← België

Arrest 135142 - - 21/09/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.142 Rolnummer: A. 118315/XIV-9147 Zaak: Arrest 135142 - - 21/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-11 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 09:17 Fiche Arrest nr 135.142 van 21 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.142 van 21 september 2004 in de zaak A. 118.315/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat N. TESSEUR, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Gouverneur Roppesingel 131 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Ethiopische nationaliteit, op 18 maart 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 18 februari 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 14 januari 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 18 februari 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 27 maart 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 12 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 april 2004; XIV-9147-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. HENDRIK, die loco advocaat N. TESSEUR, die verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 29 december 2001 en zich op 2 januari 2002 vluchteling verklaart; dat op 14 januari 2002 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 18 februari 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “U verklaarde de Ethiopische nationaliteit te bezitten, afkomstig te zijn uit Nopa en te behoren tot de Oromo-etnie. U en uw vader zijn OPDO-sympathisanten. (Oromo Peoples Democratic organisation), maar geen lid van deze of enige andere politieke partij. Uw familie baatte een hotel en winkel uit in Nopa. Op 16 mei 2001 werd uw vader opgepakt en opgesloten. Sindsdien is hij vermist. Op 10 september 2001 werd u gedurende 15 dagen opgesloten, geslagen en ondervraagd. Na 15 dagen werd u op borg vrijgelaten. Op 20 november 2001 werd u opnieuw gearresteerd. Na een waarschuwing dat u, indien u verder met politiek inliet, het lot van uw vader zou volgen, werd u dezelfde dag op borg vrijgelaten. Op 25 november 2001 hoorde u van een dronken klant en tevens EPRDF-lid (Ethiopian Peoples Revolutionary Democratic Front) dat men van plan was u te arresteren. Dezelfde avond vluchtte u richting Nairobi (Kenya) waar u op 29 december 2001 een vliegtuig naar Amsterdam (Nederland) nam. Van daaruit vervolgde u uw reis per auto naar België. Op 2 januari 2002 vroeg u asiel aan in België. Er dient te worden vastgesteld dat u een persoonlijke en actuele vrees voor vervolging volgens de criteria van de Geneefse Vluchtelingenconventie niet kan aannemelijk maken. Vooreerst ondermijnen enkele hiaten op essentiële punten in uw verklaringen de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. Zo verklaarde u voor de dienst Vreemdelingenzaken dat u op 20 november 2001 door de politie beschuldigd werd van hulp aan Oromo-strijders. U werd opgedragen de identiteit van elke vreemdeling die naar uw woning kwam te noteren en aan de politie over te maken. Zo niet wachtte u een gevangenisstraf. Uit schrik opnieuw opgesloten te worden, besloot u vervolgens het land te ontvluchten (punt 42, verhoorverslag dd 9 januari 2002). Genoemd politiebevel liet u echter geheel onvermeld voor het commissariaat-generaal. Wel verklaard u tijdens het verhoor voor het commissariaat-generaal dat u op 25 november 2001 van een dronken hotelklant hoorde dat u opnieuw gearresteerd zou worden (p. 4), een gebeurtenis die, aldus uw verklaringen voor het commissariaat-generaal de rechtstreekse aanleiding zou geweest zijn voor uw vlucht uit Nopa maar waarvan u voor de dienst Vreemdelingenzaken op geen enkele wijze enig gewag maakte. U kon overigens niet antwoorden op de vraag welke functie de klant had bij het EPRDF (p. 4). Bovenstaande vaststellingen ondermijnen de geloofwaardigheid van uw relaas en tevens uw vrees voor vervolging. Verder maakte u het niet aannemelijk dat u geviseerd werd door de Ethiopische autoriteiten omwille van uw politieke overtuiging. Vooreerst verklaarde u dat u en uw vader slechts sympathisanten waren van de OPDO (p. 2). Op de vraag wat precies uw politieke activiteiten waren, verklaarde u enkel dat u veel Oromo’s kende en met hen vaak over politiek praatte (p. 2 en 3), zonder daarbij enig element aan te brengen dat een eventuele vervolging XIV-9147-2/5 door de Ethiopische autoriteiten zou kunnen verklaren. Overigens dient te worden opgemerkt dat de OPDO deel uitmaakt van de Ethiopische regering (EPRDF). De door u aangebrachte Ethiopische identiteitskaart doet geen afbreuk aan voorgaande vaststellingen, gezien uw nationaliteit en identiteit niet worden betwist. Uw reisweg kan daarentegen, bij gebrek aan geldige documenten terzake, niet worden nagegaan. Tenslotte bevat uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep geen enkel ander element dat vermag de weigeringsbeslissing van de dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen.”; 2.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig (door haar “eerste” genoemd) middel de schending opwerpt van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het motiveringsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur; dat zij aanvoert dat uit de motivering van de bestreden beslissing niet blijkt waarom het dringend beroep is afgewezen terwijl de motieven in de akte zelf moeten voorkomen en terwijl uit de motivering ondubbelzinnig moet blijken waarom een beslissing is genomen, dat de verwerende partij in casu een negatieve beslissing heeft genomen op basis van een interview, dat de motivering niet geheel correct is nu het feit dat de verzoekende partij bepaalde verklaringen op de dienst Vreemdelingenzaken heeft afgelegd en niet op het commissariaat-generaal niet betekent dat de verzoekende partij liegt, dat de verzoekende partij op de vraag naar de functie van de klant bij het EPRDF antwoordde dat zij wist dat het een hoge functie was maar dat niet precies wist welke functie, dat dit niet betekent dat de verzoekende partij zou liegen noch dat zij op die manier haar geloofwaardigheid en haar vrees voor vervolging zou verliezen; 2.
  4. Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent en die motieven inhoudelijk aanvecht; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt en dat het middel enkel vanuit dit standpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; dat de “hiaten” in de verklaringen van de verzoekende partij, waarnaar in de bestreden beslissing wordt verwezen, wel degelijk kunnen worden teruggevonden bij een vergelijking van de verhoorverslagen van de dienst Vreemdelingenzaken en het commissariaat-generaal; dat de verzoekende partij een ander standpunt dan de verwerende partij inneemt betreffende de ernst van de vaststelling dat zij bepaalde feiten niet op de dienst Vreemdelingenzaken heeft vermeld; dat de verzoekende partij daarmee niet aantoont XIV-9147-3/5 dat de verwerende partij op grond van onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze heeft overwogen dat de geloofwaardigheid van het asielrelaas wordt ondermijnd door het feit dat de verzoekende partij gebeurtenissen die naar haar eigen zeggen de rechtstreekse aanleiding voor haar vlucht zouden zijn geweest, niet eens op de dienst Vreemdelingenzaken heeft vermeld; dat de verzoekende partij voorbijgaat aan het feit dat de motivering van de bestreden beslissing als een geheel moet worden gelezen, zonder dat ieder afzonderlijk punt van die motivering de beslissing moet kunnen dragen; dat enige middel ongegrond is;
  5. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  6. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénentwintig september tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, XIV-9147-4/5 M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-9147-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.142 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.