← België

Arrest 135129 - - 21/09/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.129 Rolnummer: A. 141458/VII-30660 Zaak: Arrest 135129 - - 21/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-06 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 09:15 Fiche Arrest nr 135.129 van 21 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.129 van 21 september 2004 in de zaak A. 141.458/VII-30.660 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. OPSOMMER, kantoor houdende te 9700 OUDENAARDE, Einestraat 22 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Soedanese nationaliteit, op 1 september 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 28 juli 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 29 april 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij aangetekend verzonden op 31 juli 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 23 september 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 17 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 juni 2004; VII-30.660-1/7 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die, loco Advocaat J. OPSOMMER, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Adjunct-adviseur M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij komt België binnen op 17 april 2003 en verklaart zich vluchteling op 22 april
  3. 1.
  4. Op 29 april 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 28 juli 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal is als volgt gemotiveerd : "A. Vluchtrelaas: U verklaart staatsburger te zijn van Soedan en Dongolawi van afkomst te zijn. U verliet Soedan op 25 maart 2003 en kwam op 17 april 2003 in België aan, waar u op 22 april 2003 het statuut van vluchteling aanvroeg. U bent niet in het bezit van enig identiteitsdocument. Volgens de verklaringen die u op 6 juni 2003 voor het Commissariaat-generaal hebt afgelegd werkte uw man, XXX, bij het Soedanese leger. In 1990 werd hij door de nieuwe regering ontslagen. Van juni 1990 tot het einde van het jaar werd hij omwille van een u onbekende reden opgesloten. Uw man vluchtte hierna naar Eritrea. Tegen u en uw zoon, XXX, zei hij dat jullie naar de Verenigde Arabische Emiraten moesten gaan. In Eritrea werd uw man lid van de partij 'Tajamou El Watani' (de Nationale Unie). Ook uw zoon werd lid van deze partij. In 1999 is uw man overleden. In 2003 weigerde de Soedanese ambassade in de Verenigde Arabische Emiraten uw paspoort te verlengen, omdat ze hiertoe instructies hadden gekregen vanuit Soedan. Op 26 februari 2003 keerde u samen met uw zoon terug naar Soedan om daar het paspoort te laten verlengen. Op de luchthaven werden jullie echter opgepakt en apart weggevoerd. U werd opgesloten in het kantoor van de Veiligheidsdienst in Umdurman. U werd beledigd en geslagen, maar niet ondervraagd. Men verweet u tot een familie van politieke opposanten te behoren. De partij van uw man organiseerde uw ontsnapping en uw vlucht naar België. De partij kocht een bewaker om, die u op 25 maart 2003 naar buiten liet, waar een wagen op u wachtte, die u naar Port Sudan bracht. Daar nam u de boot om via Libië naar België te reizen. U hebt niets meer vernomen over uw zoon. B. Motivering Uit uw verklaringen blijkt dat u ten opzichte van Soedan vervolging vreest wegens de politieke activiteiten van uw man en zoon. VII-30.660-2/7 Over uw vlucht uit Soedan in 1990 legt u echter erg vage en onsamenhangende verklaringen af voor het Commissariaat-generaal (hierna CGVS). U weet niet welke problemen uw man in Soedan kende, alhoewel u als gevolg van deze problemen uw land hebt verlaten (CGVS-verslag, p. 2 en 3). Ook kan u geen reden aanhalen waarom uw man u niet met zich meenam naar Eritrea (CGVS-verslag, p. 3). U verklaarde voor de Dienst Vreemdelingenzaken (hierna DVZ, gehoor dd. 25 april 2003) dat uw man lid was van de partij Tajamou El Watani, maar u weet niet wat hij voor de partij betekende (DVZ-verslag, p. 12). In verband met de dood van uw echtgenoot verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat hij sneuvelde in de burgeroorlog (DVZ-verslag, p. 12). Voor het Commissariaat-generaal verklaart u echter niet te weten of uw man overleed aan een natuurlijke dood of in de strijd, alhoewel leden van zijn partij u van zijn overlijden op de hoogte hebben gebracht (CGVS-verslag, p. 4). Het overlijden van uw man is een essentieel element in uw vluchtrelaas. Uw onsamenhangende verklaringen hierover tasten de geloofwaardigheid van uw vluchtrelaas verder aan. U verklaart dat ook uw zoon lid was van de Tajamou El Watani. U weet echter niet waaruit zijn activiteiten juist bestonden (DVZ-verslag, p. 12 en CGVS-verslag, p. 5). Aangezien u uw vluchtmotieven eveneens baseert op de politieke activiteiten van uw zoon kan van u redelijkerwijze verwacht worden dat u hierover meer precieze informatie kan geven. Bovendien vallen de politieke activiteiten van uw zoon, die vanaf 1990 tot 2003 voortdurend bij u in de Verenigde Arabische Emiraten verbleef, niet te rijmen met uw verklaring dat de partij Tajamou in de Verenigde Arabische Emiraten niet actief was (CGVS-verslag, p. 5). Ook over uw ontsnapping en vlucht uit Soedan legt u onsamenhangende verklaringen af. U verklaart voor het Commissariaat-generaal dat de partij beiden georganiseerd zou hebben, maar u kan niet zeggen hoe de partij op de hoogte was van uw opsluiting (CGVS-verslag, p. 5). Na de ontsnapping zou u geen contact meer gehad hebben met leden van de partij, alhoewel zij alles regelden en betaalden (CGVS-verslag, p. 5 en DVZ-verslag, p. 11). Ten slotte verklaart u dat u op dezelfde dag dat u de boot nam in Port Soedan, in Libië van boot verwisselde, hetgeen niet aannemelijk is aangezien de afstand van Port Sudan naar Libië over zee minstens 2000 km bedraagt. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde geen vermoeden van het bestaan van een geïndividualiseerde "vrees voor vervolging" vastgesteld worden. De door u in het kader van uw asielprocedure voorgelegde documenten (diploma, geboorteakte zoon, overlijdensakte moeder) hebben enkel betrekking op uw studiegegevens en de identiteitgegevens van uw moeder en zoon, die niet in twijfel getrokken werden. Zij kunnen de geloofwaardigheid en coherentie van uw vluchtrelaas niet herstellen. Het door u voorgelegde medische attest van Dr. V. L.r (dd. 30 april 2003), doet geen afbreuk aan voorgaande vaststellingen, aangezien dit document geen uitsluitsel kan verstrekken over de oorzaak van de door u opgelopen aandoeningen (diabetes en hypertensie). C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2.).". 2.1.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat als volgt luidt : VII-30.660-3/7 "Schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald van het zorgvuldigheidsbeginsel dat elke overheidsbeslissing op juiste, pertinente en niet tegenstrijdige motieven moet zijn gesteund. Doordat de bestreden beslissing blijkbaar genomen werd op basis van een onvolledig dossier. Doordat de overheid naliet om zorgvuldig de noodzakelijke gegevens te verzamelen, gebruik te maken van adviezen, nadere inlichtingen te vragen of overleg te plegen met de betrokkenen en zodoende niet volledig ingelicht was over alle belangrijke elementen die de bestreden beslissing hadden kunnen beïnvloeden. Terwijl de beslissing tot weigering van verblijf uitdrukkelijk gemotiveerd moet worden, steunende op afdoende juridische en feitelijke overwegingen, en dat deze overwegingen moeten steunen op juiste feiten en op een zorgvuldige en redelijke analyse. Om tot een rechtmatig besluit te komen dient de overheid zich derhalve op alle aanwezige elementen te steunen. Zodat de bestreden beslissing nietig is wegens schending van zowel de procedurele als de materiële zorgvuldigheidsnorm. Toelichting: Na de hoorzitting dd. 06/06/2003 heeft verzoekster nog een aantal documenten toegestuurd aan eerste verweerder. Op één document na worden deze allemaal besproken in de bestreden beslissing. Het niet besproken document handelt over de overleden man van verzoekster en is derhalve van cruciaal belang. Nochtans dient de overheid om tot een rechtmatig besluit te komen zich zorgvuldig voor te bereiden en alle relevante gegevens af te wegen. De vaststelling van de feiten dient juist en volledig te zijn. (R. v. St. nr.14.098, 29 april 1970; F. DEBAEDTS, De algemene rechtsbeginselen in het administratief recht in M. VAN HOECKE, Algemene rechtsbeginselen, Kluwer Rechtswetenschappen, Antwerpen, 1991, p.258-259). Door het niet in overweging nemen van een dergelijk belangrijk stuk heeft eerste verweerder dan ook geen zorgvuldige beslissing kunnen nemen. Bovendien vloeit uit die verplichting van zorgvuldigheid bij de feitenvinding voort dat verzoekster de mogelijkheid moet krijgen om bijkomende inlichtingen te verschaffen (A. VAN MENSEL, Het beginsel van behoorlijk bestuur, Mys & Breesch, Gent, 1997, p.98). Wanneer verzoekster dan ook gebruik maakt van deze mogelijkheid, is het aan de overheid om zorgvuldig om te springen met deze bijkomende gegevens en deze volledig, afdoend en correct te analyseren voor het nemen van een correcte beslissing. De bestreden beslissing werd met andere woorden niet op een zorgvuldige wijze voorbereid en is daardoor in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur. Het middel is gegrond."; 2.1.
  7. Overwegende dat uit de motivering van de bestreden beslissing niet blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen rekening heeft gehouden met een document betreffende de overleden echtgenoot van verzoekster; dat echter uit het administratief dossier noch de aanwezigheid noch het bestaan blijkt van een document dat “handelt over de overleden man van verzoekster”; dat, aangezien dit overtuigingsstuk blijkbaar de kern raakt van het bewijs van verzoeksters grief en van “cruciaal belang” is, het bij uitstek de zaak is van de verzoekende partij om erover te waken dat alle, naar haar mening, relevante stukken bij het verzoekschrift zijn gevoegd of minstens verduidelijkt wordt waarom het stuk niet wordt overgelegd; dat verzoekster het niet aan de Raad van State kan overlaten uit te zoeken of de door de bevoegde overheid vooropgestelde beoordeling van de feiten steun vindt in stukken die geen deel uitmaken van het administratief dossier; dat verzoekster bovendien geenszins duidelijk maakt op welke wijze dit “cruciaal” overtuigingsstuk de bestreden beslissing kan beïnvloeden; dat verzoekster dan ook niet aantoont dat het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden is; dat het eerste middel ongegrond is; VII-30.660-4/7 2.2.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel uiteenzet dat als volgt luidt : "Schending van artikel 52 en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; alsook schending van de formele en materiële motiveringsplicht zoals gegarandeerd door de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen Doordat de bestreden beslissing de asielaanvraag van verzoekster verwerpt op basis van enkele tegenstrijdigheden in haar relaas. Doordat in geval van tegenstrijdigheden eerste verweerder de asielaanvraag bedrieglijk moet verklaren en niet zoals in casu als tegenstrijdig. Terwijl nochtans ingevolge de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, art. 62 van de vreemdelingenwet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een verplichting rust op verwerende partij om haar beslissingen materieel en formeel te motiveren. Zodat de bestreden beslissing nietig is wegens schending van de bovenvermelde wetsartikelen en beginselen van behoorlijk bestuur. Toelichting : De bestreden beslissing verklaart de asielaanvraag in toepassing van artikel 52 van de vreemdelingenwet en steunende op enkele tegenstrijdigheden onontvankelijk wegens kennelijk ongegrond. Nochtans wanneer eerste verweerder zich voor de onontvankelijkheid steunt op enkele tegenstrijdigheden dient zij de asielaanvraag bedrieglijk te verklaren en niet tegenstrijdig. Bovendien baseert eerste verwerende partij zich op een aantal tegenstrijdigheden die kunnen ontkracht of uitgelegd worden. Onder andere over het overlijden van haar echtgenoot zou verzoekster tegenstrijdige verklaringen afgelegd hebben, alhoewel zij na haar verhoor door eerste verwerende partij deze nog documenten opstuurde die een beter licht konden werpen op dit overlijden. Eerste verwerende partij mag zich voor haar beslissing dus niet baseren op deze tegenstrijdigheid, gezien zij in het bezit was van de correcte informatie hieromtrent. Tevens baseert eerste verwerende partij zich op een aantal tegenstrijdigheden in het relaas van verzoekster die er bezwaarlijk toe kunnen leiden dat haar volledige relaas ongeloofwaardig wordt. Eerste verwerende partij gaat de geloofwaardigheid van verzoeksters' verhaal niet na tegen de achtergrond van algemeen bekende feiten. Deze motivatie steunt op enkel en alleen vermeende en/of weinig doorslaggevende tegenstrijdigheden en is dan ook niet afdoend. Het begrip 'afdoend' vervangt in deze de oorspronkelijke omschrijving uit het wetsvoorstel die stelde dat duidelijk, nauwkeurig, volledig en waarheidsgetrouw vermeld dient te worden wat de juridische en feitelijke overwegingen zijn die aan de grondslag liggen van de betreffende beslissing. (OPDEBEEK,
  9. en COOLSAET, A., Formele motivering van bestuurshandelingen, die Keure, Brugge, 1999, 143). In het woord afdoende ligt enerzijds het evenredigheidsbeginsel en anderzijds de draagkrachtvereiste besloten. (ANDERSEN, R. en LEWALLE, P., "La motivation formelle des actes administratifs", A.P.T. 1993, 62-85). Het evenredigheidsbeginsel houdt in dat de motivering in rechte en in feite wat betreft de omvang afhankelijk is van het belang, de aard en het voorwerp van de beslissing en het belang dat men hecht aan de motivering. De draagkrachtvereiste aan de andere kant vereist dat de motivatie volstaat om de beslissing te dragen. Met andere woorden moeten de aangevoerde motieven pertinent zijn en de beslissing in rechte en in feite verantwoorden. Verzoekster is van mening dat aan deze draagkrachtvereiste niet is voldaan. De bestreden beslissing schendt daarom volgens verzoekster de hoger vermelde wetsartikelen en beginselen van behoorlijk bestuur. Het middel is gegrond."; 2.2.
  10. Overwegende dat het vooreerst niet mogelijk is tegelijk de schending van de formele én materiële motiveringsplicht aan te voeren; dat, aangezien verzoekster in wezen de motieven van de beslissing betwist, het in casu de materiële motiveringsplicht betreft die moet worden onderzocht; dat voorts de Commissaris-generaal tot de kennelijke VII-30.660-5/7 ongegrondheid van een asielaanvraag kan beslissen wanneer de vreemdeling geen gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat de Commissaris-generaal daar eveneens toe kan besluiten wanneer het asielrelaas niet coherent, geloofwaardig of aannemelijk is; dat in casu uit verzoeksters verklaringen blijkt dat zij vreest voor vervolging in Soedan wegens de politieke activiteiten van haar echtgenoot en haar zoon; dat verzoekster over deze activiteiten echter vage en onsamenhangende verklaringen aflegt; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat zij niet wist welke problemen haar echtgenoot in Soedan kende en waarom hij haar niet meenam naar Eritrea, dat zij verklaarde dat haar echtgenoot lid was van een politieke partij maar dat zij niet wist wat hij voor de partij betekende, en dat zij evenmin wist waaruit de politieke activiteiten van haar zoon bestonden; dat verzoekster ook over haar ontsnapping en vlucht uit Soedan onsamenhangende verklaringen aflegt; dat verzoekster omwille van deze onsamenhangende en bijkomend tegenstrijdige verklaringen niet aannemelijk kan maken dat zij vreest voor vervolging in Soedan; dat de bestreden beslissing duidelijk de redenen aangeeft op grond waarvan tot de onontvankelijkheid van verzoekster asielaanvraag wordt besloten, en hierbij volledig wordt ondersteund door het administratief dossier; Overwegende dat verzoekster in haar uiteenzetting bovendien geenszins ontkent dat er incoherenties in haar asielrelaas zijn, doch wel de zwaarwichtigheid ervan betwist; dat dienaangaande geldt dat de bestreden beslissing in haar geheel dient te worden gelezen en er rekening moet worden gehouden met het geheel van de motivering; dat, daargelaten de vraag of de tegenstrijdigheid in verband met het overlijden van verzoeksters echtgenoot in redelijkheid als motief kon gelden, de overige door de Commissaris-generaal in zijn beslissing opgenomen motieven voldoende zwaarwichtig zijn om de bestreden beslissing te kunnen dragen; dat verzoekster immers geen poging onderneemt om een van de vastgestelde incoherenties in concreto te weerleggen; dat verzoekster evenmin enige pertinente elementen aanvoert die wijzen op een gegronde vrees voor vervolging; dat het derhalve, gelet op het geheel van de door verzoekster afgelegde vage, onsamenhangende en onaannemelijke verklaringen, die alle overeenstemmen met het administratief dossier, niet kennelijk onredelijk is van de Commissaris-generaal de asielaanvraag kennelijk ongegrond te verklaren; dat de bestreden beslissing genomen is in overeenstemming met de wetsbepalingen betreffende de motivering van de bestuurshandelingen; dat de motivering de beslissing blijkt te kunnen dragen en bijgevolg afdoende en deugdelijk is; dat het tweede middel ongegrond is;
  11. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als VII-30.660-6/7 accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, VII-30.660-7/7 BESLUIT: Artikel
  12. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig september tweeduizend en vier, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. C. VERHAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. M.-R. BRACKE. VII-30.660-8/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.129 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.