id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.113 Rolnummer: A. 124968/VII-27468 Zaak: Arrest 135113 - - 21/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-06 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 09:14 Fiche Arrest nr 135.113 van 21 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.113 van 21 september 2004 in de zaak A. 124.968/VII-27.468 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat T. SNELS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Brederodestraat 13 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- ----- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Nepalese nationaliteit, op 5 augustus 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 5 juli 2002 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 21 februari 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij aangetekend verzonden op 5 juli 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 30 augustus 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 17 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 juni 2004; VII-27.468-1/7 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat T. SNELS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Adjunct-adviseur M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 27 januari 2002 en verklaart zich vluchteling op 28 januari
- 1.
- Op 21 februari 2002 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 5 juli 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal is als volgt gemotiveerd : "Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. (...) Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2.). (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, die verklaart de Nepalese nationaliteit te bezitten, zou afkomstig zijn van Asan, Kathmandu. U zou gehuwd zijn met XXX. U zou niet politiek actief zijn. Uw echtgenoot zou actief zijn voor Maobadi. Voor zover u weet zou hij pamfletten verspreiden en deelnemen aan vergaderingen en manifestaties. Hij zou in de vijfde maand van 2058 (Nepalese kalender, k.o.m. aug-sept. 2001 Gregoriaanse kalender) zijn gearresteerd en tot 6/6/2058 (22/9/2001) zijn vastgehouden omwille van deelname aan een manifestatie van Maobadi. Op 12/8/2058 (27/11/2001), een dag na de afkondiging van de noodtoestand, zou uw echtgenoot zijn ondergedoken. Sindsdien zou u geen nieuws meer van hem hebben gehad. Op 18 en 20/8/2058 (3 en 5/12/2001) zou de politie van Thankot naar uw huis zijn gekomen om uw echtgenoot te zoeken. Op 16/9/2058 (31/12/2001) zouden politie-agenten van het districtspolitiebureau van Hanumandhoka zijn gekomen om hem te zoeken. Zij zouden een huiszoeking hebben VII-27.468-2/7 gedaan en alle documenten van u en uw echtgenoot hebben geconfisqueerd en ze zouden ongeveer 6000 Nepalese roepies hebben genomen. Ze zouden u ook hebben bedreigd. Als u hen de volgende keer niet zou zeggen waar uw echtgenoot is, zouden ze u vermoorden. Diezelfde avond zouden twee agenten zijn teruggekomen en zouden u opnieuw hebben bedreigd en zouden u ook hebben verkracht. De volgende morgen zou u uit angst met uw kinderen naar uw ouders zijn gegaan. Daar zou u hebben vernomen dat de politie u was komen zoeken. Ze zouden uw huis hebben verzegeld en rondvraag over u hebben gedaan bij de buren. U zou ook hebben vernomen dat ze in de buurt van uw ouders huis ook rondvraag deden naar u. Daarop zou u hebben besloten Nepal te verlaten. Op 1/10/2058 (14/1/2002) zou u naar Delhi zijn gereisd. Op 27 januari 2002 zou u in België zijn aangekomen en de volgende dag heeft u hier asiel aangevraagd. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat u in de loop van uw asielprocedure tegenstrijdige en onsamenhangende verklaringen heeft afgelegd die de geloofwaardigheid van uw vluchtrelaas ernstig aantasten. Zo verklaart u aanvankelijk voor het Commissariaat-generaal (CG) , conform met uw verklaringen tegenover de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ), dat de politie, na de verdwijning van uw echtgenoot, in totaal drie maal naar uw huis is gekomen (gehoorverslag CG p.6B). Later tijdens het gehoor in dringend beroep haalt u echter nog een vierde maal aan. In de nacht van 16/912058 (31/12/2001) zouden twee agenten zijn teruggekomen en u hebben bedreigd en verkracht. Daarop zou u naar uw ouders zijn gegaan (gehoorverslag CG p.7). Tegenover de Dienst Vreemdelingenzaken haalt u niet aan dat de politie u een vierde maal zou zijn komen zoeken, noch rept u met een woord over het feit dat u zou zijn verkracht. Gezien de ernst van de feiten is een dergelijke vergetelheid onbegrijpelijk. Daarnaast verklaart u in dringend beroep dat het de twee eerste keren de politie van Thankot was die u kwam opzoeken (gehoorverslag CG p.6-6B). In strijd daarmee verklaarde u tegenover de Dienst Vreemdelingenzaken dat het de politie van Balambu was die u de twee eerste keren kwam opzoeken (DVZ p. 12). Verder verklaart u in dringend beroep dat deze twee bezoeken plaatsvonden op 18 en 20/8/2058 (3 en 5/12/2001) (gehoorverslag CG p.6) terwijl u bij de Dienst Vreemdelingenzaken beweerde dat dit op 18 en 22/8/2058 (3 en 7/12/2001) gebeurde ( gehoorverslag DVZ p.12). Bovendien verklaart u in dringend beroep dat u de dag na uw verkrachting, namelijk op 17/9/2508 (1/1/2002), naar uw ouders bent gegaan (gehoorverslag CG p.7B). Tegenover de Dienst Vreemdelingenzaken daarentegen verklaarde u echter dat u op 18/9/2058 (2/1/2002), twee dagen na het laatste bezoek van de politie, naar uw ouders zou zijn gegaan ( gehoorverslag DVZ p. 13). Daarenboven beweerde u tegenover de Dienst Vreemdelingenzaken dat uw echtgenote u had verteld dat hij een week na zijn arrestatie was vrijgelaten omwille van de vredesonderhandelingen die toen aan de gang waren ( gehoorverslag DVZ, p.12). In dringend beroep verklaart u echter dat u niet weet wat de reden w-gs voor zijn vrijlating. Het enige wat uw echtgenoot u zou hebben verteld, is dat hij was gewaarschuwd niet meer actief te zijn voor Maobadi ( gehoorverslag CG p.5B). Daarnaast verklaart u in dringend beroep dat u in India contact heeft gehad met uw ouders. Zo zou u hebben vernomen dat de politie u in het huis van uw ouders was komen zoeken (gehoorverslag CG p.2). Aangezien het hier gaat om een niet onbelangrijke aanwijzing dat u persoonlijk wordt geviseerd daar de autoriteiten, is het zeer bevreemdend dat u hier geen melding van heeft gemaakt tegenover de Dienst Vreemdelingenzaken. Gezien bovenstaande vaststellingen kan geen geloof worden gehecht aan uw vluchtrelaas. Tot slot bent u niet in het bezit van enig reis- of identiteitsdocument waardoor uw reisweg en uw identiteit niet kunnen worden gecontroleerd.". 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat als volgt luidt: VII-27.468-3/7 "Schending van, de materiële en formele motiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur; Doordat de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen in de bestreden beslissing geen rekening heeft gehouden met de feitelijke omstandigheden van de Nepalese situatie, en de door de verzoeker verklaarde gebeurtenissen; Terwijl de bestreden beslissing dient te voldoen aan de vereisten van de formele en materiële motiveringsplicht, vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29juli 1991 betreffende de motivering van bestuurshandelingen; Dat iedere beslissing bovendien op motieven dient te berusten die niet enkel in feite en in rechte aanwezig moeten zijn, doch die bovendien pertinent moeten zijn en de beslissing moeten verantwoorden; Zodat, het bestreden besluit de in het middel aangehaalde rechtsbeginselen en wetsbepalingen schendt. Uiteenzetting nopens het eerste middel: De bestreden beslissing maakt op geen enkel ogenblik melding van de actuele situatie in Nepal, zoals die ten overvloede bekend is door middel van de berichtgeving van de internationale gemeenschap en de niet-gouvernementele organisaties (cf. supra). In dit perspectief heeft de Verweerder dan ook een kennelijke fout begaan door de beslissing van de DVZ te bekrachtigen, daar de ontvankelijkheid van de asielaanvraag van Verzoekster niet in de geringste mate weerlegd is geworden. Opdat een asielaanvraag van een vluchteling van een land zoals Nepal manifest onontvankelijk verklaard zou kunnen worden, moet de asielaanvraag kennelijk bedrieglijk zijn, wat in het onderhavige dossier geenszins bewezen werd. Wat de eerste twee "bedrieglijke" elementen betreft, neemt de Verweerder ten onrechte aan dat Verzoekster reeds alle gebeurtenissen voldoende heeft kunnen verwerken opdat zij er een perfect consistent relaas van zou kunnen geven. Het is evident dat een persoon die onderworpen werd aan vernederende, door de staat gesponsorde handelingen, die haar ertoe gedwongen hebben om het moederland te ontvluchten, op korte tijd de gebeurtenissen niet op die mate kan verwerken om ze zonder terughoudendheid te kunnen verwoorden tegenover vreemde autoriteiten, zonder enige vorm van steun of vertegenwoordiging door een advocaat. Het kan dan ook niet verbazen dat Verzoekster geen melding heeft gemaakt van de verkrachting door de politie tijdens haar eerste interview. Het is onbegrijpelijk dat Verweerder de aanvraag op deze gronden afwijst, a fortiori in het geval een vrouw die verkracht werd door de politionele overheden van haar land. Het moet vastgesteld worden dat deze motivatie getuigt van een onpersoonlijke en zelfs onmenselijke aanpak. Wat de andere "bedrieglijke" elementen betreft, kan volstaan worden met de opmerking dat zij geenszins getuigen van bedrieglijke verklaring, maar integendeel van eenvoudige vergissingen of misverstanden die redelijkerwijze hun oorzaak kunnen vinden in het optreden van de tolk of in het niet voldoende begrijpen van de vraagstelling. Het valt eveneens op te merken dat de Verweerder zelf, alhoewel zij veel beter hiertoe in staat zou moeten zijn dan de Verzoekster, een vergissing begaat in het registreren van de zogezegde "bedrieglijke" verklaringen van de Verzoekster (er wordt gesproken van 17/9/2508, terwijl het duidelijk is dat dit 2058 moet zijn). In dit perspectief zou de bestreden beslissing met evenveel redelijkheid kunnen verweten worden "bedrieglijk" te zijn. Het valt inderdaad erg moeilijk te verdedigen dat de Verzoekster beschuldigd wordt van zogezegde "bedrieglijke" verklaringen, die niet meer zijn dan vergissingen of misverstanden, door een beslissing die van een zelfde menselijke tekortkoming getuigt. De bestreden beslissing is om deze redenen kennelijk niet afdoende gemotiveerd. Het middel is daarom gegrond."; 2.1.
- Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris- generaal besloten heeft dat de asielaanvraag van verzoekster bedrieglijk is aangezien er tussen haar verklaring voor de Dienst Vreemdelingenzaken en haar verklaring voor het Commissariaat-generaal verscheidene tegenstrijdigheden werden vastgesteld en zij bovendien elementen die de rechtstreekse aanleiding van haar vertrek vormden, niet naar voren bracht tijdens haar interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken; dat deze in de bestreden beslissing gemaakte vaststellingen overeenstemmen met de inhoud van de tijdens VII-27.468-4/7 de asielprocedure opgestelde verhoorverslagen en met het administratief dossier; dat de vastgestelde tegenstrijdigheden uitvoerig werden uiteengezet in de bestreden beslissing, met verwijzing naar de verklaringen van verzoekster; dat verzoekster aldus kennis kon nemen van de motieven waarop de Commissaris-generaal zijn beslissing heeft gesteund; dat de tegenstrijdigheden en leemtes daarenboven betrekking hebben op feiten die rechtstreeks aanleiding hebben gegeven tot het vertrek van verzoekster uit haar land van herkomst; dat zij bijgevolg de kern van het asielrelaas raken; dat van verzoekster dan ook redelijkerwijze mag worden verwacht dat zij dit naar voren zou brengen tijdens haar verhoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken; dat de traumatische aard van verzoeksters ervaren gebeurtenissen geen verschoning kan bieden voor het verzuim de feiten die de oorzaak waren van verzoeksters vlucht uit het land van herkomst nauwkeurig, zorgvuldig en op een coherente en geloofwaardige manier weer te geven aan de bevoegde overheden tijdens de asielprocedure, een procedure welke juist ten dienste van kandidaat-vluchtelingen zoals verzoekster werd ontwikkeld; dat verder verzoeksters losse bewering als zouden de tegenstrijdigheden slechts eenvoudige vergissingen of misverstanden betreffen die hun oorzaak vinden in het optreden van de tolk of in het niet voldoende begrijpen van de vraagstelling, geenszins steun vindt in het administratief dossier; dat verzoeksters loutere verwijzing naar de actuele situatie in Nepal, zonder deze te betrekken op haar persoonlijke situatie, evenmin overtuigt; dat verzoekster er derhalve niet in slaagt aan te tonen dat de bestreden beslissing de motiveringsplicht schendt, noch dat deze beslissing in rechte of in feite onvoldoende zou zijn gemotiveerd; dat uit de gegevens van het administratief dossier evenmin kan worden afgeleid dat de Commissaris-generaal ten onrechte zou hebben besloten tot het bedrieglijk karakter van verzoeksters asielaanvraag; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel uiteenzet dat als volgt luidt : "Schending van, artikel 33, § 1 van de Conventie van Genève; Doordat het erg waarschijnlijk is dat het leven of de vrijheid van Verzoekster, gezien de ernst van de situatie in Nepal en het ontbreken van alle fundamentele individuele rechten tegenover het handelen van de overheid, in gevaar zal komen te staan indien zij teruggestuurd zou worden naar Nepal; Terwijl het terugleiden van verzoeker het 'non-refoulement' beginsel, vervat in artikel 33, §1 van de Conventie van Genève, miskent aangezien er ernstige aanwijzingen zijn dat het leven of vrijheid van Verzoekster bij haar terugkeer bedreigd zou worden op grond het behoren tot een sociale groep of politieke overtuiging; Dat, het 'non-refoulement' beginsel, neergelegd in artikel 33, §1 van de Conventie van Genève stelt dat geen der Verdragsluitende staten 'op welke wijze ook, een vluchteling [zal] uitzetten of terugleiden naar de grenzen van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid bedreigd zou worden op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een sociale groep of zijn politieke overtuiging. Zodat, het bestreden besluit de in het middel aangehaalde rechtsbeginselen en wetsbepalingen schendt. Uiteenzetting nopens het tweede middel: De bestreden beslissing toont op geen enkele wijze aan dat het leven of de vrijheid van Verzoekster niet in het gedrang zou komen ingeval van terugleiding naar haar land, VII-27.468-5/7 terwijl de toestand in Nepal getuigt van algemene wetteloosheid en grove schendingen van de rechten van de mens (cfl supra). Het volledig buiten beschouwing laten van de toestand in Nepal vis-à-vis Verzoekster, schendt niet enkel de formele en materiële motiveringsplicht maar ook artikel 33, § 1, van de Conventie van Genève. Het middel is daarom gegrond."; 2.2.
- Overwegende dat uit de redactie van artikel 33 van de Conventie van Genève duidelijk blijkt dat deze bepaling enkel van toepassing is op erkende vluchtelingen; dat de verzoekende partij momenteel geen erkende vluchteling is; dat deze bepaling aldus niet van toepassing is; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel inroept dat als volgt wordt ontwikkeld : "Schending van het redelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur; Doordat de door het bestuur geponeerde verhouding tussen beslissing en feiten in werkelijkheid volkomen ontbreekt; Dat, verweerder in zijn beslissing op geen enkele wijze rekenschap geeft van de impact van de traumatische ervaring die Verzoekster ondergaan heeft, op haar vermogen om in een vreemde en stressvolle omgeving een volkomen coherente uiteenzetting te geven van de feiten, en om geen van deze feiten te verdringen in het licht van hun ernstig karakter; Ter elk bestuur gehouden is de grenzen van de redelijkheid niet te overschrijden; Zodat, het bestreden besluit de in het middel aangehaalde rechtsbeginselen en wetsbepalingen schendt. Uiteenzetting nopens het derde middel: Om de redenen uiteengezet onder het eerste en het tweede middel, schendt Verweerder eveneens op manifeste wijze het beginsel volgens hetwelk elk bestuur gehouden is aan de algemene beginselen van de redelijkheid. Het middel is gegrond."; 2.3.
- Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen binnen het kader van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, een eindbeslissing neemt over de ontvankelijkheid van de aanvraag tot erkenning als politiek vluchteling; dat de Commissaris-generaal, om een exact beeld te krijgen van de situatie waarin de vreemdeling zich bevindt op het tijdstip van zijn vluchtelingenverklaring, de mogelijkheid heeft om alle objectieve gegevens na te gaan die hij noodzakelijk acht om zijn beslissing te kunnen nemen; dat in dit verband het bedrieglijk karakter van een asielaanvraag onder meer aangetoond kan worden door vast te stellen dat de verklaringen van de verzoekende partij door tegenstrijdigheden aangetast zijn, of omdat haar verklaringen verward, onsamenhangend, onvolledig of inconsistent zijn; dat, zoals besproken bij het eerste middel, in casu dient te worden vastgesteld dat de Commissaris- generaal niet ten onrechte besloot tot de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag; dat het derde middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling VII-27.468-6/7 inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig september tweeduizend en vier, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. C. VERHAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. M.-R. BRACKE. VII-27.468-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.113 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div