id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.143 Rolnummer: A. 126682/XIV-11675 Zaak: Arrest 135143 - - 21/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-11 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 09:18 Fiche Arrest nr 135.143 van 21 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 135.143 van 21 september 2004 in de zaak A. 126.682/XIV-11.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat E. MICHIELS, kantoor houdende te 3520 ZONHOVEN, Spierhoofseweg 3 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Indiase nationaliteit, op 11 september 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 12 augustus 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 20 juni 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 12 augustus 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 23 september 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 9 december 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 januari 2004; XIV-11.675-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. HENDRIX, die loco advocaat E. MICHIELS verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatloze; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 14 juni 2002 en zich op dezelfde dag vluchteling verklaart; dat op 20 juni 2002 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 12 augustus 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “U, een Indisch staatsburger, verklaart een Sikh te zijn, afkomstig uit Mubarakpur in de deelstaat Punjab. Op 12 juni 2002 hebt u India verlaten en bent u, met een vals paspoort via Uzbekistan en Duitsland naar België gekomen. Op 14 juni 2002 bent u in België toegekomen en hebt u asiel aangevraagd bij de Belgische autoriteiten. U bent in het bezit van uw rijbewijs, een kopie van uw voedselkaart en van documenten over drankaankopen. Op 15 maart 2002 hebben twee Sikhs in uw drankwinkel frisdranken gekocht. Deze zouden hun jeep achtergelaten hebben bij een politiecontrolepost die vervolgens door de politie is gevonden. De politie vond in hun wagen de drank en besloten daaruit dat deze drank vanuit uw winkel kwam gezien u in de regio de enige groothandelaar bent in frisdranken. De politie is bij u gekomen en vroeg u of u die twee mannen kende. U zei hen dat het de eerste maal was dat u hen zag. De politie geloofde u niet en begon u te slaan. De politie veronderstelde dat u ze kende omdat u net als hen een Sikh bent. U werd meengenomen naar het politiekantoor van Begowal in Khapurtala. De politie had geen aanhoudingsbevel. Er werd geen F.I.R. (First Information Report) opgesteld. Gedurende twee dagen werd u in het politiekantoor vastgehouden en geslagen. Uw broers, die samen met u in uw winkel werkten, vroegen de politie waarvan u beschuldigd werd. Na twee dagen werd u naar de gevangenis van Bombay gebracht. Uw broers hebben een advocaat geraadpleegd. Deze kreeg niet de toelating u te ontmoeten; U werd tot 28 mei 2002 in de gevangenis van Bombay vastgehouden. Op 28 mei werd u ‘s nachts vervoerd in een jeep samen met drie politiemannen en een chauffeur. De wagen werd opgehouden in een file. De politiemannen gingen kijken waarom het verker werd opgehouden. U deed alsof u sliep. Toen er slechts één politieman en de chauffeur in de wagen overbleven bent u uit de wagen ontsnapt. U bent weggelopen en na ongeveer één kilometer bent u met een vrachtwagen terug richting Bombay gereden. U beleef verborgen onder het zeil van de vrachtwagen. De volgende dag, in Panwail, op ongeveer 80 kilometer van Bombay, hebt u uw baard afgeschoren en ongeveer twee weken later hebt u India verlaten. Uw broer zou aangehouden zijn omdat u ontsnapt bent. Ondertussen zou hij, na tussenkomst van de ‘Panchayat’, de dorpsraad, zijn vrijgelaten. De elementen waarop u uw asielaanvraag baseert zijn onvoldoende zwaarwichtig om in aanmerking te komen als zijnde vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Vooreerst bent u nooit officieel in beschuldiging gesteld door de Indische autoriteiten. Er is geen F.I.R. (aanklacht) opgesteld noch was er een formeel aanhoudingsbevel. Indien u inderdaad contact had met vermeende Sikhterroristen in het niet onlogisch dat de politie u hieromtrent wou interpelleren. Dat de politie u weliswaar gedurende twee dagen vastgehouden en geslagen heeft wijst eerder op het wangedrag van lokale politiemannen dan wel op een persoonsgerichte XIV-11.675-2/5 vervolging. Bovendien hebt u tegen dit wangedrag nooit klacht ingediend hoewel u een advocaat had. Wat betreft uw verblijf in de gevangenis van Bombay kan men stellen, het ongeloofwaardig is dat u vanuit het politiekantoor in Khapurtale in Punjab, naar de gevangenis van Bombay zou worden gebracht, ongeveer 1500 kilometer verder terwijl er tegen u nooit een aanklacht werd ingediend en terwijl u ook nooit officieel in beschuldiging werd gesteld. Wat er ook van zij, u haalt geen elementen aan die erop wijzen dat u na uw ontsnapping geen gebruik zou kunnen maken van het interne vluchtalternatief teneinde aan uw vrees te ontkomen. Gezien u niet officieel aangehouden en beschuldigd werd is er ook geen basis waarop u officieel door de Indische autoriteiten gezocht zou worden. Aldus kan u zich elders in India (al dan niet binnen de deelstaan Punjab) vestigen teneinde aan uw vrees tegenover de lokale politie van Mubarakpur te ontkomen. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde geen vermoeden van het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De door u in het kader van uw asielaanvraag neergelegde documenen, een rijbewijs, een kopie van uw voedselkaart en bewijzen van drankaankopen wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. Deze documenten bevestigen enkel uw identiteit en uw beroepsbezigheid, waar niet aan wordt getwijfeld. Uw asielaanvraag is bijgevolg onontvankelijk.”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het redelijkheids- en van het zorgvuldigheidsbeginsel opwerpt en aanvoert dat de feitelijke en juridische overwegingen die aan een beslissing ten grondslag liggen, in die beslissing moeten worden vermeld, dat de motivering afdoende en naar redelijkheid verantwoord moet zijn, dat de overheid rekening moet houden met alle elementen waarover zij beschikt en eventueel een redelijke inspanning moet doen om de vereiste gegevens te bekomen, dat de overheid voldoende voorgelicht moet zijn en geen conclusies mag trekken die tegen het rechtsgevoel indruisen, dat het feit dat de verzoekende partij niet op de hoogte was van een F.I.R. niet aantoont dat er geen aanhoudingsbevel was, dat de broer van de verzoekende partij werd aangehouden nadat de verzoekende partij was ontsnapt en dat daaruit de wil van de overheid om de verzoekende partij te vervolgen kan worden afgeleid, dat de verzoekende partij betwist dat zij de mogelijkheid had zich elders in het land te vestigen zonder problemen met de overheid te ondervinden, dat de verwerende partij, zonder op de hoogte te zijn van alle gegevens, stelt dat het ongeloofwaardig is dat de verzoekende partij van Punjab naar Bombay zou zijn gebracht terwijl er geen aanklacht tegen de verzoekende partij zou zijn ingediend en dat de motivering van de bestreden beslissing derhalve niet afdoende is; 2.1.
- Overwegende dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent en die motieven inhoudelijk aanvecht; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt en dat het middel enkel vanuit dit standpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de XIV-11.675-3/5 administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; dat de verzoekende partij zich beperkt tot een eigen interpretatie van haar vluchtrelaas zonder daarmee aan te tonen dat de bestreden beslissing op onjuiste feitelijke gegevens is gesteund, op onzorgvuldige wijze is tot stand gekomen of op kennelijk onredelijke wijze is genomen; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending van artikel 14 van het E.V.R.M. opwerpt en aanvoert dat haar door de bestreden beslissing het recht van de in het E.V.R.M. vermelde rechten en vrijheden wordt miskend, dat de bestreden beslissing geen rekening houdt met de gevolgen die zij voor de veiligheid en de fysieke integriteit van de verzoekende partij veroorzaakt en dat een gedwongen terugkeer een rechtstreekse bedreiging voor het leven van de verzoekende partij vormt; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij slechts voorhoudt dat in geval van terugkeer naar het land van herkomst de in het E.V.R.M. gewaarborgde rechten zouden worden geschonden; dat de verzoekende partij deze stelling op geen enkele manier onderbouwt; dat voor zoveel als nodig naar de bespreking van het eerste middel wordt verwezen, waarmee de kritiek van de verzoekende partij tegen de vaststelling van geen gegronde vrees voor vervolging, is verworpen; dat het tweede middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- XIV-11.675-4/5 De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénentwintig september tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-11.675-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.143 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.