id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.141 Rolnummer: A. 120948/XIV-9982 Zaak: Arrest 135141 - - 21/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-11 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 09:17 Fiche Arrest nr 135.141 van 21 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.141 van 21 september 2004 in de zaak A.120.948/XIV-9.982 In zake : XXX, wonende te 1070 ANDERLECHT, Barastraat 204 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Oegandese nationaliteit, op 13 mei 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 10 april 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 7 januari 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 10 april 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 21 juni 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 12 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 april 2004; XIV-9.982-1/4 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. CHAYA, die, loco advocaat J.-P. VIDICK, verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 19 december 2001 en zich vluchteling verklaart op 21 december 2001; dat op 7 januari 2002 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 10 april 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die luidt als volgt: “U verklaarde de Oegandese nationaliteit te bezitten en te zijn geboren en opgegroeid in Gulu. Meer bepaald was u woonachtig te ‘Gulu district’ en liep u school in de ‘Alliance primary and secondary school’ te ‘Gulu town’. Op 30 augustus 2000 vielen rebellen van het ‘LRA’ (Lord Resistance Army) van Soedan uw school binnen. Samen met vele anderen werd u in een vrachtwagen meegenomen naar de hoofdstad van Soedan, in het gebied van ‘Khartown’. U en de anderen werden er opgesloten in het ‘Amaleka’ kamp. U diende er een militaire training te volgen en moest er ook andere taken verrichten zoals het kappen van hout. De vader van Kauma, een van uw klasgenoten, was er in geslaagd om in contact te komen met één van de rebellen, een oude vriend van hem, die vroeger nog in Oeganda had gewoond. Kauma ontving via deze rebel een brief met instructies voor zijn ontsnapping en bracht u daarvan op de hoogte. Ook Steven, een andere klasgenoot, was ingelicht. Jullie drieën sprongen elf maanden na jullie gevangenneming over het hek naar de plaats waar een wagen jullie stond op te wachten. U keerde niet terug naar Gulu maar ging naar uw oom XXX te Apak. Op een nacht in oktober 2001 kwamen de rebellen ook naar Apak. U en uw oom ontvluchtten de woning naar de rimboe en er werd beslist dat u daar zou blijven. U bouwde er een hut en uw oom bracht u voedsel. Een week later kwam uw moeder u opzoeken. Ze vertelde u dat uw broer XXX ook door de rebellen was meegenomen. Uw moeder zei u te blijven waar u was en trof ondertussen de nodige regelingen opdat u het land kon verlaten. Na een verblijf van twee weken en enkele dagen in de hut kwam een zwarte man u halen. Hij bracht u aan boord van een schip dat u naar België bracht. Op 21 december 2001 wendde u zich tot de gebouwen van de Belgische asielinstanties en startte er uw asielprocedure. Er dient te worden opgemerkt dat u onvoldoende elementen aanbrengt opdat er sprake zou zijn van een geïndividualiseerde ‘vrees voor vervolging’ in de betekenis van de Vluchtelingenconventie van Genève. Er rijzen met name ernstige twijfels omtrent uw bewering als zou u door rebellen van het Lord Resistance Army ontvoerd zijn en 11 maanden zijn vastgehouden. U bleek met name geen enkele naam te kennen van verantwoordelijken van het kamp waar u elf maanden zou hebben verbleven (verslag commissariaat-generaal dd. 20 februari 2002, p. 7), evenmin kon u een aanduiding geven van het aantal personen die in het kamp verbleven (verslag CGVS, p. 10). Joseph Konys was trouwens de enige rebellennaam van het LRA die u kon reproduceren (verslag CGVS, p. 7). Het is weinig aannemelijk dat u zou zijn meegenomen naar een kamp in de hoofdstad van Soedan. De rebellen van de LRA werden/worden weliswaar gesteund door de Soedanese regering maar het gebied van waaruit ze opereren is beperkt tot het zuiden van Soedan. Voorts is ook uw ontsnappingsrelaas weinig overtuigend. Zo stelde u niet eerder te zijn ontsnapt, niettegenstaande u daartoe in de mogelijkheid was door ‘over het hek te XIV-9.982-2/4 springen’, omdat er buiten de omheining niemand stond om jullie op te halen (verslag CGVS, p. 7-8). Uw verklaringen in het algemeen omtrent het LRA waren vaag en weinig precies. Op de vraag wanneer deze rebellenbeweging ontstaan is, bleef u het antwoord schuldig. U herhaalde tijdens het gehoor voor het commissariaat-generaal verschillende kerend at ze (het LRA) op 1 februari 2000 startten met het ontvoeren van mensen (verslag CGVS, p. 6). Verder verklaarde u dat er eerder, in 1999 ook al mensen ontvoerd waren, doch dit weet u niet aan de rebelen van het LRA maar aan een soort van leger, het SPLA. Deze laatsten strijden echter tegen de Soedanese regering en voeren geen gevecht tegen de Oegandese regering, integendeel ze genieten zelfs de steun van Museveni. Daarenboven gaat het ontstaan van het LRA veel verder terug in de tijd dan 1 februari 2000 (zie informatie in administratief dossier). Het is weinig waarschijnlijk dat u dergelijk onderscheid en precisering niet zou kunnen maken, gesteld dat u werkelijk in de handen zou zijn terecht gekomen van de rebellen van het LRA. Uw actuele vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève dient gerelativeerd te worden. U verklaarde dat u vreesde te worden opgesloten door de regering maar stelde eerder tijdens het gehoor voor het commissariaat-generaal dat u het kamp niet diende te verlaten tenzij om hout te kappen in het woud. Aangaande uw verdere activiteiten gedurende die elf maanden verklaarde u dat u een training diende te volgen (verslag CGVS, p. 7). Dit alles maakt het weinig aannemelijk dat u een vrees hebt ten aanzien van de Oegandese autoriteiten. Toen u hiermee werd geconfronteerd, beweerde u dat u tijdens uw verblijf in het kamp ook door de rebellen gedwongen werd mensen te slaan (verslag CGVS, p. 10). Bevreemdend is echter dat u dit niet eerder vermeldde voor het commissariaat-generaal en er evenmin melding van maakte voor de dienst Vreemdelingenzaken, noch in uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep. De verklaringen die u aflegde voor het commissariaat-generaal met betrekking tot uw reisweg waren evenmin overtuigend. Zo verklaarde u niet te weten vanuit wlke plaats, laat staan welk land u de bood nam. U wist niet te zeggen wat de naam is van het schip waarmee u reisde, evenmin kon u inlichtingen verschaffen aangaande de naam van de kapitein of de vlag waaronder het schip vaarde. Alsook is het weinig aannemelijk dat u niet door de bemanning van het schip zou zijn opgemerkt indien u werkelijk bedelde om voedsel te verkrijgen (verslag CGVS, p. 8-9). U blijkt niet in het bezit te zijn van enig document dat de controle van uw identiteit of reisweg mogelijk zou maken. Tenslotte brengt uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep geen enkel ander element naar voor dat vermag de weigeringsbeslissing van de dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij de schending aanvoert van artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat voornoemd artikel als doel heeft de taal van het onderzoek van de asielaanvraag te bepalen en geenszins de verplichting inhoudt om het interview te laten plaatsvinden in aanwezigheid van een tolk; dat het formulier dat de verzoekende partij ondertekende en waarbij zij om een tolk Engels verzocht, dient om de toepassing van artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet mogelijk te maken; dat bovendien uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij het verhoorverslag van de dienst Vreemdelingenzaken ondertekend heeft en verklaard heeft dat het overeenstemt met de inlichtingen die zij gegeven heeft; dat zij in haar verzoekschrift in dringend beroep geen opmerkingen heeft geformuleerd met betrekking tot eventuele vertaalproblemen en ook uit het verhoorverslag voor de commissaris-generaal blijkt niet dat zij enige opmerking hieromtrent heeft gemaakt; dat zij ook thans niet in concreto aantoont welke communicatieproblemen zich hebben voorgedaan in verband met de door de commissaris-generaal vastgestelde tegenstrijdigheden en in welke mate dit haar rechten heeft aangetast; Overwegende dat verzoekende partij betoogt dat ze in haar hoedanigheid van minderjarige dient begeleid te worden door een meerderjarige persoon; XIV-9.982-3/4 dat er echter geen wettelijke verplichting bestaat die inhoudt dat een minderjarige asielzoeker tijdens het interview dient te worden bijgestaan door een derde persoon; Overwegende dat de verzoekende partij, door te betogen dat het niet opgaat van haar te eisen dat ze de naam van de kapitein van het schip kende en de vlag waaronder het schip voer, en dat door haar jonge leeftijd niet kan worden verwacht dat zij het kamp waar zij elf maanden heeft doorgebracht kan beschrijven, niet aannemelijk maakt dat de conclusie van de commissaris-generaal dat haar asielaanvraag bedrieglijk en kennelijk ongegrond is, kennelijk onredelijk is; dat het enige middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénentwintig september tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-9.982-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.141 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div