id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.092 Rolnummer: A. 126937/XIV-11759 Zaak: Arrest 135092 - - 21/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-04 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 09:07 Fiche Arrest nr 135.092 van 21 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.092 van 21 september 2004 in de zaak A. 126.937/XIV-11.759 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat I. FLACHET, kantoor houdende te 9040 SINT-AMANDSBERG - GENT, Halvemaanstraat 7 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 22 april 1970 en van XXX nationaliteit, op 6 september 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 25 februari 2002 tot weigering van regularisatie; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 12 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 16 juni 2004 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-11.759-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. FLACHET, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat C. DECORDIER die, loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- XXX heeft op 28 januari 2000 voor hemzelf en zijn drie minderjarige kinderen een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van de artikelen 2,1/ en 2, 4/. 1.
- Op 30 oktober 2001 en op 26 november 2001 is verzoeker door de Commissie voor regularisatie, in aanwezigheid van een Advocaat, gehoord. Op de eerste zitting werd gevraagd om mevrouw XXX aan de regularisatieaanvraag van verzoeker toe te voegen, en op de tweede zitting werd de uitbreiding naar artikel 2, 2/, van de Regularisatiewet gevraagd. 1.
- Op 19 december 2001 heeft de derde Kamer van de Commissie voor regularisatie een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoeker. Dit advies bevat de volgende overwegingen : “(...) Uit de gegevens van de bundel blijkt dat de aanvraag die thans het voorwerp van huidige procedure uitmaakt TIJDIG werd ingediend. Uit de gegevens in de bundel is de identiteit van verzoeker en zijn familieleden die het voorwerp van hetzelfde dossier uitmaken, genoegzaam vast komen te staan. Het feit dat betrokkenen op 01.10.1999 in het Rijk verbleven staat niet ter discussie. Betrokkene vroeg asiel in september 1998 waarna hem een beslissing “Bijlage 26bis” betekend werd op 22.10.
- Verzoeker voorzag zich in Hoger Beroep op 27.10.1998, waarbij hem op 07.05.1999 een bevestigende beslissing werd overgemaakt. Verzoeker voert aan dat deze beslissing waarbij hem wordt aangezegd het Grondgebied te verlaten, geen uitwijzingsbeslissing bevat, zodat hij aanvoert dat deze procedure nog niet ten einde is en hij aldus aanspraak kan maken op het bepaalde in artikel 2.2/, waar de termijn van drie jaar, geldig voor personen met een gezin, waarbinnen de asielaanvraag een definitief beslag moest krijgen, verstreken is. De Commissie deelt deze interpretatie niet, waar immers zowel in "eerste aanleg" als in "beroep" de procedure op (als) beëindigd moet worden beschouwd, waar het louter ontbreken van een formele uitwijzing geen aanleiding vormt voor een "nieuwe" procedure, maar geresulteerd heeft in een “Bevel om het grondgebied te verlaten”, waartegen geen verder beroep meer mogelijk is, behoudens een voorziening bij de Raad van State, die geen schorsende werking heeft. Verzoeker legt schoolrapporten van zijn kinderen neer over een periode van 2 maand(en). Hij zegt werk te hebben gezocht, maar niet te hebben gevonden. Hij verwerft een inkomen uit een bijstandsuitkering. Hij voert aan niet terug te kunnen keren en zegt niet te weten waar naartoe. XIV-11.759-2/6 Aan de hand van deze verklaring en van zijn verklaringen ter zitting stelt de Kamer vast dat verzoeker dezelfde feiten en motieven voor de regularisatieaanvraag aanvoert die hij reeds had aangewend in de asielprocedure. Ingevolge artikel 49 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 is uitsluitend de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bevoegd om een vreemdeling als vluchteling te erkennen. Luidens artikel 57/11 van de Vreemdelingenwet is de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen bij uitsluiting van iedere andere instantie bevoegd om de beroepen tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal te behandelen. Verzoeker heeft thans een relatie met de genaamde XXX, die zelf nooit een aanvraag deed omdat zij in de relevante periode van de regularisatiecampagne niet in het Rijk was. Uit hun relatie is op 16 januari 2001 een kind geboren en zij is thans opnieuw zwanger. Zij heeft zelf kinderen en de Verzoeker vraagt zijn Verzoek te kunnen uitbreiden tot deze personen, te weten zijn nieuwe vrouw, hun gezamenlijke kinderen en haar kinderen uit een eerdere relatie, alles samen 11 personen. Op vraag van een lid van de Commissie of Verzoeker de band tussen hem zelf en de beide vrouwen kan aantonen, wordt geantwoord dat het om een ritueel huwelijk gaat, gesloten volgens de eigen gebruiken en waarvan geen stukken voorliggen. De Commissie meent dat, bij gebreke aan aangetoonde relatie tussen deze personen (de nieuwe vrouw van Betrokkene is niet aanwezig) zulke uitbreiding in het kader van artikel 8 EVRM niet in aanmerking kan worden genomen. Uit de gegevens die ter zitting naar voren worden gebracht en de stukken waarop de Commissie vermag acht te slaan, blijkt niet dat de Verzoeker en zijn familieleden een duurzame band met België hebben ontwikkeld: • Hij beheerst geen der landstalen op voldoende wijze om zich verstaanbaar te maken en in hun basisbehoeften te voorzien • Zij hebben geen kennissenkring opgebouwd • Er is geen tewerkstelling (officieel of andere), hoewel dit binnen het kader van de regularisatiecampagne mogelijk was • Er is geen enkel spoor van integratie. Aan de vereisten van artikel 9§9 werd niet voldaan; (...)”. 1.
- Op 25 februari 2002 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor regularisatie. Dit is de thans bestreden beslissing.
- Over de gegrondheid van de zaak. 2.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 2, 4/, en artikel 9, 9/, van de Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), omdat op het ogenblik van de regularisatieaan- vraag er minderjarige kinderen waren die de leeftijd hadden om naar school te gaan, verzoeker momenteel meer dan vier jaar in België verblijft, en er wel degelijk sociale bindingen en humanitaire redenen zijn want verzoeker zoekt werk en is ingeschreven bij de V.D.A.B., en de minderjarige kinderen langer dan twee maanden, met name reeds enkele jaren, naar school gaan in België; Overwegende dat, om in aanmerking te komen voor regularisatie overeenkomstig artikel 2, 4/, van de Regularisatiewet, uit de samenlezing van artikel 2, 4/, en artikel 9, 9/, van voormelde wet blijkt dat de vreemdeling die reeds daadwerkelijk op het grondgebied van het Rijk verbleef op 1 oktober 1999, voorafgaandelijk het bewijs dient te leveren van zijn aanwezigheid in het Rijk overeenkomstig één van de bewijsmogelijkheden XIV-11.759-3/6 voorzien in artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet, alsook dient te bewijzen dat er duurzame sociale bindingen in het land werden ontwikkeld en dat er humanitaire redenen zijn voor regularisatie; dat de bestreden beslissing op afdoende wijze is gemotiveerd indien blijkt dat de aanvrager aan één van deze voorwaarden niet voldoet; dat de aanwezigheid van meer dan vijf jaar (voor gezinnen met minderjarige kinderen, zoals in casu het geval is), vereist door artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet, evenals de aanwezigheid in het Rijk op 1 oktober 1999, een noodzakelijke voorwaarde is opdat de aanvraag zou kunnen worden onderzocht op basis van artikel 2, 4/, van de Regularisatiewet; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker het Rijk binnenkwam in september 1998 en op het ogenblik van zijn regularisatieaanvraag op 28 januari 2000 ongeveer een jaar en vier maanden in België verbleef; dat het niet relevant is dat verzoeker op het tijdstip waarop hij zijn verzoekschriften indient, langer dan vier jaar in België verblijft; dat feitelijk vaststaat dat hij geen duurzame band met België heeft ontwikkeld omdat hij geen van de landstalen voldoende kent om zich verstaanbaar te maken; dat hij geen kennissenkring heeft uitgebouwd; dat hij niet heeft gewerkt en dat hij niet is geïntegreerd; dat de artikelen 2, 4/, en 9, 9/, van de Regularisatiewet bijgevolg niet werden geschonden; dat het eerste middel ongegrond is; 2.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 2, 2/, en 9, 9/, van de Regularisatiewet; dat hij aanvoert dat hij niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst omdat Roma-zigeuners er slecht worden behandeld; dat verzoeker verwijst naar standpunten van internationale instellingen en organisaties om zijn grief te onderbouwen; dat verzoeker daaraan toevoegt dat hij aan de Commissie voor Regularisatie geen erkenning als vluchteling heeft gevraagd maar de onmogelijkheid tot terugkeer inriep, waarover de Commissie wel degelijk kan oordelen omdat dit valt onder het criterium van artikel 2, 2/, van de Regularisatiewet; Overwegende dat uit de lezing van de bestreden beslissing blijkt dat de Commissie voor Regularisatie, en in navolging daarvan de Minister van Binnenlandse Zaken, de regularisatieaanvraag aan artikel 2, 2/, van de Regularisatiewet heeft getoetst; dat de Commissie besluit dat verzoeker geen element aanbrengt dat niet reeds werd onderzocht en beoordeeld in het kader van zijn asielaanvraag en dat de beoordeling van de status van vluchteling door de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en aan de Vaste Beroepscommis- sie voor Vluchtelingen werd toegewezen; dat artikel 2, 2/, van de Regularisatiewet niet tot doel heeft de feiten en motieven die de aanvrager heeft aangevoerd om de status van vluchteling te bekomen, opnieuw te laten beoordelen door de Commissie voor Regularisatie en de Minister van Binnenlandse Zaken; dat de beoordeling van de status van vluchteling door de Wetgever is toegewezen aan de in de Vreemdelingenwet bepaalde administratieve overheden en administratief rechtscollege; dat bijgevolg de Commissie voor regularisatie en de Minister van Binnenlandse Zaken in het kader van een regularisatieaanvraag op grond van artikel 2, 2/, van XIV-11.759-4/6 de Regularisatiewet, de wettelijke opdracht van de asielinstanties niet mogen overdoen; dat de bevoegde minister artikel 2,2/, van de Regularisatiewet niet schendt wanneer hij de asielmotieven niet in aanmerking neemt die verzoeker aanvoert in het kader van de regularisatieaanvraag, omdat deze motieven reeds werden beoordeeld in het kader van de asielprocedure die definitief is beëindigd en die heeft geleid tot het arrest nr. *** van 24 juli 2002 van deze zetel, dat in kracht van gewijsde is getreden; dat het tweede middel ongegrond is; 2.
- Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van het gelijkheidsbeginsel, omdat personen die zich in dezelfde situatie bevonden toch werden geregulariseerd; dat hij aanvoert dat er kamers van de Commissie voor Regularisatie zijn met een ruime en met een strakke interpretatie van de wet en van de feiten; Overwegende dat verzoeker zich beperkt tot vage en algemene beweringen die niet met concrete gegevens worden gestaafd en onderbouwd; dat een dergelijke grief niet van aard is de motieven van de bestreden beslissing te ontkrachten, omdat elke zaak specifiek is en bijgevolg moeilijk vergelijkbaar is met andere zaken; dat de motieven van de bestreden beslissing pertinent en afdoende zijn, wat blijkt uit wat voorafgaat; dat de bestreden beslissing het gevolg is van een individueel en specifiek onderzoek; dat het derde middel ongegrond is; 2.
- Overwegende dat verzoeker in een vierde middel de schending aanvoert van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (E.V.R.M.); dat hij aanvoert dat hij de uitbreiding van zijn regularisatieaanvraag heeft gevraagd voor mevrouw XXX, met wie hij een kind heeft, en dat de Commissie voor Regularisatie, en bijgevolg tevens de Minister, deze familieband niet hebben aanvaard; Overwegende dat een schending van artikel 8 van het E.V.R.M. niet wordt aangenomen, omdat verzoeker geen gegevens aanbrengt waaruit blijkt dat mevrouw XXX op legale wijze in het Rijk verblijft, zodat noch zij, noch verzoeker een recht op verblijf in België kunnen doen gelden; dat het vierde middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-11.759-5/6 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénentwintig september tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-11.759-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.092 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div