id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.138 Rolnummer: A. 132461/XIV-13674 Zaak: Arrest 135138 - - 21/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-11 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 09:16 Fiche Arrest nr 135.138 van 21 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.138 van 21 september 2004 in de zaak A. 132.461/XIV-13.
- In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat P. LYDAKIS, kantoor houdende te 4020 LUIK, Quai de la Dérivation 53/052 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, van Iraanse nationaliteit, op 21 januari 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 24 december 2002 tot bevestiging van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van respectievelijk 10 april 2001 en 17 oktober 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op 24 december 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 3 februari 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-13.674-1/7 Gelet op de beschikking van 9 december 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 januari 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die loco advocaat P. LYDAKIS in opvolging van advocaat A. BAHRAMI verschijnt voor de verzoekende partijen en van adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de eerste en de tweede verzoekende partij België binnenkomen, respectievelijk op 19 oktober 2000 en op 21 augustus 2002 en zich vluchteling verklaren, respectievelijk op 23 oktober 2000 en op 15 oktober 2002; dat op respectievelijk 10 april 2001 en op 17 oktober 2002 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 24 december 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissingen zijn, die als volgt zijn gemotiveerd: - wat betreft de eerste verzoekende partij: “U, een Iraans staatsburger van Perzische origine, verklaart problemen te hebben gehad in Iran omwille van het feit dat u een, voor u onbekende vrouw, hebt gered uit de handen van het Ettelaat (ministerie van informatie). Op 18/07/1379 (Iraanse tijdrekening: komt overeen met 10/10/2000 Europese tijdrekening) verliet u Iran. Op 22/10/2000 kwam u aan in België waar u dezelfde dag asiel aanvroeg. U bent in het bezit van uw boekje van burgerlijke stand. Volgens de verklaringen die u aflegde voor het commissariaat-generaal, werd u tussen 1357 (1978-1979) en 1365 (1986-1987) drie keer gearresteerd. De derde keer werd u door de militaire rechtbank veroordeeld voor desertie omdat u verklaard had dat u tegen de executies was van de oorloggevangenen uit Irak. U heeft vijftien maanden gevangen gezeten. Op 10/05/1379 (01/08/2000) rond 21.30-22.00 uur was u met uw moto onderweg van uw werk naar huis. Onderweg passeerde er een auto met twee mannen voorin en één vrouw achterin. U hoorde de vrouw om hulp roepen en u besloot hen te volgen. Op een bepaald moment kon u de auto doen stoppen. De chauffeur haalde een geweer boven en schoot éénmaal naast uw linkerbeen. Daarna heeft hij u een slag gegeven en u meegenomen naar de auto. Hij duwde u op de auto en haalde uw rijbewijs uit uw achterzak. Hij meende u te kennen. Ondertussen was de vrouw aan het roepen en kreeg u de kans hem te overmeesteren en zijn geweer af te nemen. U hebt hen gevraagd om naar de rechterkant van de autoweg te rijden. Daarna hebt u de banden van hun auto kapot geschoten en hen gevraagd om zich uit te kleden. U hebt de vrouw gevraagd om uit te stappen, de kleren en autosleutels mee te nemen en op de moto te stappen. De vrouw vertelde dat deze mannen haar thuis hadden opgezocht en haar verplicht hadden om in de wagen te stappen. Ze zei ook dat ze haar hadden verkracht en haar wilden liquideren. U hebt haar thuis afgezet en ze heeft u haar telefoonnummer gegeven. XIV-13.674-2/7 Direct daarna bent u naar het huis van uw schoonvader gegaan en u hebt hem en uw vrouw (ov. 5.015.644) ingelicht. Een paar uur later bent u met de auto, samen met uw vrouw, kind, schoonbroer, schoonzus, schoonvader en schoonmoeder naar Amol vertrokken naar het huis van XXX, een vriend van uw schoonbroer. Daar bent u samen met uw vrouw en kind een tweetal maanden gebleven. Ongeveer één week na het incident hebben vrienden uit uw buurt u gezegd dat er leden van de Sepah-e Pasdaran (korps van de revolutiewachters) zijn langsgekomen om u te zoeken. Vooreerst dienen een aantal tegenstrijdigheden te worden vastgesteld tussen uw opeenvolgende verklaringen bij dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en het commissariaat- generaal (CGVS). Hierdoor wordt de geloofwaardigheid van uw asielrelaas ernstig ondermijnd. Eerst en vooral legde u tegenstrijdige verklaringen af over de vrouw die u probeerde te redden. Zo verklaarde u voor de dienst Vreemdelingenzaken dat de vrouw u verteld had dat ze stond te liften (zie verhoorverslag DVZ, vraag 42) toen die mannen haar hadden opgepikt. Terwijl u voor het commissariaat-generaal verklaarde dat de vrouw verteld had dat die mannen haar bij haar thuis hadden opgezocht (zie verhoorverslag CGVS, p. 9) en haar verplicht hadden om in de wagen te stappen. Voorts verklaarde u voor de dienst Vreemdelingenzaken dat de mannen hadden geprobeerd haar te verkrachten (zie verhoorverslag DVZ, vraag 42). Terwijl u voor het commissariaat- generaal verklaarde dat de vrouw verteld had dat ze door die mannen was verkracht en dat ze haar wilden liquideren (zie verhoorverslag CGVS, p. 9). Verder legde u tegenstrijdige verklaringen af omtrent de wijze waarom u de banden lek maakte. Voor de dienst Vreemdelingenzaken verklaarde u dat u de banden van de auto plat had gestoken (zie verhoorverslag DVZ, vraag 42). Terwijl u voor het commissariaat-generaal verklaarde dat u hebt geschoten naar de banden van de auto (zie verhoorverslag CGVS, p. 7). U legde eveneens tegenstrijdigheden af omtrent uw verblijfplaats na het incident. Op dienst Vreemdelingenzaken zei u dat u na het incident samen met uw vrouw en kind twee weken bij uw schoonvader bleef logeren en dat u daarna vaak van woonplaats veranderde terwijl uw vrouw en kind bij haar vader bleven (zie verhoorverslag DVZ, vraag 42). Terwijl u tijdens het gehoor op het commissariaat-generaal zei dat u na het incident, samen met uw vrouw, kind en familie van uw vrouw, bent vertrokken naar de stad Amol waar u een tweetal maanden hebt verbleven in het huis van XXX (zie verhoorverslag CVVS, p. 11 en 1), een vriend van uw schoonbroer. Al deze elementen tasten de geloofwaardigheid van uw verklaringen op fundamentele wijze aan. Bovendien dient te worden opgemerkt dat, zelfs, indien uw verklaringen geloofwaardig zouden zijn, quod non, uit uw verklaringen blijkt dat de asielaanvraag steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel omdat ze geen verband houden met de criteria voorzien in de Conventie van Genève. De door u ingeroepen feiten, namelijk het redden van een vrouw uit de handen van de autoriteiten door het overmeesteren van de dienders, zijn van gemeenrechtelijk aard en vallen bijgevolg buiten het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie. Tenslotte dient nog te worden opgemerkt dat de arrestaties en uw veroordeling omwille van desertie dateren van tussen 1357 (1978-1979) en 1365 (1986-1987). U bleef daarna nog meerdere jaren in Iran zonder dat u nog ernstige problemen kende. Deze feiten zijn dus veel te ver in de tijd gesitueerd om nog onderdeel te kunnen uitmaken van uw actuele vrees voor vervolging. De door u in het kader van uw asielprocedure neergelegde documenten wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. Uw boekje van burgerlijke stand en van uw kind, uw rijbewijs, auto, uw rijbewijs moto, document i.v.m. invaliditeit tijdens de militaire dienst, document i.v.m. sportresultaten (Karate), voordeelkaart invalide t.g.v. militaire dienst, deelnemerskaart oorlog omdat ze enkel persoonsgegevens bevatten, waaraan niet wordt getwijfeld. Het attest van uw veroordeling voor desertie bevestigt dat u hiervoor een veroordeling opliep maar voegt niets toe aan uw asielrelaas. Het intern document van de Sepah-e Pasdaran toont aan dat gezocht wordt in Iran omwille van een conflict met de agenten van de Sepah, maar doet geen afbreuk aan bovenstaande motivering. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld.”; - wat betreft de tweede verzoekende partij: “U, een Iraans staatsburger van Perzische origine, verklaart Iran te zijn ontvlucht omwille van de problemen van uw man (o.v. 5.015.644). Op 30/05/1381 (Iraanse tijdrekening; komt overeen met 21/08/2002 Europese tijdrekening) verliet u Iran. Dezelfde dag nog kwam u in België aan waar u op 15/10/2002 asiel aanvroeg. XIV-13.674-3/7 Op 10/05/1379 (01/08/2000) was uw man met de moto onderweg naar huis. Onderweg heeft hij een onbekende vrouw in nood willen helpen uit de handen van mannen van het Ettelaat (ministerie van informatie, veiligheidsdienst). Hij slaagde erin de vrouw te bevrijden en is direct daarna naar het huis van uw vader gegaan waar u op dit moment ook was. Hij heeft u alles verteld en jullie besloten om voorlopig ergens anders te gaan wonen. Enkele uren later vertrokken jullie naar Amol samen met uw familie. Jullie zijn ongeveer twee maanden in Amol gebleven, daarna besloot uw man te vluchtten. Na zijn vlucht bent u bij uw ouders ingetrokken naar de Ettelaat liet u niet met rust. U en uw zoon werden op straat af en toe bevraagd over uw man. Twee jaar later besloot u ook te vluchten en uw man in België te vervoegen. Uit uw verklaringen blijkt dat u uw asielaanvraag in hoofdorde steunt op de motieven aangebracht door uw man ter staving van uw asielrelaas. U verklaarde vooral gevlucht te zijn omwille van de problemen van uw man. Derhalve dient voor een uitgebreide en gedetailleerde uiteenzetting te worden verwezen naar de beslissing van uw echtgenoot. Wat betreft het door hem ingestelde dringend beroep werd een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen. Derhalve dient ook voor u een bevestigende beslissing te worden genomen. Wat betreft de elementen die u aanbrengt met betrekking tot uw eigen problemen, namelijk dat u ondervraagd werd op straat over uw man, dient te worden opgemerkt dat het logisch is dat de autoriteiten u vragen stellen over uw man die gezocht wordt. Het betreft hier dus geen vervolging omwille van één van de criteria voorzien in de Vluchtelingenconventie. De door u neergelegde documenten, uw boekje van burgerlijke stand en uw internationaal paspoort wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet daar zij enkel persoonsgegevens betreffen waar niet wordt aan getwijfeld. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde niet worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals omschreven in de Conventie van Genève van 28 juli 1951.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een enig middel de schending opwerpen van artikel 1 van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), van de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, van het beginsel dat de overheid een beslissing dient te nemen met kennis van alle relevante elementen van de zaak en de kennelijke beoordelingsfout; dat zij aanvoeren dat de verwerende partij niet tot weigering van verblijf mag beslissen wanneer niet is aangetoond dat de asielaanvraag kennelijk vreemd aan de criteria van de Vluchtelingenconventie of bedrieglijk is, dat het vaststellen van bepaalde tegenstrijdigheden bij de eerste verzoekende partij niet volstaat om te bewijzen dat de verzoekende partij de Belgische overheid zou hebben willen misleiden, dat de Afghaanse tolk bij de dienst Vreemdelingenzaken het in Iran gesproken Perzisch niet juist kende, dat het verhoorverslag niet werd herlezen, dat de tegenstrijdigheden enkel aan een gebrekkige vertaling op de dienst Vreemdelingenzaken kunnen zijn te wijten, dat het relaas van de eerste verzoekende partij op het commissariaat-generaal wordt bevestigd door het geschreven verhaal bij de vragenlijst van het commissariaat-generaal en door de verklaringen van de tweede verzoekende partij, dat de door de verwerende partij vastgestelde tegenstrijdigheden geen afbreuk doen aan de ernst van het geheel van het relaas van de eerste verzoekende partij en de werkelijkheid van de door haar aangehaalde vrees, zodat de verwerende partij op grond van die tegenstrijdigheden zonder een kennelijke beoordelingsfout niet kon besluiten tot de afwijzing van de aanvraag in de XIV-13.674-4/7 ontvankelijkheidsfase, dat het beginsel van de tegenspraak alleszins is geschonden door de eerste verzoekende partij niet te confronteren met de grieven die haar volgens de bestreden beslissing worden aangerekend en dat, voor wat betreft de ingeroepen feiten die van gemeen recht zouden zijn, er rekening mee moet worden gehouden dat ieder verzet tegen de openbare macht en in het bijzonder tegen agenten van het ministerie van het Etelaat, wordt beschouwd als een aanslag tegen de Islamitische openbare orde en zwaar wordt gestraft, dat de verzoekende partij al meermaals werd gearresteerd en dat het ministerie van het Etelaat zich niet bezighoudt met zaken van gemeen recht; 2.
- Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent en die motieven inhoudelijk aanvecht; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt, waarop de door haar aangehaalde beginselen eveneens betrekking hebben, en dat het middel vanuit dit standpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 6 mei 1993, die artikel 52 van de Vreemdelingenwet heeft gewijzigd, blijkt dat de asielaanvrager zijn aanvraag moet kunnen staven met een coherent en geloofwaardig verhaal, dus dat hij in zijn land van herkomst verdrukt wordt en bloot staat aan vervolging of foltering (Parl. St., Kamer, 1992-93, nr. 903/5,8); dat de asielaanvrager derhalve altijd moet aantonen dat hij vervolgd wordt; dat dit geen omkering van de bewijslast betekent, maar een afwijzing als de aanvrager geen gegeven aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen zijn voor vervolging (Parl. St., Senaat, 1992-93, nr. 555-2, 83); Overwegende dat uit het verhoorverslag van de dienst Vreemdelingenzaken, dat zich in het administratief dossier bevindt, blijkt dat het verhoor van de verzoekende partij aldaar twee en een half uur heeft geduurd, dat de verklaringen van de verzoekende partij op het einde van dat verhoor werden voorgelezen, dat de verzoekende partij er geen opmerkingen over heeft geformuleerd alhoewel haar daartoe de mogelijkheid werd geboden en dat zij het verslag zonder enig voorbehoud heeft ondertekend; dat de verzoekende partij blijkens het verhoorverslag van het commissariaat- XIV-13.674-5/7 generaal wel heeft verklaard dat de tolk Afghaan was en dat “het leek alsof hij bepaalde zaken niet goed begreep”; dat de verzoekende partij noch op het commissariaat-generaal noch thans voor de Raad van State een concreet feit aanhaalt dat niet goed zou zijn vertaald op de dienst Vreemdelingenzaken; dat zij zich verder beperkt tot het op zeer algemene wijze minimaliseren van de vastgestelde tegenstrijdigheden, andermaal zonder op enige concrete tegenstrijdigheid in te gaan; dat geen enkele bepaling of beginsel er de commissaris-generaal toe verplichtte om de verzoekende partij te confronteren met de vastgestelde tegenstrijdigheden; dat de verzoekende partij met de eenvoudige stelling dat iedere daad van verzet streng wordt bestraft, niet aannemelijk maakt dat de aangehaalde feiten niet als feiten van gemeen recht zouden mogen worden beschouwd; dat de verzoekende partij tenslotte het motief niet weerlegt dat zij na haar arrestatie en veroordeling wegens desertie, die tussen 1978 en 1987 moeten worden gedateerd, zonder noemenswaardige problemen gedurende jaren in Iran heeft verbleven; dat de verzoekende partij aldus niet aantoont dat de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of in strijd met de artikelen 63 en 63/3 juncto 48 en 52 van de Vreemdelingenwet is genomen; dat het enige middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénentwintig september tweeduizend en vier, door : XIV-13.674-6/7 de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-13.674-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.138 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.