← België

Arrest 135218 - - 22/09/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.218 Rolnummer: A. 126477/VII-27796 Zaak: Arrest 135218 - - 22/09/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-10-11 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 09:22 Fiche Arrest nr 135.218 van 22 september 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 135.218 van 22 september 2004 in de zaak A. 126.477/VII-27.796 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat V. LURQUIN, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Zwitserlandstraat 22 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van XXX nationaliteit, op 6 september 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 7 augustus 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 8 september 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 17 september 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 24 juni 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 8 september 2004; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-27.796-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. JANSSEN, die, loco advocaat V. LURQUIN, verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 27 augustus 2000 en verklaarde zich op niet nader bepaalde datum vluchteling. 1.
  3. Op 8 september 2000 nam de minister van Binnenlandse Zaken ten aanzien van de verzoekende partij een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 7 augustus 2002 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag onontvankelijk was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u de toegang tot het grondgebied werd geweigerd. De Dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 12 juni 2002 op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2.).". VII-27.796-2/5 Dit is de bestreden beslissing.
  5. Overwegende dat in een enig middel de schending wordt ingeroepen van artikel 52, § 4 (bedoeld wordt waarschijnlijk artikel 52, § 2, 4/) van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en van de artikelen 4 en volgende van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur; dat de verzoekende partij het middel als volgt uiteenzet: "- Schending van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, in het bijzonder artikel 52 §4; - Schending van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur - Schending van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, in het bijzonder het artikel 4 en volgende; 1.- Doordat verweerster stelt dat verzoekster binnen een termijn van één maand geen gevolg heeft gegeven aan haar verzoek om inlichtingen verstuurd op 12 juni 2002; Uit de aangevochten akte blijkt aldus dat de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen art. 52, par.2, 4/ Vreemdelingenwet heeft toegepast. Terwijl deze bepaling bepaalt dat de kandidaat-vluchteling het verblijf zal worden geweigerd 'wanneer de vreemdeling, binnen een maand na de verzending geen gevolg heeft gegeven aan een oproeping of een verzoek om inlichtingen en daarvoor geen geldige reden kan opgeven.' (R.v.St. nr. 73.169, 21 april 1998, http://www.raadvstconsetat.be (7 januari 2000); Rev. dr. étr. 1998, 212; T. Vreemd. 1998,47). Een oproeping waarmee de vreemdeling wordt verzocht de elementen voor te leggen die hij wenst aan te voeren ter ondersteuning van zijn asielaanvraag zonder hem enige bijkomende nadere toelichting of verklaring te vragen, is geen verzoek om inlichtingen in de zin van art. 52, par. 2, 4/ Vreemdelingenwet. Een dergelijk verzoek heeft als enig belang het bekomen van elementen die de betrokkene reeds aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen heeft meegedeeld in zijn dringend beroep (R.v.St. nr. 78.354, 26 januari 1999, http://www.raadvst-consetat.be (8 september 2000); A.P.M. 1999 (samenvatting), 25). Dat verweerster derhalve het artikel 52,§4 van de voornoemde Vreemdelingenwet van 15 december 1980 geschonden heeft; 2.- Dat verder dient aangestipt te worden dat met de zinssneded 'binnen een maand na verzending' zoals opgenomen in het artikel 52§4 dient verstaan te worden, na kennisneming door de kandidaat-vluchteling, in casu verzoekster, van het schrijven van 12 juni 2002; Dat moeilijk kan aanvaard worden dat verzoeker zou antwoorden op een schrijven van verweerster wanneer zij nooit kennis heeft kunnen nemen van dit schrijven. Dat dit in strijd is met het beginsel van behoorlijk bestuur. Dat het feit dat verzoekster nooit kennis heeft kunnen nemen van het schrijven van 12 juni 2002 blijkt uit de twee documenten die verzoekster in bijlage aan dit verzoekschrift toevoegt, namelijk: - kopie van de omslag van het aangetekend schrijven van 12 juni 2002 van verweerster waarop duidelijk vermeld staat dat het schrijven door verzoekster nooit werd afgehaald op het postkantoor nadat een postbode zich bij haar heeft aangemeld op een ogenblik dat deze laatste afwezig was; - verklaring van een verantwoordelijke van De Post waaruit blijkt dat om nog onbekende redenen geen bericht ontvangen heeft van het feit dat een postbode zich op haar adres heeft aangemeld met de aangetekende zending van 12 juni 2002 en derhalve geen kennis heeft kunnen nemen van dit schrijven; 3.- Dat verder dient vastgesteld te worden dat verweerster klaarblijkelijk geen gevolg wenst te geven aan het verzoek van de raadsman van verzoekster om een copij te krijgen van het rapport van de ondervraging voor de Dienst Vreemdelingenzaken evenals van nota's die werden genomen tijdens die ondervraging; VII-27.796-3/5 Dat de raadsman van verzoekster nochtans herhaaldelijk schriftelijk (faxbericht van 22 en 30 augustus) en telefonisch (sinds eind augustus dagelijks) om een kopie van het rapport van het verhoor voor de Dienst vreemdelingenzaken en dit voor verweerster heeft verzocht. Dat dit allerminst getuigt van behoorlijk bestuur; Dat pas op 6 september 2002, de laatste nuttige dag voor het instellen van een vordering tot schorsing en een verzoek tot vernietiging van de beslissing van verweerster van 7 augustus 2002, de raadsman van verzoekster in het bezit gesteld werd van een kopie van het verhoorverslag van de dienst Vreemdelingenzaken; Dat verzoekster inderdaad dient in het bezit gesteld te kunnen worden van een kopie van haar eigen verklaringen en haar dossier ten einde naar behoren en met kennis van zaken haar verdediging te kunnen opnemen; Door dit pas toe te laten op de laatste nuttige dag voor het instellen van een beroep tot vordering en een verzoek tot vernietiging bij de Raad van State tegen de beslissing van verweerster, schendt deze laatste de artikelen 4 en volgende van de voornoemde Wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur en het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur,"; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat aan de verzoekende partij op 12 juni 2002 een verzoek om inlichtingen aangetekend werd verstuurd en dat dit schrijven aan het adres van de verzoekende partij werd aangeboden op 13 juni 2002, maar dat de verzoekende partij de zending niet ging afhalen bij de post; dat de verzoekende partij niet ten genoege van recht bewijst dat in haar brievenbus geen bericht van aanbieding zou zijn achtergelaten; dat de “verklaring van de verantwoordelijke van de post” die de verzoekende partij bij haar verzoekschrift heeft gevoegd niet de minste bewijswaarde heeft, nu het niet duidelijk is van wie zij uitgaat, vermits noch de naam, noch de functie zijn vermeld van diegene die het document -op onleesbare wijze- heeft ondertekend; dat de verwerende partij dan ook terecht toepassing heeft gemaakt van artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet; dat de verzoekende partij een kopie heeft ontvangen van het verslag van haar verhoor bij de Dienst Vreemdelingenzaken; dat zij zonder moeilijkheden een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State heeft kunnen instellen; dat het middel niet gegrond is;
  6. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, VII-27.796-4/5 BESLUIT: Artikel
  7. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  8. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig september tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-27.796-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.218 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.