← België

Arrest 135111 - - 21/09/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.111 Rolnummer: A. 116148/VII-32034 Zaak: Arrest 135111 - - 21/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-06 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 09:14 Fiche Arrest nr 135.111 van 21 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.111 van 21 september 2004 in de zaak A. 116.148/VII-32.034 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J.-P. VIDICK, kantoor houdende te 100 BRUSSEL, Augustijnernonnenstraat 67 tegen :

  1. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX van XXX nationaliteit, op 28 januari 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 16 januari 2002 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 12 oktober 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 1 februari 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 17 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 juni 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; VII-32.034-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat J.-P. VIDICK, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Adjunct-adviseur M. HUYGHE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat K. DE PAEPE, die, loco Advocaat E. MATTERNE, verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. De verzoekende partij komt België binnen op 9 oktober 2001 en verklaart zich vluchteling op 10 oktober
  5. 1.
  6. Op 12 oktober 2001 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  7. Op 16 januari 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal is als volgt gemotiveerd : "Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. (...) Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dagen, ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: Volgens uw verklaringen ten aanzien van de Dienst Vreemdelingenzaken (cf. gehoorverslag dd. 12 oktober 2001) was u garagist in B. N, een leider van de S., de S., was klant bij u en vroeg u op een dag om geld voor de S.-activiteiten te geven, wat u deed. Op 4 april 1997 werden er in B. en elders vele mensen vermoord; de dag erna werd u opgepakt omdat de politie N. hiervoor verantwoordelijk achtte en u hem kende. U werd opgesloten en tijdens uw detentie doorzocht de politie vergeefs uw huis op zoek naar een wapen, waarbij de agenten uw vrouw ernstig toetakelden. Ze belandde in het ziekenhuis en de politie liet u, een week na het begin van uw arrestatie, gaan om haar te kunnen opzoeken. Ze overleed dezelfde dag, waarna u naar huis terugkeerde. In januari 1999 kwam N. u opnieuw om geld vragen maar dit keer stuurde u hem met lege handen weg. Toen hij u in januari 2001 andermaal om geld vroeg gaf u hem vijftigduizend C. Op 15 september 2001 waren er overal soldaten en werd u net als vele anderen om voor u onduidelijke redenen opgepakt en in het politiekantoor opgesloten. VII-32.034-2/6 De commissaris van uw dorp, die daar ook aanwezig was, bracht u dezelfde dag naar het huis van een vriend, waar u bleef tot hij u er op 5 oktober 2001 kwam halen en naar Douala voerde. Hij regelde uw vliegreis en op 8 oktober 2001 nam u een vliegtuig naar België, waar u de volgende dag aankwam en op 10 oktober 2001 asiel aanvroeg. U maakte niet aannemelijk dat er in uwen hoofde een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Geneefse Vluchtelingenconventie bestaat. Uit uw verklaringen ten aanzien van de Dienst Vreemdelingenzaken, de enige coherente die u hebt afgelegd, blijkt dat u na uw arrestatie en detentie van april 1997, waarbij uw vrouw aan de gevolgen van haar mishandeling door de politie bezweek, tot 15 september 2001, of meer dan vier jaar lang ongestoord in uw land bleef wonen waarbij u uw gewone leven bleef leiden. De arrestatie op laatstgenoemde datum was kennelijk arbitrair en niet tegen u persoonlijk gericht; bovendien verklaarde u de reden ervan niet te kennen. Daarenboven gaf u tijdens de twee verhoren door het Commissariaat-generaal (cf. verslagen dd. 19 november 2001 en 14 januari 2002) blijk van een manifest gebrek aan medewerking bij de toepassing van de asielprocedure. Tijdens het eerste gehoor was uw enige antwoord op de vragen van de ambtenaar "ik versta u niet". Uw advocaat verklaarde er dat u hem had uitgelegd dat er ook bij het gehoor door de Dienst Vreemdelingenzaken een ernstig communicatieprobleem was geweest. Uzelf stelde er bij de indiening van uw asielaanvraag om bijstand door een tolk A. te hebben verzocht (uw advocaat schrijft in het verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep dd. 16 oktober 2001 "A."; volgens onze informatie alsook volgens de geboorteakte die u voorlegde (cf. infra) gaat het wellicht om "A."), maar dat blijkt niet uit het desbetreffende document dd. 10 oktober 2001 van de Dienst Vreemdelingenzaken, dat van een verzoek om bijstand door een tolk "Pigeon English" gewag maakt. Het tweede gehoor door het Commissariaat-generaal, dat met de bijstand van een tolk voor deze laatste taal werd afgenomen, verliep echter nauwelijks vlotter; ook hier leek u vragen als "Wat is uw geboortedatum?" of "Met wie woonde u?" niet te begrijpen. Dat is bevreemdend aangezien het verslag van uw gehoor bij de Dienst Vreemdelingenzaken, dat in het Engels verliep, aantoont dat uw kennis van het Engels op dat moment voldoende groot was om uw relaas relatief uitvoerig (het neemt twee bladzijden in beslag) uiteen te zetten. Het is daarom niet aannemelijk dat u ten aanzien van het Commissariaat-generaal ook zeer eenvoudige vragen in respectievelijk Engels en pidgin English niet begreep en het grootste deel van de tijd slechts een vrijwel onverstaanbare taal kon uitbrengen. De verklaring van uw advocaat tijdens het tweede gehoor door het Commissariaat-generaal, als zou u een A.-tolk hebben willen meebrengen, wekt verwondering aangezien hiervan nergens eerder melding was gemaakt, en verandert niets aan de vaststelling dat u enkel om een tolk "Pigeon English" verzocht heeft, een verzoek waarop het Commissariaat-generaal vruchteloos is ingegaan. De door u voorgelegde documenten doen geen afbreuk aan bovenstaande bevindingen. Uw geboorteakte dd. 27 december 1996 en uw identiteitskaart met nummer 10/9/4017 afgegeven op 11 april 2001 bewijzen hoogstens uw identiteit, maar die werd niet in vraag gesteld. De foto's van familieleden en vrienden bewijzen niets aangaande de gerelateerde feiten. De medische attesten van dokter Marc Beckers maken wel gewag van littekens en pijnen maar bieden geen uitsluitsel over de oorzaken daarvan. Ten slotte bevat het genoemde verzoekschrift van uw advocaat tot instelling van een dringend beroep geen enkel ander element dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen."; 2.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij in het verzoekschrift een enig middel uiteenzet : "De l'absence de motivation ou de motivation adéquate (loi du 29 juillet 1991), de la violation du principe de la bonne administration, de la violation des droits du demandeur d'asile, du manque d 'appréciation et de l'abus de pouvoir et de la violation de l'art. 5-1.4 de la loi du 15.12.1980 Attendu que le requérant ne parle pas l'anglais. Qu'il n'a pas fait d'étude et était un simple mécanicien dans son pays. Qu'il est originaire de W., village A. où la langue parlée est l'A. Attendu que c'est tout à fait par erreur que l'office des étrangers a désigné un interprète en langue anglaise au moment de l'introduction de la demande d'asile du VII-32.034-3/6 requérant. Qu'à la première occasion étant la date de l'introduction du recours urgent, le conseil du requérant a demandé un interprète en langue A. (en faisant une faute d'orthographe bien pardonnable contrairement à ce qu'indique la décision attaquée) en expliquant bien que c'est la langue du requérant de façon tout à fait logique par rapport à son lieu d'origine au XXX. Attendu que le C. a accepté le principe d'attribuer au requérant un interprète en ladite langue puisqu'il a accepté de reporter l'audition prévue pour le 19 novembre 2001 et ce uniquement pour le motif qu'il allait fournir un interprète en langue A. Qu'aucune audition n'a eu lieu en date du 19 novembre 2001 contrairement à ce qu'indique la décision attaquée qui contient à ce propos des éléments allant en opposition flagrante avec le contenu du dossier administratif relatif au requérant. Que le fait est que lors de l'audition prévue pour le 14 janvier 2002, il n' y avait pas d'interprète en A. mais était présent un interprète en anglais. Qu'à l'égard de cela il faut remarquer que le «pidgin english» n'est pas une langue à proprement parler et en tous cas pas la langue parlée par le requérant. Que c'est donc tout à fait normal que le requérant a proposé de revenir aussi vite que possible (selon la convocation du CGRA) avec une personne camerounaise qu'il venait de rencontrer dans la ville et qui avait servi d'interprète entre lui et son conseil pour la bonne raison qu'il parle l’A. Que le refus du CGRA est dérangeant dans la mesure où il avait manifestement fait droit à la demande contenue dans le recours urgent à savoir que le requérant pourrait être assisté d'un interprète en langue A. Que le refus du CGRA lors de la seconde audition constitue manifestement un abus de droit vis-à-vis du requérant. Que pire est que la décision attaquée tente de faire croire qu'il y a eu audition en date du 19 novembre 2001, ce qui est tout à fait contraire à la réalité et au contenu du dossier administratif. Que dès lors la remise à la date du 14 janvier 2002 devient inexplicable si ce n'était pas pour trouver un interprète en A. Que les considérations sur l'attitude du requérant lors de la première et de la seconde audition n'ont aucun fondement dès lors que le requérant a été confronté à une langue qu'il ne parle pas. Que l'abus de droit et le manque de motivation adéquate sont évidents. Que la motivation de la décision attaquée ne peut pas être acceptée, l'attitude du CGRA allant très clairement à l'encontre des intérêts du demandeur d'asile. Attendu que la décision attaquée est hautement critiquable. Qu'elle doit être annulée."; 2.
  9. Overwegende dat artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen geen verplichting inhoudt om het verhoor te laten plaatsvinden in aanwezigheid van een tolk; dat het formulier dat verzoeker op 10 oktober 2001 ondertekende waarin hij om de bijstand van een tolk “Pigeon English” verzoekt, een formulier is, opgesteld om de toepassing van voornoemd artikel mogelijk te maken; dat het in de eerste plaats bedoeld is om de asielprocedure aan een bepaalde taalrol toe te wijzen en vervolgens om uit te maken in welke taal, eventueel met behulp van een tolk, de verhoren kunnen plaatsvinden; Overwegende dat uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat dit verhoor -dat werd afgenomen op 12 oktober 2001- regelmatig is verlopen; dat verzoeker de gestelde vragen heeft beantwoord en op duidelijke wijze zijn asielrelaas heeft uiteengezet; dat hij dit verhoorverslag heeft ondertekend; dat dit verhoor geschiedde in het Engels; dat zich in het dossier een uitnodiging bevindt voor een verhoor bij het Commissariaat-generaal op 19 november 2001; dat er zich tevens een verhoorverslag van 19 november 2001 in het dossier bevindt, waaruit blijkt dat verzoeker, die vergezeld werd door zijn raadsman, op de gestelde vragen enkel antwoordde “ik versta u niet”; dat verzoeker opnieuw werd uitgenodigd voor verhoor bij het Commissariaat-generaal, VII-32.034-4/6 ditmaal op 14 januari 2002; dat uit het verhoorverslag van dit verhoor blijkt dat verzoeker opnieuw verklaarde de gestelde vragen niet te begrijpen en dat hij een klein beetje uitleg kon geven; dat, aangezien verzoeker bij de Dienst Vreemdelingenzaken schijnbaar zonder probleem heeft deelgenomen aan een interview in het Engels, het niet onredelijk is dat de Commissaris-generaal vaststelt dat verzoeker tijdens de twee interviews voor het Commissariaat-generaal blijk gaf van een manifest gebrek aan medewerking bij de toepassing van de asielprocedure; dat het verweer hiertegen in het middel hieraan geen afbreuk doet; dat de bestreden beslissing eveneens als motief vermeldt dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat hij een gegronde vrees voor persoonlijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie heeft; dat in het middel dit motief niet wordt aangevochten; dat verzoeker dan ook geenszins aantoont dat de Commissaris-generaal in onredelijkheid tot zijn beslissing is gekomen; dat het enige middel ongegrond is;
  10. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  11. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig september tweeduizend en vier, door: Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. C. VERHAERT, toegevoegd griffier. VII-32.034-5/6 De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. M.-R. BRACKE. VII-32.034-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.111 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.