id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.093 Rolnummer: A. 107173/XIV-5409 Zaak: Arrest 135093 - - 21/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-06 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 09:08 Fiche Arrest nr 135.093 van 21 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.093 van 21 september 2004 in de zaak A. 107.173/XIV-
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaten R. en F. COEL, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Kardinaal Mercierplein 8 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 20 mei 1972 en van XXX nationaliteit, op 6 juli 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 8 juni 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 8 mei 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 8 juni 2001; Gelet op de beschikking van 28 augustus 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 8 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 8 september 2004 om 10.00 uur; XIV-5409-1/5 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco de Advocaten F. en R. COEL verschijnt voor de verzoekende partij, van Adjunct-adviseur F. VEREEKEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST ; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 23 april 2001 en verklaart zich vluchteling op 3 mei
- 1.
- Op 8 mei 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 8 juni 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 29 mei 2001 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de A. taal machtig is. Volgens de verklaringen van betrokkene, van gemengde origine (etnisch XXX vader, etnisch A. moeder), zou zij in 1972 geboren zijn te B. (XXX). Betrokkene zou in 1975 in A. gaan wonen zijn waarna zij, omwille van het conflict tussen A. en XXX, eind 1987 zou teruggekeerd zijn naar B.. Betrokkene zou er een intern Sovjet-Unie paspoort bekomen hebben. Na het overlijden van haar vader (natuurlijke dood) in 1989, zou betrokkene en haar moeder naar E. (A.) gegaan zijn. Ze zouden er in een opvanghuis voor vluchtelingen onderdak verkregen hebben maar ze zouden er niet zijn ingeschreven als vluchtelingen. Betrokkene zou in 1990 te E. zijn gaan samenwonen met G. M. (O.V. 4910343), een A. staatsburger van A. origine, met wie zij twee kinderen zou hebben. In 1996 zou betrokkene vernomen hebben dat haar schoonbroer tijdens de oorlog in 1994, zou zijn vermoord door een A. officier. Betrokkenes partner zou, zonder resultaat, klacht hebben ingediend. In oktober/november 1997 zou een buurvrouw in betrokkenes paspoort hebben kunnen kijken en de origine van betrokkene hebben ontdekt. De volgende dag zou de wijkpolitie tijdens een huiszoeking betrokkenes documenten hebben meegenomen. Betrokkene, haar zoon en de moeder van haar partner, zouden zijn mishandeld. De agenten zouden van betrokkene geëist hebben dat haar partner zich de volgende dag bij hen diende aan te melden. Betrokkenes partner zou dit niet gedaan hebben en zou de volgende dag op zijn werk door de politie zijn opgepakt. De dag na de arrestatie van haar partner zou betrokkene, haar zoon en de moeder van haar partner, thuis door V. (een vriend), zijn opgepikt en in diens auto waar betrokkenes (door de politie mishandelde) partner zich reeds in bevond, naar een oom te A. (A.) zijn gebracht. Na twee dagen zouden ze naar O. zijn gevlucht waar ze illegaal zouden verbleven hebben. Betrokkenes partner zou, na te zijn tegengehouden op verdenking een T. te zijn, samen met hun zoon, O. XIV-5409-2/5 verlaten hebben en naar België zijn gekomen. Op 14 december 1999 startte haar partner in België zijn asielprocedure. De moeder van betrokkenes partner (A. : O.V. 4938611) kwam in maart 2000 eveneens naar België en startte er op 14 maart 2000 haar asielprocedure, maar overleed hier op 2 januari 2001 tijdens de beroepsfase bij het CGVS. Eind maart 2000 zou betrokkene naar Moskou (Rusland) getrokken zijn waar zij illegaal zou verbleven hebben tot april 2001 waarna zij naar België kwam. Betrokkene startte hier op 3 mei 2001 haar asielprocedure. Betrokkene is niet in het bezit van enig (identiteits-)document. De geloofwaardigheid van betrokkenes asielrelaas wordt volledig ondermijnd nadat werd vastgesteld dat haar verklaringen op het CGVS tegenstrijdigheden vertonen met haar eerdere verklaringen afgelegd bij de DVZ, alsook met de verklaringen van haar partner afgelegd voor het CGVS en met de verklaringen van de moeder van haar partner afgelegd bij de DVZ. Met betrekking tot het tijdstip waarop betrokkene vanwege de etnische problemen in A. naar B. trok, verklaarde betrokkene voor het CGVS (p.1) dat dit eind 1987 gebeurde, terwijl zij bij de DVZ (pt.42) stelde dat dit op het einde van de lente van 1988 was. Met betrekking tot haar niet-officieel huwelijk met haar partner verklaarde betrokkene (CGVS p.1) dat dit in 1990 gebeurde, terwijl de moeder van haar partner stelde (DVZ pt.42) dat dit in 1993 was. Met betrekking tot de gebeurtenissen nadat haar origine was ontdekt en de politie een huiszoeking had verricht, stelde de moeder van haar partner (DVZ pt.42) dat haar zoon in augustus 1997 door de politie werd opgepakt toen hij naar het politiekantoor ging om de documenten - die hen eerder op de dag tijdens de huiszoeking werden afgenomen -op te halen. Betrokkene daarentegen meende (CGVS p.6) dat deze gebeurtenissen plaatsvonden in oktober/november 1997 en verklaarde (CGVS p.7) uitdrukkelijk dat toen haar partner thuis kwam, nadat de huiszoeking had plaatsgegrepen, hij niet naar het politiekantoor is gegaan maar dat hij de volgende dag op zijn werk door de politie werd meegenomen. Betrokkenes partner dan weer beweerde (CGVS p.4) dat deze gebeurtenissen plaatsgrepen eind november/begin december
- Met betrekking tot de gebeurtenissen na de arrestatie van haar partner verklaarde betrokkene (CGVS p.8) dat zij, en de rest van het gezin, de volgende dag thuis werden opgepikt door V. in diens auto waarin haar partner zich reeds bevond, waarna ze naar een familielid werden gebracht. Betrokkenes partner daarentegen stelde (CGVS p.6) dat hij naar V. ging en daar merkte dat zijn gezin zich reeds bij V. bevond, waarna ze naar een familielid werden gebracht. Met betrekking tot het tijdstip waarop betrokkene en de rest van het gezin A. hebben verlaten, stelde betrokkenes partner (CGVS p.6) dat dit in december 1996 was, terwijl betrokkene verklaarde (CGVS p.3) dat dit in november/oktober 1997 gebeurde. Er dient te worden opgemerkt dat gelet op bovenstaande vaststellingen, waarin de geloofwaardigheid van betrokkenes asielrelaas wordt ondermijnd, er eveneens kan worden getwijfeld aan betrokkenes verklaringen omtrent haar statuut in A. Bovendien bevat betrokkenes verklaringen hieromtrent een belangrijke ongerijmdheid. Zo stelde betrokkene aanvankelijk (CGVS p.2) dat zij omwille van haar XXX naam zich niet durfde te laten registreren in Armenië, terwijl zij wat verder verklaarde (CGVS p.5) dat zij zonder vrees haar intern Sovjet-paspoort (waaruit haar A. origine in vermeld staat (blijkt)) in A. zou getoond hebben om haar identiteit te bewijzen en toen ook helemaal geen problemen daardoor zou gehad hebben. Tenslotte dient te worden opgemerkt dat uit betrokkenes verklaringen blijkt dat de motieven van haar asielaanvraag gebaseerd zijn op dezelfde feiten als die aangehaald door haar partner in diens asielaanvraag. In het kader van de asielaanvraag van haar partner werd door het CGVS een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf genomen, omdat enerzijds zijn asielaanvraag als bedriegelijk en anderzijds als kennelijk ongegrond werd beoordeeld. Derhalve kan er ook in hoofde van betrokkene geen vermoeden van vrees voor vervolging zoals voorzien in de Vluchtelingenconventie worden weerhouden. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is en kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 8 mei
- (...)”.
- Over de gegrondheid van de zaak. XIV-5409-3/5 2.
- Overwegende dat verzoekster een eerste middel afleidt uit de schending van “de wettelijke opdracht van verweerders”; Overwegende dat verzoekster niet preciseert welke wetsbepaling in materiële zin de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en de Minister van Binnenlandse Zaken hebben geschonden; dat een middel dat niet aangeeft welke wetsbepalingen werden geschonden en waarin de schending precies bestaat, niet ontvankelijk is; dat deze exceptie ambtshalve door de Raad van State wordt opgeworpen; Overwegende dat het eerste middel niet ontvankelijk is; 2.
- Overwegende dat verzoekster een tweede middel afleidt uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, als beginsel van behoorlijk bestuur; Overwegende dat verzoekster in dit verband niet aangeeft hoe en waarom het zorgvuldigheidsbeginsel werd geschonden, zodat de Raad van State niet kan nagaan wat verzoekster in haar middel aanvoert; dat ook deze exceptie ambtshalve wordt aangevoerd; Overwegende dat het tweede middel niet ontvankelijk is; 2.
- Overwegende dat verzoekster een derde middel afleidt uit de “afwending van macht: weigering van kennisname”; Overwegende dat dit middel onbegrijpelijk is en uitgaat van een verwarring tussen verschillende basisbegrippen van het administratief recht; Overwegende dat dit middel niet kan leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing; Overwegende dat het verzoekschrift ingediend door verzoekster zeer dicht in de buurt komt van een tergend en roekeloos beroep en getuigt van een oneigenlijk gebruik van de rechtsregels die aan de basis liggen van het asielrecht; dat verzoekster weet dat haar asielrelaas ongeloofwaardig is en vreemd is aan de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951; dat het in dit verband tekenend is, dat zonder enige motivering, een beroep wordt gedaan op een kamer met drie staatsraden; dat dit verzoek ongegrond is, BESLUIT: XIV-5409-4/5 Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénentwintig september tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-5409-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.093 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.