← België

Arrest 135198 - - 22/09/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.198 Rolnummer: A. 124451/VII-27358 Zaak: Arrest 135198 - - 22/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-11 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-04 09:21 Fiche Arrest nr 135.198 van 22 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing 1 RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 135.198 van 22 september 2004 in de zaak A. 124.451/VII-27.358 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat R. JESPERS, kantoor houdende te 2100 DEURNE (ANTWERPEN), Sint-Rochusstraat 59 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Oegandese nationaliteit, op 25 juli 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 27 juni 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 5 december 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 30 augustus 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 24 juni 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 8 september 2004; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-27.358-1/7 2 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. FLACHET, die, loco advocaat R. JESPERS, verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 27 november 2000 en verklaarde zich op 28 november 2000 vluchteling. 1.
  3. Op 5 december 2000 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 27 juni 2002 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag bedrieglijk en kennelijk ongegrond was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaarde de Oegandese nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn van Ntoke, Mukono distrikt. Uw broer, XXX, is de leider van de 'ADF' (Allied Democratic Forces). Via hem leerde u uw vriend XXX kennen, met wie u twee kinderen (XXX en XXX) hebt. In 1997 werd uw levensgezel, die ook betrokken was bij de ADF, door het leger gedood. U en uw familie werden er door de overheid van verdacht connecties te hebben met de rebellen en Jamil. In juni 1999 kwamen enkele personen van de inlichtingendienst naar uw woonplaats. U was afwezig maar uw moeder werd door hen geslagen en uw zus XXX werd gedurende een dag meegenomen. Na dit gebeuren verhuisde u samen met uw moeder naar Kampala. Jullie hadden er geen problemen en u raakte er in contact met een zekere Cobra. Deze laatste maakte ook deel uit van de ADF. U voerde een drietal leveringen (een doos, geld en voedsel) uit voor hem. Drie à vier maanden na jullie aankomst in de hoofdstad keerden jullie terug naar Ntoke. Op een nacht in april 2000 vielen soldaten jullie woning binnen. U en uw zus werden meegenomen naar de militaire barakken van Bombo. U werd ervan beschuldigd op de hoogte te zijn van de schuilplaats van Jamil. Zowel u als uw zus werden door verschillende personen verkracht. Na twee maanden haalde een officier met als titel 'Afande Leya' u uit de cel en liet u bij hem verblijven als zijn minnares. Hij zorgde er ook voor dat XXX werd vrijgelaten. De soldaten wilden u als pasmunt gebruiken in de hoop dat de rebellen hen niet zouden bekampen, wetende dat u bij hen verbleef. Op VII-27.358-2/7 3 een dag kwam de officier te weten dat u contact had gehad met Cobra. U bracht hem daarna op de hoogte van alles wat u voor deze rebel had gedaan. Drie dagen later deelde de officier u mee dat hij zou worden overgeplaatst en het plan had opgevat om u te helpen ontsnappen. U werd naar Mbale gebracht en kreeg 300.000 Oegandese Shilling toegestopt. Met de bus ging u daarop, via Maragba en Kisumy (Kenia) naar Nairobi. U nam er uw intrek in hotel Imperial, dat gefrequenteerd wordt door Oegandezen en ontmoette er iemand die u kende. U nam contact op met uw moeder en verhuisde naar hotel Swanga. U ontving er een bericht van de soldaat die u had helpen ontsnappen waarin hij u meldde Nairobi te verlaten. Op een dag kreeg u bezoek van een man die u zei dat hij een vriend was van Jamil. Hij bracht u op de hoogte van wat er verder zou gebeuren. Een Arabier kwam u ophalen en bracht u naar een plaats in de nabijheid van de luchthaven. Van daaruit nam een zwarte man u mee naar de luchthaven. Een blanke man, John genaamd, nam u mee aan boord van een SABENA-vlucht die richting België vloog. Op 28 november 2000 wendde u zich tot de gebouwen van de Belgische asielinstanties en startte er uw asielprocedure. Er dient te worden opgemerkt dat u onvoldoende elementen aanbrengt opdat er sprake zou zijn van een geïndividualiseerde "vrees voor vervolging" in de betekenis van de Vluchtelingenconventie van Genève. Vooreerst dient er te worden benadrukt dat er weinig geloof kan worden gehecht aan uw beweringen tijdens het verhoor voor het Commissariaat-generaal (CGVS, dd. 18 maart 2002) als zou u de zus zijn van XXX. Zo wist u de geboortedatum en het geboortejaar van uw broer niet (verslag CGVS, p.4). U beweerde dat uw broer school liep in Saoedi Arabië, doch bleek niet te weten wat, hoelang en waar hij daar studeerde (verslag CGVS, p.4). U stelde dat hij na zijn studies bij de 'Lybian-Arab bank' ging werken en dat hij ook preekte maar terzelfder tijd verklaarde u niet te weten of hij bleef werken in de bank en opperde u de mogelijkheid dat hij parttime actief was (verslag CGVS, p.4). Dit alles valt bezwaarlijk te rijmen met uw bewering dat u uw broer nog vaak zag toen hij rebel werd (verslag CGVS, p.4). Verder verklaarde u dat uw broer en ongeveer 10 anderen in 1986 werden opgepakt, verdacht werden van verraad en gedurende een jaar waren opgesloten maar u slaagde er niet in namen te geven van andere moslimactivisten die samen met uw broer werden opgepakt (verslag CGVS, p.3). Ten zeerste bedenkelijk is dat u voor de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) zelfs de betekenis van het letterwoord ADF niet kon geven (verslag Dienst Vreemdelingenzaken dd. 28 november 2000, punt 42). Aangaande de samenstelling van uw familie dient het volgende te worden opgemerkt. Voor de Dienst Vreemdelingenzaken gaf u aan een broer (XXX) en een zus (XXX) te hebben (verslag DVZ, punt 32). Tijdens het verhoor voor het Commissariaat-generaal stelde u echter twee broers en twee zussen (verslag CGVS, p.3) te hebben. Dit laat opnieuw toe te twijfelen aan uw (nauwe) verwantschap met XXX. U vermeldde voor het Commissariaat-generaal dat uw familie van religie veranderde maar kon hiervoor de reden niet aangeven (verslag CGVS, p.5). Het is ten zeerste opmerkelijk dat verscheidene van de hierboven vermelde gegevens (het aantal broers en zussen dat u hebt, de arrestatie en opsluiting van XXX, zijn opleiding en professionele carrière, ... ) in het algemeen vermeld staan in het door u neergelegde artikel 'Tears of a rebel fighter's mother' maar dat u -zoals hierboven voldoende aangetoond- het antwoord telkenmale schuldig bleef toen op deze punten door de interviewer van het Commissariaat-generaal dieper werd ingegaan. Er dienen nog enkele tegenstrijdigheden te worden vermeld die de geloofwaardigheid van uw verklaringen verder in het gedrang brengen. Zo verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat uw moeder, uw zus en uzelf werden meegenomen naar de legerpost in Bombo (verslag DVZ, punt 42) terwijl u voor het Commissariaat-generaal geen melding maakte van het feit dat ook uw moeder werd meegenomen (verslag CGVS, p.6). U verklaarde voor het Commissariaat-generaal dat de man met wie uw samen leefde, XXX, in 1997 werd neergeschoten door het leger en dat hij een rebel was die behoorde tot de ADF (verslag CGVS, p.2). U bleek echter niet te weten sinds wanneer hij betrokken was bij de rebellen, noch welke zijn activiteiten waren bij deze rebellenbeweging (verslag CGVS, p.3). Bovendien dient er opnieuw te worden verwezen naar uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken waar u in tegenstelling tot uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal beweerde niet te weten door wie of hoe uw man om het leven werd gebracht (verslag DVZ, punt 42). Wat er ook van zij, ook uw verklaringen omtrent uw gedwongen verblijf bij de militairen zijn weinig overtuigend. Zo bleek u de echte naam niet te kennen van de 'Afande Leya' die u nam als zijn minnares, evenmin wist u zijn rang te geven VII-27.358-3/7 4 (verslag CGVS, p.7). Verder is het weinig aannemelijk dat de officier u in samenspraak met de andere officieren zou helpen ontkomen terwijl het doel van uw arrestatie -de verblijfplaats van uw broer te weten komen nog niet werd bereikt. Alsook bleef u uiterst vaag over de manier waarop de 'Afande Leya' te weten kwam dat u in Nairobi verbleef (verslag CGVS, p.9). Het door u neergelegde artikel 'Tears of a rebel fighter's mother' brengt geen wijzigingen aan bovenstaande opmerkingen aangezien dit geenszins een materieel bewijs inhoudt van uw bewering als zou XXX uw broer zijn. Het uittreksel getiteld 'Uganda angry at US human rights report' uit een niet nader genoemde publicatie is van algemene aard en brengt geen bewijs aan van de door u aangehaalde problemen. Bij gebrek aan enig ander document blijkt een controle van uw identiteit of reisweg onmogelijk. Tenslotte brengt uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep geen enkel ander element naar voor dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen.". Dit is de bestreden beslissing. 2.1 Overwegende dat in een eerste middel de verzoekende partij de schending inroept van de formele motiveringsplicht, zoals deze voortvloeit uit de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat zij ook een schending inroept van artikel 149 van de Grondwet; Overwegende dat artikel 149 van de Grondwet alleen van toepassing is op beslissingen van rechtsprekende organen, en niet, zoals te dezen, op beslissingen van organen van het actief bestuur; Overwegende dat de formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kende, aangezien ze deze aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt; dat de verzoekende partij dan ook geen belang heeft bij het inroepen van een mogelijke schending van de formele motiveringsplicht; dat de toetsing van de formele motivering in beginsel niet de beoordeling van de inhoud van de motieven met zich brengt; Overwegende dat, zo het middel dusdanig geïnterpreteerd wordt dat de verzoekende partij de materiële motiveringsplicht geschonden acht, zij er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, en de gevolgtrekkingen die deze daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn; dat een verder onderzoek van het middel de Raad van State zou verplichten de feitelijke toedracht van de asielaanvraag te beoordelen, wat zaak is van de tot beslissen bevoegde overheid; dat de Raad van State, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat vaststellen; dat hij enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat in het kader van een marginale toetsing de aangeklaagde onwettigheid slechts dan wordt gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is; dat de verzoekende partij niet aanvoert, en bijgevolg evenmin VII-27.358-4/7 5 aantoont, dat de motieven onredelijk zouden zijn; dat de commissaris-generaal in de verklaringen van de verzoekende partij een niet onbelangrijk aantal tegenstrijdigheden en onnauwkeurigheden heeft vastgesteld; dat deze opgesomd worden in de bestreden beslissing; dat het te dezen niet kennelijk onredelijk is dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen uit een warrig, weinig precies, soms incoherent en zelfs tegenstrijdig asielrelaas afgeleid heeft dat de asielaanvraag bedrieglijk was; dat het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de appreciatie van de commissaris-generaal op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissing uitmaakt; dat het middel niet gegrond is; 2.
  5. Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt ingeroepen van artikel 1 van het verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953; Overwegende dat de Conventie van Genève niet verbiedt dat de verdragsluitende staten een regeling uitwerken waarin de criteria worden vastgelegd voor het in aanmerking nemen van een vluchtelingenverklaring; dat de Belgische Staat dit heeft gedaan in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat niet wordt aangetoond, zelfs niet aangevoerd, dat deze wetsbepaling strijdig zou zijn met voornoemde verdragsbepaling; dat het middel niet gegrond is; 2.
  6. Overwegende dat in een derde middel de schending wordt ingeroepen van artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet; dat de verzoekende partij in wezen lijkt te stellen stelt dat de commissaris-generaal, optredend in dringend beroep, geen beslissing ten gronde mag nemen, vermits de asielaanvraag nog in het stadium van de ontvankelijkheid verkeert; Overwegende dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in het kader van het dringend beroep de opdracht heeft na te gaan of een verder onderzoek van de erkenningsaanvraag noodzakelijk is en of de asielaanvrager voorlopig wordt toegelaten tot het verblijf in de hoedanigheid van kandidaat-vluchteling; dat hij, na de onontvankelijkheidsbeslissing van de minister van Binnenlandse Zaken, onderzoekt of de asielaanvrager gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat te dezen de commissaris-generaal in redelijkheid de aanvraag bedrieglijk kon verklaren, nu rekening werd gehouden met de diverse tegenstrijdigheden die in de bestreden beslissing werden aangehaald; dat het middel niet gegrond is;
  7. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: VII-27.358-5/7 6 Artikel
  8. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-27.358-6/7 7 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig september tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-27.358-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.198 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.