id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.126 Rolnummer: A. 136743/VII-32021 Zaak: Arrest 135126 - - 21/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-07 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 09:14 Fiche Arrest nr 135.126 van 21 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.126 van 21 september 2004 in de zaak A. 136.743/VII-32.021 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat P. BUYTAERT, kantoor houdende te 9120 BEVEREN, Grote Markt 34b. tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Somalische nationaliteit, op 15 mei 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 7 april 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 14 november 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij aangetekend verzonden op 15 april 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 28 mei 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 17 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 juni 2004; VII-32.021-1/8 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat B. KUSTERS, die, loco Advocaat P. BUYTAERT, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Adjunct-adviseur M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 17 september 2002 en verklaart zich vluchteling op 18 september
- 1.
- Op 14 november 2002 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 7 april 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal is als volgt gemotiveerd : "A. Vluchtrelaas U beweerde afkomstig te zijn uit Hargeysa en te behoren tot de Issaq-clanfamilie, subclan Arab. Uw echtgenoot behoort eveneens tot de Issaq-clanfamilie maar tot de subclan Haber Awal. In 1991 stierven 2 van uw zonen, XXX en XXX. Zij waren indertijd soldaten van Siad Barre. Toen de oorlog uitbrak werden zij aangevallen door soldaten van het "SNM" (waarvan u de betekenis niet kent)en sneuvelden. Vier jaar geleden verdween een andere zoon van u, hij werd ervan beschuldigd Siad Barre gesteund te hebben. Toen u recentelijk op de markt van Hargeysa melk verkocht werden u en uw gehandicapt kleinkind geslagen. U werd aangevallen door 2 mannen en vervolgens door een groep vrouwen die allen op de markt van Hargeysa werkten. Ze sneden in uw keel en lieten u voor dood achter. U werd uitgescholden voor 'faqash', een scheldwoord dat men gebruikt voor voormalige medewerkers van Siad Barre. Bovendien werd u ervan verdacht de voormalige "president" van Somaliland en huidig oppositieleider 'Tuur' (en aldus de "TNG" (Transitional National Government) in Mogadishu) te steunen. Na de aanval op u en uw kleinkind op de markt Van Hargeysa kregen uw echtgenoot, zoon en dochter schrik, verlieten Hargeysa en gingen naar Ceerigabo. U verkocht het goud dat u bezat op de markt van Hargeysa en verzamelde uw spaargeld en financierde zo uw vlucht. U vertrok in Hargeysa Airport op een u onbekende datum richting Kenia. In Kenia stapte u over op een ander vliegtuig dat u naar Frankrijk bracht. Van daar uit kwam u met de auto tot België waar u asiel aanvroeg op 18 september
- B. Motivering U heeft het niet aannemelijk kunnen maken dat uw "vrees voor vervolging" in de zin van de Conventie van Genève voldoende ernstig is. U verklaarde voor het Commissariaat-generaal dat uw 2 zonen soldaten waren van Siad Barre en in 1991 VII-32.021-2/8 vermoord werden (p. 5). U verklaarde tijdens hetzelfde verhoor onlangs te zijn aangevallen op de markt van Hargeysa (p. 7) door mensen die op de markt werken (p. 11) en die u al lang kende (p. 12). U en uw kleinkind werden -volgens uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal- geslagen (p. 7) omdat uw zonen destijds Siad Barre steunden (p. 7 en 9). U verklaarde voor het Commissariaat-generaal nochtans dat uzelf reeds 6 à 7 jaren op deze markt werkte (p. 11) maar nooit eerder werd aangevallen (p. 12) door de andere marktkramers. Het is bijzonder opmerkelijk dat u pas recentelijk aangevallen werd omwille van de steun van uw zonen aan Siad Barre hoewel deze feiten reeds dateren van
- Bovendien is het niet aannemelijk dat u zou zijn aangevallen door mensen die u reeds lange tijd kende en dat zij u nooit eerder fysiek zouden hebben aangevallen omwille van de banden van uw zonen met Siad Barre. U verklaarde bovendien voor het Commissariaat-generaal dat u, om uw vlucht te financieren, op deze zelfde markt uw goud ging verkopen (p. 12), terwijl men toch zou verwachten dat u deze plaats zou mijden, gezien het reële risico op een nieuwe confrontatie met uw belagers. Er kan dus behoorlijk getwijfeld worden aan de ernst van de "vrees voor vervolging" die u inroept aangezien u na de aanval nog bent teruggekeerd naar de markt waar u voordien werd aangevallen. Daarenboven is het bijzonder merkwaardig dat u voor het Commissariaat-generaal verklaarde dat uw echtgenoot zich, sinds een u onbekende datum, in Ceerigaabo heeft gevestigd (p. 2 en 5) en dat hij en uw dochter daarheen vertrokken omdat (en dus nadat) u geslagen werd en zij daarom schrik kregen (p. 8). Men zou immers verwachten dat u zelf in de eerste plaats zou hebben geprobeerd om een interne vluchtmogelijkheid te vinden, vermits u het was (en niet uw echtgenoot of dochter) die fysiek belaagd werd. U kon overigens geen aannemelijke reden geven waarom u hen niet kan vervoegen in Ceerigaabo (p. 8). U stelt in dit verband voor het Commissariaat-generaal dat u zich niet in Darod-gebied (waarbinnen Ceerigaabo zich bevindt) wilde vestigen (p. 8) en u gaf aan dat u eerder verkoos om het land te verlaten. Dergelijke beweringen laten toe om te betwijfelen dat uw keuze voor het verlaten van uw land (en het inroepen van internationale bescherming) in uw geval de enige mogelijke optie was, vermits uw echtgenoot, die tot dezelfde clan als de uwe behoort, wel bereid bleek te zijn om zich in een ander gebied te vestigen en vermits u geen concrete aanwijzingen heeft voor het feit dat hij daar niet in veiligheid zou leven (zie uw verklaring voor het Commissariaat-generaal (p. 8). Er dient bovendien te worden opgemerkt dat verscheidene vage en tegenstrijdige verklaringen de geloofwaardigheid van uw relaas in ernstige mate ondermijnen. Zo verklaarde u op de Dienst Vreemdelingenzaken (verhoorverslag Dienst Vreemdelingenzaken dd. 24 oktober 2002, punt 42) dat uw 2 zonen 4 jaar geleden overleden zijn hoewel u op het Commissariaat-Generaal verklaarde dat uw zonen vermoedelijk stierven in 1991 (p. 5). Bovendien vertelde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat niemand weet waar uw echtgenoot, zoon en dochter verblijft (punt 42) terwijl u op het Commissariaat-generaal vertelde dat uw echtgenoot zich in Ceerigaabo bevindt (p. 2 en5) waar ook uw dochter en zoon momenteel wonen (p. 8). In de loop van uw relaas op het Commissariaat-generaal vermeldde u een bijkomende reden waarom men u op de markt zou hebben aangevallen. U beweerde dat u "Tuur", een voorstander van de TNG, zou steunen (p. g), hoewel u de volledige naam van Tuur niet kan benoemen (p. 9). Wanneer de interviewer van het Commissariaat-generaal u echter vraagt waarom u Tuur steunt, verklaarde u eerst hem enkel in gedachten te steunen (p. 9) en later verklaarde u zelfs Tuur helemaal niet te steunen, dit zou enkel een gerucht zijn (p. 9). U voegde er aan toe dat u enkel bezig was uw kinderen op te voeden en dat u geen tijd had om iets te steunen (p. 10). U beweerde bovendien dat u verdacht werd van steun aan Tuur en de TNG hoewel u echter geen idee heeft of de mensen in Somaliland pro of contra TNG zijn (p. 12) en dus kan u bezwaarlijk uitmaken of u omwille van deze reden problemen ondervindt. U haalde deze (vermeende) steun aan Tuur overigens niet aan als motief voor uw asielaanvraag tijdens het verhoor door de Dienst Vreemdelingenzaken, hoewel u voor het Commissariaat-generaal uitdrukkelijk beweerde (p. 11) dat dit motief, evenals het feit dat uw zonen gediend hadden in het leger van Siad Barre, aan de basis lagen van het feit dat u vervolgd werd. U verklaarde verder voor het Commissariaat-generaal dat uw echtgenoot en kinderen vluchtten nadat u op de markt werd aangevallen omdat ze schrik hadden gedood te worden door de Issaq en dit omdat u andere clans zoals bijvoorbeeld de Hawiye steunde (p. 8). Wanneer de interviewer van het VII-32.021-3/8 Commissarlaat-generaal u echter vraagt waarom u de Hawiye steunde trekt u uw verklaringen weer in en zegt u dat u nooit iemand steunt (p. 8). Aangezien u uw verklaringen in verband met de redenen voor vervolging steeds wijzigt, en desgevallend zelfs intrekt, kan er bijzonder weinig waarde aan worden gehecht in het licht van de behandeling van uw asielaanvraag. Het feit dat u analfabeet beweert te zijn, doet geen afbreuk aan bovenstaande vaststellingen, omdat de aangehaalde tegenstrijdigheden niets te maken hebben met schoolse kennis enigerlei. De door u voorgelegde doktersattesten (dd. 7 november 2002 en 9 januari 2003) bevatten geen elementen ter staving van uw asielrelaas, vermits de hierin beschreven letsels op geen enkele manier in verband (kunnen) worden gebracht met de door u aangehaalde vervolgingsfeiten. Uw identiteit, nationaliteit en reisweg kunnen, bij gebrek aan geldige documenten ter zake, niet worden nagegaan. Ten slotte bevat uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep geen enkel element dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de mening toegedaan dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).". 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat als volgt luidt : "Verzoekster werpt een eerste middel op dat bestaat uit de schending van de vreemdelingenwet van 15 december 1980, meer bepaald het artikel 52 en de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel (algemeen rechtsbeginsel), doordat het Commissariaat-generaal niet zonder onderzoek ten gronde kon besluiten tot het feit dat de asielaanvraag van verzoekster bedrieglijk is. De Commissaris-generaal meende dit te moeten besluiten, terwijl het niet in het kader van het onderzoek naar de ontvankelijkheid van het verzoek tot erkenning als vluchteling past, een dergelijk onderzoek naar de waarheid van de aangevoerde feiten te voeren: er moet enkel worden nagegaan of de aangehaalde feiten waarschijnlijk geacht kunnen worden. Een dergelijk diepgaand onderzoek dat toelaat te ontdekken welke delen van het verhaal van verzoekster waar zijn, en welke op beweerdelijke leugens zouden berusten, kan enkel worden gevoerd in de procedure ten gronde. Uit de voorbereidende werken van artikel 52 van de vreemdelingenwet van 15 december 1980 blijkt dat het onderzoek naar de ontvankelijkheid die verzoeken dient weg te filteren, die "manifestement abusives ou non fondée" zijn (exposé et motif de la loi de 14 juillet 1987, document parlementaire, cession 1986 et 1987,689/1, p. 7). Zo dienen bijvoorbeeld de verzoeken die gesteund zijn op elementen totaal vreemd aan de voorwaarden van de Conventie van Genève, onontvankelijk te worden verklaard. Maar verzoekster heeft in casu een coherent verhaal naar voren gebracht, dat duidelijk maakt dat zij voldoet aan deze voorwaarden van de Conventie van Genève. "Aan de grondslag van een besluit dienen zorgvuldig vastgestelde feiten te liggen. Om tot 'een rechtmatig besluit te komen dient het bestuur volledig op de hoogte te zijn van de feiten' Wie de besluitvorming kunnen beïnvloeden." (A. VAN MEENSEL, "De uitdrukkelijke motiveringsplicht" in X, De doorwerking van het publiekrecht in het privaatrecht, Gent, Mys & Breesch, 1997, p.212, nr .250.) De Commissaris-generaal kon niet zonder meer besluiten tot de ongegrondheid van de asielaanvraag, zonder te zijn overgegaan tot een onderzoek ten gronde, dat erin VII-32.021-4/8 bestaan zou hebben "de feiten die de besluitvorming kunnen beïnvloeden" op hun merites te hebben onderzocht. Door desalniettemin er enige zij het vlugge en oppervlakkige aandacht aan te hebben besteed, heeft de Commissaris-generaal zelf laten verstaan dat de door verzoekster ingeroepen feiten waarschijnlijk zijn - hetgeen het enige is waartoe het ontvankelijkheidsonderzoek zou mogen dienen: een onderzoek naar het waarheidsgehalte van beweringen en aangevoerde feiten volkomen kaderend binnen de voorwaarden van de Conventie van Genève, dient ten gronde gevoerd te worden. De Commissaris-generaal is de mening toegedaan dat verscheidene vage en tegenstrijdige verklaringen de geloofwaardigheid van het relaas van verzoekster in ernstige mate ondermijnen. Zo is er blijkbaar onduidelijkheid over het feit wanneer de 2 zonen van verzoekster overleden zijn. Verzoekster heeft echter geen weet van de precieze datum van het overlijden van haar zonen, maar vermoedelijk ongeveer begin
- De reden hiervan is dat verzoekster nooit de mogelijkheid heeft gehad om het lichaam voor een laatste maal te groeten. Een andere onduidelijk gegeven blijkt de verblijfplaats van haar echtgenoot te zijn. Verzoekster heeft echter verklaard dat zij dit niet weet, maar vermoedt dat haar echtgenoot zich bij haar dochter en zoon in Ceerigaabo bevindt. Wat betreft de verklaringen van verzoekster over "Tuur", dient vermeld te worden dat dit weinig belang heeft voor de asielaanvraag van verzoekster en zij dit alleen vermeld heeft voor de volledigheid. Gelet op dit alles, kan onmogelijk de bedrieglijkheid van het asielrelaas van verzoekster weerhouden worden."; 2.1.
- Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen binnen het kader van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), een eindbeslissing neemt over de ontvankelijkheid van de aanvraag tot erkenning als politiek vluchteling; dat de asielaanvraag in casu onontvankelijk wordt verklaard op basis van de vaststelling dat verzoeksters asielaanvraag bedrieglijk en kennelijk ongegrond is; Overwegende dat in eerste instantie in de motivering van de bestreden beslissing gewezen wordt op de kennelijke ongegrondheid van verzoeksters asielaanvraag; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond kan zijn omdat de vreemdeling geen gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat door de Commissaris-generaal hiertoe in casu wordt besloten omwille van de vaststelling dat verzoeksters relaas over de aanvallen tegen haar niet aannemelijk is, de ernst van de vervolgingsvrees gerelativeerd dient te worden aangezien verzoekster nog is teruggekeerd naar de markt waar zij werd aangevallen en er bovendien een intern vluchtalternatief bleek te bestaan; dat op basis van deze vaststellingen redelijkerwijs kan worden besloten tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag; Overwegende dat in tweede instantie in de motivering wordt ingegaan op de bedrieglijkheid van de asielaanvraag; dat het bedrieglijk karakter van een asielaanvraag onder meer aangetoond kan worden door vast te stellen dat de verklaringen van de verzoekende partij door tegenstrijdigheden en ongeloofwaardigheden aangetast zijn; dat door de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid wordt besloten omdat VII-32.021-5/8 verzoekster verscheidene vage en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd die de geloofwaardigheid van haar relaas in ernstige mate ondermijnen; dat met name aan verzoekster tegenstrijdigheden worden verweten die betrekking hebben op haar familieleden en de steeds wijzigende verklaringen omtrent de redenen voor vervolging; dat dit alles uitvoerig en op uiterst gedetailleerde wijze in de motivering van de bestreden beslissing wordt uiteengezet; dat de gegeven motieven in het verzoekschrift niet wezenlijk worden betwist noch weerlegd; dat verzoekster zich daarentegen beperkt tot het minimaliseren van haar verklaringen over “Tuur”; dat deze verklaringen echter betrekking hebben op de kern van verzoeksters asielrelaas, daar verzoekster voor het Commissariaat-generaal uitdrukkelijk verklaarde dat haar steun aan “Tuur” en de TNG mede aan de basis lag van het feit dat ze vervolgd werd; dat aldus bezwaarlijk kan worden gesteld dat de betreffende verklaringen niet relevant zijn; dat bovendien verzoeksters analfabetisme als dusdanig niet kan worden beschouwd als een verschoningsgrond voor de vastgestelde gebreken in haar verklaringen, aangezien deze niets te maken hebben met enige schoolse kennis; Overwegende dat de verzoekende partij er daarenboven ten onrechte van uit gaat dat om tot de bestreden beslissing te komen een onderzoek naar de gegrondheid nodig zou zijn geweest; dat in het kader van het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag de Commissaris-generaal immers, om een exact beeld te krijgen van de situatie waarin de vreemdeling zich bevindt op het tijdstip van zijn vluchtelingenverklaring, de mogelijkheid heeft om alle objectieve gegevens na te gaan die hij noodzakelijk acht om zijn beslissing te kunnen nemen; dat het de Commissaris-generaal dan ook niet verweten kan worden met het oog daarop de verklaringen van verzoekster zorgvuldig te onderzoeken en onderling te vergelijken; dat in casu een eenvoudige vergelijking van verzoeksters verklaringen duidelijke tegenstrijdigheden naar voren bracht; dat dit niet als een onderzoek naar de gegrondheid kan worden beschouwd; dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet de Commissaris-generaal toelaat een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren en de verblijfsweigering te bevestigen wanneer de aanvraag klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel, inzonderheid omdat ze bedrieglijk is; dat in dit verband, zoals reeds aangehaald, het bedrieglijk karakter van een asielaanvraag kan worden aangetoond door vast te stellen dat de verklaringen van de betrokkene aangetast zijn door tegenstrijdigheden, verward zijn of onsamenhangend of in strijd zijn met algemeen bekende feiten; dat de bewering van verzoekster dat enkel tijdens de procedure ten gronde de waarachtigheid van haar verklaringen kan worden nagegaan bijgevolg niet kan worden bijgetreden; dat verzoeksters aangevoerde schending van artikel 52 van de Vreemdelingenwet en van het zorgvuldigheidsbeginsel dan ook niet kunnen worden aangenomen; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel uiteenzet dat als volgt luidt : VII-32.021-6/8 "Verzoekster puurt een tweede middel uit de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en het algemeen rechtsbeginsel dat zegt dat elke beslissing materieel gemotiveerd moet zijn, doordat het aanhalen van enkele beweerdelijke contradicties geen afdoende motivering is om een verzoek tot verblijf uitgaande van een persoon die voldoet aan de voorwaarden van de Conventie van Genève, te weigeren. Artikel 1, A, 2 van de Conventie van Genève definieert de vluchteling als volgt: "de persoon die (..,) uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het grondgebied van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die bescherming van dat land niet kan, of uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen, ...". Verzoekster voldoet volledig aan de drie aangegeven gronden (de vrees voor vervolging omwille van zijn "anderszijn"), en heeft derhalve haar relaas weergegeven. "In het algemeen kan worden gesteld dat de overheid haar beslissingen moet baseren op feiten die een determinerende invloed op de uiteindelijke beslissing hebben. Welke nu 'precies' die feiten zijn, dient te worden opgemaakt uit het doel en de strekking van de "wettelijke en reglementaire bepalingen die de materie beheersen." (A. VAN MEENSEL, "De uitdrukkelijke motiveringsplicht", in X, De doorwerking van hetpubliekrecht in hetprivaatrecht, Gent, Mys & Breesch, 1997, p.213, nr.253.) Het doel en de strekking van de Conventie van Genève bestaat erin personen bescherming te verlenen; die in hun land vervolgd worden door de autoriteiten vanwege hun "anders-zijn". Verzoekster is zo één van die personen, en de feiten die zij heeft aangebracht om haar relaas te staven, dienen dan ook in de zin van de Conventie van Genève gelezen te worden.
- De vrees: Verzoekster vreest dat zij bij een eventuele terugkeer naar haar land van herkomst opnieuw zal aangevallen worden door leden van een andere stam. Dit is niet ondenkbaar, gelet op het feit dat zij reeds éénmaal is aangevallen geweest op de markt. De reden hiervoor was dat haar 2 vermoorde zonen Siad Barre hebben gesteund.
- Voor vervolging: Verzoekster wordt vervolgd door leden van een andere clan. Hiertegen kan zij geen klacht indienen, aangezien die clan de macht heeft in Somalië.
- Omwille van haar anders-zijn: Verzoekster wordt vervolgd omwille van het feit dat zij behoort tot een andere clan dan de clan die aan de macht is in Somalië. Dit is duidelijk een vervolging omwille van etnische oorsprong. Enkel die feiten die verzoekster heeft aangebracht in de zin van de Conventie van Genève, dienen dan ook onderzocht en gewaardeerd te worden: de andere feiten en gegevens diende de Commissaris-generaal buiten beschouwing te laten. Alleszins heeft de Commissaris-generaal nergens zij het formeel, zij het materieel aangeduid, op basis van welke feiten hij heeft uitgemaakt dat verzoekster niet beantwoordt aan de voorwaarden van de Conventie van Genève, doordat de aanvraag van verzoekster bedrieglijk zou zijn. De dienende feiten kunnen niet voor enige contradictie zorgen met de feiten die los staan van het doel en de strekking van de ter zake geldende bepaling: de Conventie van Genève."; 2.2.
- Overwegende dat uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat de bestreden beslissing afdoende is gemotiveerd met betrekking tot de bedrieglijkheid en de kennelijke ongegrondheid waartoe zij besluit; dat de bestreden beslissing derhalve is genomen in overeenstemming met de wetsbepalingen betreffende de motivering van de bestuurshandelingen, aangezien zij aldus de feitelijke en juridische overwegingen vermeldt die eraan ten grondslag liggen; dat het tweede middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van VII-32.021-7/8 artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig septmber tweeduizend en vier, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. C. VERHAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. M.-R. BRACKE. VII-32.021-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.126 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div