het OCMW van Wingene vooreerst, met afwijking van een aantal erkenningsnormen, een verlenging van de erkenning van het rusthuis Sint-Amand met ingang van 1 maart 2004 tot en met 28 februari 2006 voor maximaal 54 woongelegenheden en voorts een verlenging van de erkenning van het rusthuis Sint-Amand voor 25 RVT-bedden voor dezelfde termijn. Deze besluiten maken het voorwerp uit van de vordering tot schorsing in de zaak A.149.978/IX-
  51. IX-4468-14/23
  52. Overwegende dat de besluiten van 25 februari 2004 van de Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen die het voorwerp uitmaken van de vordering in de zaak A. 149.978/IX-4468 tot stand gekomen zijn ingevolge de uitvoering van de besluiten die het voorwerp uitmaken van de vordering in de zaak A. 149.979/IX-4469; dat de beide beroepen verknocht zijn en samengevoegd dienen te worden in het belang van een goede rechtsbedeling; 3.
  53. Overwegende dat de verwerende partij in de zaak A. 149.979/IX-4469 opwerpt dat de verzoekende partijen geen geoorloofd belang bij hun vordering hebben, aangezien zij nagelaten hebben bij de Raad van State een vordering tot schorsing en/of een beroep tot nietigverklaring in te dienen tegen: - het besluit van 20 november 2003 van de afdeling Welzijnszorg van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap waarbij de aanvraag van het OCMW van Wingene tot verlenging van de erkenning van het rusthuis Sint-Amand voor 25 woongelegenheden als onontvankelijk wordt afgewezen; - het besluit van 20 november 2003 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken houdende de vernietiging van het besluit van 26 augustus 2003 van de raad voor maatschappelijk welzijn van Wingene tot goedkeuring van de aanvraag van een erkenning voor 25 RVT-bedden; - het besluit van 5 februari 2004 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken houdende de vernietiging van het besluit van 17 december 2003 van de raad voor maatschappelijk welzijn van Wingene tot goedkeuring van de aanvraag van een voorafgaande vergunning en een voorlopige erkenning voor 24 bedden; dat de verwerende partij ook nog vaststelt dat de tweede verzoekende partij reeds tot twee keer toe “in het ongelijk is gesteld” door de Raad van State, namelijk bij het arrest nr. 89.802 van 26 september 2000 en het arrest nr. 113.428 van 9 december 2002; dat volgens haar het onaanvaardbaar is dat een lokaal bestuur de vernietigingsbesluiten van de toezichthoudende overheid miskent; dat de normale werking van de rechtsstaat daardoor immers in het gedrang wordt gebracht; dat een bestuur dat het niet eens is met de beslissingen van de toezichthoudende overheid enkel en alleen de ter zake georganiseerde rechtsmiddelen kan aanwenden; dat het hoe dan ook onaanvaardbaar is dat het bestuur blijvend beslissingen neemt die regelrecht indruisen tegen de niet-bestreden motieven van de hogere overheid; dat volgens de verwerende partij een bestuur dat wordt geconfronteerd met beslissingen van de toezichthoudende overheid twee opties heeft: ofwel schikt het zich naar die beslissingen, ofwel wendt het tegen die beslissingen de georganiseerde IX-4468-15/23 rechtsmiddelen aan, doch dat de verzoekende partijen al jaren kiezen voor een onaanvaardbare derde optie, namelijk “de beslissingen van de toezichthoudende overheid flagrant naast zich neerleggen en er blijvend tegenin gaan door het nemen van nieuwe beslissingen met hetzelfde oogmerk”; dat de verwerende partij besluit dat de verzoekende partijen, doordat ze zich onrechtmatig hebben onttrokken aan de niet-bestreden besluiten van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken en de Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen, alsook aan de arresten van de Raad van State, geen geoorloofd belang hebben bij de voorliggende vordering; dat zij ter staving van haar standpunt verwijst naar het arrest nr. 88.282, gemeente Zele, van 27 juni 2000; 3.2.
  54. Overwegende dat het ministerieel besluit van 23 februari 2004 houdende de aanstelling van een bijzonder commissaris gemotiveerd is door de vaststelling dat het OCMW van Wingene, door steeds een erkenning na te streven voor minder dan 55 rusthuisbedden, weigert gevolg te geven aan de ministeriële vernietigingsbesluiten van 20 november 2003 en 5 februari 2004 en andere besluiten en brieven waaruit de vaststaande mening van de minister blijkt dat “aangezien het rusthuis een erkenning bezat voor 55 bedden vóór het opstarten van de procedure tot overdracht (...), na de diverse beslissingen van zowel Raad van State als van mijn ambt, de situatie opnieuw had moeten worden hersteld zoals ze bestond voor de procedure tot overdracht”; 3.2.
  55. Overwegende dat het ministerieel besluit tot aanstelling van een bijzonder commissaris aldus voorkomt als een beslissing genomen om de uitvoering te verzekeren van de voormelde vernietigingsbesluiten van 20 november 2003 en 5 februari 2004 of van een van beide; dat die besluiten niet voor de Raad van State zijn bestreden; dat indien het juist zou blijken te zijn dat, zoals de verwerende partij stelt, teneinde uitvoering te geven aan die besluiten het OCMW ertoe gehouden was om al het nodige te doen om de erkenning voor 55 rusthuisbedden te behouden, de verzoekende partijen niet ontvankelijk meer kunnen opkomen tegen de aanstelling van de bijzonder commissaris, aangezien in die hypothese de verplichting om de erkenning voor 55 rusthuisbedden te behouden blijft gelden; dat de vraag of die verplichting uit de voornoemde vernietigingsbesluiten voortvloeit hierna wordt onderzocht; 3.2.3.
  56. Overwegende dat het besluit van 20 november 2003 houdende vernietiging van het besluit van 26 augustus 2003 van de raad voor maatschappelijk IX-4468-16/23 welzijn van Wingene om vóór 1 september 2003 bij de bevoegde minister een aanvraag in te dienen tot verlenging van de erkenning van het rusthuis Sint-Amand met ingang van 1 maart 2004 voor 25 RVT-bedden overwoog, eendeels dat krachtens artikel 10 van de op 18 december 1991 gecoördineerde decreten inzake voorzieningen voor bejaarden een wijziging van de opnamecapaciteit van een rusthuis onderworpen is aan de regels betreffende het verkrijgen van een voorafgaande vergunning en dat niet bleek dat het OCMW van Wingene een dergelijke vergunning had verkregen, anderdeels dat niet bleek dat de aangevraagde verlenging van de erkenning voor 25 bedden overeenstemde met de werkelijk bestaande behoefte, nu het OCMW zelf aangaf dat het aantal bewoners nog 40 bedroeg; dat geen van die twee vernietigingsmotieven er als zodanig aan in de weg stond dat de raad voor maatschappelijk welzijn een nieuw besluit nam tot het aanvragen van een voorafgaande vergunning en voorlopige erkenning voor een lager aantal rustoordbedden dan voorheen; 3.2.3.
  57. Overwegende dat het besluit van 5 februari 2004 houdende de vernietiging van het raadsbesluit van 17 december 2003 om een voorafgaande vergunning en voorlopige erkenning aan te vragen voor 24 bedden, echter onomwonden de rechtsopvatting huldigde dat uit het arrest nr. 89.802 van 26 september 2000 en het arrest nr. 113.428 van 9 december 2002 van de Raad van State aangaande de aanvankelijk overeengekomen overdracht van het rusthuis Sint-Amand aan de VZW Rust- en Verzorgingstehuis Sint-Anna, alsook uit zijn eigen toezichtsbesluiten van 13 april 2002 en 20 november 2003, kon worden afgeleid dat het OCMW van Wingene ook in de toekomst diende in te staan voor de exploitatie van een rusthuis met 55 bedden en dat het derhalve een verlenging, ingaande op 1 maart 2004, van de bestaande erkenningen diende aan te vragen; dat na de kennisneming van dat vernietigingsbesluit er voor de verzoekende partijen geen redelijke twijfel kon bestaan over hetgeen, naar de opvatting van de toezichthoudende overheid, de uitvoering van het arrest nr. 89.802 van 26 september 2000 en het arrest nr. 113.428 van 9 december 2002 van de Raad van State en van de eigen toezichtsbesluiten van 13 april 2002 en 20 november 2003 vergde; dat zoals gezegd de verzoekende partijen dat vernietigingsbesluit echter niet met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State hebben bestreden; dat de aanstelling van een bijzonder commissaris dan ook voorkomt als een maatregel om daadwerkelijk de uitvoering te verzekeren van wat blijkens het vernietigingsbesluit van 5 februari 2004 de minister als de plicht van het OCMW van Wingene beschouwde; dat de directe aanleiding daartoe was, het nieuw besluit van 11 februari 2004 van de raad voor maatschappelijk welzijn, om een aanvraag van een vooraf-gaande vergunning IX-4468-17/23 en een voorlopige erkenning in te dienen voor 14 rusthuisbedden “teneinde na 1 maart 2004 het rusthuis geleidelijk verder te kunnen afbouwen en de bewoners te herplaatsen bij voorkeur in een rusthuis van hun gemeente van herkomst”; 3.2.3.
  58. Overwegende dat uit deze overwegingen bovendien kennelijk blijkt dat de raad voor maatschappelijk welzijn van Wingene zich verzet tegen de rechtsopvatting waarop de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken zijn niet-bestreden vernietigingsbesluit van 5 februari 2004 heeft gesteund en dat de raad vasthoudt aan zijn eigen standpunt dat hij boven dat van de minister stelt en daardoor -met miskenning van het in artikel 162, 6/, van de gecoördineerde Grondwet vervatte beginsel van het administratief toezicht- de manifeste onwil heeft getoond om zich naar die opvatting te gedragen; dat het OCMW derhalve ook niet lijkt te beschikken over een geoor- loofd belang om de nietigverklaring en de schorsing te vorderen van de beslissing van 23 februari 2004 van de minister tot aanstelling van een bijzonder commissaris en van de beslissingen van 24 februari 2004 van de bijzonder commissaris, die er precies toe strekken deze onwil van het OCMW ongedaan te maken aan de hand van dwangmaatregelen die datgene waartoe, volgens de eerder niet-bestreden rechtsopvatting van de toezichthoudende overheid, het arrest nr. 89.802 van 26 september 2000 en het arrest nr. 113.428 van 9 december 2002 van de Raad van State en de vernietigingsbesluiten van de toezichthoudende overheid noopten, ten uitvoer beogen te leggen; 3.2.3.
  59. Overwegende dat de verzoekende partijen voorts niet aanvoeren dat de formele voorwaarden voor het uitoefenen van het dwangtoezicht niet waren vervuld; dat zij in het tweede onderdeel van het eerste middel weliswaar laten gelden dat er aan de kant van het OCMW geen bindende plicht bestond om “maatregelen ten uitvoer te brengen”, zoals voorgeschreven door artikel 113 van de OCMW-wet, doch dit standpunt wederom strijdt met de eerder niet-bestreden rechtsopvatting van de toezichthoudende overheid welke tot uiting is gebracht in het vernietigingsbesluit van 5 februari 2004 en volkomen werd genegeerd, waardoor de verzoekende partijen ook op dit punt geen geoorloofd belang kunnen laten gelden; 3.2.
  60. Overwegende dat de door de verwerende partij opgeworpen exceptie in zoverre gegrond moet worden verklaard in de huidige stand van de rechtspleging; dat ze echter alleen geldt ten aanzien van de eerste en de tweede verzoekende partij, aan wier onwil de bestreden maatregelen een einde hebben willen maken; dat ze niet geldt ten aanzien van de derde verzoekende partij -de gemeente IX-4468-18/23 Wingene- die als een van het OCMW te onderscheiden rechtspersoon geen rechtstreeks belang zou hebben gehad bij een beroep tot nietigverklaring van het vernietigingsbesluit van 5 februari 2004 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken dat alleen een besluit van het OCMW als voorwerp had; 3.2.
  61. Overwegende dat de derde verzoekende partij op het eerste gezicht echter ook geen rechtstreeks belang heeft bij het beroep tot nietigverklaring en de vordering tot schorsing van de thans bestreden besluiten; dat, immers, louter het feit dat de gemeente Wingene krachtens artikel 106 van de OCMW-wet ertoe gehouden is een financieel tekort van het OCMW te dragen en dat de verdere exploitatie van het rusthuis Sint-Amand eventueel negatieve gevolgen kan hebben voor dat tekort, aan de gemeente slechts een onrechtstreeks en potentieel belang verleent bij de nietigverklaring van de beslissingen die tot die verdere exploitatie nopen; dat een dergelijk belang niet beantwoordt aan het begrip rechtstreeks en zeker belang zoals vereist door artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; 3.2.
  62. Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat de vordering tot schorsing in de zaak A. 149.979/IX-4469 aan de kant van geen der verzoekende partijen ontvankelijk is;
  63. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 5.
  64. Overwegende dat de verzoekende partijen in de zaak A. 149.978/IX-4468 als enig middel de schending aanvoeren van artikel 7, § 1, van het besluit van 10 juli 1985 van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de rechtspleging voor erkenning en sluiting van serviceflatgebouwen, woningcomplexen met dienstverlening en rusthuizen, van artikel 13, § 1, van het besluit van 18 februari 1997 van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de procedure voor de erkenning en de sluiting van rust- en verzorgingstehuizen, psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen en samenwerkingsverbanden van psychiatrische instellingen en diensten, van het motiveringsbeginsel, van het zorgvuldigheidsbeginsel, van artikel 10, eerste en tweede lid, van de op 18 december IX-4468-19/23 1991 gecoördineerde decreten inzake voorzieningen voor bejaarden en de uitvoeringsbesluiten daarvan; dat zij betogen dat de erkenningen van het rusthuis Sint-Amand voor 55 woongelegenheden en 25 RVT-bedden verstreken op 1 maart 2004, zodat krachtens artikel 7, § 1, van het voornoemde besluit van 10 juli 1985 van de Vlaamse Regering en artikel 13, § 1, van het voornoemde besluit van 18 februari 1997 van de Vlaamse Regering, de aanvragen tot verlenging van die erkenningen uiterlijk op 1 september 2003 ingediend hadden moeten zijn, dat de door de bestreden besluiten toegestane verlengingen pas op 24 februari 2004 werden aangevraagd, dat de minister die aanvragen dan ook als onontvankelijk had moeten verwerpen in plaats van ze in te willigen en dat, door dat niet te doen, hij niet alleen de voornoemde reglementaire bepalingen geschonden heeft, maar ook tekortgekomen is aan de zorgvuldigheids-plicht; dat volgens de verzoekende partijen immers niet valt in te zien hoe hij, die doorgaans voor zulke aanvragen meerdere weken en maanden onderzoekstijd nodig heeft, nu plots in een paar uur tijd de beide aanvragen aan een zorgvuldig, nauwkeurig en kritisch onderzoek heeft kunnen onderwerpen; dat de verzoekende partijen bijkomend argumenteren dat de te laat ingediende aanvragen hoogstens behandeld kunnen worden als eerste erkenningsaanvragen, maar dan het OCMW, overeenkomstig het voorschrift van artikel 10, eerste en tweede lid, van de op 18 december 1991 gecoördineerde decreten inzake voorzieningen voor bejaarden, een voorafgaande vergunning had moeten krijgen, wat niet het geval is, en de minister had moeten nagaan of de aanvragen konden worden ingepast in de vastgestelde programmatienormen, wat evenmin is gebeurd; 5.2.
  65. Overwegende dat artikel 7, § 1 en § 2, van het besluit van 10 juli 1985 van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de rechtspleging voor erkenning en sluiting van serviceflatgebouwen, woningcomplexen met dienstverlening en rusthuizen, in verband met de aanvraag tot verlenging van de erkenning van een rusthuis bepaalt : “§
  66. De aanvraag tot verlenging van de erkenning dient door de aanvrager uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de lopende erkenning ingediend te worden bij de Administratie Gezin en Maatschappelijk Welzijn. §
  67. Bij de aanvraag dienen de documenten vermeld onder artikel 2 gevoegd te worden.”; dat artikel 2 van het voornoemde besluit uitdrukkelijk bepaalt dat de erkenningsaanvraag, om ontvankelijk te zijn, vergezeld moet zijn van een aantal bescheiden; IX-4468-20/23 Overwegende dat artikel 13, § 1 en § 2, van het besluit van 18 februari 1997 van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de procedure voor de erkenning en de sluiting van rust- en verzorgingstehuizen, psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen en samenwerkingsverbanden van psychiatrische instellingen en diensten, in verband met de aanvraag tot verlenging van de erkenning van een rust- en verzorgingstehuis onder meer bepaalt: “§
  68. De aanvrager dient de aanvraag tot verlenging van erkenning uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de lopende erkenning bij de administratie in te dienen. §
  69. Bij de aanvraag tot verlenging van erkenning dienen de rust- en verzorgingstehuizen de documenten te voegen vermeld in artikel 3, § 2, 1/, e) tot en met i).”; dat artikel 3, § 2, van het voornoemde besluit bepaalt dat de aanvraag van een erkenning, “op straffe van onontvankelijkheid”, per aangetekende brief bij de administratie moet worden ingediend, samen met een aantal documenten; 5.2.
  70. Overwegende dat de voormelde bepalingen niet uitdrukkelijk op straffe van niet-ontvankelijkheid voorschrijven dat de aanvraag tot verlenging van een erkenning uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de lopende erkenning bij de administratie moeten worden ingediend; dat, nu de regelgever sommige andere vormvereisten wel uitdrukkelijk op straffe van niet-ontvankelijkheid heeft voorgeschreven, in de huidige stand van de rechtspleging aangenomen moet worden dat die sanctie niet van toepassing is bij een laattijdige aanvraag; dat de voor- geschreven uiterste datum voor de indiening van de aanvraag veeleer ertoe lijkt te strekken het bestuur in de mogelijkheid te stellen de nodige tijd aan het onderzoek van de aanvraag te besteden en alsnog tijdig een beslissing te nemen, dat wil zeggen nog vooraleer de lopende erkenning is vervallen; dat die vereiste derhalve voorgeschreven is in het belang van het bestuur, zodat de laattijdigheid van een aanvraag er niet aan in de weg staat dat het bestuur in het concrete geval toch in de mogelijkheid is die aanvraag te onderzoeken en er nog voor het verstrijken van de lopende erkenning een beslissing over te nemen; dat dan ook geen reden voorhanden is om te stellen, zoals de verzoekende partijen, dat een laattijdige aanvraag tot verlenging van een erkenning behandeld zou moeten worden als een aanvraag van een nieuwe erkenning; 5.2.
  71. Overwegende dat, zoals de verwerende partij terecht laat gelden, de verzoekende partijen bovendien niet aantonen dat de verwerende partij, nu zij onmiddellijk een beslissing over de aanvragen tot verlenging van de erkenningen IX-4468-21/23 heeft verleend, een onzorgvuldige beslissing heeft genomen; dat het dossier van het rusthuis Sint-Amand aan het bestuur voldoende bekend was om onverwijld een beslissing te kunnen nemen; dat de verwerende partij er ook terecht op wijst dat die beslissing met kennis van zaken kon worden genomen, nu zij kon steunen op recente inspectieverslagen; dat het enige middel in de zaak A. 149.978/IX-4468 niet ernstig is;
  72. Overwegende dat niet voldaan is aan één van de twee in artikel 17, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalde cumulatieve grondvoorwaarden voor het bevelen van de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten; dat die vaststelling, samen met de vaststelling dat de vordering in de zaak A.149.979/IX-4469 niet ontvankelijk is, volstaat om de beide vorderingen tot schorsing te verwerpen, BESLUIT: Artikel
  73. De zaken nrs. A. 149.978/IX-4468 en 149.979/IX-4469 worden gevoegd. Artikel
  74. De vorderingen tot schorsing worden verworpen. Artikel
  75. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vorderingen tot schorsing wordt uitgesteld. IX-4468-22/23 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig september 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-4468-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.081 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.