← België

Arrest 135094 - - 21/09/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.094 Rolnummer: A. 127626/XIV-11999 Zaak: Arrest 135094 - - 21/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-06 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 09:08 Fiche Arrest nr 135.094 van 21 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.094 van 21 september 2004 in de zaak A. 127.626/XIV-11.999. In zake : 1.XXX, 2.XXX, wonende te A., C.plein 28 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 18 september 1977, en XXX, geboren op 14 maart 1978, beiden van XXX nationaliteit, op 5 maart 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 20 februari 2001 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 10 augustus 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partijen aangetekend verstuurd op 20 februari 2001; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 10 oktober 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-11.999-1/9 Gelet op de beschikking van 8 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 8 september 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat A. NAVASARTIAN verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Adjunct- adviseur F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partijen komen België binnen op 27 september 1999 en verklaren zich vluchteling op dezelfde dag. 1.2. Op 10 augustus 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 20 februari 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen. Dit zijn de bestreden beslissingen. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal met betrekking tot XXX is als volgt gemotiveerd: “(...) Betrokkene werd verhoord op 15 december 2000 op de zetel van het Commissariaat- generaal, bijgestaan door een tolk, die de XXX taal machtig is, en in aanwezigheid van zijn advocaat, Mr. Navasartian. Betrokkene, een XXX staatsburger van XXX origine, zou problemen gekend hebben omwille van de origine van zijn moeder, die van A. afkomst zou zijn. Vooreerst zou betrokkenes broer in 1992, toen hij bij het NK leger diende, verdwenen zijn zonder dat de familie ooit nog iets van hem hoorde. Betrokkene zelf zou zijn legerdienst in 1995 te L. hebben aangevat en zou aanvankelijk weinig problemen hebben gekend bij de voltrekking hiervan. Betrokkene zou dan op 24 april 1996, herdenkingsdag van de genocide op het XXX volk, naar buiten geroepen zijn en daar door enkele officieren zwaar in elkaar zijn geslagen. Betrokkene zou aan het hoofd zijn geraakt en zijn bewustzijn hebben verloren. Als gevolg hiervan zou betrokkenes zicht aan één kant sterk zijn achteruitgegaan. Betrokkene zou gedurende drie maanden in het ziekenhuis hebben verbleven en zou daarna verder hebben gerevalideerd bij familie in het dorp T. waar hij altijd gewoond zou hebben. Op 7 november 1997 zou(den) betrokkene en zijn familie vervolgens thuis zijn opgezocht door een aantal personen omdat betrokkene zogezegd een landverrader zou zijn. Betrokkene zou vervolgens vanaf 1998 eveneens een tijdje bij zijn oma te S. hebben verbleven, tesamen met de rest van XIV-11.999-2/9 zijn familie. In 1999, op 23 februari, zouden betrokkene en zijn familie daar 's nachts bezoek gekregen hebben van een viertal politieagenten. Betrokkene en zijn familie zouden zijn geslagen en bedreigd. Betrokkenes partner zou als gevolg hiervan zelfs een miskraam hebben gekregen. Betrokkene en zijn familie zouden hieropvolgend naar de neef van zijn vader, S., te A. zijn getrokken. Na ongeveer zes maanden, op 15 september 1999, zouden betrokkene en zijn familie daar alweer bezoek gekregen hebben van een vijf- à zestal politieagenten die het huis binnenvielen. Betrokkene en zijn partner zouden zijn geslagen en er zouden eveneens schoten zijn gevallen. Op advies van betrokkenes vader zou de hele familie, bestaande uit vader V. (OV: 4879592), moeder K. (OV:4879592), betrokkene en zijn partner XXX (OV: 4.879.467) vervolgens op 16 september gevlucht zijn naar J., om via L. met de bus naar België te reizen. Betrokkene en zijn familie zouden in België op 27 september zijn binnengekomen en dienden diezelfde dag hun asielaanvraag in. Betrokkene is niet in het bezit van enig (identiteits)document. De geloofwaardigheid van betrokkenes asielrelaas wordt sterk ondermijnd nadat werd vastgesteld dat er manifeste tegenstrijdigheden voorkomen tussen betrokkenes verklaringen voor (

  1. de)Dienst Vreemdelingenzaken enerzijds en zijn verklaringen voor het Commissari- aat-generaal anderzijds. Vooreerst is het zo dat betrokkene voor het Commissariaat-generaal vermeldde dat hij op 24 april 1996 afgetuigd werd door een aantal officieren (verhoorverslag CGVS, p.3). In tegenstelling hiermee staat betrokkenes verklaring voor Dienst Vreemdelingenzaken waarin hij stelt dat hij door vier soldaten werd afgetuigd (verslag DVZ, punt 42). Verder beweerde betrokkene voor het Commissariaat-generaal na het incident van 24 april 1996 tot augustus 1996, oftewel ongeveer drie maanden, in het Republikeinse ziekenhuis te J. te hebben gelegen (verhoorverslag CGVS, p.5). Dit staat in tegenstelling met betrokkenes verklaring voor Dienst Vreemdelingenzaken waar hij stelt dat hij werd opgenomen in het militair(
  2. e)ziekenhuis van A. (verslag DVZ, punt 42). Betrokkene beweerde in dit verband eveneens dat zijn vader pas na drie maanden op de hoogte raakte van betrokkenes verblijf in het hospitaal en dat deze dacht dat betrokkene op normale wijze zijn dienstplicht aan het vervullen was (verhoorverslag CGVS, p.5). In zware tegenstrijd hiermee is betrokkenes verklaring voor Dienst Vreemdeling- enzaken waar hij expliciet stelde dat hij in het ziekenhuis “door zijn vader verzorgd werd en niet door verplegers” (verslag DVZ, punt 42). Verder beweerde betrokkene voor (het) Commissariaat-generaal dat hij na het ziekenhuis te hebben verlaten naar zijn dorp T. trok (verhoorverslag CGVS, p.4) Dit is echter in tegenstrijd met betrokkenes verklaring voor Dienst Vreemdelingenzaken waar hij stelt dat hij, na door zijn vader te zijn opgehaald uit het ziekenhuis, met de familie naar het bergdorp J. verhuisde (verslag DVZ, punt 42). Verder zou, volgens betrokkenes verklaring voor het Commissariaat-generaal, het ouderlijk huis in T. op 7 november 1996 zijn binnengedrongen door een aantal onbekende mensen die -omdat betrokkene een landverrader zou zijn- de hele inboedel kapotsloegen (verhoorverslag CGVS, p.4). In tegenstelling hiermee staat betrokkenes verklaring voor Dienst Vreemdeling- enzaken waaruit vooreerst duidelijk blijkt dat de familie op die datum niet meer in T. maar wel in J. woonde (verslag DVZ, punt 42). Daarnaast situeerde betrokkene voor Dienst Vreemde- lingenzaken het desbetreffende incident eveneens vóór zijn 'ontslag' uit het ziekenhuis, hetgeen in tegenstrijd is met zijn verklaring voor het Commissariaat-generaal als zou dit incident op 7 november 1996, oftewel enkele maanden nadat hij uit het ziekenhuis ontslagen werd, zijn voorgevallen. Bovenstaande vaststellingen ondermijnen de geloofwaardigheid van betrokkenes verklaringen dermate dat geen enkele waarde meer kan worden gehecht aan zijn vervolgings- relaas. Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat ook in het kader van de asielaanvragen van betrokkenes ouders, V. en K. (OV 4.879.592) een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf door het Commissariaat-generaal werd genomen. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegd- heid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 10 augustus 2000. (...).”. XIV-11.999-3/9 De bevestigende beslissing met betrekking tot XXX, is als volgt gemotiveerd: “(...) Betrokkene werd verhoord op 15 december 2000 op de zetel van het Commissariaat- generaal, bijgestaan door een tolk, die de XXX taal machtig is, en in aanwezigheid van haar advocaat, Mr. Navasartian. Betrokkene, een XXX staatsburger van XXX origine, zou in haar land problemen gekend hebben ten gevolge van de problemen die haar partner, XXX er kende (OV: 4.879.467). Betrokkene zou haar man in de zomer van 1998 hebben leren kennen en zou in november 1998 met hem niet officieel zijn gehuwd. Betrokkene en haar partner zouden omwille van de etnische origine van de moeder, niet aanvaard zijn geworden in het dorp waar ze woonden, te weten S. Betrokkene en haar partner en diens familie zouden er ondergedoken hebben geleefd. Echter, ten gevolge van een ruzie die de grootmoeder van haar man had met een buurvrouw zou de politie op 23 februari 1999 zijn langsgekomen. Deze zouden het huis danig hebben vernield. Tevens zouden betrokkene, haar man en diens familie zijn geslagen. Betrokkene, haar man en diens familie zouden vervolgens zijn verhuisd en ingetrokken bij de neef Sezoj van haar partners vader te A. Ook hier weer zouden betrokkene en de overige familieleden zijn aangevallen en zelfs beschoten door politieagenten. De politie zou tevens een kind van S. hebben meegenomen als gijzelaar. Als gevolg hiervan zouden betrokkene, haar partner en de overige familieleden, te weten (zijn betrokkenes) V. (OV: 4.879.592) en moeder K. (OV: 4.879.592) zijn vertrokken uit XXX en richting België zijn getrokken, ergens in september 1999. Betrokkene startte in België haar asielprocedure op 27 september 1999. Betrokkene is niet in het bezit van enig (identiteits)document. De geloofwaardigheid van betrokkenes asielrelaas wordt sterk ondermijnd nadat werd vastgesteld dat er manifeste tegenstrijdigheden voorkomen tussen betrokkenes verklaringen voor Dienst Vreemdelingenzaken enerzijds en haar verklaringen voor het Commissari- aat-generaal anderzijds. Betrokkenes bewering op de Dienst Vreemdelingenzaken (verslag DVZ, pt. 42), als zou zij na het incident van 23 februari 1999 een miskraam gehad hebben lijkt hoogst twijfelachtig als we rekening houden met haar verdere verklaringen voor het Commissariaat-generaal. Zo beweerde betrokkene dat ze omstreeks 15 september 1999, toen de familie K. het slachtoffer werd van een inval van de politie, vijf à zes maanden zwanger was (verslag CG, p. 4). Gegeven het feit dat betrokkene op 17 november 1999 beviel en ze tevens verklaarde dat haar baby een kleine tien dagen te laat was, kunnen we besluiten dat er getwijfeld kan worden aan het door haar vertelde verhaal over de miskraam in februari 1999. Betrokkene zou in dergelijk geval immers slechts een zwangerschap van ongeveer 8 maanden gehad hebben, hetgeen contrasteert met betrokkenes bewering dat 'haar kindje tien dagen te laat werd geboren' (verhoorverslag , p.5). Bovenstaande vaststelling ondermijnt de geloofwaardigheid van betrokkenes relaas op ernstige wijze. Uit betrokkenes verklaring blijkt verder dat zij haar asielaanvraag in hoofdorde steunt op de motieven aangebracht door haar partner (XXX, OV:4.879.467) ter staving van zijn asielrelaas. Wat betreft het door hem ingesteld dringend beroep werd een bevestigende beslissing genomen door het Commissariaat-generaal. Er kan dan ook niet besloten worden dat er elementen voorhanden zijn om te stellen dat in hoofde van betrokkenen een vermoeden van vrees voor vervolging bestaat in de zin van de Vluchtelingenconventie. Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat in het kader van de asielaanvragen van betrokkenes ouders (V. en K., O.V. 4.979.592) eveneens een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf door het Commissariaat-generaal werd genomen. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzing- en bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 10 augustus 2000. (...).”. XIV-11.999-4/9 2. Overwegende dat verzoekers een enig middel aanvoeren dat als volgt luidt: “(...) Schending van de motiveringsplicht en van het redelijkheidsbeginsel De bestuursbeslissingen moeten in rechte en in feite gemotiveerd zijn. De verplichting tot motivering houdt o.a. in dat het bestuur moet rekening houden met alle elementen in zijn bezit en met kennis van zaken een beslissing moet nemen. In casu ontbreekt een dergelijke motivering: De bestreden beslissing verwerpt de asielaanvraag van de betrokkenen omwille van tegenstrijdigheden in de verklaringen van de verzoeker. Wat de tegenstrijdigheden betreft moet gesteld worden dat de tegenstrijdigheden irrelevant zijn en zeker niet aan de verzoeker te wijten zijn. Wat de eerste tegenstrijdigheid betreft: Verzoeker zou eens gezegd hebben dat hij in het ziekenhuis te J. lag na het incident van '96 en een andere keer zou hij gezegd hebben dat hij opgenomen werd in het ziekenhuis te A. Er moet gesteld worden dat A. een wijk is van J. Er is dus geen sprake van tegenstrijdig- heid. Wat de tweede tegenstrijdigheid betreft: geslagen worden door soldaten versus geslagen worden door de officieren. Verzoekende partij heeft bij de dienst vreemdelingenzaken gesteld dat hij door militairen in elkaar werd geslagen, zonder verdere precisering. Bij zijn interview voor het CGVS heeft hij wel gepreciseerd door wie hij werd geslagen. Ook hier is geen sprake van een tegenstrijdig- heid. Wat de derde tegenstrijdigheid betreft Verzoeker zou bij zijn interview bij de DVZ gezegd hebben dat hij in het ziekenhuis werd verzorgd door zijn vader, en bij zijn interview voor het CGVS zou hij gezegd hebben dat zijn familie drie maanden niet wist waar hij lag. Er moet gesteld worden dat de verzoekende partij nooit heeft gesteld dat hij door zijn vader werd verzorgd. Bij zijn interview voor de DVZ heeft hij enkel gesteld dat "een " vader, bedoeld werd een priester hem ook verzorgde. Het misverstand ligt aldus tussen de woorden vader en priester. Wat de vierde tegenstrijdigheid betreft Verzoeker zou bij zijn interview voor het CGVS gezegd hebben dat hij na zijn ontslag uit het ziekenhuis naar zijn dorp T. werd gebracht, terwijl hij bij de DVZ heeft gesteld dat hij na zijn ontslag naar een ander dorp is verhuisd. Er moet gesteld worden dat de beide versies juist zijn. Verzoeker is na zijn ontslag uit het ziekenhuis eerst naar zijn dorp gekomen, en nadien is de hele familie verhuisd naar het andere dorp. Wat de vijfde tegenstrijdigheid betreft De zogezegde verklaring van de verzoeker, alsof het incident van november 1996 gebeurde voor het ontslag uit het ziekenhuis, is onlogisch en zeker niet aan verzoeker toe te schrijven. Hoe kan iemand stellen dat hij in mei ’96 werd gehospitaliseerd voor drie maanden, om terzelfder tijd te stellen dat hij zes maanden in het ziekenhuis verbleef. De stelling is zo onlogisch dat hier enkel kan gesproken worden van een misverstand. Tenslotte moet gesteld worden dat verzoekster heeft gezegd dat haar kind vroegtijdig in december 1999 geboren is. Deze verklaring werd door de tolk vertaald dat het kind later dan voorzien geboren is. Dit misverstand heeft geleid tot een onlogische conclusie door het CGVS dat de verklaringen van de verzoekster omtrent haar miskraam van februari ’99 en de geboorte van een kind in december ’99 ongeloofwaardig zijn. De bovenvermelde elementen tonen aan dat de gevolgtrekkingen van de verwerende partij niet overeenstemmen met de verklaringen van de verzoekende partijen en dat de motieven van het CGVS niet gegrond zijn. Ook moet verwezen worden naar het feit dat de verwerende partij geen rekening heeft gehouden met het feit dat de verzoeker omwille van zijn zware verwondingen van ’96 spraak -en oriëntatieproblemen heeft, hetgeen door de raadsman aan de behandelende jurist uitdrukkelijk werd gesteld. Door geen rekening te houden met dit element, schendt de verwerende partij eveneens het redelijkheidsbeginsel.”; Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een XIV-11.999-5/9 procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische Wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat voormeld artikel aan de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat een andere onontvankelijkheidsgrond de “bedrieglijkheid” is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die niet echt zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld indien tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat in casu de Commissaris-generaal heeft vastgesteld dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk is omdat er manifeste tegenstrijdigheden voorkomen tussen zijn verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken en zijn verklaringen voor het Commissariaat-generaal; dat de Commissaris-generaal heeft vastgesteld dat de asielaanvraag van verzoekster kennelijk ongegrond is omdat er manifeste tegenstrijdigheden voorkomen tussen haar verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken en haar verklaringen voor het Commissariaat-generaal en omdat zij zich in hoofdzaak baseert op de motieven die haar partner aanhaalt in zijn asielaanvraag en er wat hem betreft een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf werd genomen; Overwegende dat verzoekers in het middel de tegenstrijdigheden één voor één trachten te weerleggen; dat in dit verband wordt verwezen naar de grondige en uitgebreide analyse van deze tegenstrijdigheden in het Auditoraatsverslag, die hierna wordt weergegeven en waar de Raad van State zich bij aansluit en waaruit blijkt dat deze tegenstrijdigheden de kern van het asielrelaas van verzoekers betreffen: “- Betreffende de eerste tegenstrijdigheid stellen verzoekers dat eerste verzoekende partij (...) verklaarde dat hij in het ziekenhuis in J.werd opgenomen in 1996 en een andere keer verklaard zou hebben dat hij in A. werd opgenomen. Verzoekers stellen dat A. een wijk is in J. zodat er geen sprake kan zijn van een tegenstrijdigheid. Uit het administratief dossier en de bestreden beslissing blijkt dat verzoeker bij de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat hij in het militair ziekenhuis werd opgenomen na de incidenten in 1996 (DVZ, vraag 42). Uit het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal blijkt dat verzoeker verklaarde : “(...) Waar verzorgd? In het republikeinse ziekenhuis, niet in het militaire ziekenhuis, te J. (...)” (p.5). De vastgestelde tegenstrijdigheid blijkt aldus uit de verhoorverslagen. - Betreffende de tweede tegenstrijdigheid stellen verzoekers dat eerste verzoekende partij bij de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat hij door militairen werd in elkaar geslagen, zonder verdere precisering, terwijl hij op het Commissariaat-generaal verklaarde dat hij door officieren werd in elkaar geslagen. Deze precisering is geen tegenstrijdigheid. XIV-11.999-6/9 Bij de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde verzoeker dat hij door 4 soldaten in elkaar werd geslagen (vraag 42), terwijl hij voor het Commissariaat-generaal verklaarde “Buiten werd hij geslagen, zonder één aanleiding, door officieren (...)” (p.3) De vaststelling van de Commissaris-generaal vindt steun in de verklaringen van verzoeker. - Betreffende de derde tegenstrijdigheid stellen verzoekers dat eerste verzoekende partij (...) verklaarde dat zij door “een” vader werd verzorgd, nl. een priester. Het misverstand ligt volgens verzoekers aldus in de woorden vader en priester. Bij de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde verzoeker “(...) Mijn vader kwam me opzoeken. Hij heeft van een officier vernomen dat ik gevallen was tijdens de oefeningen. In het ziekenhuis werd ik door mijn vader verzorgd en niet door verplegers.” Bij het Commissariaat-generaal stelde eerste verzoekende partij dat haar vader niet wist dat zij in het ziekenhuis lag (p. 2 en p.5). Bovendien verklaarde verzoeker nog dat zijn verzorging heel onverschillig was (p.5) en geeft hij niet aan dat hij zou zijn verzorgd door een priester. De argumentatie van verzoekers overtuigt niet. Uit het administratief dossier blijkt dat eerste verzoekende partij zowel op de Dienst Vreemdelingenzaken als op het Commissariaat- generaal uitgebreid de gelegenheid heeft gekregen om zijn asielmotieven uiteen te zetten. Uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat het verhoor 1 uur heeft geduurd en dat verzoeker geen opmerkingen heeft geformuleerd over eventuele vertaalproble- men, terwijl hij daartoe wel de mogelijkheid had, vermits zijn verklaringen hem op het einde van het interview werden voorgelezen. Door het plaatsen van zijn handtekening onder het verhoor, bevestigde verzoeker dat het verhoorverslag overeenstemt met de verklaringen die hij heeft afgelegd. De Commissaris-generaal kon derhalve de door verzoeker tijdens het betreffende verhoor afgelegde verklaringen in aanmerking nemen bij het nemen van de bestreden beslissing. - Betreffende de vierde tegenstrijdigheid stellen verzoekers dat eerste verzoeker zou hebben gezegd bij (
  3. op)het Commissariaat-generaal dat hij na zijn ontslag uit het ziekenhuis naar zijn dorp T. terugkeerde, terwijl hij op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaard zou hebben dat hij na zijn ontslag naar een ander dorp verhuisde. Verzoekers stellen in het verzoekschrift dat beide versies juist zijn aangezien verzoeker eerst naar zijn dorp terugkeerde en nadien met de hele familie verhuisde naar een ander dorp. Uit het verhoorverslag bij de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat verzoeker verklaarde: “(...) Vader kwam me halen met zijn vriend H. en allen gingen we samen in de bergen in het dorp J. wonen.” (vraag 42). Bij het Commissariaat-generaal verklaarde verzoeker: “(...) vader hem gebracht naar T. (...) Zijn vader bracht (
  4. op)8 augustus KV naar huis (T.) en verzorgde hem. Hij had nog altijd verzorging nodig. Moest in zijn bed blijven bij zijn (hem) thuis in T. (...) hij zegt dat hij daar enkele maanden verbleef en dat hij naar de bergen ging (J.).” (p.4-5). De verklaring(
  5. en)van verzoekers in het verzoekschrift overtuigen niet na nalezing van de verhoorverslagen. De vaststelling(
  6. en)van de Commissaris-generaal vindt (vinden) steun in de verklaringen van verzoeker. - Betreffende de vijfde tegenstrijdigheid, nl. het incident waarbij het ouderlijk huis werd binnengedrongen en de hele inboedel werd kapotgeslagen, stellen verzoekers dat de zo gezegde verklaring van verzoeker zo onlogisch is dat hier enkel kan worden gesproken over een misverstand en niet aan verzoeker kan worden toegeschreven. Omtrent dit incident verklaarde verzoeker bij de Dienst Vreemdelingenzaken : “(...) Tijdens mijn verblijf in het militair ziekenhuis, werd ons huis aangevallen. (...)”. Bij het Commissariaat-generaal verklaarde verzoeker : “(...) Op 7 november, wat gebeurde er? Op die dag kwamen er mensen bij hem thuis en sloegen alles kapot, owv. het feit dat hun zoon verrader was van zijn land. (...)” Uit de verklaringen van verzoeker blijkt dat hij het incident in het ouderlijk huis situeert in een andere periode zodat moeilijk kan gesproken worden van een misverstand. De vaststelling hieromtrent door de Commissaris-generaal vindt steun in verzoekers verklaringen. - Betreffende de tegenstrijdigheid in de verklaring van verzoekster omtrent de geboor- te/miskraam van de baby stellen verzoekers dat door de tolk verkeerd werd vertaald. De argumentatie van verzoekers overtuigt niet. Uit het administratief dossier blijkt dat (...) (tweede) verzoekende partij zowel op de Dienst Vreemdelingenzaken als op het Commissariaat-generaal uitgebreid de gelegenheid heeft gekregen om (...) (haar) asielmotie- ven uiteen te zetten. Uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat het verhoor 1 uur heeft geduurd en dat verzoekster geen opmerkingen heeft geformuleerd over eventuele vertaalproblemen, terwijl zij daartoe wel de mogelijkheid had, vermits haar verklaringen haar op het einde van het interview werden voorgelezen. Door het plaatsen van haar handtekening onder het verhoor, bevestigde verzoekster dat het verhoorverslag overeenstemt met de verklaringen die zij heeft afgelegd. De Commissaris-generaal kon derhalve de door verzoekster tijdens het betreffende verhoor afgelegde verklaringen in aanmerking nemen bij het nemen van de bestreden beslissing.”; XIV-11.999-7/9 Overwegende dat verzoekers aanvoeren dat de Commissaris-generaal geen rekening heeft gehouden met het feit dat eerste verzoeker spraak- en oriëntatieproblemen heeft; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de Advocaat van verzoekers op het einde van het verhoor bij het Commissariaat-generaal heeft meegedeeld dat verzoeker psychische problemen heeft en het daarom moeilijk heeft om juiste data te geven; dat elke kandidaat-vluchteling in zekere mate onder psychische druk staat omwille van de aangevoerde traumatische ervaringen; dat uit het verhoorverslag blijkt dat het interview op normale wijze heeft plaatsgevonden; dat bijgevolg het causaal verband tussen de gezondheids- problemen van verzoeker en de talrijke tegenstrijdigheden in zijn asielrelaas niet is aangetoond; Overwegende dat de bestreden beslissingen steunen op pertinente en afdoende motieven, die steun vinden in het administratief dossier, die niet door verzoekers worden weerlegd; dat de motiveringsplicht noch het redelijkheidsbeginsel werden geschonden; dat het enig middel ongegrond is, 3. Overwegende dat de verzoekende partijen geen middel hebben aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-11.999-8/9 BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénentwintig september tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-11.999-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.094 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.