← België

Arrest 135204 - - 22/09/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.204 Rolnummer: A. 125232/VII-27512 Zaak: Arrest 135204 - - 22/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-11 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-04 09:22 Fiche Arrest nr 135.204 van 22 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 135.204 van 22 september 2004 in de zaak A. 125.232/VII-27.512 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat A. MOSKOFIDIS, kantoor houdende te 3600 GENK, Rootenstraat 21/20 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Nepalese nationaliteit, op 9 augustus 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 11 juli 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 6 september 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 30 augustus 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 24 juni 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 8 september 2004; VII-27.512-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. MOSKOFIDIS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 27 augustus 2001 en verklaarde zich op dezelfde dag vluchteling. 1.
  3. Op 6 september 2001 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 11 juli 2002 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag bedrieglijk en kennelijk ongegrond was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaarde de Nepalese nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn uit Maitidevi in Kathmandu, waar u een hotel uitbaat. Sinds 2056 (omzetting naar Gregoriaanse kalender 1999 à 2000) zou u sympathisant zijn van "Maobadi". Op 10/07/2057 (26 oktober 2000) zou u in uw hotel gearresteerd zijn, samen met drie vrienden die in uw hotel verbleven. Deze drie waren aanhangers van "Maobadi". Ze hielden in uw hotel een vergadering rond hun activiteiten voor deze partij. Zij hadden voordien vaak met andere voor u onbekende "Maobadi"-aanhangers in uw hotel vergaderd. De dag van de arrestatie was u net als de andere keren niet aanwezig op de vergadering. Voordien had u enkele keren een donatie gedaan aan "Maobadi" en leden voedsel en onderdak gegeven. U zou 15 dagen opgesloten zijn in het Kamal Pokhari-politiekantoor, terwijl uw drie vrienden elders werden opgesloten. U zou door de politie ondervraagd zijn over de "Maobadi"-aanhangers. Op 25/07/2057 (10 november 2000) zou u met behulp van de voorzitter van uw "ward" zonder meer vrijgelaten zijn. Enkele maanden nadien zou u deze drie vrienden teruggezien hebben VII-27.512-2/7 en zou u vernomen hebben dat zij mishandeld waren door de politie. De politie zou na uw vrijlating een aantal keer bij u thuis komen controleren zijn of u er aanwezig was. Op 23 en 24/02/2058 (5 en 6 juni 2001) organiseerden "Maobadi" een nationale stakingsdag naar aanleiding van het koningsdrama. De politie startte met huiszoekingen. Op 26/02/2058 (8 juni 2001) was u bij uw vriend Sanjaya toen u van uw broer XXX zou vernomen hebben dat de politie bij een huiszoeking in uw hotel "Maobadi"-pamfletten en -posters ontdekt had. U had die u in uw hotel verstopt. De politie had bij de huiszoeking naar u gevraagd. U bleef die dag bij Sanjaya in Maitidevi en vluchtte die avond naar uw vriend Sagar in Kalanki. U zou twaalf dagen bij hem ondergedoken zijn. Sagar zou van andere vrienden gehoord hebben dat u nog steeds gezocht werd. Op 7/03/2058 (21 juni 2001) zou u Kathmandu verlaten hebben waarna u op 10/03/2058 (24 juni 2001) in Delhi, India, aankwam. U zou er tot 10/05/2058 (26 augustus 2001) bij een oom verbleven hebben. Die dag zou u een vlucht genomen hebben naar Parijs om op 11/05/2058 (27 augustus 2001) in België aan te komen. U diende hier die dag nog een asielaanvraag in. Er dient vooreerst te worden opgemerkt dat tussen uw verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en die op het Commissariaat-generaal (CGVS) tegenstrijdigheden aangetroffen werden. U beweerde namelijk op het CGVS dat de personen die met u opgepakt werden in uw hotel alle drie uw vrienden waren en dat u met hen opgegroeid bent (CGVS, p. 6). Op DVZ beweerde u echter dat maar één van de drie "Maobadi"-aanhangers uw vriend was en dat u de andere twee personen zelfs niet kende (DVZ, p. 12). Nochtans gaat het in beide verklaringen om dezelfde personen, u gaf immers beide keren dezelfde namen op (Surendra Shrestha, Sarad Shrestha en Shiva Sunwar) (CGVS, p. 5 en DVZ, p. 12). Zo beweerde u ook op het CGVS dat enkel u naar het Kamal Pokhari-politiekantoor werd gebracht bij de arrestatie en dat uw drie vrienden in het Hanumandhoka-politiekantoor werden opgesloten (CGVS, p. 5 en 8). Uit uw verklaring op DVZ blijkt echter dat u allen samen naar het politiekantoor van Kamal Pokhari werd gebracht en dat uw vrienden pas de volgende dag naar Hanumandhoka werden overgebracht (DVZ, p. 13). Op DVZ verklaarde u tevens dat u bij uw vrijlating een document ondertekende waarin u akkoord ging met de voorwaarde niet meer deel te nemen aan verdere activiteiten van "Maobadi", zoniet kon u doodgeschoten worden (DVZ, p. 13). Op het CGVS vermeldde u deze voorwaarde niet, noch het feit dat u een dergelijk document ondertekende (CGVS, p. 10), wat zeer bevreemdend te noemen is aangezien het hier om doodsbedreigingen tegen u ging. U legde ook tegenstrijdige verklaringen af over de gebeurtenissen na uw vrijlating. Op het CGVS beweerde u dat de Kamal Pokhari-politie u in het oog hield en dat ze drie keer naar uw hotel kwamen ter controle. U kon zich echter geen details meer herinneren met betrekking tot de data van deze bezoeken (CGVS, p. 12). Op DVZ kon u vreemd genoeg wel nog verduidelijken dat de politie een maand na uw vrijlating controle kwam doen en nog twee à drie keer drie à vier maanden later (DVZ, p. 13). U verklaarde tevens op DVZ dat naar aanleiding van de moordaanslag op de koninklijke familie en een reactie hierop van "Maobadi"-leider Babu Ram Bhattarai de politie huiszoekingen in alle huizen en hotels uitvoerde, waaronder ook het uwe (DVZ, p. 13). Op het CGVS verklaarde u dat uw hotel doorzocht werd na het koningsdrama omdat u op een zwarte lijst stond en beweerde u dat deze huiszoeking geen verband hield met het koningsdrama (CGVS, p. 12 en 13). Bovendien beweerde u op het CGVS dat u niet zeker wist of andere hotels ook doorzocht werden (CGVS, p. 13), en maakte u op DVZ geen melding van een zwarte lijst. Ook wat de pamfletten en posters betreft die de politie bij de huiszoeking zou aangetroffen hebben, legde u tegenstrijdige verklaringen af. U beweerde op het CGVS dat u deze pamfletten bewaarde onder de kast die zich aan de receptie van uw hotel bevond (CGVS, p. 14), terwijl u op DVZ beweerde dat u ze onder de kleerkast in uw privé-kamer verstopt had (DVZ, p. 13). Bovendien kon u op het CGVS niet verduidelijken wat de inhoud van deze pamfletten was (CGVS, p. 13), terwijl u dat op DVZ wel nog kon (DVZ, p. 13). Op DVZ verklaarde u dat u op 27/02/2058 (9 juni 2001) uw vriend Sagar naar uw huis stuurde en dat hij terugkwam met het bericht dat de politie er een inval gedaan had, waarbij ze uw ouders bedreigd hadden. De agenten zouden er ook mee gedreigd hebben u te vermoorden (DVZ, p. 14). Op het CGVS vermeldde u dit bezoek van uw vriend aan uw ouders niet en verklaarde u enkel dat Sagar van "vrienden" zou gehoord hebben dat u nog gezocht werd door de politie (CGVS, p. 14). Bovendien kon u niet verduidelijken wie deze vrienden dan wel zouden VII-27.512-3/7 geweest zijn (CGVS, p. 14). Bovenstaande opmerkingen brengen dan ook de geloofwaardigheid van uw asielrelaas op ernstige wijze in het gedrang. Uw relaas op het CGVS blijft bovendien op bepaalde punten vaag en bevat tevens een aantal opmerkelijke elementen. U beweerde aanvankelijk op het CGVS dat u sympathisant bent van "Maobadi" en deze partij vrijwillig hielp (CGVS, p. 2). Later in het gehoor minimaliseerde u zelf uw graad van engagement voor "Maobadi" toen u verklaarde dat u zich enkel bezighield met uw hotel en niet precies wist waarover de vergadering ging van uw drie "Maobadi"-vrienden (CGVS, p. 6). Bovendien was u niet aanwezig op deze vergadering en kan u niet verduidelijken hoeveel keer uw "Maobadi"-vrienden in uw hotel vergaderd hadden (CGVS, p. 7). U verklaarde zelf nog dat u niet politiek betrokken was en de "Maobadi"-aanhangers enkel eten en onderdak gaf (CGVS, p. 7). U beweerde ook dat u enkele donaties deed aan "Maobadi" maar vreemd genoeg kon u niet zeggen wanneer u dat zou gedaan hebben (CGVS, p. 7). Ook welke documenten de politie bij uw "Maobadi"-vrienden gevonden zou hebben, kon u niet verduidelijken (CGVS, p. 8). U verklaarde tevens dat u, toen u uw vrienden terugzag die samen met u gearresteerd waren, niet over de arrestatie sprak (CGVS, p. 10). Ook over de mishandelingen die ze zouden ondergaan hebben, werd niet gesproken. Als reden gaf u op dat “dit niet interessant was” (CGVS, p. 10), wat op zijn minst bevreemdend te noemen is aangezien u deze feiten nu wel aanhaalt als een van uw vluchtmotieven. Bovendien blijkt uit uw verklaringen dat er onvoldoende aanwijzingen bestaan waaruit zou kunnen blijken dat u een gegronde vrees voor vervolging diende te koesteren omwille van één van de criteria zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli
  5. U werd opgepakt samen met drie "Maobadi"-aanhangers maar na ongeveer twee weken en zonder verdere rechtsgevolgen vrijgelaten. Uit uw relaas blijkt immers niet dat u voor een rechtbank verschenen bent of dat u officieel in beschuldiging werd gesteld. Bovendien werden uw vrienden, van wie de politie bepaalde documenten gevonden had, eveneens zonder rechtsgevolgen vrijgelaten. U verklaarde op DVZ echter dat deze documenten zouden aangetoond hebben dat uw vrienden "Maobadi"aanhangers waren (DVZ, p. 13). Aangezien uw vrienden vrijgelaten werden terwijl er toch bezwarende documenten zouden gevonden zijn, kan wat u betreft evenmin duidelijk aangetoond worden dat er een risico bestaat op vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie, te meer daar uw graad van betrokkenheid als louter sympathisant van "Maobadi" eerder laag te noemen is. Het feit dat de politie na uw vrijlating diverse keren een controle kwam doen in het hotel wijst er evenmin op dat u vervolgd zou zijn aangezien de politie enkel vroeg of u nog betrokken was bij "Maobadi" en zij telkens na een controle van de kamers zonder meer vertrokken (CGVS, p. 12). Bovendien blijkt dat uw vrees voor een nieuwe arrestatie naar aanleiding van het koningsdrama enkel gebaseerd is op een vermoeden. U zou van uw broer gehoord hebben dat de politie een huiszoeking deed en naar u vroeg maar dit feit alleen wijst er niet op dat u effectief zou gearresteerd en vervolgd worden (CGVS, p. 13). Ook het feit dat u gezocht werd door de politie is enkel gebaseerd op geruchten. U verklaarde immers dat uw vriend XXX van "andere vrienden" zou gehoord hebben dat de politie naar u op zoek was, zonder dat u kon verduidelijken wie dat was (CGVS, p. 14). U kon niet bevestigend antwoorden op de vraag of er tegen u een arrestatiebevel werd opgesteld en kon niet verduidelijken wat er met u zou gebeurd zijn indien u thuis was geweest tijdens de huiszoeking (CGVS, p. 15). U verklaarde daarna te vrezen gearresteerd te worden , zonder daar enige concrete aanwijzing voor te hebben (CGVS, p. 16). Bovendien volgt uit bovenvermelde tegenstrijdige elementen in uw relaas, met name deze rond uw eerste arrestatie, dat er ernstige twijfels rijzen wat betreft de geloofwaardigheid ervan, waardoor u niet hebt aannemelijk gemaakt dat u, zoals u zelf beweerde, op een zwarte lijst zou staan en een nieuwe arrestatie zou riskeren. U hebt dus evenmin aannemelijk gemaakt dat u uw toevlucht niet kon zoeken tot andere delen van Nepal om te ontsnappen aan de eventuele problemen die u kende. Gezien uw problemen van lokale aard zijn, en uw laag profiel als "Maobadi"-sympathisant, kan niet aangenomen worden dat u elders in Nepal gelijkaardige problemen zou kennen met uw autoriteiten. (bron: "Missierapport Nepal dd. Maart 2009 (Missie uitgevoerd door een vertegenwoordiging van Cedoca, documentatie- en researchdienst van het CGVS), p. 27-28,33 + Actualisatie Missierapport Nepal, nota Cedoca, dd. 07/06/02). In uw relaas blijken, zoals eerder VII-27.512-4/7 reeds werd vermeld, trouwens geen elementen voorhanden waardoor u op nationaal vlak zou gezocht worden. U verklaarde trouwens eerst zelf dat u wel degelijk het interne vluchtalternatief kon toepassen maar voegde er plots aan toe dat u daarmee uw leven riskeerde (CGVS, p. 15). U kon deze bewering evenwel niet met concrete aanwijzingen staven. Uw bewering dat "u er niet aan gedacht had naar een ander district te vluchten" is geen afdoende verantwoording voor het feit dat u dit interne vluchtalternatief niet hebt toegepast (CGVS, p. 15). Ten slotte dient te worden opgemerkt dat u niet in het bezit bent van enig reis- en/of identiteitsdocument, waardoor uw reisweg en/of identiteit niet kunnen gecontroleerd worden. Volgens informatie ter beschikking van het CGVS zou u nochtans enig identiteitsdocument moeten kunnen voorleggen (bron: "Missierapport Nepal dd. maart 2002 (Missie uitgevoerd door een vertegenwoordiging van Cedoca, documentatie- en researchdienst van het CGVS), p.15-16"). U verklaarde trouwens zelf dat u in Nepal in het bezit was van ten minste uw identiteitskaart (CGVS, p. 4).". Dit is de bestreden beslissing. 2.
  6. Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van het recht van verdediging doordat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zou gebruik hebben gemaakt van een informatiebron die niet zou zijn “overgelegd”; Overwegende dat de commissaris-generaal niet verplicht is tijdens het verhoor zelf de kandidaat-vluchteling te confronteren met de informatie waarover hij beschikt; dat de stukken met betrekking tot de gebruikte informatiebron(nen) zich in het administratief dossier bevinden; dat de verzoekende partij van deze stukken kennis heeft kunnen nemen, maar nalaat ze aan kritiek te onderwerpen of concreet aan te tonen dat de commissaris-generaal er verkeerde of kennelijk onredelijke conclusies zou hebben uit afgeleid; dat het middel niet gegrond is; 2.
  7. Overwegende dat in het tweede middel de verzoekende partij de schending aanvoert van de motiveringsplicht zoals uitgedrukt in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en in artikel 62 van de Vreemdelingenwet doordat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich gebaseerd heeft op eenzijdige informatie en ten onrechte de asielaanvraag heeft afgewezen op grond van een aantal tegenstrijdigheden in de opeenvolgende verklaringen van de verzoekende partij; Overwegende dat de in artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen neergelegde formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid ze heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; Overwegende dat uit de bewoordingen van de bestreden beslissing blijkt dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in het eerste deel van VII-27.512-5/7 die beslissing op uitgebreide wijze én uiterst gedetailleerd de verklaringen die de verzoekende partij tijdens de diverse verhoren in het kader van de asielprocedure heeft afgelegd, uiteenzet; dat vervolgens de bevindingen worden weergegeven van het onderzoek van deze verklaringen; dat de commissaris-generaal aan de hand van deze vaststellingen ten slotte concludeert dat de asielaanvraag van betrokkene bedrieglijk en kennelijk ongegrond is; dat bijgevolg dient te worden besloten dat de bestreden beslissing blijkt te zijn genomen in overeenstemming met de wetsbepalingen betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, aangezien zij de feitelijke en juridische overwegingen vermeldt die eraan ten grondslag liggen; dat deze de bestreden beslissing blijken te kunnen dragen en derhalve afdoende en deugdelijk zijn; Overwegende dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij kennis heeft genomen van de bevindingen, vaststellingen en conclusies van de commissaris- generaal die hebben geleid tot de bestreden beslissing, aangezien zij deze bij de uiteenzetting van haar middel betrekt; dat, nu blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de beslissing kent, het middel, voorzover het gesteund is op de schending van de aangehaalde wetsbepalingen, niet dienstig kan worden ingeroepen; Overwegende dat, wat betreft de tegenstrijdigheden die de commissaris-generaal heeft vastgesteld, van een kandidaat-vluchteling mag verwacht worden dat deze, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, de feiten die de oorzaak waren van zijn vlucht uit het land van herkomst nauwkeurig, zorgvuldig, op een coherente en geloofwaardige manier weergeeft aan de overheden, bevoegd om kennis te nemen van de asielaanvraag, zodat op grond van dit relaas kan worden nagegaan of er in hoofde van de kandidaat-vluchteling aanwijzingen bestaan om te besluiten tot het bestaan van een gevaar voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat de commissaris-generaal in het huidige geval op redelijke gronden vaststelt dat een aantal tegenstrijdigheden de geloofwaardigheid van het asielrelaas van de verzoekende partij ondermijnen; dat deze tegenstrijdigheden, die geput werden uit de verklaringen van de verzoekende partij, in de bestreden beslissing werden weergegeven; dat de verzoekende partij er niet in slaagt een aannemelijke verklaring te geven voor deze incoherenties; dat de beslissing van de commissaris-generaal niet kennelijk onredelijk is; dat het middel niet gegrond is;
  8. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, VII-27.512-6/7 BESLUIT: Artikel
  9. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig september tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-27.512-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.204 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.